← België

Arrest 252139 - Apothekers en apotheken - 18/11/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.139 Rolnummer: A. 225502/VII-40307 Zaak: Arrest 252139 - Apothekers en apotheken - 18/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-25 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-11 18:20 Fiche Arrest nr 252.139 van 18 november 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Apothekers en apotheken Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.139 van 18 november 2021 in de zaak A. 225.502/VII-40.307 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Geneeskundige Commissie van Beroep van 13 april 2018 “over het hoger beroep van 27 november 2017 ingediend door [verzoeker], apotheker, tegen de beslissing van 8 november 2017 van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 243.071 van 29 november 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-40.307-1/17 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 oktober
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sam Vandoorne, die loco advocaten Steve Ronse en Deborah Smets verschijnt voor verzoeker, en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Nadat reeds meerdere malen werd vastgesteld dat verzoeker alcoholproblemen vertoonde en zelfs dronken in zijn apotheek aanwezig was, deskundigenonderzoeken daarover werden bevolen en uitgevoerd en begeleidende maatregelen waren voorgesteld, beslist de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen op 8 november 2017 om het visum van verzoeker voor onbepaalde tijd in te trekken met ingang van dezelfde datum. VII-40.307-2/17 3.
  6. Verzoeker tekent beroep aan tegen deze beslissing op 27 november
  7. 3.
  8. De Geneeskundige Commissie van Beroep, Nederlandstalige Kamer, neemt op 13 april 2018 volgende beslissing over dit hoger beroep: “[…] Zoals elke apotheker dient […] er zich ervan bewust te zijn dat drankmisbruik en alcoholverslaving onverenigbaar zijn met de correcte en veilige uitoefening van zijn beroep als apotheker. Hij bagatelliseert de frequentie van het drinken en minimaliseert zijn alcoholprobleem. Zelf zeg hij, er zich niet van bewust te zijn onder invloed van alcohol te staan tijdens zijn werk (deskundigenverslag van 10 maart 2016, p. 8). Tevens miskende hij systematisch de voorwaarden die hem in opeenvolgende beslissingen werden opgelegd om zijn visum te behouden en negeerde daarmee de hem geboden kansen om zijn verslaving ernstig aan te pakken: - Na de beslissing van 2 september 2016 werd hij nog herhaaldelijk dronken aangetroffen, ook in zijn apotheek, en bleef hij drinken. - Het gevraagde omstandig psychiatrisch verslag dat hij volgens deze beslissing diende te bezorgen diende hij niet tijdig in. - CDT-resultaten die hij volgens de beslissing van 2 december 2015 diende te verschaffen (specifiek voor het aantonen van chronisch alcoholmisbruik) worden op de verslagen niet vermeld (zie deskundigenverslag van 10 maart 2016 p.7 en 8). - In strijd met de beslissing van de PGC van 1 februari 2017 verzuimde hij zijn psychiater te informeren over het absoluut verbod op alcoholgebruik dat hem nochtans herhaaldelijk werd betekend. - Het aanhoudend karakter van zijn drankmisbruik blijkt ten overvloede uit de resultaten van CDT-analyses van het Medisch Labo Medina uit Aalter van 29/4, 26/8, 21/9, 27/10, 24/11 en 23/12 van 2016 en van 27/1, 27/2, 30/3, 29/4, 26/5, 26/6, 28/7, 28/9, 26/10 van
  9. De verwijzing naar het proeven van een hoestsiroop als verklaring van analyseresultaten die wijzen op alcoholmisbruik is ongeloofwaardig en misplaatst. De normale uitvoering van de receptuur vergt geen proeven door de apotheker. Apr. […] voldeed en voldoet niet aan de fysieke en psychische geschiktheden om zonder risico’s, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten. De beslissing van 8 november 2017 van de provinciale geneeskundige commissie van West-Vlaanderen dient te worden bevestigd met de enkele wijziging dat de woorden ‘Indien apotheker […] ten minste 2 jaar na de beslissing over de nodige medische en labo verslagen beschikt waaruit … patiënten, vragen …’ vervangen worden door ‘Apotheker […] kan ten vroegste twee jaar na deze beslissing, indien hij beschikt over de nodige medische en laboverslagen waaruit blijkt dat hij van zijn alcoholverslaving genezen is en … patiënten, vragen …’”. VII-40.307-3/17 Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
  10. In dit middel voert verzoeker de schending aan van artikel 119, § 1, 2°, b), van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 (hierna: gezondheidszorgberoepenwet), van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de formelemotiveringsplicht.
