id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.999 Rolnummer: A. 232934/VII-41022 Zaak: Arrest 251999 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-11 14:43 Fiche Arrest nr 251.999 van 28 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 251.999 van 28 oktober 2021 in de zaak A. 232.934/VII-41.022 In zake :
- Frans VAN LOON
- Maria VAN LOON
- de BV STUDIEBUREAU VERHAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Leo VAN BEURDEN
- Maria DE DONCKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Desair kantoor houdend te 2000 Antwerpen Lange Klarenstraat 22 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op op 15 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0489 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 7 januari 2021 in de zaak 1920-RvVb-0134-SA. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 1 april
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.022-1/13 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 2 september 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bruno Lenssens, die loco advocaat Thomas Ryckalts verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Els Desair, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij arrest nr. 202.191 van 22 maart 2010 vernietigt de Raad van State het besluit van 9 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) waarbij, eensdeels, het beroep wordt ingewilligd van Klazina Havermans, Marie Van Loon, Roza Van Loon en Frans Van Loon tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van een terrein (25 loten) gelegen te Ravels, Onze-Lieve-Vrouwstraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 16/H, 33/E en 31/B, en anderdeels, de voormelde vergunning wordt verleend aan de familie Van Loon. VII-41.022-2/13 3.
- Met een besluit van 21 januari 2016 verleent de deputatie opnieuw een verkavelingsvergunning aan Frans en Maria Van Loon en de BVBA Studiebureau Verhaert (hierna: Van Loon cons.) “voor het verkavelen van een stuk grond in 25 loten” op voormelde percelen. 3.
- Bij arrest nr. RvVb/A/1718/0862 van 15 mei 2018 beperkt de RvVb het belang van Van Beurden en De Doncker bij hun beroep tegen de voormelde vergunningsbeslissing van de deputatie “tot het deel van de verkavelingsvergunning waarvoor geen definitieve en in rechte onaantastbare stedenbouwkundige vergunningen zijn verleend” om volgende redenen: “Uit de [...] verstrekte informatie blijkt dat [het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels] stedenbouwkundige vergunningen heeft verleend voor het bouwen van diverse woningen gelegen binnen de bestreden verkavelingsvergunning, met name voor de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en
- [Van Beurden – De Doncker] betwisten niet dat [het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels] stedenbouwkundige vergunningen heeft verleend voor de desbetreffende loten en zij betwisten evenmin dat zij deze stedenbouwkundige vergunningen niet hebben aangevochten. Uit de verklaringen [...] blijkt dat er inmiddels ook uitvoering werd gegeven aan deze stedenbouwkundige vergunningen en dat de diverse woningen reeds volledig zijn afgewerkt en bewoond worden. Door het definitief en onaantastbaar worden van de voormelde stedenbouwkundige vergunningen verliezen [Van Beurden – De Doncker] het vereiste actueel belang bij het aanvechten van de bestreden beslissing voor wat betreft de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24, gelet op de niet aangevochten en reeds uitgevoerde stedenbouwkundige vergunningen. Een gebeurlijke vernietiging van de bestreden verkavelingsvergunning heeft niet tot gevolg dat de stedenbouwkundige vergunningen die op grond van die verkavelingsvergunning werd verleend, uit het rechtsverkeer verdwijnen of dat de wettigheid ervan om die reden in vraag kan worden gesteld”. De RvVb vernietigt vervolgens de bestreden verkavelingsvergunning na de gegrondverklaring van het tweede en derde middel van Van Beurden – De Doncker. Met een verbeterend arrest nr. RvVb/A/1718/1192 van 21 augustus 2018 vervangt de RvVb “punt 3 van het beschikkend gedeelte” van voormeld arrest van 15 mei 2018 derwijze dat “de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, VII-41.022-3/13 19, 20 en 24” van de vernietiging van de verkavelingsvergunning worden uitgesloten. Bij arrest nr. 244.170 van 4 april 2019 verwerpt de Raad van State het cassatieberoep van Van Loon – bvba Studiebureau Verhaert tegen voormeld arrest nr. RvVb/A/1718/0862 van 15 mei 2018 van de RvVb. 3.
