id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.028 Rolnummer: A. 230869/X-17734 Zaak: Arrest 252028 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 29/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-11 15:01 Fiche Arrest nr 252.028 van 29 oktober 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.028 van 29 oktober 2021 in de zaak A. 230.869/X-17.734 In zake :
- Jan Louis TALBOOM
- Jan Filip TALBOOM
- An TALBOOM
- Luc DE DECKER
- de NV DC-INVEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV DE VLAAMSE WATERWEG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 april 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2020 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Scheldepolders Hingene’. X-17.734-1/28 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv de Vlaamse Waterweg heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 september 2020 . De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij, de tussenkomende partij en de verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Ann-Sophie Claus, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Maarten van den Nieuwenhuijzen, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-17.734-2/28 III. Feiten 3.
- Op 23 mei 2017 wordt een plenaire vergadering gehouden omtrent het voorontwerp van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur regio Antwerpse Gordel en Klein-Brabant, landbouw-, natuur- en bosgebieden ‘Scheldepolders Hingene’” (hierna: het gewestelijk RUP). 3.
- De toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP omschrijft de doelstelling van dit plan als volgt: “De doelstelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan is uitvoering geven aan de richtinggevende en bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) inzake de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur zoals nader uitgewerkt in de ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos in de regio Antwerpse Gordel en Klein Brabant. Het ruimtelijk uitvoeringsplan moet ook de realisatie mogelijk maken van een aantal projecten die deel uitmaken van het Geactualiseerde Sigmaplan. Het Sigmaproject ‘Cluster Bornem’ omvat 216 hectare, verspreid over drie deelgebieden. Het grootste, de Oudbroek-Schellandpolder, wordt een gecontroleerd overstromingsgebied of GOG, dat de achterliggende woonkernen beschermt tegen wateroverlast. Tegelijk zal er zich wetland en elzenbroekbos ontwikkelen, zeldzame natuur die niet onder invloed staat van het getij. De meer stroomopwaarts gelegen deelgebieden Stort van [het] Buitenland en Groot Schoor worden ontpolderd en teruggegeven aan de Schelde. Op die manier krijgen eb en vloed er weer vrij spel en ontwikkelen zich unieke zoetwaterslikken en -schorren. Het plan zal de daarvoor noodzakelijk bestemmingen en stedenbouwkundige voorschriften vastleggen op perceelsniveau.” De in dit citaat vermelde drie deelgebieden kunnen als volgt worden gesitueerd: X-17.734-3/28 Over de ‘wielen’, en meer bepaald het ‘Groene Wiel’ in de Oudbroekpolder, wordt in de niet-technische samenvatting van het planmilieueffectrapport (plan-MER) onder meer het volgende gesteld: “De wielen, kenmerkend voor het polderlandschap van Bornem, ontstaan door spoelgaten in dijken en dammen bij overstromingen. De nieuwe dijk of dam wordt dan vaak rond deze wielen aangelegd. Het Groene Wiel in Oudbroekpolder kent een historiek van dijkdoorbraken en indijkingen en de vorm van het wiel is doorheen de geschiedenis veelvuldig gewijzigd. Deze historiek van dijkdoorbraken situeert zich voornamelijk buiten het toekomstige GOG.” Met betrekking tot het oostelijke tracé van de ringdijk (Oudbroek-Schellandpolder), worden in het plan-MER de volgende drie uitvoeringsalternatieven onderzocht: “- Scenario ‘dijk langs Bovenrijpenbroekloop’: Een bijgesteld MWeA scenario, waarbij het bestaande bufferbekken uit het GOG wordt gehouden (de ringdijk volgt de loop van de Bovenrijpenbroekloop). - Scenario ‘dijk door wiel’: De ringdijk wordt rondom het wiel gelegd aan de oostzijde. Om op voldoende afstand van de pijpleidingen te blijven, dient de dijk echter voor een groot deel in het wiel gelegd te worden. - Scenario ‘dijk door uitloper’: De ringdijk wordt rondom het wiel gelegd aan de westzijde. De ringdijk doorsnijdt de gracht ten westen van het Groene Wiel.” X-17.734-4/28 De onderstaande figuur, met benaderende aanduidingen, toont de locatie van de verschillende scenario’s (plan-MER, figuur 6-4): dijk door wiel dijk langs dijk door uitloper (uitvoeringsalternatief Bovenrijpenbroekloop (uitvoeringsalternatief 2.2) (uitvoeringsalternatief 2.1) 2.3) De gevolgen van de verschillende uitvoeringsscenario’s voor het aspect ‘Landschap en erfgoed’ worden in het plan-MER als volgt beschreven: Wat het verlies aan erfgoedwaarde betreft, wordt in het plan-MER verder nog gesteld: “Uitvoeringsalternatief 2.1 ter hoogte van het oostelijk tracé van de ringdijk heeft een kleinere impact doordat het Groene Wiel niet doorsneden wordt (score -1), daar waar dit wel het geval is voor 2.2 (score -2). In uitvoeringsalternatief 2.3 wordt het Groene Wiel eveneens behouden, en komt het als een geheel binnen het GOG te liggen. Historisch gezien is deze X-17.734-5/28 opsplitsing echter niet logisch, gezien de oude Rijpenbroekpolder/Magrietschoor doorsneden wordt (score -2).” Finaal wordt het uitvoeringsalternatief 2.1 ‘dijk door uitloper’ verkozen. 3.
