id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.000 Rolnummer: A. 232679/VII-40999 Zaak: Arrest 252000 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-11 14:44 Fiche Arrest nr 252.000 van 28 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.000 van 28 oktober 2021 in de zaak A. 232.679/VII-40.999 In zake : Wim VAN LOMMEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Rik HANNES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jeroen De Coninck en Tinneke Huyghe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 211 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 8 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0357 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 3 december 2020 in de zaak 1920-RvVb-0082-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 19 maart 2021. Verweerder heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.999-1/7 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 14 juli 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2021. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tinneke Huyghe, die verschijnt voor verweerder, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Bij besluit van 25 juli 2019 verleent de deputatie van de provincieraad Antwerpen (hierna: deputatie) aan Van Lommel een omgevingsvergunning “voor het bouwen van een gezinswoning”. 3.2. Het bestreden arrest vernietigt op vordering van Hannes de vergunningsbeslissing van de deputatie na verwerping van de exceptie van VII-40.999-2/7 Van Lommel van “gebrek aan belang” van Hannes bij het eerste middel en de gegrondverklaring van hetzelfde middel. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van Van Lommel 4. Van Lommel voert in de memorie van wederantwoord, die luidens artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit, de vorm van een samenvattende memorie moet hebben, de schending aan van artikel 35 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet), en “bijkomend” van de artikelen 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°,
- c)en 4.2.15 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Hij betoogt dat “een onwettigheid slechts aanleiding kan geven tot vernietiging wanneer de partij die de onwettigheid inroept door de onwettigheid belangenschade lijdt” en dat in strijd met artikel 35 DBRC-decreet “[n]aar oordeel van de [RvVb] […] er ook [kan] worden overgegaan tot vernietiging indien de vernietiging op grond van de aangevoerde onwettigheid de aanvoerende partij een voordeel kan opleveren”. Van Lommel stelt dat uit “de parlementaire voorbereidingen en in elk geval uit de uitdrukkelijke tekst van artikel 35 DBRC […] ontegensprekelijk [blijkt] dat men maar belang heeft om een onwettigheid in te roepen indien men door de onwettigheid wordt benadeeld” en dat “er evident een verschil [bestaat] tussen enerzijds een effectieve benadeling en het ondervinden van belangenschade door de ingeroepen onwettigheid vooraleer overgegaan kan worden tot vernietiging (hetgeen vereist wordt door artikel 35 DBRC) en anderzijds het eventueel kunnen opleveren van een voordeel door over te gaan tot vernietiging op basis van de ingeroepen onwettigheid. Beide kunnen niet met elkaar gelijkgeschakeld worden. Door de exceptie van [Van Lommel] te verwerpen op grond van het oordeel dat de vernietiging op grond van de VII-40.999-3/7 ingeroepen onwettigheid een voordeel kan opleveren voor [Hannes], schendt de [RvVb] artikel 35 DBRC”. Van Lommel voert in de memorie van wederantwoord “bijkomend” de schending aan van de artikelen 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°,
- c)en 4.2.15 VCRO, dat deze wettigheidskritiek de openbare orde raakt en eerst “aan het licht gekomen [is] na het indienen van het cassatieberoep” met arrest nr. 250.183 van 23 maart 2021 van de Raad van State. Beoordeling 5. Het door Van Lommel “bijkomend” aangevoerd middelonderdeel stelt dat het bestreden arrest “oordeelde […] dat er geen rekening gehouden kon worden met een in 1969 doorgevoerde wijziging van de verkavelingsvergunning en dat de aanvraag bijgevolg afweek van de originele kavelindeling”. 6. Het bestreden arrest verklaart het eerste middel van Hannes gegrond op grond van het besluit dat de deputatie “niet op goede gronden [heeft] geoordeeld dat de aanvraag beoordeeld dient te worden op grond van het aangepaste maar nooit formeel goedgekeurde verkavelingsplan”. Het bijkomende middelonderdeel dat uitgaat van een in 1969 doorgevoerde wijziging van de verkavelingsvergunning mist feitelijke grond. Het bijkomende middelonderdeel laat na uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest de artikelen 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°,
