id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.006 Rolnummer: A. 225282/XIV-37725 Zaak: Arrest 252006 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 28/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-17 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-11 14:47 Fiche Arrest nr 252.006 van 28 oktober 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 252.006 van 28 oktober 2021 in de zaak A. 225.282/XIV-37.725 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de LOKALE POLITIEZONE 5455 GRENSLEIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom De Sutter en Dorien Geeroms kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het “besluit van de korpschef van de lokale politiezone Menen-Ledegem-Wevelgem van 16 maart 2018 waarbij verzoeker is herplaatst in de functie van interventie-inspecteur binnen de afdeling Veiligheid, en waarbij is geweigerd om in te gaan op de (ondergeschikte) vraag van de verzoeker om de hond verder te kunnen inzetten bij het uitoefenen van een functie binnen interventie”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 242.848 van 7 november 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XIV-37.725-1/22 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker en advocaat Angelique Van de Meirssche, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 242.848 van 7 november
- Er wordt naar verwezen. XIV-37.725-2/22 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan “van art. 45 WGP, onbevoegdheid van de Korpschef en het vertrouwens- en redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. Hij zet uiteen dat niettegenstaande binnen de schoot van het BOC werd besloten om de kwestie van comptabiliteit tussen functies en vrijstellingen voor bepaalde vormen van arbeid te regelen in een algemeen kader, de korpschef gemeend heeft reeds zijn gezag te moeten doen gelden in het individueel geval van verzoeker, terwijl dit in strijd is met de afspraken binnen het BOC op 11 december 2017, waar besloten werd dat een werkgroep zou worden opgericht om na onderhandeling tot een algemene regeling te komen, en met de verklaring van de voorzitter van het politiecollege die gesteld heeft dat het de bedoeling was om tot een akkoord te komen met de syndicale organisaties. De verwerende partij kan dan ook niet worden gevolgd waar zij stelt dat er een afsplitsing is geweest van eensdeels de vrijstellingen om medische redenen en anderdeels de statutaire vrijstellingen en rechten. Bedoeling van de werkgroep was enkel de beide soorten vrijstellingen op te splitsen en ze achtereenvolgens in de werkgroep te behandelen en enkel na de eindresultaten van deze werkgroep over beide vrijstellingen de korpschef te laten beslissen over individuele gevallen zoals dat van verzoeker. Gelet op dit akkoord tussen het politiecollege en de vakbondsorganisaties om wat de vrijstellingen betreft tot een akkoord te komen met de syndicale organisaties, is het duidelijk dat de korpschef niet langer bevoegd was om ondertussen in individuele gevallen te beslissen. Dit blijkt volgens verzoeker ook uit de tussenkomst van de burgemeester van Wevelgem op de vergadering van 11 december 2017 waar hij de vakbonden voor de keuze stelde ofwel te discussiëren over de criteria (onderhandelen), ofwel niet, maar in dat laatste geval zal de korpschef dan in elk individueel geval beslissen. Doordat de korpschef toch nog een beslissing heeft genomen in het geval van XIV-37.725-3/22 verzoeker heeft hij artikel 45 WGP geschonden aangezien de korpschef zijn bevoegdheden luidens die bepaling uitoefent onder het gezag van het politiecollege en hij derhalve, minstens tijdelijk, niet bevoegd was om de bestreden beslissing te nemen. Door zo te handelen (een individuele ad hoc beslissing nemen gedurende lopende onderhandelingen met de vakbonden) heeft de korpschef eveneens het vertrouwensbeginsel geschonden. Door zo te handelen heeft de korpschef ook het redelijkheidsbeginsel geschonden. Door nog vooraleer een akkoord over een algemeen kader was bereikt alsnog een beslissing in het individuele geval te nemen, heeft de korpschef verzoeker de mogelijkheid ontnomen om alsnog de functie met zekerheid te kunnen uitoefenen indien de resultante van de onderhandelingen in de schoot van het BOC met zich zouden meebrengen dat de functie wel degelijk compatibel is met een medische vrijstelling voor nachtdiensten. Minstens in deze fase, binnen het kader van de onderhandelingen in het BOC, is het verregaand onredelijk dat de korpschef deze beslissing heeft genomen, nu deze ook tot gevolg heeft dat er nu nog slechts één hondengeleider meer is zodat het korps er ook niet beter van wordt. Dit geldt te meer nu een nieuwe hondengeleider, evenals een volledige, opgeleide en operationele hond niet zomaar kan worden gevonden en die functie ook niet in de mobiliteit werd opgenomen. Hieruit volgt dat de zone op korte termijn ook niet in de vervanging van verzoeker kan voorzien. In zijn memorie van wederantwoord, zoals in zijn laatste memorie, volhardt verzoeker in zijn stelling dat de verwerende partij zich minstens impliciet ertoe verbonden heeft om in individuele gevallen conform de resultaten van de onderhandelingen inzake de vrijstellen te zullen handelen, en dat zij dus door toch reeds een individuele beslissing te nemen zonder het globaal kader af te wachten, terugkomt op haar eigen toezegging en beleidslijn, wat een schending van het vertrouwensbeginsel inhoudt. In zijn laatste memorie benadrukt hij nog dat er geen noodzaak of enige vorm van hoogdringendheid bestond. Mocht dat het geval geweest zijn zou de overheid er eerst in het kader van de mobiliteit voor zorgen dat een nieuwe hondengeleider kan worden aangetrokken of zou hoogstens een besluit worden getroffen dat verzoekers functie uitdovend is tot op het XIV-37.725-4/22 ogenblik dat in zijn vervanging kan worden voorzien. Er is niet in vervanging voorzien. Ook wat het redelijkheidsbeginsel betreft, volhardt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord. Hij stelt, wat hij in zijn laatste memorie herhaalt, dat elke andere overheid die in dezelfde situatie van mening is dat hondengeleiders 24 uur inzetbaar moeten zijn – wat volgens de verwerende partij niet verenigbaar is met een vrijstelling voor nachtdiensten –, dan toch voor een operationele vervanging zou moeten zorgen aangezien ingevolge de bestreden beslissing er maar één hondengeleider is zodat nog minder tegemoet kan worden gekomen aan hetgeen van de dienst hondengeleiders wordt verwacht. De beperkte kostprijs van het verder in dienst houden van verzoeker – minstens in tussentijd – doet daaraan geen afbreuk gelet op het nut van verzoeker en zijn hond voor alle andere dan de nachtdiensten. Beoordeling
