← België

Arrest 252047 - Voedselveiligheid (FAVV) - 04/11/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.047 Rolnummer: A. 234910/VII-41233 Zaak: Arrest 252047 - Voedselveiligheid (FAVV) - 04/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-05 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-11 17:17 Fiche Arrest nr 252.047 van 4 november 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 252.047 van 4 november 2021 in de zaak A. 234.910/VII-41.é In zake: de N.V. VEEHANDEL PUTSEYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Johan Durnez en Erwin Goffin kantoor houdend te 3050 Oud-Heverlee Waversebaan 134A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge Karel Van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 29 oktober 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) van 28 oktober 2021 waarbij aan de verzoekende partij voor een periode van een maand het verbod wordt opgelegd om landbouwhuisdieren te verhandelen en te vervoeren. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.é-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november 2021, om 11.00 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Durnez, die loco advocaten Johan Durnez en Erwin Goffin verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Tijdens een bedrijfsbezoek op 16 juli 2021 stelt het FAVV verscheidene inbreuken vast op bepalingen van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 ‘betreffende de identificatie en de registratie van schapen, geiten en hertachtigen’, van het koninklijk besluit van 21 juli 2016 ‘betreffende de voorwaarden voor het gebruik van geneesmiddelen door de dierenartsen en door de verantwoordelijken van de dieren’, van de wet op de geneesmiddelen van 25 maart 1964, van het koninklijk besluit van 23 maart 2011 ‘tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen’, van het koninklijk besluit van 10 juni 2014 ‘betreffende de voorwaarden voor het vervoer, het verzamelen en het verhandelen van landbouwhuisdieren’ en van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 ‘houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen’. VII-41.é-2/6 Over deze vaststellingen wordt een proces-verbaal opgesteld. 3.
  5. De verzoekende partij wordt vervolgens gehoord op 31 augustus 2021 en op 5 oktober
  6. 3.
  7. Op 28 oktober 2021 neemt het FAVV de thans bestreden beslissing waarbij voor een periode van een maand aan de inrichting het verbod wordt opgelegd tot: “- het verhandelen van landbouwhuisdieren, in de zin van artikel 3, paragraaf 2, punt 13 van het koninklijk besluit van 10 juni 2014 betreffende de voorwaarden voor het vervoer, het verzamelen en het verhandelen van landbouwhuisdieren, met uitzondering van deze dieren die op het moment van ingaan van de maatregel reeds tot het eigen beslag behoren rechtstreeks naar een Belgisch slachthuis - het vervoeren van landbouwhuisdieren, met uitzondering van de dieren die op het moment van het van kracht gaan van de maatregel reeds tot uw eigen beslag behoren rechtstreeks naar een Belgisch slachthuis of in het kader van de bedrijfsvoering tussen weides en/of stallen van uw beslag”. Luidens de bestreden beslissing gaat de genomen maatregel in “op de zevende dag na de betekening door het FAVV van deze maatregel”. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-41.é-3/6 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de verzoekende partij
  9. De verzoekende partij zet het volgende uiteen: “[…] Aangezien dus de hierboven vermelde maatregel niet dringend of hoogdringend is voor het Agentschap, maar de opschorting van de maatregel uitermate hoogdringend is voor verzoeker; De verzoeker dreigt voor één maand het overgrote deel van zijn inkomsten te verliezen; Dat het juist de maand betreft van één van de grootste jaarmarkten van het jaar (Sint-Lievens-Houtem op 11 en 12 november 2021); Dat een groot deel van de huidige voorraad van verzoeker specifiek is aangekocht voor deze jaarmarkt; Dat de afwezigheid van verzoeker op de markt over een periode van een (drukke) maand een blijvende impact heeft op de verdere reputatie van verzoeker met eventueel blijvend verlies van klanten en leveranciers; Dat de hierboven vermelde maatregel ingaat op donderdag 04/11/2021, minder dan een week; Dat de maatregel per kerend zal betwist worden door verzoeker; Dat er aan de kant van verzoeker dringende noodzakelijkheid is voor de opschorting van de maatregel zonder dat de belangen van het Agentschap of enige dringendheid aan de kant van het Agentschap worden geschaad”. Beoordeling
  10. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de VII-41.é-4/6 Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van een annulatieberoep en een gewone schorsingsprocedure te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk moet worden onderzocht. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden.
  11. De summiere uiteenzetting van de verzoekende partij biedt geen enkel concreet inzicht in het financieel verlies dat zij door de bestreden maatregel dreigt te lijden, zodat de beweerd “blijvende impact” van die maatregel op de bestaande bedrijfsactiviteiten niet wordt aangetoond, laat staan dat aannemelijk wordt gemaakt dat het tijdelijk verbod tot het verhandelen en het vervoeren van landbouwhuisdieren die niet tot het eigen beslag behoren het voortbestaan van de onderneming op zeer korte termijn in het gedrang zou brengen. In dit verband is de loutere vermelding van het feit dat de verzoekende partij niet zal kunnen deelnemen aan één van de grootste jaarmarkten nietszeggend over de financiële impact van de bestreden beslissing en over de economische draagkracht van de bestaande onderneming. Tot slot doet de uiteenzetting in het verzoekschrift er allerminst van overtuigen dat een gebeurlijk vernietigingsarrest niet zou volstaan om de reputatie van de verzoekende partij volledig te herstellen.
  12. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende VII-41.é-5/6 noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Peter Sourbron VII-41.é-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.047 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.063 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.