  11. In een eerste onderdeel zet verzoeker uiteen dat de bestreden beslissing behept is met een essentieel gebrek omdat het advies van de artsen deskundigen zou ontbreken. Volgens verzoeker is het advies van de artsen deskundigen een essentieel document om op zorgvuldige wijze te kunnen overgaan tot intrekking van het visum. Verzoeker meent dat de bestreden beslissing niet steunt op een advies van artsen deskundigen. Nochtans is artikel 119, § 1, 2°,b) van de gezondheidszorgberoepenwet zeer helder geformuleerd. Zonder voorafgaandelijk advies van de artsen deskundigen kan geen beslissing genomen worden door de geneeskundige commissie.
  12. In een tweede onderdeel zet verzoeker uiteen dat het advies van de artsen deskundigen van 10 maart 2016 niet de basis kan vormen voor de bestreden beslissing omdat dit advies reeds twee jaar oud is en geen rekening houdt met latere feitelijke ontwikkelingen. VII-40.307-4/17 De beslissing tot intrekking diende uitdrukkelijk voorafgegaan te zijn door een nieuw advies. Door de bestreden beslissing te steunen op een twee jaar oud advies heeft de verwerende partij onzorgvuldig gehandeld.
  13. In een derde onderdeel zet verzoeker uiteen dat zelfs als de bestreden beslissing kon worden genomen op basis van het advies van 10 maart 2016, de bestreden beslissing haaks staat op het advies. Het advies gaf volgens verzoeker duidelijk aan dat de uitoefening van het beroep van apotheker zonder meer mogelijk was. De bestreden beslissing geeft niet weer waarom van het advies wordt afgeweken. Hierdoor wordt de formelemotiveringsplicht geschonden.
  14. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat er op onzorgvuldige wijze tewerk is gegaan omdat de bestreden beslissing steunt op een advies “van maar liefst 2,5 jaar oud zonder dat de actuele toestand van verzoekende partij werd onderzocht”. Verzoeker merkt op dat sinds het advies en de beslissing in eerste aanleg bijna geen enkele controle meer werd uitgevoerd, dat in het advies uitdrukkelijk wordt gesteld dat een verdere behandeling noodzakelijk is en onverwachte controles zich opdringen, en dat uit het dossier blijkt dat verdere behandeling werd toegepast. Op regelmatige basis liet hij zich onderzoeken. Sinds de afgifte van het advies en zeker na de beslissing in eerste aanleg zijn er daarentegen amper controles geweest. Diverse keren is in het dossier terug te vinden dat verzoeker zich correct gedraagt. Volgens hem diende een zorgvuldig handelende overheid een nieuw advies in te winnen om de evolutie na te gaan. Voorts bevat het advies hypothetische veronderstellingen voor de toekomst waarvoor diende te worden nagegaan of deze zich al dan niet hebben voorgedaan. De motivering van de bestreden beslissing overtuigt niet. VII-40.307-5/17
  15. In zijn laatste memorie voegt verzoeker nog toe dat het ontbreken van een verplichting in hoofde van de Geneeskundige Commissie van Beroep om een nieuw advies in te winnen er niet toe leidt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur buiten spel worden gezet en dat uit het advies niet kan worden afgeleid dat de intrekking van het visum de enige mogelijke maatregel was. Beoordeling
  16. Op grond van artikel 29 van het koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies wijst de Geneeskundige Commissie van Beroep deskundigen aan wanneer zij het nodig acht de belanghebbende opnieuw te doen onderzoeken. In tegenstelling tot wat verzoeker uiteenzet is de Geneeskundige Commissie van Beroep dus niet verplicht om het advies van de deskundigen te vragen vooraleer een beslissing te nemen. Het eerste onderdeel is niet gegrond.