- Wat de in het eerste middel geschonden geachte rechtsregels en -beginselen betreft, is in het tussenarrest als volgt geoordeeld: “
- Artikel 45 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de WGP) bepaalt (onder meer) dat de korpschef de in artikel 44 bedoelde bevoegdheden uitoefent onder het gezag van de burgemeester of van het politiecollege, wat inhoudt dat hij met het oog op een goed beheer van het politiekorps, de burgemeester of het politiecollege zo spoedig mogelijk inlicht over alles wat het lokaal politiekorps en de uitvoering van zijn opdrachten aangaat. Krachtens artikel 44 WGP staat elk lokaal politiekorps onder de leiding van een korpschef, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het lokaal politiebeleid en instaat voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps en de uitvoering van het beheer van dit korps. Voorshands, in de mate verzoeker aanvoert dat in (de werkgroep van) het BOC niet werd overeengekomen om de statutaire vrijstellingen en rechten eensdeels en de medische vrijstellingen anderdeels ‘af te splitsen’ doch wel om ze ‘op te splitsen’ met het oog op een latere behandeling van de medische vrijstellingen door de werkgroep, en dat de medische vrijstellingen derhalve ook het voorwerp van onderhandeling moeten uitmaken, bemerkt de Raad van State dat daarover in de bestreden beslissing het volgende wordt gesteld: ‘Op 18/01/2018 werd in de schoot van deze werkgroep de arbeidsgeneesheer uitgenodigd om (onder andere) over de medische vrijstellingen te debatteren. De korpschef besliste naar aanleiding van deze vergadering en na de arbeidsgeneesheer te hebben gehoord om de medische vrijstellingen af te splitsen van de statutaire vrijstellingen en rechten en deze in een later stadium uit te werken en dus ook in een XIV-37.725-5/22 later stadium in overleg te treden gelet op heersende juridische onduidelijkheid omtrent re-integratie voor overheidspersoneel.’ Daargelaten wie uiteindelijk heeft beslist over de ‘afsplitsing’ cq. ‘opsplitsing’, de werkgroep of de korpschef, lijken partijen het er alvast over eens dat afgesproken werd om de medische vrijstellingen op een later tijdstip te onderhandelen. Verzoeker kan evenwel niet worden gevolgd waar hij meent dat het engagement van het politiecollege in het BOC om een algemeen kader voor statutaire en medische vrijstellingen met de vakbondsorganisaties te onderhandelen wat enige tijd in beslag nemen kan, er dan toe leidt dat de korpschef niet langer bevoegd is om met betrekking tot verzoeker een beslissing te nemen. Krachtens het eerder aangehaalde artikel 45 van de WGP oefent de korpschef zijn bevoegdheden, waaronder de bevoegdheid om verzoeker op grond van artikel 44 WGP te herplaatsen, uit onder het gezag van het politiecollege. Luidens artikel 44, tweede lid, WGP staat de korpschef in voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps en de uitvoering van het beheer van dit korps. De hem op grond van die bepaling toekomende bevoegdheid - die niet alleen een recht is maar ook een plicht - houdt in dat de korpschef de eindverantwoordelijke is voor de dagelijkse leiding en werking van het korps. De korpschef dient bijgevolg de goede werking van het korps te verzekeren wat inhoudt dat het beschikbare personeel wordt ingezet volgens de noden van de dienst, met inachtneming van het beschikbare budget. In de parlementaire voorbereiding bij die bepaling kan worden gelezen dat de korpschef zijn bevoegdheden krachtens artikel 45 WGP uitoefent ‘onder het gezag van de politiezone’, wat niet betekent dat de korpschef geen autonome beslissingsbevoegdheid zou hebben. De korpschef beslist zelfstandig in het kader van de dagelijkse leiding van het korps, de organisatie ervan en de verdeling van de taken en beschikt over een ‘ondubbelzinnige eindverantwoordelijkheid’, met dien verstande dat hij dit doet onder het gezag van het politiecollege dat hij daarover regelmatig inlicht om te informeren over alles wat het korps aangaat en door de overheid hoort bekend te zijn (Parl. St. Kamer 1997-1998, nr. 1676/1, 31-32), wat te dezen ook is gebeurd zoals blijkt uit de notulen van de vergaderingen van het politiecollege van 1 februari 2018, 15 februari en 15 maart 2018 (cfr. punt 3.4). Uit de notulen van het politiecollege van 1 februari 2018 blijkt dat de korpschef het politiecollege heeft ingelicht van het voorstel van herplaatsing, dat verzoeker hierover gehoord zou worden, en dat wanneer verzoeker zelf geen keuze maakte, hij zou worden verplaatst. Uit de notulen van het politiecollege van 15 februari 2018 blijkt dat de korpschef verslag heeft uitgebracht van de hoorzitting, dat verzoeker daarbij heeft voorgesteld om eventueel enkele keren tot 24 uur te werken, wat de arbeidsgeneesheer evenwel heeft geweigerd, en dat de korpschef derhalve voorstelt om verzoeker te herplaatsen. Uit de notulen van het politiecollege van 15 maart 2018 tot slot blijkt dat de zaak uitvoering is besproken, waarbij onder meer werd geoordeeld dat de kostprijs om verzoeker te laten verder werken als hondengeleider in afwachting van een nieuwe aanwerving te duur was en dat de inzet van verzoeker als hondengeleider, gelet op de vrijstelling, geen meerwaarde bood gezien het gebrek aan plaatsen en tijdstippen waar dat nodig is. Uit de notulen blijkt tevens dat het politiecollege heeft ingestemd met het beëindigen van de functie van verzoeker als hondengeleider vanaf 1 mei
- Hieruit blijkt, minstens impliciet, dat ook het politiecollege heeft geoordeeld dat het feit dat er binnen het BOC onderhandelingen lopen over een algemene regeling van de vrijstellingen, geen beletsel is om in afwachting van die algemene regeling, in individuele gevallen een beslissing te nemen indien de werking van de dienst dit vereist.