- Bij besluit van 29 augustus 2019 willigt de deputatie de administratieve beroepen van de consoorten Van Loon “tegen de weigering afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen van Ravels op 2004, voor verkaveling, […] voorwaardelijk” in en verleent “[v]ergunning […] overeenkomstig de in rood aangepaste plannen” na onder meer volgende overweging: “…Deputatie dient een nieuwe beslissing te nemen, mits inachtname van de bepalingen van de arresten [van de RvVb]. ... dient er te worden opgemerkt dat er reeds voor verschillende loten (nr. 5,6,9,12,15,16,17,19,20 en 24) een stedenbouwkundige vergunning werd verleend (de Raad oordeelde in haar verbeterde arrest van 21 augustus 2018 dat het belang van de verzoekende partijen voor deze loten verloren is, met gevolg dat de verkavelingsvergunning voor wat betreft deze loten definitief is geworden). Recent werden er tevens voor de loten 8 en 10 (28 december 2018) en loten 22 en 23 (15 januari 2019) verkavelingsvergunningen verleend. Beroepers doen bijgevolg dan ook gedeeltelijk afstand van voorliggende aanvraag wat betreft deze laatste vier loten (8, 10, 22 en 23). Tegen deze verkavelingsvergunningen werd geen beroep aangetekend. De bestaande toestand van de omgeving dient steeds in acht te worden genomen, waaruit kan worden opgemaakt dat reeds een gedeelte van het binnengebied werd geordend. Op basis van o.a. het gelijkheidsbeginsel is er geen reden meer om het resterende deel van de verkaveling niet te vergunnen, zonder de rest van het binnengebied vast te leggen in een BPA of RUP”. 3.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van Van Beurden en De Doncker de laatstvermelde vergunningsbeslissing van de deputatie na de gegrondverklaring van het eerste middel waarin de schending werd aangevoerd door de deputatie van “de op haar rustende bijzondere motiveringsplicht omdat andermaal niet wordt uitgelegd waarom een gedeeltelijke ordening van het VII-41.022-4/13 binnengebied verenigbaar zou zijn met de goede ruimtelijke ordening” en van “het gezag van gewijsde […] van de overwegingen in het vernietigingsarrest van de Raad van State van 22 maart 2010 en van de arresten van de [RvVb] van 15 mei 2018 en 21 augustus 2018 die betrekking hebben op de ordening van het volledige binnengebied”. Het arrest overweegt o.m.: “Wanneer de [deputatie] na een vernietigingsarrest opnieuw uitspraak doet, dient ze het dossier opnieuw te beoordelen, hierbij rekening houdend met het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest. Dit gezag van gewijsde strekt zich uit tot alle motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen en er de noodzakelijke ondersteuning van uitmaken. In de thans bestreden beslissing herneemt de [deputatie] nagenoeg integraal de motivering uit de (inmiddels vernietigde) beslissing van 21 januari 2016 […] Verder voegt de [deputatie] ten opzichte van de beslissing van 21 januari 2016 nog toe dat voor verschillende loten al een stedenbouwkundige vergunning werd verleend en dat voor de loten 8 en 10 en 22 en 23 afzonderlijke verkavelingsvergunningen werden verleend. Hieruit leidt de [deputatie] af dat in de bestaande toestand reeds een deel van het binnengebied werd geordend en dat ‘[…] er geen reden meer [is] om het resterende deel van de verkaveling niet te vergunnen […] […] De bijkomende motieven in verband met de (theoretische) ontsluitingsmogelijkheid via de percelen van [Van Beurden en De Doncker], en het voldongen feit dat reeds verschillende loten werden bebouwd en deelverkavelingen werden goedgekeurd, kunnen er niet aan verhelpen dat de bestreden beslissing het gezag van gewijsde schendt van zowel het arrest van de Raad van State van 22 maart 2010 […] als van de arresten van de [RvVb] van 18 mei 2018 en 21 augustus 2018 […]”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt Van Loon cons.
