← België

Arrest 252106 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 10/11/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.106 Rolnummer: A. 234954/IX-9970 Zaak: Arrest 252106 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 10/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-19 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-11 17:57 Fiche Arrest nr 252.106 van 10 november 2021 Economische zaken - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 252.106 van 10 november 2021 in de zaak A. 234.954/IX-9970 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Acer kantoor houdend te 2060 Antwerpen Brugstraat 5 bus18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Karel Van Hoorebeke en Jeroom Joos kantoor houdend te 9000 Gent Coupure Rechts 162 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 november 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 22 september 2021 houdende de schorsing van de instructie- en directietoelating van XXXX. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9970-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november 2021, om 11.00 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ali Acer, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jeroom Joos, die tevens loco advocaat Karel Van Hoorebeke verschijnt voor de verwerende partij zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker drijft handel als natuurlijke persoon met ondernemingsnummer 0506.831.532 onder de naam “Rijschool E19”. Hij is erkend als rijschool onder het nummer 2802 overeenkomstig het koninklijk besluit van 11 mei 2004 ‘betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen’. Tevens is hij de directeur van de voornoemde rijschool. 3.
  5. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 juni 2020 wordt verzoeker veroordeeld wegens informaticafraude. Bij arrest van het hof van cassatie van 8 december 2020 wordt het beroep tegen voormeld arrest verworpen. 3.
  6. Met een brief van 19 juli 2021 wordt verzoeker uitgenodigd om te worden gehoord in verband met de inbreuken waarvoor hij is veroordeeld. Er wordt op gewezen dat hij daardoor niet langer voldoet aan de voorwaarden voor IX-9970-2/11 een erkenning als rijschool en dat dit kan leiden tot een schorsing van zijn directie- en instructietoelating. 3.
  7. Op 9 augustus wordt verzoeker gehoord door K.C., beleidsmedewerker en B.D.C., celhoofd van rijopleiding en vakbekwaamheid van het departement Mobiliteit en Openbare Werken. 3.
  8. Op 22 september 2021 beslist de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken met toepassing van artikel 42 van het voornoemde koninklijk besluit van 11 mei 2004 de instructie- en directietoelating van verzoeker te schorsen voor acht maanden met ingang van 1 oktober 2021 tot 31 mei
  9. Deze beslissing luidt als volgt: “lk nam kennis van het arrest van het Hof van Beroep van 10 juni 2020 (Arrestnummer C/752/2020) en het arrest van het Hof van Cassatie van 8 december 2020 (Nr. P.20.0719.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201208.2N.5). Uit deze arresten blijkt dat u schuldig bent verklaard aan het misdrijf informaticabedrog, dat strafbaar wordt gesteld door artikel 504quater Sw. Dit misdrijf is opgenomen in Hoofdstuk II van Titel IX van Boek II van het Strafwetboek. Hierdoor voldoet u niet meer aan artikel 12, §1, 1°, a van het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen (hierna koninklijk besluit van 11 mei 2004 genoemd). Conform artikel 42 van het koninklijk besluit van 11 mei 2004 werd u op 9 augustus 2021 gehoord. Uit de arresten en de hoorzitting blijkt dat u niet langer voldoet aan artikel 12, §1, 2° van het koninklijk besluit van 11 mei
  10. Gelet op dit feit wordt uw instructie- en directietoelating voor 8 maanden geschorst op grond van artikel 42 van het koninklijk besluit van 11 mei
  11. De schorsing voor uw instructie- en directietoelating zal ingaan op 1 oktober 2021 en lopen tot en met 31 mei
  12. Het schorsingsbesluit dat is bijgevoegd in bijlage van dit schrijven moet in overeenstemming met artikel 42 van het koninklijk besluit van 11 mei 2004 op een duidelijke en vanop de straat steeds leesbare plaats bij de ingang van de les- en administratielokalen worden uitgehangen. Gedurende de schorsingsperiode mag er in uw rijschool geen enkele theoretische of praktische lessenreeks beginnen. Indien mijn inspectiedienst zou vaststellen dat u zich tijdens de schorsing niet houdt aan bovenvermelde voorwaarde, zal ik uiteraard genoodzaakt zijn om nieuwe maatregelen te treffen.” IX-9970-3/11 Dat is de bestreden beslissing, welke aan verzoeker is meegedeeld op 24 september
  13. IX-9970-4/11 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  14. In zijn beroep tot nietigverklaring en vordering tot schorsing stelt verzoeker uitdrukkelijk dat hij de schorsing vordert bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing. Om hierover uitsluitsel te krijgen, is de zaak dan ook dadelijk opgeroepen op een openbare terechtzitting. Ook op de terechtzitting verklaart verzoeker te wensen dat zijn zaak heel snel wordt behandeld. Er moet bijgevolg worden aangenomen, dat verzoeker met het inleiden van zijn zaak bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid beoogt in te stellen. Op de terechtzitting valt ook de raadsman van de verwerende partij bij, dit zo te willen begrijpen en het auditoraat ziet het eender.