- Het middel is niet ernstig in zoverre het de schending van artikel 45 WGP en de onbevoegdheid van de steller van de akte aanvoert. XIV-37.725-6/22
- Het vertrouwensbeginsel houdt in dat het bestuur de rechtmatige verwachtingen, die de burger uit het bestuursoptreden put, niet mag beschamen. De burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op regelmatige toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. Als rechtmatige verwachtingen kunnen worden beschouwd de verwachtingen die de burger in redelijkheid heeft kunnen puren uit het bestuursoptreden. Indien een normaal voorzichtige en oplettende burger had moeten weten dat de gewekte verwachtingen eventueel niet zouden kunnen of mogen worden gehonoreerd, kan de burger zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen. Te dezen ligt evenmin een schending van het vertrouwensbeginsel voor. Vooreerst bemerkt de Raad van State dat afspraken over onderhandelingen in het BOC om te komen tot een algemene regeling inzake de vrijstellingen, geen afbreuk vermag te doen aan de wettelijke verplichtingen en de daarmee verbonden verantwoordelijkheden van de korpschef wanneer hij beslissingen neemt cq. moet nemen om de goede werking van de dienst te verzekeren waarvoor hij op grond van artikel 44 WGP de eindverantwoordelijke is. Voorts houdt een schending van het vertrouwensbeginsel in dat dezelfde overheid op een niet te verantwoorden wijze haar beoordeling heeft gewijzigd door bijvoorbeeld zonder dat daarvoor een verantwoorde reden is, terug te komen op eerder gedane toezeggingen of beloften die zij in een bepaald concreet geval heeft gedaan. In het BOC werd door het politiecollege enkel het engagement aangegaan om over een (toekomstige) algemene regeling inzake vrijstellingen te onderhandelen, zonder enige verwijzing naar het concrete geval van verzoeker. Bovendien werd dit engagement in het BOC aangegaan door het politiecollege, terwijl de bestreden beslissing werd genomen op grond van de hem toekomende bevoegdheid door de korpschef. Verzoeker kon uit het engagement van het politiecollege niet het rechtmatige vertrouwen koesteren dat er met het oog op de werking van de dienst geen beslissing over zijn overplaatsing cq. herintegratie zou worden genomen zolang er geen algemene regeling inzake vrijstellingen was, laat staan dat deze regeling voor hem gunstig zou zijn. Bovendien is de overplaatsing niet onverhoeds gebeurd doch pas na verzoeker te hebben gehoord en nadat andere mogelijkheden werden onderzocht.
- Het middel is niet ernstig in zoverre het de schending van het vertrouwensbeginsel aanvoert.
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordeling- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. In zoverre verzoeker aanvoert dat de korpschef door het nemen van de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden doordat hij de algemene regeling inzake vrijstellingen niet heeft afgewacht en zodoende de dynamiek rond de algemene regeling ‘doorkruist’ door nog een beslissing ten aanzien van verzoeker te nemen, mag worden vastgesteld dat die handelwijze niet automatisch tot de conclusie leidt dat de bestreden beslissing onredelijk, laat staan kennelijk onredelijk is. Dat zou pas het geval zijn wanneer wordt aangetoond, minstens XIV-37.725-7/22 aannemelijk gemaakt dat de bestreden beslissing dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Gelet op de eindverantwoordelijkheid van de korpschef voor de goede dagelijkse werking van de dienst op grond van artikel 44 WGP, is te dezen niet aangetoond dat het ondenkbaar is dat enige andere korpschef, geconfronteerd zijnde met een personeelslid dat om medische redenen niet volgens de behoeften in zijn functie kan worden ingezet, daarbij ook rekening houdende met de kostprijs verbonden aan de functie, een dergelijke maatregel tot herplaatsing neemt. De hypothese dat een gunstigere oplossing mogelijk is indien de algemene regeling inzake dienstvrijstellingen zou zijn afgewacht, kan niet anders doen besluiten.
- Het middel is niet ernstig in zoverre het de schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert.
- Het eerste middel is in zijn geheel genomen niet ernstig.” In de mate verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, wat hij in zijn laatste memorie herhaalt, nog doet gelden, wat de schending van het vertrouwensbeginsel betreft, dat de verwerende partij zich minstens impliciet ertoe verbonden heeft om in individuele gevallen conform de resultaten van de onderhandelingen inzake de vrijstellingen te zullen handelen en dat zij door hiervan af te wijken terugkomt op haar eigen toezeggingen en beleidslijn, wordt hij niet bijgevallen. Dit argument dat wordt geponeerd zonder te verduidelijken waaruit dit beweerd engagement van de verwerende partij minstens impliciet dan wel zou moeten blijken, kan niet tot een andere conclusie leiden zodat het volstaat te verwijzen naar hetgeen in het tussenarrest onder de randnummers 8 tot 9 is uiteengezet. In de mate verzoeker volhardt om zijnerzijds tot een schending van het redelijkheidsbeginsel te besluiten door erop te wijzen dat er slechts één hondengeleider meer is en dat niet in operationele vervanging werd voorzien terwijl het in dienst houden van verzoeker minstens in tussentijd toch maar een beperkte kostprijs heeft terwijl hij als hondengeleider ook voor alle andere dan nachtdiensten van nut kan zijn, haalt verzoeker opportuniteitsoverwegingen aan op grond waarvan zou kunnen worden besloten dat een andere (gunstigere) regeling voor verzoeker mogelijk was geweest. Zulks volstaat evenwel niet om te besluiten dat een schending van het redelijkheidsbeginsel voorligt. Daarmee is immers niet aangetoond dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde besluitvorming zou komen. Evenmin wordt een schending van het redelijkheidsbeginsel aangetoond of aannemelijk XIV-37.725-8/22 gemaakt door er op te wijzen dat nog niet voor een operationele vervanging werd gezorgd, wat volgens verzoeker via een mobiliteitsregeling kon gebeuren. Dat de verwerende partij enigszins afwachtend en dus voorzichtig blijft – zij het niet zonder een operationele samenwerking te zoeken met een naburige politiezone – in afwachting van het resultaat van huidig beroep om niet geconfronteerd te worden met drie hondengeleiders in de zone terwijl er maar een budget is voor twee, is niet onredelijk, laat staan kennelijk onredelijk. Dat het ‘in tussentijd’ in dienst houden van verzoeker maar een geringe kostprijs heeft, is een eigen appreciatie van verzoeker die de onredelijkheid van de bestreden beslissing niet aantoont. Het is niet onredelijk dat een korpschef die geconfronteerd wordt met een personeelslid dat niet optimaal in zijn functie kan ingezet worden, terwijl de kostprijs voor die functie dezelfde blijft, een maatregel tot herplaatsing neemt. Voor het overige mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel, geput uit een schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, zet verzoeker uiteen dat de korpschef in de bestreden beslissing heeft verwezen naar het functieprofiel door er op te wijzen dat de hondengeleider moet kunnen deelnemen aan fenomeen-, piek-, overlast- en/of actieploegen die flexibel worden ingezet, rekening houdende met tijd- en plaatsgebonden fenomenen en dat een hondengeleider zichtbaar aanwezig moet kunnen zijn bij culturele, sportieve en toeristische evenementen. De korpschef oordeelt dat dit inhoudt dat er ’s nachts moet kunnen worden gewerkt en de functie zich niet XIV-37.725-9/22 beperkt tot de ‘normale’ kantooruren omdat de meeste van deze ploegen worden ingezet tijdens nachturen of minstens een flink deel daarvan, wat volgens verzoeker geen deugdelijke reden is omdat volgens het betrokken functieprofiel van een hondengeleider geenszins wordt verwacht dat deze functioneert in een volcontinu systeem, in tegenstelling tot wat het geval