← België

Arrest 251996 - Milieuvergunningen - 28/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.996 Rolnummer: A. 224810/VII-40235 Zaak: Arrest 251996 - Milieuvergunningen - 28/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-10 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-11 14:41 Fiche Arrest nr 251.996 van 28 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.996 van 28 oktober 2021 in de zaak A. 224.810/VII-40.235 In zake :

  1. Jos MARTENS
  2. Monica RIGHELLI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 19 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 18 januari 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 13 december 2012 houdende toekenning van een milieuvergunning voor het exploiteren van een windturbinepark met drie windturbines gelegen langsheen de N80 te Sint-Truiden, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 241.976 van 28 juni 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-40.235-1/15 De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 29 april 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 oktober
  5. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. VII-40.235-2/15 III. Feiten 3.
  7. De CVBA Ecopower dient op 28 augustus 2012 bij de deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in voor een milieuvergunning klasse 1 voor de exploitatie van drie windturbines in Sint-Truiden, langsheen de N
  8. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek over de aanvraag worden negentien bezwaarschriften ingediend, waaronder één van de verzoekende partijen. De nodige adviezen worden ingewonnen. De Provinciale Milieuvergunningscommissie verleent een unaniem gunstig advies. 3.
  9. Op 13 december 2012 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg de vergunning. 3.
  10. Tegen deze beslissing worden, onder meer door de verzoekende partijen, bestuurlijke beroepen aangetekend bij de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. Opnieuw worden de nodige adviezen gevraagd. 3.
  11. Op 18 januari 2018 verklaart de minister de beroepen gedeeltelijk gegrond en verleent zij de vergunning. Dit is de bestreden beslissing, waarin onder meer wordt overwogen: “Overwegende dat het aanvraagdossier een geluidsstudie bevat, opgemaakt door een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid; dat de geluidsstudie continue immissiemetingen bevat die werden uitgevoerd van 29 februari 2012 tot en met 19 maart 2012 ter hoogte van de drie meetpunten; VII-40.235-3/15 Overwegende dat de geregistreerde geluidsniveaus in de drie meetpunten per windrichting gerangschikt worden; dat er een opsplitsing gemaakt wordt tussen de geluidsniveaus geregistreerd bij windsnelheden kleiner of gelijk aan 5 m/s en de geluidsniveaus die geregistreerd werden bij windsnelheden van meer dan 5 m/s; dat voor de bepaling van de richtwaarden op basis van het achtergrondgeluid gebruik wordt gemaakt van de gemiddelde LA95-niveaus die werden opgemeten bij de meest ongunstige windrichting ten opzichte van de windturbines en bij windsnelheden kleiner of gelijk aan 5 m/s; dat indien er meerdere windrichtingen zijn van bron naar ontvanger, de windrichting met de laagste gemiddelde waarde wordt gebruikt; dat de bepaling van de richtwaarde voor specifiek de nachtperiode gebeurt op basis van de vier laagste gemiddelde nachtelijke waarden van het achtergrondgeluid; Overwegende dat het gemeten achtergrondgeluid ter hoogte van meetpunt 1 50,9 dB(A) bedraagt tijdens de dagperiode en 48,1 dB(A) tijdens de avondperiode; dat beide waarden hoger liggen dan de richtwaarden van VLAREM II (respectievelijk 44 dB(A) en 39 dB(A)); dat het gemeten achtergrondgeluid voor de nachtperiode 29,2 dB(A) bedraagt en dus lager ligt dan de richtwaarde van 39 dB(A), waardoor het achtergrondgeluid er niet maatgevend is als norm; dat het gemeten achtergrondgeluid ter hoogte van meetpunt 2 42,1 dB(A) bedraagt tijdens de dagperiode, 38,9 dB(A) tijdens de avondperiode en 24,3 dB(A) tijdens de nachtperiode; dat deze waarden