  17. Zoals uiteengezet in het eerste onderdeel kon de Geneeskundige Commissie van Beroep haar beslissing nemen zonder opnieuw een advies van deskundigen in te winnen. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Het tweede onderdeel is niet gegrond.
  18. In het advies waarnaar verzoeker verwijst wordt onder meer gesteld : “[…] Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt een escalatie van alcoholgebruik te zijn, gaande van overmatig drinken, over alcoholmisbruik tot, sedert een jaar, een alcoholverslaving. […] Op psychiatrisch gebied is de man geschikt om zijn werk te verrichten onder voorwaarde dat hij nuchter is. […] Voorlopig, zolang er aanwijzingen zijn voor alcoholverslaving, moeten wel beperkingen worden opgelegd op zijn beroepsuitoefening. In bedronken toestand is hij zeker niet in staat zijn beroep uit te oefenen. VII-40.307-6/17 Zonder een intensieve behandeling, liefst residentieel, is de prognose slecht en zullen zijn fysische en psychische geschiktheden voor het uitoefenen van zijn beroep zeker in het gedrang komen”. Dit advies is dus genuanceerder dan verzoeker laat uitschijnen. Enkel indien verzoeker nuchter zou blijven zou hij in staat zijn om zijn beroep uit te oefenen. In de bestreden beslissing wordt uiteengezet dat verzoeker zijn voorwaarden systematisch heeft geschonden (voorwaarden die ook werden aanbevolen door de deskundigen) en werd vastgesteld dat verzoeker nog herhaaldelijk dronken werd aangetroffen, ook in zijn apotheek. Volgens de bestreden beslissing blijkt het aanhoudend karakter van zijn drankmisbruik ten overvloede uit de resultaten van CDT-analyses. Verzoeker betwist de vaststellingen in de bestreden beslissing niet. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij zou zijn afgeweken van het advies aangezien daarin het voorbehoud wordt gemaakt dat slechts ingeval verzoeker nuchter blijft hij psychiatrisch geschikt is om het beroep uit te oefenen. Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag. Het gaat er van uit dat wordt afgeweken van het advies terwijl de bestreden beslissing er niet van afwijkt. De elementen die verzoeker aanhaalt weerleggen de vaststelling in de bestreden beslissing niet, en tonen evenmin aan dat zij niet op zorgvuldige wijze werd genomen. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
  19. In dit middel voert verzoeker de schending aan van het beginsel non bis in idem, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. VII-40.307-7/17 De bestreden beslissing vormt een beoordeling van alle feiten die zich sinds 2015 hebben voorgedaan. Zij heeft een identieke grondslag als de vroegere beslissingen en dezelfde feiten (met uitzondering van drie feitelijkheden) maken het voorwerp uit van zowel vroegere beslissingen als de bestreden beslissing. Verzoeker wordt voor een tweede maal veroordeeld voor feiten die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een eerdere beslissing en dit op basis van een identieke grondslag waardoor ook de aard van de beslissing ontegensprekelijk identiek is. De bestreden beslissing is volgens verzoeker genomen met een manifeste schending van het principe non bis in idem. Het is alleszins onzorgvuldig en kennelijk onredelijk om met feiten van zover terug, die al betrokken waren in andere beslissingen, rekening te houden om een zo verregaande maatregel te nemen als de bestreden beslissing.