is bij de interventiedienst. Voorts is de aanwezigheid op evenementen slechts een deel van het takenpakket. Anders dan de korpschef, die in de dienstplanning 2018 voor een 20-tal evenementen met nachtprestaties een meerwaarde voor een hondengeleider ziet, ontwaart verzoeker er zelf maar een 12-tal. Hij verwijst daarbij ook naar de mogelijkheid van functionele samenwerking met de PZ Vlas waarbij verzoeker stelt bereid te zijn tot 10 diensten per jaar prestaties te leveren tot 24.00 u. Het motief van het in gedrang komen van de operationele inzetbaarheid door de medische vrijstelling voor nachtdiensten is bijgevolg niet deugdelijk bewezen, zodat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden. Voorts acht verzoeker dat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel voorligt omdat de korpschef heeft nagelaten “de totaliteit van het takenpakket van de hondengeleiders tegen het licht te hebben gehouden naar realistische verwachtingen gelet op de beleidskeuze van het korps om het hondenteam te beperken tot twee hondengeleiders”. In dergelijke omstandigheden kan geen allround aanwezigheid worden gegarandeerd en dienen de verwachtingen wat de operationele inzet betreft, daaraan te worden gespiegeld. De korpschef heeft geen, minstens een onvoldoende, ernstige afweging gemaakt en de feitelijkheden in deze optiek niet onderzocht. Hij heeft niet onderzocht en afgewogen in welke mate een evenement of actie de onontbeerlijke aanwezigheid van een hondengeleider noodzaakt in het licht van het geheel van het takenpakket van de hondengeleiders versus de beschikbaarheid ervan. Door de maatregel valt het aantal hondengeleiders terug van twee op één, waarbij niet goed valt in te zien hoe dit wordt gerijmd met de beoogde maximale operationele inzetbaarheid, terwijl vervanging op korte en middellange termijn niet evident is. Uit niets blijkt overigens dat er een begin is gemaakt om verzoeker te vervangen. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker inzake de schending van de materiëlemotiveringsplicht dat de bestreden beslissing XIV-37.725-10/22 gesteund is op het motief dat de operationele inzetbaarheid in het gedrang is door de medische vrijstelling voor nachtdiensten, terwijl dit naar zijn mening op zich niet volstaat. Als de inzetbaarheid in nachtdiensten zo belangrijk is, dan is er nog steeds de andere hondengeleider, alsook de mogelijke samenwerking met de Lokale Politiezone Vlas. De enge focus van de korpschef op het niet kunnen uitvoeren van nachtdiensten brengt wel degelijk de ondeugdelijkheid van de motieven met zich. Inzake de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel meent verzoeker dat zijn standpunt geen detailkritiek is gelet op de verregaande gevolgen voor verzoeker en zijn hond. Daarbij mag niet uit het oog verloren worden dat verzoeker juridisch de eigenaar is van de hond, in het systeem van de ‘aangenomen politiehond’, waarbij alle negatieve gevolgen voor verzoeker zijn. Ook voor de hond, die weliswaar geen persoonlijkheidsrechten bezit, maar toch niet gelijkgesteld kan worden met louter een ‘zaak’. De zorgvuldigheidsplicht impliceert wel degelijk een ernstige gedachtenoefening en afweging van alle aspecten. Dit is volgens verzoeker niet gebeurd. In zijn laatste memorie betwist verzoeker dat hij door te wijzen op de gevolgen voor hemzelf en zijn hond een aanvullende wending geeft aan hetgeen hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet. Het gaat volgens verzoeker slechts om “een illustratie” die aantoont dat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel voorligt terwijl de naleving van die plicht vereist “dat bij de besluitvorming diende overwogen of de gewenste inzet niet op een andere manier kon worden gerealiseerd en wat dan wel eigenlijk niet het ‘restprobleem’ is.” Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het tweede middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel van zijn verslag: “2.
- Dit middel werd in het arrest nr. 242.848 van 7 november 2018 over het verzoek tot schorsing als volgt beoordeeld: ‘
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in XIV-37.725-11/22 aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. De in de bestreden beslissing tot uiting gebrachte motieven zijn aangehaald in punt 3.
- Hoewel in de huidige stand van het geding in het administratief dossier geen steun kan worden gevonden voor de premisse dat de werkgroep in de schoot van het BOC geen mandaat meer had om een algemene regeling inzake de medische vrijstellingen te ‘genereren’ doch veeleer blijkt dat de bespreking van beide soorten vrijstellingen werd opgesplitst waarbij de medische vrijstellingen later zouden worden onderhandeld, doet die - weliswaar verkeerde -premisse geen afbreuk aan de vaststelling zoals uiteengezet in punt 6, met name dat de korpschef zijn bevoegdheid heeft behouden om wat verzoeker betreft een maatregel inzake overplaatsing te nemen. De korpschef heeft daarover ook consequent op meerdere tijdstippen met het politiecollege gecommuniceerd, zonder dat het enig bezwaar heeft geuit. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de beëindiging van de onderhandelingen, die op een later tijdstip zouden plaatsvinden, moesten worden afgewacht. Bovendien heeft het politiecollege op 15 maart 2018 uitdrukkelijk ingestemd met het stopzetten van de functie van hondengeleider vanaf 1 mei
- De door de korpschef genomen maatregel vindt steun in artikel 44 van de WGP dat de korpschef de eindverantwoordelijkheid verleent voor de goede dagelijkse werking van zijn korps. Hij neemt daartoe de beslissingen die zich opdringen zodat het prima facie in het licht daarvan is dat moet worden beoordeeld of de bestreden beslissing steunt op draagkrachtige motieven. De korpschef verantwoordt de herplaatsing in hoofdorde op de opdrachten van een hondenbegeleider volgens het functieprofiel, waarbij hij er op wijst dat deze opdrachten met zich meebrengen dat er ‘s nachts moet kunnen worden gewerkt en dat de functie zich niet beperkt tot de normale kantooruren. In het functieprofiel kan inderdaad worden gelezen dat de hondengeleider deelneemt aan ‘fenomeen-, piek-, overlast - en/of actieploeg(en) die flexibel ingezet worden rekening houdend met tijd- en plaatsgebonden fenomenen’. Verzoekers kritiek dat dit geen deugdelijk motief is omdat het betrokken functieprofiel niet voorschrijft dat deze functioneert in een volcontinu systeem (in tegenstelling tot een functie in de interventiedienst), maakt het motief niet ondeugdelijk. Het standpunt van de korpschef dat de hiervoor geciteerde ruime omschrijving nachtwerk impliceert is feitelijk correct. Ten aanzien van het tweede argument wordt vastgesteld dat de korpschef verwijst naar ‘bijvoorbeeld’ een twintigtalevenementen/acties met nachtprestaties terwijl verzoeker slechts een twaalftal evenementen/acties met nachtprestaties ontwaart, doet niet af aan de vaststelling dat verzoeker niet als hondengeleider kan ingezet worden bij die evenementen/acties. Overigens moet opgemerkt worden dat deze dienstplanning enkel rekening houdt met hetgeen wordt voorzien doch niet met onvoorziene gebeurtenissen, zodat het niet uitgesloten is dat het aantal diensten met nachtprestaties hoger komt te liggen. Dat verzoeker bereid zou zijn tot 10 diensten per jaar prestaties tot 24.00 u te leveren, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de arbeidsgeneesheer daarmee niet heeft ingestemd zodat de korpschef hem ook niet voor die diensten kan inzetten. Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat de bestreden beslissing ook steunt op financiële overwegingen waarvan verzoeker de juistheid niet betwist. Het in aanmerking nemen van de kostprijs van een functie, XIV-37.725-12/22 terwijl degene die die functie uitoefent niet optimaal kan ingezet worden, is een motief dat de bestreden beslissing deugdelijk mee kan verantwoorden.