lager liggen dan de richtwaarden van VLAREM II (respectievelijk 43 dB(A), 39 dB(A) en 39 dB(A)), waardoor het achtergrondgeluid er niet maatgevend is als norm; dat het gemeten achtergrondgeluid ter hoogte van meetpunt 3 46,3 dB(A) bedraagt tijdens de dagperiode en 30,1 dB(A) tijdens de nachtperiode; dat beide waarden lager liggen dan de richtwaarden van titel II van het VLAREM (respectievelijk 48 dB(A) en 43 dB(A)), waardoor het achtergrondgeluid er niet maatgevend is als norm; dat het gemeten achtergrondgeluid voor de avondperiode 45 dB(A) bedraagt en dus hoger ligt dan de richtwaarde van 43 dB(A), waardoor het achtergrondgeluid er wel maatgevend is als norm gedurende de avondperiode; Overwegende dat in de geluidsstudie het te verwachten geluidsdrukniveau wordt berekend; dat de geluidscontouren werden berekend voor de windturbinetypes Siemens SWT-2,3-113 (brongeluid bij 95% van het nominale vermogen: 105 dB(A)), Repower 3.2 M114 (brongeluid bij 95% van het nominale vermogen: 105,2 dB(A)) en Enercon E101 (brongeluid bij 95% van het nominale vermogen: 106 dB(A)); dat uit de geluidsstudie blijkt dat gedurende de dagperiode ter hoogte van al de evaluatiepunten wordt voldaan aan de richtwaarden van titel II van het VLAREM; Overwegende dat in het aanvraagdossier wordt gesteld dat er tijdens de avondperiode ter hoogte van 4 van de 13 beoordelingspunten beroep wordt gedaan op het opgemeten achtergrondgeluid; dat het meer bepaald volgende beoordelingspunten betreft: Alkerweg 60, Begaardenbosstraat 29, Nachtegaal 88 en Nachtegaal 48, allen gelegen te 3800 Sint-Truiden; dat deze beoordelingspunten op een afstand van meer dan drie keer de rotordiameter liggen; dat tijdens de nachtperiode ter hoogte van elke beoordelingspunt moet voldaan worden aan de richtwaarden van titel II van het VLAREM, aangezien het opgemeten achtergrondgeluid tijdens de nachtperiode telkens lager ligt dan de respectievelijke richtwaarden; VII-40.235-4/15 Overwegende dat uit de geluidsstudie blijkt dat het geluidsvermogensniveau van de windturbines tijdens de avondperiode moet gereduceerd worden tot 101 dB(A) (WT2) en 102,5 dB(A) (WT3) indien geopteerd wordt voor het windturbinetype Siemens SWT2.3-113; dat indien er geopteerd wordt voor de windturbinetypes Repower 3.2M114 of Enercon E101, het geluidsvermogensniveau van de windturbines moet gereduceerd worden tot 105 dB(A) (WT1), 100 dB(A) (WT2) en 102 dB(A) (WT3) om gedurende de avondperiode aan de richtwaarden of het gemeten achtergrondgeluid te voldoen; dat het geluidsvermogensniveau van de windturbines tijdens de nachtperiode moet gereduceerd worden tot 101,5 dB(A) (WT1), 102 dB(A) (WT2) en 102,5 dB(A) (WT3) indien geopteerd wordt voor het windturbinetype Siemens SWT2.3-113; dat indien er geopteerd wordt voor de windturbinetypes Repower 3.2M114 of Enercon E101, het geluidsvermogensniveau van de windturbines moet gereduceerd worden tot 101 dB(A) (WT1), 101,5 dB(A) (WT2) en 102,5 dB(A) (WT3) om gedurende de nachtperiode aan de richtwaarden te voldoen; dat het geluidsvermogensniveau kan gereduceerd worden door de windturbines in ‘reduced noise mode’ te laten draaien; Overwegende dat het specifiek geluid van de windturbines in de geluidsstudie werd berekend met het computerprogramma Geomilieu V1.91 conform de methode van ISO 9613-2:1996; dat de spectrale gegevens van het windturbinetype Siemens SWT-2,3-113 voorhanden zijn en dus gebruikt werden in de berekening; dat voor de windturbinetypes Repower 3.2 M114 en Enercon E101 de spectrale gegevens nog niet gekend zijn; dat er voor deze windturbines gerekend werd met de spectrale gegevens van het windturbinetype Enercon E82; dat de spectrale gegevens van dit windturbinetype volgens de erkend milieudeskundige kunnen beschouwd worden als zeer nadelig; dat de uitgevoerde berekeningen dus als ‘worst case’ beschouwd kunnen worden; dat de berekeningen werden uitgevoerd met een bodemabsorptiefactor G = 0,8; dat het gebruik van deze absorptiefactor correct is, gelet op de agrarische omgeving waarin de windturbines