- De verzoekende partijen zijn eigenaars van meerdere gronden binnen het plangebied van het gewestelijk RUP. De tweede verzoeker is onder meer eigenaar van een woning, gelegen aan de Nattenhaasdonk 14 te Bornem (hierna: het perceel met de bestaande woning). De vijfde verzoekende partij exploiteert in een gebouw op het naastliggend perceel, Nattenhaasdonk 14 +, een inrichting (klasse 3) voor bosbouw (hierna: het perceel met de bestaande constructie). Het perceel met de bestaande constructie wordt in het verzoekschrift aangeduid als kadastraal gekend te Bornem, afdeling 3, sectie B, nr. 1335/e. Blijkens de informatie die publiek beschikbaar is op het geoportaal ruimtelijke plannen en verordeningen is het perceel met de bestaande constructie thans kadastraal bekend te Bornem als afdeling 3, sectie B, nr. 1335/g. Het wordt hierna ook aldus aangeduid. Het perceel met de bestaande woning en het perceel met de bestaande constructie zijn overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgesteld gewestplan Mechelen gelegen in ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’. Het perceel met de bestaande woning wordt daarnaast ook beheerst door het op 6 april 2006 door de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen goedgekeurde gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 7 ‘Zonevreemde woningen’ van de gemeente Bornem. 3.
- Op 28 juni 2017 brengt de Vlaamse Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed een advies over het voorontwerp van het gewestelijk RUP uit. 3.
- Op 2 februari 2018 keurt de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (de dienst Mer) het plan-MER ‘Aanleg van overstromings- en natuurgebieden in het kader van het geactualiseerde Sigmaplan – cluster Bornem’ goed. X-17.734-6/28 3.
- Op 22 februari 2019 stelt de Vlaamse regering het ontwerp van het gewestelijk RUP voorlopig vast. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat van 2 april 2019 tot en met 31 mei 2019 over het ontwerp van het gewestelijk RUP wordt georganiseerd, dienen verzoekers een bezwaarschrift in. 3.
- Op 22 januari 2020 brengt de Raad van State, afdeling Wetgeving, advies nr. 66.876/1 uit over het ontwerp van het besluit van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk RUP. 3.
- Op 31 januari 2020 stelt de Vlaamse regering het gewestelijk RUP definitief vast. Dit is het bestreden besluit. 3.
- Het perceel met de bestaande woning wordt uit het plangebied gesloten. Het perceel met de bestaande constructie wordt bestemd tot ‘bouwvrij agrarisch gebied’ (artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften). Met betrekking tot deze bestemming vermeldt de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP (toelichtingsnota, p. 37): “Voor het landbouwgebied tussen het natuurreservaat Spierbroekpolder en Groot Schoor (gebied 5) en Paddebroek en Nattenhaasdonk (gebied 6) wordt de agrarische bestemming bevestigd. Binnen deze landbouwgebieden is geen bebouwing aanwezig.” Artikel 2.1 van de stedenbouwkundige voorschriften luidt: “Het gebied is bestemd voor de beroepslandbouw. Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven zijn toegelaten, behoudens het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies.” Artikel 2.2 van de stedenbouwkundige voorschriften luidt: “Handelingen die nodig of nuttig zijn voor: - het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van rivier- en X-17.734-7/28 beekvalleien, - het behoud en herstel van de structuurkenmerken van de rivier- en beeksystemen, de waterkwaliteit en de verbindingsfunctie, - het behoud, het herstel en de ontwikkeling van overstromingsgebieden, het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast in voor bebouwing bestemde gebieden, - het beveiligen van vergunde of vergund geachte bebouwing en infrastructuren tegen overstromingen zijn toegelaten voor zover daarbij de technieken van natuurtechnische milieubouw worden gehanteerd. De in artikel 2.1 genoemde handelingen kunnen slechts toegelaten worden voor zover ze verenigbaar zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied en het waterbergend vermogen van rivier- en beekvalleien niet doen afnemen.” 3.11.
- Hierna volgt een weergave van het grafisch plan bij het gewestelijk RUP: 3.11.
- Tegen de achtergrond van het grafisch plan van het gewestelijk RUP kunnen het perceel met de bestaande woning en het perceel met de bestaande constructie als volgt weergegeven worden: X-17.734-8/28 perceel met de perceel met de bestaande bestaande woning constructie 3.11.
- Ter hoogte van het ‘Groene Wiel’ geeft het grafisch plan het volgende weer: X-17.734-9/28 3.11.
- Artikel 12 ‘Wielen’ van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk RUP luidt: “De met deze overdruk aangeduide wielen, zijn te behouden landschapselementen. Handelingen in functie van het behoud en herstel van dit landschapselement [zijn] toegelaten. Handelingen die dit landschapselement in het gedrang brengen, zoals de aanplant van opgaand groen zijn niet toegelaten. Het behoud van deze elementen moet verenigbaar […] zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied.” Deze overdruk heeft geen eigen bestemmingscategorie, maar volgt de bestemmingscategorie van de grondkleur. X-17.734-10/28 3.11.