- Het middel is niet ernstig in zoverre het de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Verzoekers kritiek luidt dat de korpschef benevens de hiervoor besproken motieven nog andere elementen in aanmerking had moeten nemen om zijn operationele inzetbaarheid te evalueren. Zo lijkt verzoeker er in essentie van uit te gaan dat zijn vrijstelling van nachtwerk en de onmogelijkheid om daarvoor op hem een beroep te doen niet onoverkomelijk is en dat alternatieven onvoldoende werden onderzocht zoals de vraag in welke mate voor bepaalde evenementen een hondengeleider vereist is, of nog, of andere oplossingen mogelijk zijn zoals de samenwerking met een naastgelegen politiezone. Daarmee lijkt verzoeker een opportuniteitskritiek te formuleren waarbij hij zelf de beoordeling maakt hoe de dienst moet worden georganiseerd cq. of zijn verdere tewerkstelling als hondengeleider mogelijk of wenselijk is. Die beoordeling komt evenwel - binnen de grenzen van de redelijkheid - enkel aan de bestuurlijke overheid toe en niet aan verzoeker noch aan de Raad van State. Hiervoor is gebleken dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijk bevonden argumenten die de beslissing afdoende schragen, wat volstaat.
- Het middel is niet ernstig in zoverre het de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert.
- Het tweede middel is in zijn geheel genomen niet ernstig.’ […] 2.
- Beoordeling 2.5.1 Wat de schending van de materiële motiveringsplicht betreft De repliek van de verzoeker in de memorie van wederantwoord doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de Raad in het arrest nr. 242.848 over het verzoek tot schorsing onder randnummer 14 vastgesteld heeft dat de motieven waarop de korpschef zich gesteund heeft feitelijk correct zijn, en derhalve de bestreden beslissing deugdelijk kunnen verantwoorden. De repliek in de memorie van wederantwoord betreft in werkelijkheid opportuniteitskritiek. In het kader van zijn wettigheidstoezicht kan de Raad zich bij de beoordeling van de beslissing niet in de plaats stellen van het bestuur. Hij kan, desgevraagd, enkel nagaan of het bestuur daarbij niet kennelijk onredelijk heeft geoordeeld (schending van het redelijkheidsbeginsel). Naast de vaststelling dat de verzoeker hier niet aanvoert dat het redelijkheidsbeginsel geschonden werd, meen ik dat het niet kennelijk onredelijk is dat de korpschef, geconfronteerd met de vaststelling dat verzoeker als hondengeleider niet optimaal inzetbaar was en rekening houdende met de jaarlijkse kost die dit voor de politiezone meebrengt, geoordeeld heeft dat verzoeker niet langer als hondengeleider kon ingezet worden en herplaatst moest worden. 2.5.2 Wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft De repliek in de memorie van wederantwoord wordt in essentie gesteund op het argument van het systeem van ‘de aangenomen politiehond’ waarbij alle negatieve gevolgen (ingevolge de bestreden beslissing) voor verzoeker en zijn hond zijn. Ten aanzien van deze repliek wordt vastgesteld dat verzoeker zo een andere, bijkomende, wending geeft aan het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift (waar de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel enkel gesitueerd werd ten XIV-37.725-13/22 aanzien van de vraag van de inzetbaarheid). Die kritiek is derhalve onontvankelijk. Voor het overige brengt de verzoeker niets in tegen het oordeel van de Raad in het arrest nr. 242.848 over het verzoek tot schorsing. 2.5.3 Het tweede middel is ongegrond.” Verzoeker betwist deze beoordeling niet. Hij heeft na kennisneming van het verslag van het auditoraat, niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. In de mate verzoeker in zijn laatste memorie betwist dat hij met zijn argument van het systeem van ‘de aangenomen politiehond’ waarbij – ingevolge de bestreden beslissing – alle negatieve gevolgen voor verzoeker en zijn hond zijn, een aanvullende wending aan zijn middel geeft waarvan niet is aangetoond dat hij dat niet eerder kon inbrengen, wordt hij geenszins bijgetreden. In het auditoraatsverslag is terecht geoordeeld dat de schending van de zorgvuldigheidsplicht zoals uiteengezet in het verzoekschrift enkel werd gesitueerd ten aanzien van de vraag van de inzetbaarheid. Verzoeker beseft dat ook wel nu hij in zijn laatste memorie onmiddellijk corrigeert “dat bij de besluitvorming diende overwogen of de gewenste inzet niet op een andere manier kon worden gerealiseerd”. Welnu zoals hiervoor is gebleken blijkt uit de bestreden beslissing op zich reeds afdoende dat de inzet(baarheid) van verzoeker als hondengeleider met zorgvuldigheid is onderzocht en overwogen waarbij overigens ook het welzijn van de hond bij inzet van zijn geleider als lid van een interventieploeg in ogenschouw is genomen zoals hierna bij de beoordeling van het derde middel blijkt.