  15. Evenwel draagt het verzoekschrift niet in het opschrift de vermelding dat de vordering is ingesteld “bij uiterst dringende noodzakelijkheid”. In dat geval schrijft artikel 16, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ voor dat het verzoekschrift wordt behandeld “volgens de regels bepaald in de hoofdstukken I en II”, dit betekent volgens de gewone schorsingsprocedure.
  16. Hieruit volgt dat de zaak verwezen zou moeten worden naar de griffie voor nadere afhandeling volgens de voormelde gewone schorsingsproce-dure. IX-9970-5/11
  17. Zoals hierna wordt uiteengezet, is ongeacht de te volgen procedure, echter op basis van de gegevens en stukken die door verzoeker worden voorgelegd ook de schorsing tot mislukken gedoemd. De goede proceseconomie vraagt dan de vordering reeds thans te verwerpen en ze niet aan een aanvullend onderzoek van het auditoraat en een bijkomende openbare terechtzitting te onderwerpen. Het auditoraat heeft hierom in zijn advies ter terechtzitting overigens ook niet om verzocht en bovendien gesteld dat, zo de vordering als een schorsing zou worden behandeld, niet voldaan is aan de vereiste van de spoedeisendheid. V. De zaak is niet spoedeisend
  18. Ter verantwoording van de spoedeisendheid voert verzoeker vooreerst aan dat hij geen theoretische en praktische lessen meer mag geven, hij daardoor geen inkomsten meer heeft en bijgevolg zijn verplichtingen ten aanzien van derden niet meer kan nakomen. Daarnaast wijst verzoeker erop dat hij een aantal voertuigen heeft moeten verkopen vanwege zijn precaire situatie en dat hij de voorschotten die hij van zijn klanten heeft ontvangen, heeft terugbetaald. Voorts benadrukt verzoeker dat een schorsing van acht maanden ertoe zal leiden dat hij niet meer in staat zal zijn om zijn activiteiten bij het beëindigen van de schorsing te hervatten en dat zijn personeel er niet meer zal zijn. Ten slotte stelt verzoeker over onvoldoende kapitaal te beschikken om een uitspraak ten gronde af te wachten. Volgens hem zal dit alles leiden tot een faillissement. 9.
  19. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt IX-9970-6/11 om in haar verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd. Eventueel ter terechtzitting nieuw aangehaalde argumenten kunnen niet in aanmerking worden genomen, aangezien alleen de in het verzoekschrift aangebrachte gegevens de overige partijen toelaten zich daartegen op de geëigende wijze – in hun geschreven procedurestukken – te verweren en het voorwerp kunnen uitmaken van het onderzoek door het auditoraat. 9.2.
  20. De schorsing van de instructie- en directietoelating van verzoeker betekent voor hem een financieel nadeel. Het volstaat op zich niet een financieel nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van verzoeker een zodanige impact heeft dat hij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. Als bijzondere reden kan dan worden aangevoerd, de vaststelling dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het financieel evenwicht van zijn handel ernstig in gevaar brengt bij zoverre dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing en het daaropvolgende rechtsherstel IX-9970-7/11 geen onmiddellijk nut meer kunnen hebben. Hierbij zij nogmaals opgemerkt dat van een verzoekende partij een concreet op haar situatie toegeschreven uiteenzetting wordt verwacht, en dit alles gestaafd met verifieerbare overtuigingsstukken – te denken valt aan cijfers over haar actuele financiële toestand, een realistische begroting van haar inkomsten en uitgaven, een met stukken gestaafde toelichting over haar financiële verplichtingen en haar lopende verbintenissen en de eventuele financiële gevolgen van de verbreking daarvan. 9.2.