voorzien worden; dat er in de berekening geen rekening wordt gehouden met de meest voorkomende windrichting en de berekende geluidscontouren concentrisch zijn; dat voor elke windrichting het geluidsniveau op de contour het berekende maximum is bij een wind van bron naar ontvanger; dat de geluidsstudie werd uitgevoerd conform de bepalingen van bijlage 4 van titel I van het VLAREM; Overwegende dat, gelet op het gebruik van het achtergrondgeluid en het nemen van geluidsreducerende maatregelen, het aangewezen is om een controlemeting als bijzondere voorwaarde op te leggen; Overwegende dat in de geluidsstudie wordt voorgesteld om de nachtperiode op te splitsen in een ‘nacht’ (22.00 uur tot 24.00 uur en 05.00 uur tot 07.00 uur) en een ‘diepe nacht’ (00.00 uur tot 05.00 uur) en om met hogere richtwaarden te werken tijdens de ‘nacht’ dan tijdens de ‘diepe nacht’; dat hierdoor de richtwaarden van titel II van het VLAREM alleen zouden gelden voor de ‘diepe nacht’; dat dergelijke opsplitsing van de nachtperiode geen basis vindt in het VLAREM en dan ook niet kan toegestaan worden”. VII-40.235-5/15 Aan het beroepen besluit wordt als bijzondere voorwaarde toegevoegd: “Binnen een termijn van zes maanden na ingebruikname van de turbines worden ter controle geluidsmetingen uitgevoerd door een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, ter hoogte van de meest kritische plaatsen voor geluidshinder; de resultaten worden ter kennisgeving bezorgd aan de deputatie en de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten en ter evaluatie aan de afdeling Handhaving van het departement Omgeving”. 3.
  12. De stedenbouwkundige vergunning wordt verleend op 22 mei
  13. Bij arrest nr. RvVb/A/1617/0961 van 20 juni 2017 verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen het beroep tot vernietiging van deze vergunningsbeslissing. Het cassatieberoep dat daartegen werd ingesteld door de eerste verzoekende partij, werd door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 241.683 van 31 mei
  14. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen
  15. In het verzoekschrift zetten de verzoekende partijen omtrent hun belang uiteen dat zij een rechtstreeks zicht zullen hebben op de windturbines gezien het open karakter van het landschap, dat hun woningen binnen de contouren van acht uren slagschaduw per jaar zijn gelegen, en dat ook de geluidsnormen ter hoogte van hun woningen overschreden zullen worden.
  16. De verwerende partij voert als kritiek aan dat de verzoekende partijen het nalaten om enig bewijs van hun hoedanigheid als eigenaar, dan wel bewoner van de woning gelegen aan Nachtegaal 25 te Sint-Truiden, bij te brengen. Bovendien zouden zij hoe dan ook niet in de onmiddellijke nabijheid van het voorziene windturbinepark wonen. Zij werden immers niet aangeschreven in het kader van het openbaar onderzoek. De dichtste afstand van de geplande windturbines tot de betrokken woning bedraagt ruim 600 meter. Artikel 21 van het VII-40.235-6/15 besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) verwijst naar een omliggende afstand van 500 meter om de goede ruimtelijke ordening te beoordelen in het kader van een milieuvergunningsaanvraag. De verdere afstand tot hun woning is volgens de verwerende partij dan ook reeds een grond om hen het vereiste belang bij het beroep te ontzeggen. Het belang van de verzoekende partijen valt daardoor samen met het belang dat iedere burger heeft bij de bestaande toestand en het open karakter van het landschap. Bovendien overtuigt volgens de verwerende partij de aangevoerde hinder niet. Zoals blijkt uit de behandeling van de middelen is er geen sprake van onaanvaardbare hinder op het vlak van het visuele, slagschaduw of geluid. De vermeende visuele hinder heeft bovendien veelal betrekking op het stedenbouwkundig aspect van de windturbines. Van een open landschap is er volgens de verwerende partij evenmin sprake. Beoordeling