  20. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker toe dat bij de toepassing van het non bis in idem-beginsel niet moet worden gekeken naar de juridische kwalificatie, maar wel naar de voorliggende gedraging. De bestreden beslissing heeft volgens verzoeker geen preventief karakter. Er blijkt volgens hem zeer duidelijk dat men bepaalde feiten ten laste legt en in navolging hiervan een welbepaalde sanctie heeft opgelegd. Uit niets blijkt het preventieve karakter. Bekeken vanuit de impact die de beslissing op verzoeker heeft, kan onmogelijk worden gesteld dat de intrekking van het visum niet als sanctie kan worden aanzien. Bovendien is het volgens verzoeker vanuit een redelijk handelende overheid niet verantwoordbaar dat feiten die telkens het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing uiteindelijk opnieuw als grondslag dienen voor de daaropvolgende beslissing. Door deze feiten telkens weer mee als basis in overweging te nemen wordt hoe dan ook het redelijkheidsbeginsel miskend. VII-40.307-8/17 Beoordeling
  21. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel “non bis in idem” mag niemand tweemaal wegens hetzelfde feit worden gestraft, waarbij de cumulatie van straffen van dezelfde aard wordt uitgesloten. Het visum kan worden ingetrokken wanneer wordt vastgesteld dat de betrokkene niet voldoet aan de vereiste fysieke of psychische geschiktheden om zonder risico’s het beroep uit te oefenen. Zoals de verwerende partij uiteenzet moet de intrekking op grond van de psychische ongeschiktheid gekwalificeerd worden als een beschermingsmaatregel en niet als een straf. Het beginsel non bis in idem is dan ook niet van toepassing. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, wordt hij geen twee maal “gestraft” voor dezelfde feiten. Op 15 september 2017 beslist de Provinciale Geneeskundige Commissie om de voorwaarden die gekoppeld zijn aan het visum te behouden. Pas na de vaststelling van nieuwe feiten, namelijk een alcoholcontrole in de apotheek die resulteerde in een positief resultaat, neemt de Provinciale Geneeskundige Commissie op 8 november 2017 de beslissing om het visum van verzoeker voor onbepaalde tijd in te trekken. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden door met de voorliggende feiten rekening te houden bij het nemen van de bestreden beslissing. Het tweede middel is niet gegrond. VII-40.307-9/17 C. Derde middel Standpunt van verzoeker
  22. Verzoeker voert de schending aan van het proportionaliteits- en redelijkheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.
  23. In een eerste onderdeel zet verzoeker uiteen dat indien het principe non bis in idem geschonden wordt geacht, de opgelegde sanctie ook disproportioneel is aan de gedane vaststellingen. Er mocht immers enkel rekening worden gehouden met de feiten die zich voordeden na 6 september 2018

(2017), wat concreet één negatief feit en vijf positieve feiten betekent, waarbij het negatieve feit door de politie niet als dronkenschap werd gekwalificeerd. Eén negatief feit verantwoordt de opgelegde sanctie niet. Zelfs indien de schending van het principe non bis in idem niet wordt aanvaard, is er nog steeds een schending van het proportionaliteits- en redelijkheidsbeginsel. De verwerende partij heeft volgens verzoeker zijn dossier jarenlang opgevolgd. Telkens werden gelijkaardige feiten vastgesteld zonder dat dit aanleiding gaf tot de intrekking van het visum. De verwerende partij had na al die jaren niet de intrekking van het visum mogen opleggen. Des te meer daar verzoeker pas na twee jaar het bewijs van niet-alcoholverslaving mag geven. Hieruit zou blijken dat men verzoeker vooral repressief heeft willen treffen. Het proportionaliteitsbeginsel is geschonden voor wat de opgelegde sanctie betreft.