- Van Loon cons. voeren de schending aan van “het algemeen rechtsbeginsel van het gezag van gewijsde van het eigen arrest van de [RvVb] van 15 mei 2018 met nummer RvVb/A/1718/0862, en het verbeterend arrest van 21 augustus 2018 met nummer RvVb/A/1718/1192)” en van “de jurisdictionele motiveringsplicht opgenomen in artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 EVRM: VII-41.022-5/13 “Doordat het bestreden arrest het gehele besluit van de deputatie [...] vernietigt, waarbij aan [Van Loon] een verkavelingsvergunning wordt verleend voor het verkavelen van 25 loten voor vrijstaande en per twee gekoppelde woningen […]. Terwijl de [RvVb] middels haar eerdere verbeteringsarrest van 21 augustus 2018 reeds besliste de vernietiging van de desbetreffende verkavelingsvergunning te beperken en de reeds bebouwde loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24 uit te sluiten waarvoor definitieve stedenbouwkundige vergunningen werden verleend; […] EN TERWIJL dit gezag van gewijsde van dit verbeterend arrest van 21 augustus 2018 zich uitstrekt tot alle motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen en er de noodzakelijke ondersteuning van uitmaken; […]”. Van Loon cons. lichten toe dat: – het bestreden arrest “het gehele besluit” van de deputatie vernietigt waarbij hen “een verkavelingsvergunning wordt verleend voor het verkavelen van 25 loten”; – de RvVb met het verbeterend arrest van 21 augustus 2018 tegemoetkomt “aan een tegenstrijdigheid met hetzelfde voorwerp tussen het overwegende gedeelte van [zijn] arrest dd. 15 mei 2018 […] en het beschikkend gedeelte van datzelfde arrest” waarin de RvVb had “nagelaten de onontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring uit te spreken t.a.v. de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24”; – het bestreden arrest “wederom na[laat] om in het beschikkend gedeelte de onontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring uit te spreken t.a.v. de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24” en “opnieuw de vernietiging uit[spreekt] van de gehele verkavelingsvergunning, hetgeen strijdig is met de feitelijke en overwegende delen van het arrest”; – “[h]iermee […] het gezag van gewijsde van het eigen arrest van 15 mei 2018 én in het bijzonder het verbeterend arrest van 21 augustus 2018 miskend” wordt; – het bestreden arrest “intern tegenstrijdig [is] nu de [RvVb] in [zijn] feitelijke en overwegende delen van het arrest […] wel het definitief karakter van de verkavelingsvergunning voor de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24 weerhoudt maar toch de vernietiging uitspreekt van de gehele verkavelingsvergunning”. Beoordeling VII-41.022-6/13
- Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt wat volgt: – met arrest van 15 mei 2018 stelt de RvVb soeverein vast dat definitieve en onaantastbare stedenbouwkundige vergunningen werden verleend voor de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24; – met arrest van 15 mei 2018 beslist de RvVb dat Van Beurden en De Doncker het vereiste actueel belang ontberen bij hun beroep tot vernietiging van de door de deputatie op 21 januari 2016 verleende verkavelingsvergunning voor wat betreft de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24; – met arrest van 15 mei 2018, verbeterd door arrest van 21 augustus 2018 vernietigt de RvVb laatstvermelde verkavelingsvergunning “met uitzondering van de reeds bebouwde loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24”; – de deputatie neemt in de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing van 29 augustus 2019 aan dat de verkavelingsvergunning verleend op 21 januari 2016 voor de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24 definitief is; – de deputatie stelt in de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing van 29 augustus 2019 vast dat Van Loon cons. voor de loten 8 en 10, en 22 en 23 afstand doen van hun verkavelingsaanvraag naar aanleiding van de voor die loten inmiddels verleende verkavelingsvergunningen; – de deputatie willigt de administratieve beroepen van Van Loon cons. in de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing van 29 augustus 2019 voorwaardelijk in en verleent de verkavelingsvergunning “overeenkomstig de in rood aangepaste plannen”; – in de procedure voor de RvVb die geleid heeft tot het bestreden arrest wordt door de RvVb geen ontvankelijkheidsdiscussie met betrekking tot het actueel belang van Van Beurden en De Doncker bij hun beroep tegen deze laatste vergunningsbeslissing van de deputatie gevoerd en beslecht; – het bestreden arrest neemt bij het gegrond verklaren van het eerste middel van Van Beurden en De Doncker aan dat voor verschillende loten al een stedenbouwkundige vergunning werd verleend en dat voor de loten 8 en 10 en 22 en 23 afzonderlijke verkavelingsvergunningen werden verleend en dat de deputatie VII-41.022-7/13 met de bestreden vergunningsbeslissing “het resterende deel van de verkaveling” heeft vergund.