  17. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partijen geen bewijs van eigendom of bewoning van de woning gelegen aan de Nachtegaal 25 te Sint-Truiden voorleggen, maar brengt zelf geen enkel gegeven bij waaruit zou kunnen blijken dat de door de verzoekende partijen opgegeven woonplaats onjuist zou zijn. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de verzoekende partijen niet op het door hen aangegeven adres wonen. Om hun belang bij de nietigverklaring van de milieuvergunning aan te tonen, moeten de verzoekende partijen minstens aannemelijk maken dat zij hinder of nadeel kunnen ondervinden door de exploitatie van de windturbines. De afstand tussen de woonplaats en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, maakt daarbij een belangrijk objectief criterium uit. Anderzijds moet de partij die meent dat de verzoekende partijen niet het vereiste belang hebben, aantonen dat zij geen of hoogstens slechts verwaarloosbare hinder kunnen ondervinden van de exploitatie. Opdat van een voldoende belang sprake zou zijn, moet niet worden aangetoond dat de hinder onaanvaardbaar is. VII-40.235-7/15 De woning van de verzoekende partijen is gelegen op ongeveer 600 meter van de dichtstbijgelegen windturbine. Windturbines betreffen een inrichting van klasse 1 en dus een inrichting die door de decreetgever als meest hinderlijk wordt beschouwd. Louter op grond van de afstand tot de vergunde windturbines kan in dit geval niet gefundeerd worden besloten dat de verzoekende partijen geen enkele of slechts verwaarloosbare hinder van de vergunde activiteiten zullen ondervinden op hun woonplaats. In hun verzoekschrift wijzen de verzoekende partijen op geluidshinder en slagschaduw en stellen zij concreet dat hun woning binnen de vastgestelde contouren van acht uren slagschaduw per jaar is gelegen. De verwerende partij stelt dat uit de behandeling van de middelen blijkt dat er geen sprake is van onaanvaardbare hinder. Aldus bevestigt zij dat een onderzoek van de middelen is vereist om de afwezigheid van enige hinder vast te stellen. De Raad van State kan niet op basis van de gegevens in de exceptie, noch op basis van vaststaande gegevens uit het dossier, met absolute zekerheid stellen dat de verzoekende partijen geen enkele of slechts verwaarloosbare hinder zullen ondervinden van de vergunde exploitatie. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen
  18. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 30bis, § 1, en 52, 3°, b), van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betogen dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt erkend dat, welk type windturbine ook wordt geëxploiteerd, het geluidsvermogenniveau van alle drie of van minstens twee van de drie windturbines gedurende de avondperiode en/of de nachtperiode zal moeten VII-40.235-8/15 worden gereduceerd om aan de richtwaarden van artikel 5.20.6.1 van de bijlagen bij het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna :Vlarem II), dan wel aan het gemeten achtergrondgeluidsniveau te voldoen. Er wordt weliswaar overwogen dat het geluidsniveau kan worden beperkt door de windturbines in geluidsreducerende modus te laten draaien, maar er blijkt volgens de verzoekende partijen niet dat in dat geval de richtwaarden wel zullen worden gehaald. Bovendien wordt niet opgelegd om de windturbines tijdens de avond- en nachtperiode in de geluidsreducerende modus te laten draaien. Het louter opleggen van een controlemeting na ingebruikname van de windturbines “ter hoogte van de meest kritische plaatsen voor geluidshinder” garandeert allerminst dat de bij Vlarem II opgelegde richtwaarden zullen worden gerespecteerd. De verzoekende partijen verwijzen nog naar rechtspraak van de Raad van State waarin is geoordeeld dat de vergunningverlenende overheid niet zonder de in het middel aangehaalde bepalingen te schenden enerzijds kan vaststellen dat de ter vergunning voorgelegde exploitatie de richtwaarden inzake geluidsoverlast zal overschrijden en, anderzijds, de vergunning toch kan afleveren met inachtneming van voorwaarden die het bereiken van deze richtwaarden allerminst garanderen.