  1. Verzoeker stelt in een tweede onderdeel dat de motieven de bestreden beslissing niet kunnen verantwoorden. Enkele algemene VII-40.307-10/17 standaardoverwegingen verantwoorden de concrete beslissing niet. Er wordt geen afweging gemaakt inzake de ernst van de feitelijkheden. Er wordt louter een algemene weergave van bepaalde feiten gegeven waarna beslist wordt dat verzoeker niet meer aan de voorwaarden voldoet. Er wordt niet concreet gemotiveerd dat de uitoefening van het beroep van apotheker plotseling niet meer mogelijk zou zijn. Er wordt nergens verantwoord waarom het opleggen van voorwaarden plotseling na al die jaren niet meer volstaat. Er wordt niet gemotiveerd waarom de intrekking in verhouding staat tot de feiten. Er wordt niet aangegeven waarom het bewijs van niet-verslaving niet eerder dan na twee jaar kan worden gegeven. Dit gegeven staat in complete wanverhouding met het doel dat wordt nagestreefd. Nergens worden gunstige overwegingen in de motivering opgenomen, terwijl deze er wel degelijk zijn. Enkel de negatieve feitelijke vaststellingen worden opgesomd. Er gebeurt echter geen afweging ten aanzien van de diverse positieve elementen. Door geen rekening te houden met alle relevante feiten heeft de overheid onzorgvuldig gehandeld. De beslissing dient grondig te worden gemotiveerd waarbij alle elementen voor en tegen de onderhorige mee moeten worden betrokken in de besluitvorming en de afweging in de bestreden beslissing terug te vinden is. Uit niets blijkt waarom deze sanctie werd opgelegd en welke elementen in het voor- of nadeel van verzoeker hebben gespeeld.
  2. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de disproportionaliteit blijkt uit het feit dat vroegere feiten die reeds beoordeeld werden mee als maatstaf worden gebruikt om de sanctie te verantwoorden, en uit het feit dat pas na twee jaar terug het bewijs van geschiktheid kan geleverd worden. Het tweede feit kan niet a posteriori worden gemotiveerd. De termijn van twee jaar om te monitoren is niet hetzelfde als het visum voor twee jaar intrekken. Verder wijst verzoeker op een beslissing van de Raad van Beroep van de Orde der Apothekers waarbij slechts een schorsing voor een termijn van vier maand als proportioneel werd aanvaard. Ten slotte wenst verzoeker zekerheid dat hij het VII-40.307-11/17 visum binnen twee jaar terugkrijgt in plaats van dat dit beoordeeld wordt door de verwerende partij.
  3. In zijn laatste memorie stelt verzoeker nog in essentie dat de Geneeskundige Commissie van Beroep de feiten als zorgvuldige overheid niet redelijk een tweede maal kan aangrijpen om een andere maatregel te verantwoorden, dat de feiten die gepleegd zijn in de periode september-november 2017 niet van aard zijn om de intrekking te verantwoorden, en dat uit de voorgelegde tuchtbeslissing blijkt dat een orgaan dat over dezelfde feiten oordeelde een zware beslissing zoals de bestreden beslissing, niet nodig vond. Beoordeling
  4. Zoals uiteengezet bij het tweede middel is er geen sprake van een schending van het non bis in idem-beginsel. In zoverre het derde middel uitgaat van de hypothese van een schending van dat beginsel is het niet gegrond.