- In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel, in zoverre het ontvankelijk is, ongegrond. XIV-37.725-14/22 C. Derde Middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel voert verzoeker een schending aan van de wet van 10 mei 2007 ‘ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie’ (hierna: de wet van 10 mei 2007). In een eerste middelonderdeel zet hij uiteen dat de bestreden beslissing waarbij verzoeker wordt herplaatst in strijd is met de artikelen 4, 7, 8, 14 en 15 van de wet van 10 mei
- De bestreden beslissing vormt een directe discriminatie in de zin van artikel 4 van die wet omdat (a) verzoeker een ongunstiger behandeling (dit is de herplaatsing) krijgt, (b) in vergelijking met een referentiepersoon die zich in een vergelijkbare situatie bevindt (de hondengeleider die geen vrijstelling van nachtdienst heeft) en (c) er een causaal verband bestaat tussen de ongunstigere behandeling (herplaatsing) en het beschermd criterium, zijnde zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand of handicap aangezien de essentie van de motieven van de bestreden beslissing zijn beperktere operationele inzetbaarheid is. Verzoeker meent dat zijn gezondheidstoestand waardoor hij een definitieve vrijstelling van nachtdiensten geniet een handicap is in de zin van de wet van 10 mei
- Hij is getroffen door een door een arts gediagnosticeerde ziekte welke leidt tot een beperking die onder meer het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels verzoeker beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen, en die beperking langdurig is. Hoewel een direct onderscheid, te dezen de handicap, volgens de wet van 10 mei 2007 kan worden gerechtvaardigd op grond van wezenlijke en bepalende beroepsvereisten, blijkt uit niets dat het kunnen verrichten van nachtdiensten een objectieve vereiste zou zijn omwille van de aard van de betrokken beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgevoerd. Er is geen absolute noodzaak tot aanwezigheid van een hondengeleider “ten allen tijde en gedurig beschikbaar voor nachtdiensten alwaar de zone de beleidsbeslissing heeft genomen slechts een beperkt team van hondengeleiders te hebben” en voorts in het functieprofiel niet wordt voorzien in een volcontinu XIV-37.725-15/22 systeem. Door hierin niet te voorzien blijkt op zich reeds dat dit geen wezenlijke en bepalende beroepsvereiste is. Er is geen legitieme doelstelling met een maatregel die evenredig is ten aanzien van die nagestreefde doelstelling. De beperking van de inzet van verzoeker is beperkt tot nachtdiensten nu hij voor het overige volledig geschikt is. De evenredigheid moet worden gespiegeld aan de gevolgen van de herplaatsing voor zowel verzoeker als zijn hond. De maatregel heeft bovendien geen positief effect op de nagestreefde doelstelling (operationele inzet van hondengeleiders), maar eerder een negatief effect nu door de bestreden beslissing de ervaring van verzoeker, de ervaring en het opgeleid karakter van de hond en de eigen inspanning van de zone verloren gaat. Conclusie is dat er sprake is van een directe discriminatie op grond van een handicap zodat de artikelen 4, 7, 8, 14 en 15 van de wet van 10 mei 2007 zijn geschonden. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker de schending aan van artikel 14 van de wet van 10 mei 2007 omdat niet is ingegaan op verzoekers vraag om de hond verder te kunnen inzetten bij het uitoefenen van een functie binnen interventie. De weigering om redelijke aanpassingen te treffen ten voordele van personen met een handicap wordt in het genoemde artikel 14 gelijkgesteld met discriminatie. Verzoeker stelt dat de inzet en het gebruik van de patrouillehond binnen de functie van interventie-inspecteur een redelijke aanpassing van de werkomstandigheden is. Dergelijke aanpassing is bovendien geen onevenredige belasting van het korps nu de verdere inzet de voortzetting zou zijn van een praktijk die bestond. De verwijzing naar de kostprijs doet daaraan geen afbreuk omdat het budget van het korps toch aanzienlijk is. De verwijzing naar de niet ideale situatie is bovendien niet dienstig omdat dit tot nog toe de dagelijkse praktijk was waarbij de korpsleiding zich geen zorgen maakte omtrent deze situatie en hetgeen ook niet erg is gelet op het feit dat de hond meer dan genoeg redelijke inzetmogelijkheden heeft. In zijn memorie van wederantwoord gaat verzoeker nog enkel in op het eerste middelonderdeel. Hij repliceert dat er wel degelijk elementen zijn die aantonen dat verzoekers ongunstige behandeling is ingegeven door ongeoorloofde XIV-37.725-16/22 motieven. De finale grondslag voor de herplaatsing is immers het niet kunnen uitvoeren van nachtdiensten, wat te wijten is aan de medische toestand van verzoeker die een handicap is. Wat het aspect “wezenlijke en bepalende beroepsvereiste” betreft, is het volgens verzoeker niet zo dat de functie van hondengeleider “het kunnen uitoefenen van nachtdiensten” als kenmerk heeft. Dit is een meerwaarde, maar daarom niet wezenlijk en bepalend. Het staat immers niet zo in het functieprofiel. Elke politionele functie staat in relatie tot de openbare veiligheid terwijl de personeelsbezetting niet toelaat 365 dagen op 365 dagen, 24 uur op 24 uur inzetbaar te zijn. De behoefte om als hondengeleider in nachtdienst inzetbaar te zijn, is in die zin niet wezenlijk of bepalend. Dit is in casu slechts een appreciatie van de korpschef, terwijl het geen wezenlijk probleem betreft. In zijn laatste memorie benadrukt hij dat het weliswaar een juiste appreciatie is dat bepaalde van de opgesomde diensten waaraan een hondengeleider moet deelnemen ook nachtdiensten met zich brengen maar daarom is het nog niet wezenlijk en bepalend. Was het wel zo geweest had het duidelijk in het functieprofiel moeten staan. Beoordeling
- In het tussenarrest nr. 242.848 van 7 november 2018 over de vordering tot schorsing heeft de Raad van State het derde middel prima facie als volgt beoordeeld: “
- De wet van 10 mei 2017 strekt tot omzetting van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 ‘tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep’. De te dezen relevante artikelen van de wet van 10 mei 2007 bepalen wat volgt. Volgens artikel 4, 6°, van de wet van 10 mei 2007 is er een direct onderscheid wanneer
(1)iemand ongunstiger wordt behandeld
(2)dan een ander in een vergelijkbare situatie behandeld wordt
(3)op basis van (causaal verband) één van de beschermde criteria. De te dezen relevante criteria van onderscheid zijn ‘de huidige of toekomstige gezondheidstoestand’ van verzoeker of een ‘handicap’ (cfr. artikel 4, 4°). Artikel 4, 7° van de wet van 10 mei 2007 bepaalt dat onder directe discriminatie moet worden begrepen een direct onderscheid op grond van een beschermd criterium dat niet gerechtvaardigd kan worden op grond van de bepalingen van titel II van diezelfde wet. Artikel 7 van de genoemde titel II van de wet van 10 mei 2007 bepaalt dat elk direct onderscheid op grond van een beschermd criterium (zoals de gezondheidstoestand) een directe discriminatie vormt, tenzij dit directe onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een XIV-37.725-17/22 legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (‘open systeem van rechtvaardiging’). Uit artikel 8, § 1 iuncto artikel 5, § 1, 5° van dezelfde wet volgt dat, in afwijking van het genoemde artikel 7, een direct onderscheid op grond van een handicap in de arbeidsbetrekkingen uitsluitend kan worden gerechtvaardigd op grond van wezenlijke en bepalende beroepsvereisten (‘gesloten systeem van rechtvaardiging’ - cfr. GwH nr. 17/2009 van 12 februari 2009 r.o. B.44.3). Van een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste kan slechts sprake zijn
(1)wanneer een bepaald kenmerk dat verband houdt met een handicap vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, wezenlijk en bepalend is en
(2)het vereiste berust op een legitieme doelstelling en evenredig is ten aanzien van deze nagestreefde doelstelling (artikel 8, § 2, van de wet van 10 mei 2007). Tot slot bepaalt artikel 14 van de wet van 10 mei 2007 dat in de aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van de wet vallen (te dezen de arbeidsbetrekkingen) elke vorm van discriminatie verboden is waarbij onder discriminatie moet worden begrepen directe discriminatie, indirecte discriminatie, opdracht tot discrimineren en intimidatie, evenals ‘een weigering om redelijke aanpassingen te treffen ten voordele van een persoon met een handicap’. De redelijke aanpassingsplicht is expliciet enkel voorbehouden voor personen die gediscrimineerd worden vanwege een handicap of beperking.