- De Raad van State is bevoegd om een materiële vergissing in het bestreden arrest die blijkt uit de samenhang van de tekst, te verbeteren. Uit voormelde intrinsieke bestanddelen van het bestreden arrest blijkt dat de omschrijving onder hoofding “I. Bestreden beslissing” van “de beslissing van de [deputatie] van 29 augustus 2019”, die het voorwerp is van het beroep, klaarblijkelijk berust op een materiële vergissing. Deze vergissing bestaat erin dat de bestreden beslissing omschreven wordt, zoals in de aanvraag van 27 februari 2003, als een verkavelingsvergunning verleend voor “het verkavelen in 25 loten voor vrijstaande en per twee gekoppelde woningen” terwijl de verkavelingsvergunning verleend “overeenkomstig de in rood aangepaste plannen” wordt bedoeld zoals blijkt uit de navolgende overwegingen van de RvVb die uitdrukkelijk is uitgegaan van het bestaan van de na de verkavelingsaanvraag verleende stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingsvergunning voor de loten 5, 6, 7, 9, 12, 15, 16, 17, 19, 20 en 24 en verkavelingsvergunningen voor de loten 8 en 10 en 22 en 23 en van het feit dat de bestreden verkavelingsvergunning de resterende 10 loten betreft.
- Het middel dat stelt dat “het bestreden arrest het gehele besluit van de deputatie […] vernietigt” gaat ervan uit dat de voor de RvVb bestreden beslissing van de deputatie van 29 augustus 2019 een aan Van Loon cons. verleende verkavelingsvergunning “voor het verkavelen in 25 loten voor vrijstaande en per twee gekoppelde woningen” betreft. Het middel mist feitelijke grondslag.
- Het eerste middel wordt verworpen. VII-41.022-8/13 B. Tweede middel Standpunt van Van Loon cons.
- Van Loon cons. voeren de schending aan van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen’ (hierna: Inrichtingsbesluit) juncto artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, “het beginsel van de uitvoerbare kracht van een gewestplan”, “het beginsel van een gelijk recht op een door het gewestplan bepaald en realiseerbaar bestemmingsvoorschrift”, de jurisdictionele motiveringsplicht opgenomen in artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 EVRM en het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet “DOORDAT het bestreden arrest geen afdoende antwoord biedt op de weerlegging van de middelen door [Van Loon cons.] en intern tegenstrijdig is; EN DOORDAT het bestreden arrest abstractie maakt van het aangevoerde gelijkheidsbeginsel als argument voor het gebrek aan reden om het resterende deel van de verkaveling niet te vergunnen zonder de rest van het binnengebied vast te leggen in een BPA of RUP”. Zij lichten toe dat de deputatie in het bij de RvVb bestreden besluit heeft vastgesteld dat voor verschillende loten al een stedenbouwkundige vergunning werd verleend, en dat voor de loten 8, 10, 22 en 23 afzonderlijke verkavelingsvergunningen werden verleend. Op basis daarvan heeft de deputatie terecht besloten dat in die gegeven toestand een deel van het binnengebied reeds werd geordend, en dat op basis van het gelijkheidsbeginsel er geen reden meer is om het resterende deel van de verkaveling niet te vergunnen zonder de rest van het binnengebied vast te leggen in een BPA of een RUP. De deputatie is aldus van oordeel dat niet kan worden vereist dat het gehele binnengebied eerst wordt geordend middels een BPA of een RUP, om pas nadien een vergunning te kunnen afleveren. Zij wijzen erop dat zij zowel tijdens de administratieve procedure als bij de RvVb hebben opgeworpen dat indien anders wordt geoordeeld dan de deputatie, een dergelijk oordeel op gespannen voet zou komen te staan met de rechtspraak VII-41.022-9/13 van de Raad van State. In