  19. De verwerende partij werpt in de eerste plaats op dat in de uiteenzetting van het middel nergens wordt gerefereerd aan artikel 52 van Vlarem I, zodat het middel op dit punt niet ontvankelijk is. Ten gronde betoogt zij dat de verzoekende partijen vanuit een verkeerde premisse vertrekken waar zij menen dat de richtwaarden voor windturbinegeluid door de exploitant niet zouden moeten worden nageleefd. De vergunning werd immers verleend onder de voorwaarde dat aan de Vlarem-normen wordt voldaan. Aangezien de naleving van de sectorale voorwaarden als voorwaarde is opgenomen in de bestreden vergunning, kan er hoe dan ook geen sprake zijn van een schending van artikel 30bis van Vlarem I. Bovendien heeft de opname van deze voorwaarde tot gevolg dat te allen tijde tegen de exploitant kan worden opgetreden indien hij de sectorale normen niet zou naleven. VII-40.235-9/15 De geluidsreducerende modus wordt in de geluidsstudie aanvaard als maatregel om de Vlarem-normen te respecteren tijdens de avond- en de nachtperiode. De studie geeft daarbij een overzicht van het maximaal geluidsvermogenniveau per soort windturbine. Teneinde bijkomend ervoor te zorgen dat het omgevingsgeluid tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt en de geluidsreducerende maatregel wordt gerespecteerd, werd als bijzondere voorwaarde een controlemeting opgelegd. Dit kan haar bezwaarlijk ten kwade worden geduid. De verzoekende partijen hebben volgens de verwerende partij dan ook geen belang om de bijzondere voorwaarde te bekritiseren. Voorts wijst de verwerende partij er nog op dat uit vaststaande rechtspraak blijkt dat diverse types windturbines mogen worden aangevraagd wanneer rekening wordt gehouden met het meest hinderlijke type. De door de verzoekende partijen aangehaalde rechtspraak is niet dienend. In die zaken betrof het voornamelijk cumulatieve effecten die niet werden meegenomen in de beoordeling van de bestreden beslissingen. Daarvan is hier evenwel geen sprake.
  20. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat in de memorie van antwoord op geen enkele wijze wordt aangetoond hoe het bestreden besluit concreet waarborgen biedt voor het halen van de richtwaarden. De loutere aanvaarding van de “reduced noise mode” als geluidsreducerende maatregel biedt daartoe niet de nodige garanties. Het feit dat werd uitgegaan van het meest hinderlijke type windturbine is volgens hen niet relevant voor de beoordeling van het middel. Voor alle windturbinetypes geldt immers dat zij in beginsel de normen niet halen en dat enkel de “reduced noise mode” mogelijk soelaas zou brengen. Die maatregel steunt bovendien enkel op een eenzijdig onderzoek van de aanvrager waarin dan nog uitdrukkelijk wordt gesteld dat er een foutenmarge bestaat. VII-40.235-10/15 Beoordeling
  21. Het feit dat de controlemetingen “bijkomend en ter garantie van de omwonenden” als bijzondere voorwaarde zijn opgelegd, ontneemt de verzoekende partijen niet het belang bij het middel, dat in essentie inhoudt dat de bijzondere voorwaarde onvoldoende garanties inhoudt om de geluidshinder te voorkomen.
  22. Artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat die garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van Vlarem zijn gesteld en dat de vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is. Deze bepaling verwoordt een fundamentele doelstelling van de milieuvergunningsplicht, met name de plicht die op de bevoegde overheid rust om na te gaan of de aan de vergunningsplicht onderworpen activiteiten, die in principe verboden zijn, kunnen plaatsvinden in omstandigheden die vanuit het oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn.
  23. Bij de aanvraag is een geluidsstudie gevoegd waaruit blijkt dat “aangezien bij een max. geluidsvermogenniveau de richtwaarde voor de avond- en nachtperiode t.h.v. verschillende beoordelingspunten overschreden wordt, […] de hinder volgens de nieuwe sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines niet tot een aanvaardbaar niveau beperkt [kan] worden waardoor men tijdens deze periodes dient over te gaan tot milderende maatregelen”. Omtrent de milderende maatregelen licht de deskundige toe dat de “meeste recente windturbines beschikken over verschillende ‘noise modes’ die men kan instellen in de software van de windturbine. Dit betekent dat men bij windsnelheden die overeenstemmen met een te hoog geluidsvermogenniveau het vermogen van de turbine en dus ook het geluidsvermogenniveau kan beperken”. De deskundige bekijkt vervolgens in verschillende scenario’s “welk geluidsvermogenniveau mogelijk is voor de geplande windturbines opdat de strengste richtwaarde voor de avond- en nachtperiode te allen tijde gerespecteerd blijft”. Hij besluit dat om “aan de VII-40.235-11/15 richtwaarden voor de avondperiode (19u tot 22u) en voor de nachtperiode (22u tot 07u) te kunnen voldoen […] het noodzakelijk [is] het brongeluid van de drie geplande windturbines te reduceren”. Daarbij wordt een tabel gevoegd waarin de maximale geluidsvermogenniveaus per windturbine bij 95 % van het nominaal vermogen worden weergegeven, en die niet mogen worden overschreden opdat “de Vlarem-norm te allen tijde gerespecteerd” zou blijven.