- Artikel 3 ‘Natuurgebied’ van de stedenbouwkundige voorschriften luidt: “Artikel 3.1 Het gebied is bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en bos. Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur, het natuurlijk milieu en van de landschapswaarden zijn toegelaten. Het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur in functie van de sociale, educatieve en recreatieve functies van het natuurgebied is toegelaten voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het natuurgebied niet overschreden wordt. Artikel 3.2 Handelingen die nodig of nuttig zijn voor: - het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van rivier- en beekvalleien, - het behoud en herstel van de structuurkenmerken van de rivier- en beeksystemen, de waterkwaliteit en de verbindingsfunctie, - het behoud, het herstel en de ontwikkeling van overstromingsgebieden, het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast in voor bebouwing bestemde gebieden, - het beveiligen van vergunde of vergund geachte bebouwing en infrastructuren tegen overstromingen zijn toegelaten voor zover daarbij de technieken van natuurtechnische milieubouw worden gehanteerd. De in artikel 3.1 genoemde handelingen kunnen slechts toegelaten worden voor zover ze verenigbaar zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied en het waterbergend vermogen van rivier- en beekvalleien niet doen afnemen. Artikel 3.3 Aanduiding in overdruk Het gebied behoort tot de bestemmingscategorie van de grondkleur. Het in overdruk aangeduide gebied is een grote eenheid natuur.” X-17.734-11/28 IV. Ontvankelijkheid van het beroep De aangevoerde exceptie
- De tussenkomende partij betwist in haar memorie tot tussenkomst het belang van de verzoekende partijen. Zij werpt tegen dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift op geen enkele wijze in concreto ingaan op de nadelen die zij ten gevolge van het bestreden gewestelijk RUP menen te ondervinden. Zij beroepen zich enkel op hun hoedanigheid van eigenaar van gronden binnen het plangebied van het gewestelijk RUP. Beoordeling 5.
- Er bestaat voor de verzoekende partijen geen stelplicht om hun belang in hun verzoekschrift nader toe te lichten. Zij geven erin aan eigenaar te zijn van gronden die zich binnen het plangebied situeren. Deze hoedanigheid volstaat in beginsel om hun belang bij het beroep aan te nemen. Het betoog van de tussenkomende partij doet niet anders besluiten. 5.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 6.
- De verzoekende partijen voeren in hun eerste middel de schending aan van artikel 2.2.10, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids-, evenredigheids- en rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-17.734-12/28 Zij lichten toe dat de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 2 van het gewestelijk RUP bepalen dat het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies niet toegelaten is. In de toelichtende nota wordt deze bestemmingswijziging omschreven als een bevestiging van de agrarische bestemming waarin geen bebouwing aanwezig is. De verzoekende partijen zijn op het perceel met de bestaande constructie nochtans eigenaar van een vergunde constructie die dient als opslagloods voor bosbeheer en bosbehoud. Deze constructie werd oorspronkelijk als mestveestal vergund. Door ondanks de aanwezigheid van deze constructie in de toelichtende nota te vermelden dat geen bebouwing aanwezig is, is de verwerende partij niet op basis van de juiste feitelijke gegevens tot het bestreden besluit gekomen. In hun bezwaarschrift hebben zij deze kennelijk onredelijke bestemmingswijziging met betrekking tot het perceel met de bestaande constructie opgeworpen. Hun bezwaar is onbeantwoord gebleven. Het is voor hen volledig onduidelijk wat het lot is van de constructie. 6.
- De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het verbod tot oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies algemeen beschouwd kan worden als een bevestiging van de bestaande toestand, nu er nauwelijks (vergunde) constructies aanwezig zijn in het betreffende landbouwgebied. Uiteraard zijn (kleine) uitzonderingen, zoals de kwestieuze opslagplaats voor bosbouw, mogelijk zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de algemene vaststelling dat het in principe om onbebouwde landbouwgronden gaat. Dit geldt al zeker in een uitgestrekt plangebied zoals het voorliggende. Hoe dan ook was de kwestieuze constructie reeds zonevreemd, nu een opslagplaats voor bosbouw in principe niet verenigbaar is met de agrarische bestemming. Bovendien is de constructie nauwgezet aangeduid op het verordenend grafisch plan bij het gewestelijk RUP. De plannende overheid heeft dus wel degelijk met de juiste feitelijke gegevens rekening gehouden. De verzoekende partijen lijken voorts “uit het oog te verliezen dat zij geen recht hebben op een bepaalde bestemming” en dat een gewestelijk RUP toekomstgericht is. Het is om reden van “loutere opportuniteitskritiek en het gebrek aan stedenbouwkundig gerelateerde relevante bezwaren” dat de plannende overheid heeft nagelaten om dieper in te gaan op het bezwaar met betrekking tot de kwestieuze constructie. De constructie is geen woning, “valt buiten de contouren” van het gemeentelijk RUP ‘Zonevreemde X-17.734-13/28 woningen’ van de gemeente Bornem, en geniet derhalve geen bijzondere ontwikkelingsmogelijkheden. Het is dan ook evident dat de plannende overheid niet dieper op verzoekers’ desbetreffende bezwaar is ingegaan. 6.