die rechtspraak wordt geoordeeld dat het opleggen van de verplichting tot een bijkomende of een integrale ordening van een gebied vooraleer aan een gewestplanvoorschrift uitwerking kan worden verleend, in strijd is met het beginsel dat een in het gewestplan vastgestelde bestemming uit zichzelf rechtsgevolgen heeft alsook met het principe dat eenieder een gelijk recht heeft op een door het gewestplan bepaald en realiseerbaar bestemmingsvoorschrift. De overwegingen in het bestreden arrest om het eerste middel van Van Beurden en De Doncker gegrond te verklaren zijn “strijdig met de inhoud van de bestreden beslissing” aangezien de deputatie “weldegelijk [was] ingegaan op het feit dat de vereiste om het binnengebied bijkomend te ordenen alvorens een verkavelingsvergunning te verlenen strijdig is met het gelijkheidsbeginsel”. Het bestreden arrest schendt aldus artikel 149 Gw en artikel 6 EVRM door “rekening te houden met bepaalde motieven uit de vergunningsbeslissing dd. 29 augustus 2019 en niet met andere, doch deze uiteindelijk niet te betrekken bij de uiteindelijke beoordeling”. Zij stellen nog dat “de wel geboden motivering geen antwoord [is] op het verweer van” Van Loon cons. en tot slot dat er “ook niet [valt] in te zien waarom de vereiste dat een gewestplan vastgestelde bestemming uit zichzelf rechtsgevolgen heeft waardoor de concrete realisatie van de gegeven bestemming mogelijk moet zijn op grond van de bestemmingsvoorschriften alleen afhankelijk is van de onderliggende feiten zoals men kennelijk oordeelt. […] De vereiste om de ontwikkeling van de gewestplanbestemming woongebied afhankelijk te maken van een bijkomend ordeningsinstrument is onwettig hetgeen miskend wordt door het bestreden arrest”. Beoordeling
- Het middel dat de schending van artikel 5 van het Inrichtingsbesluit juncto artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM en van het gelijkheidsbeginsel aanvoert zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen en dat beginsel schendt, is onontvankelijk.
- Er is de Raad van State geen ‘beginsel van de uitvoerbare kracht van een gewestplan’ noch een ‘beginsel van een gelijk recht op een door het VII-41.022-10/13 gewestplan bepaald en realiseerbaar bestemmingsvoorschrift’ als algemeen rechtsbeginsel bekend. Het middel dat de schending aanvoert van die ‘beginselen’ is onontvankelijk.
- Het middel dat de Raad van State als cassatierechter ertoe noopt de beoordeling van de zaak zelf door de RvVb in tweede instantie, over te doen is evenmin ontvankelijk. Als cassatierechter kan de Raad van State alleen de wettigheid van het bestreden arrest toetsen. Het middel, in zoverre het steunt op het betoog dat “de deputatie terecht besloten” heeft en het bestreden arrest “strijdig [is] met de inhoud van de bestreden beslissing” van de deputatie, wordt verworpen.
- Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed. De aan de RvVb grondwettelijk opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. VII-41.022-11/13
- Het bestreden arrest verklaart het eerste middel van Van Beurden en De Doncker gegrond. In hun verweer tegen dit middel, dat onder punt 2 van het “standpunt van de partijen” in het bestreden arrest wordt samengevat, argumenteren Van Loon cons. niet op grond van het gelijkheidsbeginsel. Het middel dat stelt dat het bestreden arrest een niet aangevoerd afzonderlijke weerlegging van een middel niet beantwoordt, mist feitelijke grondslag.
- Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. VII-41.022-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.022-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.999 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div