  21. In casu legt verzoeker, wat zijn financiële situatie betreft, enkel stukken voor waaruit blijk dat hij drie wagens heeft moeten verkopen en dat hij de voorschotten van klanten heeft terugbetaald. Dat op zich toont niet aan dat zijn actuele financiële toestand van die aard is dat hij niet in staat is om de schorsingsperiode van acht maanden te overbruggen en na de beëindiging ervan zijn activiteiten te hervatten. Evenmin legt verzoeker overtuigingsstukken neer met betrekking tot zijn lopende, uitgaven, verplichtingen en verbintenissen. 9.2.
  22. In de mate dat verzoeker erop wijst dat na de beëindiging van de schorsing zijn personeel er niet meer zal zijn, moet worden vastgesteld dat verzoeker nalaat toe te lichten hoeveel personeelsleden – instructeurs en administratieve bedienden – er werkelijk in loondienst zijn, met hoeveel zij volgens hem zullen verminderen ingevolge de bestreden beslissing en welke weerslag hun vertrek zou hebben op de voortzetting van de activiteiten van verzoeker. Verzoeker legt alleen enkele, telkenmale, gelijkluidende verklaringen van instructeurs neer, waaruit blijkt dat zij bij verzoeker werkzaam zijn “op zelfstandige basis”, dat zij hun vertrouwen kwijt zijn in rijschool E19, de kans klein is dat zij na acht maanden terug bij verzoeker zullen komen werken en daartoe ook niet kunnen worden verplicht. 9.2.
  23. Aldus stelt verzoeker de rechter niet de noodzakelijke specifiek op de omstandigheden van zijn situatie gerichte gegevens ter beschikking die hem IX-9970-8/11 in staat moeten stellen om te verifiëren of het tijdelijk ondergaan van de bestreden beslissing in afwachting van een uitspraak ten gronde de activiteiten van verzoeker definitief en onherroepelijk in gevaar dreigen te brengen, of minstens toch op een dermate fundamentele wijze dat van hem niet mag worden verwacht dat hij de normale afwikkeling van het annulatieberoep moet afwachten. 9.3.
  24. Ten slotte kan nog worden gewezen op hetgeen volgt. In het kader van de gewone schorsingsvordering geldt er in beginsel geen dwingende voorwaarde om diligent en voortvarend op te treden, zoals bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De regelgeving laat toe dat de schorsing “op elk moment” kan worden gevorderd (artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Dit betekent echter niet dat het talmen van een verzoekende partij om in rechte te treden, als proceshouding steeds zonder invloed blijft op de beoordeling van de spoedeisendheid. Een schorsing heeft immers enkel voor de toekomst uitwerking. Met het instellen van een vordering tot schorsing streeft een verzoekende partij voorts na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een bepaalde omvang, waarvoor een later arrest ten gronde niet nuttig meer tussenkomt. Vereist is dan ook, dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg, nog zinvol kan worden geweerd. Mede om die reden moet een verzoekende partij die de Raad van State ertoe wil brengen om haar zaak bij voorrang op andere zaken te onderzoeken en om een schorsing te bevelen, bij het benaarstigen ervan zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit schadelijke gevolg nog te kunnen weren. Dit betekent onder meer dat zij in functie van de omstandigheden, de zaak toch zo spoedig mogelijk bij de Raad van State aanhangig maakt. IX-9970-9/11 9.3.
  25. In casu blijk dat verzoeker de onderhavige vordering heeft ingesteld op 2 november 2021, dit is ongeveer zes weken na de betekening van de bestreden beslissing, zodat verzoeker de beweerde nadelige gevolgen van de schorsing – welke is ingegaan op 1 oktober 2021 – gedurende iets meer dan vijf weken reeds heeft ondergaan alvorens een vordering tot schorsing in te stellen bij de Raad van State. Ook de proceshouding van verzoeker lijkt dus een negatie in te houden van de beweerde spoedeisendheid van de vordering.
  26. Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat verzoeker niet aantoont dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Dat volstaat als vaststelling, om de vordering tot schorsing te verwerpen. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt de vordering.
  28. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9970-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien november tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9970-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.106 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.872 citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201208.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.