- De tussenkomende partij betoogt in haar memorie tot tussenkomst dat uit het grafisch plan van het gewestelijk RUP blijkt dat wel degelijk met de kwestieuze constructie rekening werd gehouden. Met de bestreden beslissing vindt louter een bevestiging van de agrarische bestemming plaats, in lijn met de reeds bestaande bestemming van het gewestplan. Zulks is allerminst onredelijk, temeer nu bebouwing in het betreffende gebied slechts in uiterst beperkte mate voortkomt “en de constructie [...] hoe dan ook reeds zonevreemd was nu een opslagplaats voor bosbouw ook voordien reeds onverenigbaar was met de agrarische bestemming”. Het gegeven dat de verzoekende partijen zich daarmee niet kunnen verzoenen, doet geen afbreuk aan de wettigheid van het bestreden besluit. 6.
- De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord dat de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gewestelijk RUP iedere bebouwing verbieden, en niet spreken van “uitzonderingen (groot of klein)”. De opmerking van de verwerende partij over het al dan niet zonevreemd karakter van de opslagplaats voor bosbouw is niet relevant. Een bestemming ‘bouwvrij agrarisch gebied’ kan onmogelijk de bevestiging zijn van een bestaande toestand, als deze bestaande toestand bebouwingen inhoudt, ongeacht of deze zonevreemd zijn of niet. 6.
- De verwerende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat een “verplichte herneming” van het gewestelijk RUP de verzoekende partijen “tot geen enkel voordeel” strekt, nu de in haar procedurestukken weergegeven motivering waarom op een en ander niet is ingegaan, “uiteraard ook als een weerlegging van het in het bezwaarschrift geuite bezwaar kan worden geformuleerd”. Bovendien steunt het middel niet zozeer op een schending van de motiveringsplicht, maar wel op de onzorgvuldigheid van de plannende overheid. X-17.734-14/28 6.
- De tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat de verwerende partij terecht gewezen heeft op de redenen waarom slechts impliciet rekening diende gehouden te worden met het bezwaar omtrent het perceel met de bestaande constructie. De verwijzing naar de voorheen reeds geldende beperkte ontwikkelingsmogelijkheden van dit perceel “is wel degelijk relevant en kan niet gezien worden als een niet-toegelaten a posteriori motivering”. 6.
- De verzoekende partijen betogen in hun laatste memorie dat uit de aanduiding van de kwestieuze constructie op het grafisch plan “hoegenaamd niet voort[vloeit]” dat er impliciet rekening zou gehouden zijn met deze constructie. Het betreft een “gemakkelijkheidsoplossing”, “die men nu tevoorschijn tovert bij gebrek aan andere concrete argumenten”. Beoordeling 7.
- Het ingeroepen artikel 2.2.10, § 2, eerste lid, VCRO bepaalt dat de Vlaamse regering het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan samen met het ontwerp van de effectbeoordelingsrapporten onderwerpt aan een openbaar onderzoek. Uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren, volgt de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken, en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is. 7.
- Tijdens het openbaar onderzoek hebben de verzoekende partijen het volgende bezwaar geformuleerd: “
- De heer Jan Filip Talboom (tweede bezwaarmaker) en de vennootschap NC DC-Invest (vijfde bezwaarmaker) zijn eigenaar van een grond met woning en een inrichting voor bosbouw, gelegen aan de Nattenhaasdonk 14 te Bornem. […]
- Het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan heeft een zeer ingrijpende invloed op zijn eigendom.
- Deze eigendom was gelegen in de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. X-17.734-15/28 […]
- Het eigendom werd opgenomen in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 7 ‘zonevreemdewoningen’ (goedgekeurd bij ministerieel besluit van 6 april 2004) zodat het gelegen is in de overdruk zonevreemde woningen. […]
- Bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bornem van 21 februari 2011 werd aan de heer Talboom een vergunning verleend voor het herbouwen van een gezinswoning. […] In de onmiddellijke omgeving bevinden zich ook diverse woningen zoals blijkt uit onderstaande foto […] Het valt niet in te zien waarom de recent vergunde woning van de heer Talboom een andere behandeling zou verdienen [d]an de vele woningen die gelegen zijn in de onmiddellijke omgeving. […]
- De bestaande woning […] werd afgebroken en er werd een geheel nieuwe woning gebouwd – geheel conform de verleende vergunning. […]
- Op de zitting van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bornem van 7 augustus 2017 werd akte genomen van de melding van de NV DC-INVEST voor het exploiteren van een inrichting voor bosbouw als volgt […]: a. Stallen van 5 voertuigen (2 tractoren en 3 aanhangwagens) b. Opslag van maximaal 200 liter of 200 kg gevaarlijke producten in kleine verpakkingen (100 l diesel, 50 l benzine, 501/kg smeermiddelen) c. Opslag van max. 100 ton of 200 m³ hout in een lokaal.
- Met het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt beoogd om de bestemming te wijzigen naar bouwvrij agrarisch gebied. Dit is, gegeven de historiek van de gebouwen ter plaatse, uiteraard absurd. Het gebied is niet bouwvrij: er staan vergunde en niet vergund geachte constructies op, die de basisrechten voor zonevreemde constructies genieten zoals die in de VCRO en in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 7 zijn bepaald. Het is onaanvaardbaar dat deze rechten en constructies gewoonweg worden genegeerd.