- c)en 4.2.15 VCRO schendt. 7. Het bijkomende middelonderdeel wordt verworpen. VII-40.999-4/7 8. Luidens artikel 35, derde lid, DBRC-decreet, in de op het geding toepasselijke versie, geeft een onwettigheid alleen aanleiding tot een vernietiging, als de partij die ze aanvoert, wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. De decreetgever geeft met deze toevoeging in deze bepaling te kennen dat hij “de vernietigingsbevoegdheid van de [RvVb] […] relativeert in die zin dat een onwettigheid slechts aanleiding geeft tot een vernietiging, indien de partij die ze aanvoert wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. Deze partij moet bijgevolg belangenschade lijden door de ingeroepen onregelmatigheid”. De decreetgever “verankert aldus het algemeen door de rechtspraak en rechtsleer aanvaard principe dat de verzoekende partij belang moet hebben bij het aangevoerde middel” (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 8). 9. Artikel 35, derde lid, van het DBRC-decreet “strekt ertoe het vereiste van het belang bij het middel, zoals ontwikkeld in de rechtspraak van de Raad van State, in het decreet te verankeren. Volgens die rechtspraak kan de verzoekende partij een onwettigheid in beginsel slechts op ontvankelijke wijze aanvoeren wanneer die onwettigheid haar belangen schaadt” (GwH 5 juli 2018, nr. 87/2018, ov. B.28.2). 10. Het staat aan de RvVb te oordelen of een verzoeker die een zaak voor hem brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. Het komt de Raad van State als cassatierechter niet toe deze feitelijke beoordeling van de RvVb in tweede instantie over te doen. 11. Het bestreden arrest verwerpt de door Van Lommel opgeworpen “exceptie van gebrek aan belang” van Hannes op grond van volgende overwegingen: “Een partij heeft belang bij het aanvoeren van een bepaalde onwettigheid indien de in het middel aangevoerde onwettigheid haar heeft benadeeld of VII-40.999-5/7 indien de vernietiging op grond van deze onwettigheid haar een voordeel kan opleveren. De [RvVb] is van oordeel dat een mogelijke vernietiging van de bestreden beslissing op basis van het aangevoerde middel [Hannes] wel degelijk voordeel kan opleveren. De vernietiging van de bestreden beslissing op basis van het aangevoerde middel kan immers leiden tot een heroverweging van het project en de inplanting ervan ten aanzien van de kavelgrenzen. Aangezien [Hannes] heeft aangegeven dat ze nadelige gevolgen vreest te ondervinden door de inplanting van de vergunde woning, kan er bezwaarlijk worden voorgehouden dat een vernietiging op grond van dit middel [Hannes] niet tot voordeel kan strekken. De stelling van [Van Lommel] dat een verkavelingsvergunning enkel de bescherming van de belangen van de koper van een onbebouwd perceel beoogt, zodat enkel [Van Lommel] zich hierop kan beroepen, kan niet worden bijgetreden. Een verkavelingsvergunning heeft vanuit materieel oogpunt immers een reglementair karakter in de zin dat ze de goede ruimtelijke ordening vorm geeft. Daarenboven is het zo dat [Hannes] eigenaar is van een kavel in de desbetreffende verkaveling, en dus geenszins vreemd is aan de rechtsfiguur van de verkaveling. Het gegeven dat [Hannes] zelf een stedenbouwkundige vergunning en een omgevingsvergunning zou hebben verkregen waarbij rekening werd gehouden met de gewijzigde kavelgrenzen, doet evenmin afbreuk aan haar belang bij het middel. De vergunningen die aan [Hannes] verleend werden zijn immers definitief verworven en een vernietiging van de bestreden beslissing op grond van dit middel heeft niet tot gevolg dat de wettigheid van deze definitieve vergunningen opnieuw ter discussie gesteld wordt”. 12. Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag in zoverre het ervan uitgaat dat het bestreden arrest geen nadeel heeft aangenomen. Het arrest overweegt immers dat Hannes “heeft aangegeven […] nadelige gevolgen vreest te ondervinden door de inplanting van de vergunde woning” en er om die reden “bezwaarlijk [kan] worden voorgehouden dat een vernietiging op grond van dit middel [Hannes] niet tot voordeel kan strekken”. 13. Het enige middel wordt verworpen. VII-40.999-6/7 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verweerder. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.999-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.000 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div