- Voorshands bemerkt de Raad van State dat in de door verzoeker bijgebrachte rechtsleer met verwijzing naar het arrest nr. 17/2009 van 12 februari 2009 van het Grondwettelijk Hof, wordt gesteld dat het niet volstaat dat een persoon aantoont dat hij het voorwerp is geweest van een ongunstige behandeling maar dat tevens is vereist dat hij de feiten moet bewijzen die erop lijken te wijzen dat die ongunstige behandeling is ingegeven door ongeoorloofde motieven. Het Hof overweegt ter zake dat ‘[t]e dien aanzien allereerst [dient] te worden vastgesteld dat er enkel sprake kan zijn van een omkering van de bewijslast nadat het slachtoffer feiten heeft bewezen die het bestaan van discriminatie doen vermoeden. Bijgevolg dient het slachtoffer aan te tonen dat de verweerder daden heeft gesteld of opdrachten heeft gegeven die prima facie discriminerend zouden kunnen zijn. De bewijslast ligt derhalve in de eerste plaats bij het slachtoffer (o.a. Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2720/009, p. 72)’.
- Prima facie zijn te dezen allerminst elementen aanwezig die zouden kunnen laten vermoeden dat de korpschef verzoeker heeft herplaatst op grond van ongeoorloofde motieven. De korpschef heeft verzoeker herplaatst om de goede werking van de dienst te garanderen, rekening houdende met verzoekers definitieve vrijstelling voor nachtarbeid waardoor hij niet langer tijdens de nacht als hondengeleider kan worden ingezet hoewel dat nodig is voor zowel geplande evenementen als onvoorziene gebeurtenis en rekening houdende tevens met het beperkt aantal hondengeleiders waarover de politiezone beschikt of kan beschikken. Er kan vanuit organisatorisch oogpunt immers niet aan worden voorbijgegaan dat verzoeker tijdens de nacht niet kan worden ingezet als hondengeleider omdat hij is vrijgesteld van nachtarbeid. Het feit dat verzoeker om medische redenen vrijgesteld is van nachtarbeid volstaat op het eerste gezicht niet om te besluiten tot een verboden onderscheid omwille van een ‘handicap’ in de zin van de wet. Verzoeker stelt immers zelf dat hij, behoudens nachtdiensten, ‘voor het overige volledig geschikt’ is. De verwerende partij lijkt dat ook zo te zien, wat mag worden afgeleid uit verzoekers herplaatsing naar een functie in de interventiedienst.
- Bovendien, daargelaten nog of de medische reden op grond waarvan verzoeker, weliswaar definitief, van nachtarbeid is vrijgesteld, is te beschouwen als een ‘handicap’ in de zin van de wet van 10 mei 2007, lijkt de bestreden beslissing die hiervoor is aangehaald, in essentie te steunen op de overweging dat voor de XIV-37.725-18/22 betrokken politiezone de inzet tijdens de nacht van elke hondengeleider een wezenlijke vereiste is. De bestreden beslissing is immers gesteund, eensdeels, op de vaststelling dat een hondengeleider uit de aard van zijn functie deelneemt aan fenomeen-, piek-, overlast- en/of actieploegen die flexibel moeten kunnen worden ingezet rekening houdend met tijd- en plaatsgebonden fenomenen en, anderdeels, omwille van specifieke omgevingsfactoren, namelijk te dezen omwille van het (zeer) beperkte aantal hondengeleiders in de betrokken politiezone hetgeen een context-gebonden factor lijkt die de eis dat beide hondengeleiders tijdens de nacht kunnen worden ingezet prima facie wettigt. Verzoekers argument dat het beperkte aantal hondengeleiders in de politiezone berust op een ‘beleidskeuze’ lijkt eraan voorbij te gaan dat een organisatie ook rekening moet houden met de financiële middelen waarover deze beschikt. Aldus lijkt dan ook te zijn voldaan aan artikel 8 van de wet van 10 mei
- Uit die wet en haar parlementaire voorbereiding volgt dat een kenmerk dat verband houdt met een beschermd criterium als een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste kan worden beschouwd
(1)vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten en
(2)vanwege de context waarin de betrokken specifieke beroepsactiviteiten worden uitgevoerd. Ook het feit dat de beroepsvereiste dient te berusten op een legitieme doelstelling en evenredig dient te zijn ten aanzien van die doelstelling wordt in de parlementaire voorbereiding nader omschreven. Als legitieme doelstelling voor het uitvaardigen van regels inzake wezenlijke en bepalende beroepsvereisten wordt onder meer aanvaard de openbare veiligheid (cfr. GwH nr. 17/2009, r.o. B.46.3 en B.46.4). De Raad van State bemerkt daarbij dat het Hof van Justitie met betrekking tot de richtlijn 2000/78/EG al heeft geoordeeld dat de wens om de inzetbaarheid en de goede werking van de politiediensten te verzekeren, een legitieme doelstelling is (HvJ, 18 oktober 2017, C-409/16). In het licht van deze legitieme doelstelling is het niet onredelijk dat de korpschef geoordeeld heeft verzoeker te moeten herplaatsen omdat deze gelet op de definitieve vrijstelling van nachtarbeid niet langer als hondengeleider flexibel kan worden ingezet tijdens ‘fenomeen-, piek-, overlast- en/of actieploegen […] rekening houdend met tijd - en plaatsgebonden fenomenen’ en dus ook tijdens de nacht.