- De bezwaarmakers wensen minstens en onder alle voorbehoud wat volgt aangepast te zien: de woning dient te worden opgenomen in woongebied, minstens woongebied met landelijk karakter. De landbouwzone dient (conform de realiteit van het bijgebouw en de melding) te worden aangevuld en uitgebreid met de mogelijkheid van bosbouw, opslag voor bosbouw moet worden toegelaten en herstel- en instandhoudingswerken moeten absoluut worden toegestaan zodat de eigendommen niet minder rechten genieten dan deze die voor zonevreemde woningen en constructies in niet ruimtelijk kwetsbaar gebied zijn voorzien in de VCRO. […]” 7.
- Verzoekers’ voormelde bezwaar heeft zowel betrekking op het perceel met de bestaande woning als op het perceel met de bestaande constructie. X-17.734-16/28 Met betrekking tot het eerste perceel vragen de verzoekende partijen in hun bezwaarschrift om dit op te nemen in woongebied, “minstens woongebied met landelijk karakter”. Met betrekking tot het perceel met de bestaande constructie vragen zij in hun bezwaarschrift “conform de realiteit van het bijgebouw en de melding” om de mogelijkheid van bosbouw, opslag voor bosbouw en herstel- en instandhoudingswerken toe te laten. 7.
- Naar aanleiding van verzoekers’ bezwaar werd het perceel met de bestaande woning uit het plangebied gesloten. Dit gebeurde op grond van de volgende motivering: “De betrokken woning is gelegen op een perceel met als gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Dit perceel werd tevens opgenomen binnen het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Zonevreemde woningen uit 2006 onder artikel
- Dit grup bepaalt via een overdruk op de gewestplanbestemming de ontwikkelingsmogelijkheden van de woningen op het vlak van behoud, verbouwen, herbouw en uitbreiding. Het perceel 1334D wordt nu uit het plangebied gelaten. De bepalingen van het gewestplan en gemeentelijk RUP ‘zonevreemde woningen’ blijven daardoor voor dit perceel van kracht.” 7.
- Het bestreden besluit bevat geen motieven aangaande verzoekers’ bezwaar dat betrekking heeft op het perceel met de bestaande constructie. Anders dan de verwerende partij dit ziet, is het niet “evident” dat zij op dat aspect van het bezwaar niet “dieper” is ingegaan. Het betoog in haar memorie van antwoord dat de kwestieuze constructie geen woning is, “buiten de contouren” valt van het gemeentelijk RUP ‘Zonevreemde woningen’ van de gemeente Bornem, en derhalve geen bijzondere ontwikkelingsmogelijkheden geniet, betreft een a posteriori-motivering die het gebrek niet vermag goed te maken. Een antwoord op verzoekers’ bezwaar aangaande het perceel met de bestaande constructie drong zich op, temeer nu in de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP – met miskenning van het feit van de bestaande constructie – wordt vermeld dat binnen de betrokken landbouwgebieden geen bebouwing aanwezig is, en precies dat gegeven in aanmerking wordt genomen om de bestaande agrarische bestemming te bevestigen. X-17.734-17/28 De omstandigheid dat de kwestieuze constructie aangeduid is op het verordenend grafisch plan van het gewestelijk RUP, kan niet als een voldoende antwoord op verzoekers’ desbetreffende bezwaar begrepen worden. 7.
- Het standpunt in de laatste memorie van de verwerende partij dat een gebeurlijke vernietiging op grond van het middel de verzoekende partijen “niet tot enig voordeel” zou kunnen strekken, kan in dit licht geen bijval vinden. 7.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8.
- De verzoekende partijen voeren in hun tweede middel de schending aan van artikel 4.1.1, § 1, 7°, artikel 4.1.4, § 2, en artikel 4.1.7 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij zetten uiteen dat artikel 12 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gewestelijk RUP het ‘Groene Wiel’ aanduidt als een te behouden landschapselement. Volgens datzelfde artikel moet het behoud van dat waardevol landschapselement evenwel verenigbaar zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied. Er is bijgevolg sprake van een contradictie in artikel 12 van de stedenbouwkundige voorschriften. Zij hebben in dat verband een bezwaar geformuleerd, waarop een ontoereikend en kennelijk onredelijk antwoord is geformuleerd geworden. Enerzijds, erkent de verwerende partij de impact van de functie als overstromingsgebied, anderzijds, laat zij na aan te geven hoe het behoud van het landschapselement zal worden verzekerd. Het feit dat de uitvoeringsalternatieven vermeld in het plan-MER een grotere impact zouden hebben, volstaat niet als motivering ter weerlegging van hun bezwaar dat de X-17.734-18/28 aanwezige waardevolle landschapskenmerken niet verenigbaar zijn met de waterbeheerfunctie. Voorts menen de verzoekende partijen dat hun bezwaar dat de alternatieven onvoldoende onderzocht werden, niet afdoende werd beantwoord. Zij stellen vast dat de verwerende partij verwijst naar de beslissingen van de Vlaamse regering waarbij het Geactualiseerde Sigmaplan werd bekrachtigd. Voor verzoekers is het kennelijk onredelijk om zich te baseren op een studie die werd goedgekeurd in 2006, terwijl de te verwachten zeespiegelstijging door de klimaatverandering de afgelopen jaren een belangwekkende verandering heeft doorgemaakt. Doordat het gewestelijk RUP steunt op studies die werden opgesteld in het kader van het Geactualiseerde Sigmaplan, en die studies gebaseerd zijn op verouderde wetenschappelijke gegevens, zijn de ingeroepen bepalingen van het DABM geschonden. 8.
