← België

Arrest 252008 - Penitentiair recht - 28/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.008 Rolnummer: A. 232283/XIV-38531 Zaak: Arrest 252008 - Penitentiair recht - 28/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-17 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-12 09:57 Fiche Arrest nr 252.008 van 28 oktober 2021 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 252.008 van 28 oktober 2021 in de zaak A. 232.283/XIV-38.531 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry Van Noorbeeck kantoor houdend te 3290 Diest Leuvensestraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie woonplaats kiezend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 november 2020, strekt tot de nietigverklaring van “de tuchtbeslissing genomen door de FOD Justitie, Directoraat Generaal Penitentiaire inrichtingen, Strafinrichting Leuven-Hulp waarbij verzoeker op datum van 22 oktober 2020 een tuchtsanctie werd opgelegd wegens vermeende bedreigingen aan een penitentiaire beambte”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van XIV-38.531-1/7 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker verblijft in de gevangenis van Wortel, maar op het ogenblik van de bestreden tuchtprocedure verbleef hij in de Hulpgevangenis van Leuven. 3.
  6. Op 14 oktober 2020 wordt er ten laste van verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld. 3.
  7. Op 19 oktober 2020 wordt verzoeker ervan ingelicht dat een tuchtprocedure tegen hem wordt opgestart en wordt hij uitgenodigd om op 20 oktober 2020 te worden gehoord. Met akkoord van verzoeker wordt de hoorzitting uitgesteld naar 22 oktober
  8. XIV-38.531-2/7 3.
  9. Op 22 oktober 2020 vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats, waarbij verzoeker in aanwezigheid van zijn raadsman wordt gehoord. 3.
  10. De directeur beslist vervolgens op 22 oktober 2020 de tuchtsanctie van afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte van 22 oktober 2020 om 15.00 uur tot en met 29 oktober 2020 om 15.00 uur op te leggen, met verwijzing naar de artikelen 129 en 132 van de basiswet, wegens opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee. Dit is de bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie
  11. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord “in hoofdorde” een exceptie van gebrek aan rechtsmacht op. Zij zet uiteen dat overeenkomstig artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de Raad van State uitspraak doet over beroepen tot nietigverklaring “indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend”. Sedert 1 oktober 2020 is in de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: basiswet) het gedeelte rond de afhandeling van klachten in werking getreden. Artikel 148, eerste lid, van de basiswet bepaalt in dat verband dat, onverminderd de mogelijkheid voor een gedetineerde om zich te richten tot de directie en de Commissie van toezicht, een gedetineerde bij de Klachtencommissie beklag kan doen over elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem werd genomen. Krachtens het tweede lid van diezelfde bepaling wordt met een in het eerste lid bedoelde beslissing gelijkgesteld het verzuim of de weigering een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn, of bij het ontbreken ervan, binnen een redelijke termijn. XIV-38.531-3/7 Verzoeker diende derhalve met toepassing van artikel 150, § 1, van diezelfde wet tegen de bestreden beslissing van de directeur beklag te doen bij de klachtencommissie van de Hulpgevangenis van Leuven. Aldus is de klachtencommissie (en in beroep de beroepscommissie) als enige bevoegd om kennis te nemen van de bestreden beslissing. De klachtencommissie is in die zin te beschouwen als een ander rechtscollege aan wie deze geschillen worden toegekend. De bestreden beslissing is aldus aan de rechtsmacht van de Raad van State onttrokken. Beoordeling
  12. Artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt wat volgt: “Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen: 1° van de onderscheiden administratieve overheden; […].” De bestreden beslissing betreft de tuchtbeslissing genomen door de gevangenisdirecteur van de strafinrichting Leuven-Hulp waarbij verzoeker op datum van 22 oktober 2020 een tuchtsanctie wordt opgelegd wegens opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee. Artikel 148 van de basiswet bepaalt inzake de afhandeling van klachten: “Onverminderd de mogelijkheid voor een gedetineerde om zich te richten tot de directie en de Commissie van toezicht, kan een gedetineerde bij de Klachtencommissie beklag doen over elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem genomen werd.” XIV-38.531-4/7 Overeenkomstig de artikelen 147 tot 166 van de basiswet zijn de Klachtencommissie en, in hoger beroep, de Beroepscommissie van de Centrale Raad, bevoegd om kennis te nemen van de geschillen in verband met tuchtsancties opgelegd aan gedetineerden. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 150/2018 van 8 november 2018 geoordeeld dat de Klachtencommissies en de Beroepscommissie als rechtscolleges moeten worden gekwalificeerd.
  13. Krachtens artikel 7 van het koninklijk besluit van 19 juli 2018 ‘tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, met betrekking tot het toezicht en de afhandeling van klachten en bezwaar, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen’, zoals het laatst werd gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 september 2019 ‘tot wijziging van de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, met betrekking tot de afhandeling van klachten en bezwaar’, werd de datum van inwerkingtreding van de bepalingen inzake het beroep bij de klachtencommissies en de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak ervan bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad (artikelen 147 tot 166 van de basiswet), vastgesteld op 1 oktober
  14. De bevoegdheid van de Klachtencommissies sedert 1 oktober 2020 staat eraan in de weg dat de Raad van State op grond van de algemene (residuaire) vernietigingsbevoegdheid die hij put uit het hiervoor aangehaalde artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, nog uitspraak doet over het voorliggende annulatieberoep ingediend op 19 november 2020 tegen de tuchtbeslissing van 22 oktober
  15. XIV-38.531-5/7 Vastgesteld wordt overigens dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk gewezen wordt op de mogelijkheid om binnen de zeven dagen een klacht in te dienen bij de Klachtencommissie.
  16. De exceptie is gegrond waaruit volgt dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is.
  17. Het auditoraat heeft terecht kunnen oordelen dat de zaak met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, een oplossing kan krijgen. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
  20. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-38.531-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.531-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.