- Tot slot overtuigt verzoeker niet waar hij in zijn tweede middelonderdeel stelt dat de weigering van zijn ‘subsidiaire’ vraag om bij de herplaatsing naar de interventiedienst de verdere inzet van de patrouillehond mogelijk te maken, gelijk staat met discriminatie en dus strijdt met artikel 14 van de wet van 10 mei
- Zelfs indien in deze fase van het geding er prima facie al van zou worden uitgegaan dat de medische redenen waarom verzoeker definitief van nachtarbeid is vrijgesteld, ook kwalificeert als een handicap in de zin van de wet van 10 mei 2007, dan lijkt te dezen geen ongerechtvaardigde weigering voor te liggen. ‘Redelijke aanpassingen’ zijn passende maatregelen die in een concrete situatie en naar gelang van de behoefte worden genomen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te hebben tot, deel te nemen aan en vooruit te komen in de aangelegenheden (te dezen de arbeidsbetrekkingen) waarop de wet van 10 mei 2007 van toepassing is, tenzij die maatregelen een onevenredige belasting vormen voor de persoon die de maatregelen moet nemen (artikel 4, 12° van de wet van 10 mei 2007). Hieruit volgt dat moet worden nagegaan of een aanpassing voor de persoon die de maatregel dient te nemen, al dan niet onevenredig is ten aanzien van het doel, dat erin bestaat een persoon met een handicap in staat te stellen toegang te hebben tot, deel te nemen aan en vooruit te komen in de aangelegenheden waarop die wet van toepassing is (GwH, nr. 17/2009, r.o. B.43.4 en B.54.1). Te dezen kon zoals hiervoor is gebleken niet worden ingegaan op verzoekers eerdere voorstel om verder (als hondengeleider) te worden ingezet waarbij hij een 10-tal keer per jaar zou worden ingezet tot 24.00 uur. Hiermee is immers geen XIV-37.725-19/22 oplossing voor inzet tijdens de nacht bereikt. Prima facie lijkt het veeleer zo te zijn dat precies met de herplaatsing van verzoeker naar de interventiedienst (interventie-inspecteur binnen de afdeling Veiligheid) een redelijke aanpassing is gerealiseerd, met name door aldus voor verzoeker die - behoudens zijn vrijstelling voor nachtarbeid -, zoals hij zelf aangeeft ‘voor het overige volledig geschikt is’, een aangepaste functie te vinden die zoveel als mogelijk overeenstemt met verzoekers ambitie als politieambtenaar en waarbij ook rekening is gehouden met zijn voorkeuren. Aldus zijn maatregelen aangebracht die de beperkende invloed van een onaangepaste omgeving (nachtarbeid) op de tewerkstelling van verzoeker neutraliseren. In de mate verzoeker aanvoert dat bovenop zijn herplaatsing het gebruik van de patrouillehond binnen de functie van interventie-inspecteur een redelijke aanpassing van de werkomstandigheden is, mag worden opgemerkt dat de politiezone er niet toe kan worden verplicht allerhande, te dezen, bijkomende, ingrepen te ondergaan. Het lijkt niet onredelijk dat de politiezone op deze bijkomende aanpassing niet is ingegaan. De politiezone vermocht bij die weigering rekening te houden met de kosten van die bijkomende aanpassing - namelijk niet alleen voorzien in vervanging voor het hondengeleidersteam (hetzij binnen de zone, hetzij met een naburige zone) en de daarmee gepaard gaande kost, maar daar, bovenop, het verder instaan voor de opleiding, training, verzekering, etc. van verzoekers hond -, de capaciteiten om deze kosten te dragen en de nadelen van de inzet van een hond als lid van een interventieploeg.
- Het derde middel is in zijn geheel genomen niet ernstig.”
- In de mate verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de bestreden beslissing is ingegeven door ongeoorloofde motieven, met name de medische toestand van verzoeker die een handicap zou zijn, dient opgemerkt dat dit criterium, dat een beschermd criterium is, weliswaar een ruime werkelijkheid met meerdere aspecten dekt doch dat neemt niet weg dat het begrip “handicap”, en de hieraan verbonden wettelijke gevolgen, niet kan worden gelijkgesteld met elke, te dezen om medische redenen ingegeven, beperking. Het is niet omdat verzoeker zijn huidige politiefunctie van hondengeleider niet langer kan uitoefenen omwille van de onmogelijkheid hem nog nachtdiensten te laten verrichten dat er sprake is van een “handicap” in de zin van de geschonden geachte bepaling. Zelfs al is hij om die reden definitief ongeschikt voor deze concrete functie dan nog rijst maar de vraag of zijn toestand beantwoordt aan het begrip “handicap”, omdat hij ondanks de beperking inzake nachtwerk, nog daadwerkelijk en op voet van gelijkheid kan deelnemen aan ander operationeel politiewerk en wel in de dienst interventie. Verzoeker stelt zelf nadrukkelijk dat hij behoudens nachtdiensten “voor het overige volledig geschikt” is. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat verzoeker wel degelijk werd herplaatst in een andere aangepaste functie waarbij rekening is gehouden met zijn voorkeuren. Los daarvan, in zoverre XIV-37.725-20/22 verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog stelt dat het uitoefenen van nachtdiensten geen wezenlijke en bepalende beroepsvereiste is en dat dit ook niet zo in het functieprofiel wordt vermeld (en dat het in werkelijkheid slechts een appreciatie van de korpschef is), mist zijn argument feitelijke grondslag. In het profiel van hondengeleider wordt vermeld dat deze deelneemt “aan fenomeen-, piek-, overlast- en/of actieploeg(en) die flexibel ingezet worden, rekening houdende met tijd- en plaatsgebonden fenomenen” die voorts “zichtbaar aanwezig zijn bij culturele, sportieve en toeristische evenementen” en dat de hondengeleider deelneemt “aan ondersteuning hycap en/of grootschalige acties”. Hoewel hierbij niet expliciet gesteld wordt dat deze inzetbaarheid ook in nachtdienst geldt, is het in redelijkheid niet betwistbaar dat ‘fenomeen-, piek-, overlast- en/of actieploegen’ ook tussen 22.00 uur en 06.00 uur moeten worden ingezet, Dat het slechts een persoonlijke appreciatie van de korpschef is, wordt niet bijgevallen, daargelaten nog dat het niet onredelijk kan worden geacht te oordelen dat het presteren van nachtdiensten voor een hondengeleider die moet deelnemen aan “fenomeen-, piek-, overlast- en/of actieploeg(en) die flexibel ingezet worden, rekening houdende met tijd- en plaatsgebonden fenomenen”, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste is, wat des te meer geldt nu door de betrokken politiezone slechts in twee hondengeleiders kan worden voorzien, wat te dezen een omgeving gebonden factor is die in rekening mag worden genomen. Voor het overige mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden.
- Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. XIV-37.725-21/22
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.725-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.006 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div