- De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord dat het feit dat het plan-MER is goedgekeurd op 2 februari 2018 geenszins impliceert dat het niet zou zijn gebaseerd op kennelijk gedateerde onderzoeksvisies. 8.
- In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen nog toe dat nergens concreet wordt ingegaan op hun bezwaar met betrekking tot de tegenstrijdigheid tussen de stedenbouwkundige voorschriften. Verder stellen zij dat het feit dat het plan-MER van veel recentere datum is dan het Geactualiseerd Sigmaplan, nog niet impliceert dat het plan-MER “daarmee ook voldoende geactualiseerd zou zijn”. Verzoekers wijzen in dit verband op de klimaatopwarming en het gegeven dat de stijging van de zeespiegel steeds dramatischer wordt. Beoordeling 9.
- Zoals reeds bij de beoordeling van het eerste middel werd gezien (randnummer 7.1), volgt uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste X-17.734-19/28 zorgvuldigheid te onderzoeken, en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is. 9.
- In hun bezwaarschrift hebben de verzoekende partijen als “eerste bezwaar” uiteengezet dat “uit geen enkel stuk blijkt dat een afdoende alternatievenonderzoek werd uitgevoerd t.a.v. het vooropgestelde overstromingsgebied en de locatie daarvan” en dat “[m]et het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan […] een geheel van ongeveer 216 hectare privébezit [wordt] geviseerd”. Verzoekers hebben in dat verband verwezen “naar een stuk grond van ongeveer 60 hectare in de onmiddellijke omgeving van de geviseerde gronden”, dat eigendom is van de verwerende partij. Zij besluiten dat het “onaanvaardbaar [is] dat de overheid eerst private eigendom viseert, alvorens te onderzoeken wat ze reeds vermag met de eigendommen die ze al verworven heeft”. 9.
- Dit bezwaar wordt in het bestreden besluit als volgt beantwoord: “ In antwoord op deze bezwaren, opmerkingen en adviezen wordt gesteld dat de locaties voor de aanleg van overstromingsgebieden in het Geactualiseerde Sigmaplan zijn gekozen na een uitgebreid en onderbouwd studie- en overlegproces en goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 28 april
- Het voorliggend GRUP geeft uitvoering aan de beslissingen van de Vlaamse Regering van 22 juni 2005 en 28 april 2006 over het Geactualiseerde Sigmaplan waarbij het Meest Wenselijke Alternatief (MWeA) werd bekrachtigd. Deze beslissingen zijn het resultaat van een uitgebreid alternatievenonderzoek uitgevoerd in het kader van het Meest Wenselijke Alternatief (MWeA), de Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) en de plan-MER van het Sigmaplan. Voorafgaand aan het opmaken van het Meest Wenselijke Alternatief (MWeA) is een uitgebreid alternatieven onderzoek gebeurd. Daarbij werd ook het noordelijk eiland (POG 120-01) en het eiland van de sluis (POG 120-04) onderzocht als potentieel overstromingsgebied langs de Rupel. Deze zijn niet weerhouden in het Meest Wenselijke Alternatief (MWeA).Binnen de overkoepelende plan-MER voor het Geactualiseerde Sigmaplan werden diverse alternatieven onderzocht, waarbij ook alternatieven met beperktere private ruimte-inname, zoals combinaties van stormvloedkeringen en dijkverhogingen in het kader van waterbeheersing. X-17.734-20/28 Dit bezwaar leidt niet tot aanpassing van het GRUP.” 9.
- Zoals blijkt uit het antwoord op verzoekers’ bezwaar, wordt niet enkel gesteund op een studie uit 2006 over het Geactualiseerde Sigmaplan. Naast een verwijzing naar het studie- en overlegproces over het Geactualiseerde Sigmaplan dat finaal werd goedgekeurd door de Vlaamse regering op 28 april 2006, verwijst de verwerende partij in het antwoord ook naar het overkoepelende plan-MER voor het Geactualiseerde Sigmaplan en de daarin besproken alternatieven, “met beperktere private ruimte-inname”. Dit plan-MER werd op 2 februari 2018 door de dienst Mer goedgekeurd. 9.
- Door bij de uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift enkel een “studie die werd goedgekeurd in 2006” te vermelden, zonder concreet in te gaan op de in het plan-MER over het Geactualiseerde Sigmaplan gehanteerde gegevens, maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat het bestreden gewestelijk RUP op verouderde wetenschappelijke gegevens zou steunen. 9.
- De verzoekende partijen hebben het volgende bezwaar met betrekking tot de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 12 van het gewestelijk RUP geuit: “
- Aangaande de wielen wordt bepaald dat de met de overdruk aangeduide wielen te behouden landschapselementen uitmaken. Dat betekent dat men in beginsel en terecht het zeer waardevol karakter van deze wielen erkent en aanvaard. Verder wordt evenwel bepaald dat deze elementen verenigbaar moeten zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied.
- Dit is een onaanvaardbare contradictie: het is immers zo dat de waterbeheerfunctie de wielen zal tenietdoen. Het is evident dat het doen overstromen van het gebied, ongeacht of dat gecontroleerd gebeurt of niet, de vernietiging van de wielen tot gevolg zal hebben. Ofwel wenst men de wielen te behouden, ofwel wenst men de wielen te vernietigen. Het is evident dat de wielen behouden moeten blijven. De [waterbeheerfunctie] moet eraan ondergeschikt worden gesteld. Als de beiden niet verenigbaar zijn met elkaar, moet de waterbeheerfunctie worden geschrapt. Hierbij moet worden opgemerkt dat het gebied dat reeds eigendom is van de overheid, veel minder natuurwaarden vertoont dan het met het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan geviseerde gebied.