  24. In het bestreden besluit wordt op basis van de geluidsstudie en de daarin voor verschillende windturbinetypes uitgevoerde berekeningen vastgesteld dat “gedurende de dagperiode ter hoogte van al de evaluatiepunten wordt voldaan aan de richtwaarden van titel II van het VLAREM”. Tegelijk blijkt evenwel dat “om gedurende de avondperiode aan de richtwaarden of het opgemeten achtergrondgeluid te voldoen” en “om gedurende de nachtperiode aan de richtwaarden te voldoen”, het “geluidsvermogensniveau van de windturbines moet gereduceerd worden”. In het bestreden besluit wordt overwogen dat “het geluidsvermogensniveau kan gereduceerd worden door de windturbines in ‘reduced noise mode’ te laten draaien”, en dat “gelet op het gebruik van achtergrondgeluid en het nemen van geluidsreducerende maatregelen, het aangewezen is om een controlemeting als bijzondere voorwaarde op te leggen”. De vergunningverlenende overheid stelt dus vast dat het noodzakelijk is om de windturbines in “reduced noise mode” te laten draaien om te voldoen aan de richtwaarden van Vlarem II tijdens de avond- en de nachtperiode. Zij laat evenwel na om voldoende garanties in te bouwen die waarborgen dat de geluidsnormen voor windturbinegeluid uit Vlarem II ook effectief zullen worden nageleefd. Noch in de thans bestreden beslissing, noch in de (bevestigde) beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg wordt de toepassing van deze, nochtans noodzakelijk geachte, “reduced noise mode” tijdens de avond- en de nachtperiode immers als bijzondere voorwaarde opgelegd. Om te voldoen aan de doelstelling van artikel 30bis van Vlarem I, die preventief van aard is, volstaat het bovendien, anders dan de verwerende partij het ziet, niet dat de exploitant de richtwaarden voor windturbinegeluid zal dienen na te leven omdat die normen als voorwaarden zijn VII-40.235-12/15 “opgenomen in de vergunningsbeslissing”. Nog daargelaten dat de geldende geluidsnormen krachtens artikel 3.1.1, § 1, van Vlarem II hoe dan ook, van rechtswege, van toepassing zijn op de vergunde inrichtingen, ook indien de erin vervatte verplichtingen niet expliciet worden opgelegd in de verleende milieuvergunning, ontslaat de verplichting voor de exploitant om die normen na te leven de vergunningverlenende overheid immers niet van haar rechtsplicht om de vergunning te weigeren wanneer niet blijkt dat die geluidsnormen kunnen worden nageleefd. Het bijkomend opleggen als bijzondere vergunningsvoorwaarde van een controlemeting binnen een termijn van zes maanden na ingebruikname van de turbines, houdt in dit geval evenmin de door artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I vereiste garanties in. Wanneer een vergunningsaanvraag niet aan de geldende normen voldoet of wanneer daaromtrent onzekerheid bestaat, mag de vergunningverlenende overheid er namelijk niet zonder meer van uitgaan dat tijdens de exploitatie wel aan de normen zal kunnen worden voldaan. Dit klemt des te meer nu de geluidsdeskundige aan het slot van de studie omtrent zijn berekeningen aangeeft dat er “gezien de afstand van bron tot ontvanger enige foute marge opzit. De verificatie van de berekende geluidsniveaus en voorspelde specifieke geluidsniveaus met eventuele overschrijdingen kan pas na indienstname van de windturbines. Controlemetingen na indienstname bij een kritische windrichting in de richting van de woningen waar knelpunten te verwachten zijn is bijgevolg noodzakelijk”. Hieruit blijkt veeleer dat er op het ogenblik van de vergunningverlening nog geen voldoende waarborgen voorhanden waren om de vergunning te kunnen verlenen. Het eerste middel is gegrond. VI. Kosten
  25. De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. VII-40.235-13/15 Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  26. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
  27. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 18 januari 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 13 december 2012 houdende toekenning van een milieuvergunning voor het exploiteren van een windturbinepark met drie windturbines gelegen langsheen de N80 te Sint-Truiden, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.
  28. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-40.235-14/15
  29. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De onterecht betaalde bijdrage van 40 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.235-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.996 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.