- Bezwaarmakers wensen dat de huidige situatie wordt behouden, m.i.v. het behoud van de plaatselijke vissersclub.” X-17.734-21/28 9.
- Dit bezwaar wordt in het bestreden besluit als volgt beantwoord: “ In antwoord op deze bezwaren, opmerkingen en adviezen wordt gesteld dat door de overdruk over de wielen wordt weergegeven dat deze een bijzondere landschappelijke waarde hebben en dat bij de inrichting van het gebied rekening dient te worden gehouden met deze landschappelijke waarde. De overdruk betekent dus een effectieve landschappelijke bescherming van de wielen. De impact op de landschappelijke waard[e] van de wielen is onderzocht in het plan-MER. De weerhouden dijkvariant scoort daarbij beperkt negatief inzake landschappelijk erfgoed: ‘De uitvoeringsalternatieven 2.1 en 2.2 doorsnijden de ankerplaats, waarbij respectievelijk het Groene Wiel van de GOG wordt afgesneden (dit is echter niet onlogisch gezien de historiek van de dijkdoorbraken zich voornamelijk in de zone buiten het GOG situeert) en het Groene Wiel wordt doorsneden. Beide uitvoeringsalternatieven bieden echter de mogelijkheid om historische dijktracés te vormen en zijn historisch-landschappelijk een logische grens in het landschap (tussen de Rijpenbroek en Oudbroekpolder). Uitvoeringsalternatief 2.1 heeft echter een kleinere impact doordat het Groene Wiel niet doorsneden wordt (score -1). Dit bezwaar leidt niet tot een aanpassing van het GRUP.” 9.
- Vooreerst dient te worden vastgesteld dat artikel 12 van de stedenbouwkundige voorschriften uitdrukkelijk bepaalt dat het behoud van de wielen als landschapselementen “moet verenigbaar zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied” (zie randnummer 3.11.4). Aldus blijkt duidelijk dat de waterbeheerfunctie primeert. Dit behoefde geen nadere toelichting in antwoord op verzoekers’ bezwaar dat artikel 12 van de stedenbouwkundige voorschriften een “onaanvaardbare contradictie” zou bevatten om reden dat “de waterbeheerfunctie de wielen zal tenietdoen”. Voorts heeft de plannende overheid er in antwoord op verzoekers’ bezwaar op gewezen dat de impact van het plan op de erfgoedwaarde beperkt is. Zij verwijst in dit verband naar het plan-MER, waaruit blijkt dat het gekozen uitvoeringsalternatief 2.1 weliswaar het ‘Groene Wiel’ van het gecontroleerd overstromingsgebied afsnijdt, maar dat dit gekozen alternatief, net als het uitvoeringsalternatief 2.2, de mogelijkheid biedt om een historisch dijktracé te vormen, en historisch-landschappelijk een logische grens in het landschap uitmaakt. Het gekozen uitvoeringsalternatief 2.1 heeft voorts “een kleinere impact X-17.734-22/28 doordat het Groene Wiel niet doorsneden wordt (score -1)”. De Raad van State bedenkt hierbij dat het – anders dan verzoekers blijkbaar menen – allerminst evident is dat door de realisatie van het bestreden gewestelijk RUP het ‘Groene Wiel’ teniet zou worden gedaan. Met de verwerende en de tussenkomende partij wordt aangenomen dat het onder randnummer 9.7 vermelde volstaat als antwoord op de door verzoekers vermeende “onaanvaardbare contradictie” van artikel 12 van de stedenbouwkundige voorschriften. 9.9 Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 10.
- De verzoekende partijen voeren in hun derde middel de schending aan van het grondwettelijk beschermd eigendomsrecht, “voorzien in” artikel 16 van de Grondwet “juncto” artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het Eerste Aanvullend Protocol), van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, en van het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, materiëlemotiverings- en rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij zetten uiteen dat het bestreden gewestelijk RUP met artikel 3 van de stedenbouwkundige voorschriften een bestemmingswijziging doorvoert naar natuurgebied. Het bewandelen, bejagen, gebruiken van de gronden zal als gevolg van de beoogde bestemmingswijziging niet meer mogelijk zijn. Dit houdt een bovenmatige (eigendoms)beperking in, zodat de bestemmingswijziging een quasi-onteigening vormt. Evenwel voorziet het gewestelijk RUP niet in een onteigeningsplan noch in een planschadevergoeding voor de betrokken percelen. Daardoor zijn artikel 16 van de Grondwet alsook het Eerste Aanvullend Protocol geschonden. Door de beperking van het gebruiksgenot en de impact van de bestemmingswijziging op het gebruik van de percelen niet toe te lichten, ondanks X-17.734-23/28 de daaromtrent geformuleerde bezwaren, is de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Het rechtszekerheidsbeginsel achten verzoekers geschonden omdat zij als eigenaars van getroffen percelen volledig in het ongewisse worden gelaten of de potentiële verwerving van percelen betrekking heeft op hun percelen, en of de overheid al dan niet zal overgaan tot onteigening. 10.
- Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat het antwoord dat voor de meeste percelen geen gebruiksbeperkingen zouden bestaan, maar dat bij de realisatie van het Sigmaplan wel gebruiksbeperkingen kunnen ontstaan, niet afdoende is. Dit geldt des te meer, nu de beslissing niet op de meest recente wetenschappelijke gegevens gebaseerd is en er dus van de overstromingskwesties absoluut geen inschatting kan gemaakt worden conform de meest actuele inzichten en prognoses. Beoordeling 11.
- Uit de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 3 van het gewestelijk RUP (zie randnummer 3.11.5) vloeien voor de percelen waarop die voorschriften van toepassing zijn, beperkingen voort die rechtens geen onteigening en evenmin eigendomsberoving zijn, doch die wel kunnen worden aangemerkt als een inmenging in het recht op eigendom. Een dergelijke inmenging houdt evenwel niet ipso facto een schending in van de aangevoerde rechtsregels. Zo bepaalt het tweede lid van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”. Derhalve kan de ordening van de ruimte op wettige wijze eigendomsbeperkingen inhouden. Artikel 2.6.1, § 1, VCRO bepaalt in dit verband dat de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan eigendomsbeperkingen, met inbegrip van een bouwverbod, kunnen inhouden. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof dat elke inmenging in het eigendomsrecht X-17.734-24/28 een billijk evenwicht dient te vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van het eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. 11.
- In zoverre de verzoekende partijen in het middel aanvoeren dat er te dezen sprake is van een “bovenmatige beperking” van hun eigendomsrechten, betrekken zij in geen enkel opzicht de in de toelichtende nota bij het gewestelijk RUP uitgedrukte motieven voor het planopzet bij hun betoog. In tegenstelling ook tot wat de verzoekende partijen voorhouden, werd bij de bespreking van de bezwaren wel degelijk ingegaan op de door hen opgeworpen beperkingen van het gebruiksgenot. Het bestreden besluit vermeldt daaromtrent: “ De in het voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan opgenomen bestemmingen houden voor de meeste percelen geen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de gronden [in]. Bij de effectieve realisatie van het Sigmaplan kunnen wel beperkingen van het gebruik ontstaan. Zo zullen tijdens het in werking zijn van de overstromingsgebieden deze gebieden, om veiligheidsredenen, tijdelijk niet mogen betreden worden. Deze bezwaren, opmerkingen en adviezen leiden niet tot aanpassing van het GRUP.” De verzoekende partijen betrekken dit antwoord niet bij hun uiteenzetting in hun verzoekschrift. De kritiek die zij er eerst in hun laatste memorie op uiten, is laattijdig en onontvankelijk. Dit geldt evenzeer voor hun kritiek aldaar dat de bestreden beslissing “niet op de meest recente wetenschappelijke gegevens gebaseerd is en er dus [van de] overstromingskwesties absoluut geen inschatting kan gemaakt worden conform de meest actuele inzichten en prognoses”. Bovendien kan in dit verband gewezen worden op de verwerping van verzoekers’ gelijkluidende kritiek bij de beoordeling van het tweede middel (zie randnummers 9.2 tot 9.5). X-17.734-25/28 11.
- Het gegeven dat mogelijk een verwerving van gronden noodzakelijk zal zijn, en dat dit gepaard kan gaan met een onteigening, zonder dat reeds bij de definitieve vaststelling van het gewestelijk RUP geweten is of verzoekers’ percelen onteigend zullen worden, houdt op zich nog geen schending van de aangevoerde rechtsregels in, nu de artikelen 2.4.3 en 2.4.4 VCRO uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorzien om op basis van een ruimtelijk uitvoeringsplan tot onteigening over te gaan. 11.
- In zoverre de verzoekende partijen betogen dat de planschaderegeling volledig ontoereikend is, blijkt hun middel gericht op de erkenning van een subjectief recht, waartoe de Raad van State niet bevoegd is. 11.
- Verzoekers tonen gezien het voormelde geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 11.
- Het middel wordt verworpen. VI. Omvang van de vernietiging De aangevoerde excepties 12.
- De verwerende en de tussenkomende partijen voeren aan dat een gebeurlijke vernietiging van het gewestelijk RUP moet beperkt worden tot de percelen waarop de eventueel gegrond bevonden middelen betrekking hebben. Zij wijzen erop dat het eerste middel enkel betrekking heeft op het perceel met de bestaande constructie. 12.
- De verzoekende partijen repliceren in hun procedurestukken niet op deze excepties. Beoordeling
- Alleen het eerste middel is gegrond gebleken. De onwettigheid die is vastgesteld bij de beoordeling van dit middel heeft enkel betrekking op het X-17.734-26/28 perceel met de bestaande constructie, thans kadastraal gekend te Bornem als afdeling 3, sectie B, nr. 1335/g. Aangezien niet blijkt dat dit perceel niet opsplitsbaar is van de andere waarop het bestreden gewestelijk RUP betrekking heeft, wordt de hierna uit te spreken nietigverklaring tot dit perceel beperkt. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2020 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Scheldepolders Hingene’, in zoverre dit betrekking heeft op het perceel dat thans kadastraal gekend is te Bornem, afdeling 3, sectie B, nr. 1335/g. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1000 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-17.734-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.734-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div