  5. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel kunnen derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig en redelijk handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de beslissende overheid de grenzen van de redelijkheid zou hebben overschreden. VII-40.307-12/17 De verwerende partij baseerde zich op de feiten die worden weergegeven in de bestreden beslissing en die door verzoeker niet worden betwist. Het betreft onder meer meldingen dat verzoeker dronken in de apotheek staat, vaststellingen door de politie met betrekking tot alcoholgebruik, verwijzingen naar de verklaringen van de behandelende psychiater waaruit blijkt dat verzoeker zou verkiezen om geen alcohol te gebruiken tijdens zijn werk in de apotheek terwijl er reeds een totaal alcoholverbod werd opgelegd, vaststellingen met betrekking tot het niet naleven van de opgelegde voorwaarden. De beslissende overheid komt dan tot het besluit dat verzoeker zijn alcoholgebruik en alcoholprobleem bagatelliseert. Hij is zich er niet van bewust onder invloed van alcohol te zijn tijdens het werk. Verzoeker miskent de voorwaarden die werden opgelegd om zijn visum te behouden en negeerde de kansen om zijn verslaving aan te pakken. Verzoekers bewering dat de vaststellingen enkel hebben geleid tot het opleggen van voorwaarden en deze nu niet kunnen leiden tot de intrekking, weerlegt deze vaststellingen niet en toont niet aan waarom er een wanverhouding tussen de maatregel en de feiten zou bestaan. Bovendien vermeldde de voorgaande beslissing dat het visum wordt ingetrokken wanneer verzoeker zich niet aan de voorwaarden houdt.
  6. De omstandigheid dat verzoeker slechts na twee jaar het bewijs mag leveren dat hij van zijn alcoholverslaving verlost is, doet geen afbreuk aan deze vaststelling. De opgelegde termijn van twee jaar wordt ook ondersteund door het deskundigenverslag waar ook sprake is van een noodzakelijke monitoring van twee jaar. Het is niet onredelijk om aan verzoeker een termijn van twee jaar op te leggen gelet op de voortdurende alcoholverslaving. In het licht van de gedane vaststellingen kan de verwerende partij niet worden verweten de grenzen van haar appreciatievrijheid te hebben overschreden door te oordelen dat het opleggen van voorwaarden niet meer volstond en dat diende overgegaan te worden tot de intrekking van het visum, zoals ook steeds aangegeven in de voorgaande beslissingen. VII-40.307-13/17
  7. De bestreden beslissing steunt op concrete motieven die blijken uit het administratief dossier en die niet worden weerlegd door verzoeker. Deze geeft evenmin weer welke feitelijke relevante elementen zouden ontbreken of met welke van deze feiten ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden. Verzoeker zet evenmin uiteen welke gunstige overwegingen ten onrechte niet werden afgewogen. De motieven met betrekking tot het minimaliseren van het alcoholprobleem, het systematisch miskennen van de voorwaarden die werden opgelegd om het visum te behouden, vaststellingen met betrekking tot het alcoholgebruik tijdens en buiten de werkuren, het niet tijdig indienen van het psychiatrisch verslag, de CDT-resultaten die niet werden meegedeeld, het verzuim om de behandelende psychiater in te lichten over het opgelegde alcoholverbod en het aanhoudend karakter van het drankmisbruik, maken aannemelijk dat verzoeker niet voldoet aan de fysieke en psychische geschiktheden om zonder risico’s de uitoefening van zijn beroep voort te zetten. Verzoeker slaagt er niet in deze motieven te weerleggen. De motiveringsplicht houdt niet in dat de motieven van de motieven moeten worden weergegeven. Zoals uiteengezet bij het eerste onderdeel vindt de voorwaarde dat pas na twee jaar het bewijs van niet-verslaving kan worden voorgelegd ook steun in het administratief dossier. Het onderdeel is niet gegrond. Het derde middel is niet gegrond. VII-40.307-14/17 D. Vierde middel Standpunt van verzoeker
  8. Verzoeker voert de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en de formelemotiveringsplicht.
  9. In een eerste onderdeel stelt hij dat de bestreden beslissing verwijst naar stukken die niet terug te vinden zijn in het administratief dossier. Verzoeker somt een lijst processen-verbaal op. Daarnaast wordt gesteld dat de Geneeskundige Commissie melding maakt van een reeks stukken in de historiek van het dossier, die niet in het dossier terug te vinden zijn. Er wordt volgens verzoeker ook naar feitelijkheden verwezen die niet worden ondersteund door stukken in het administratief dossier. Hierdoor wordt het zorgvuldigheidsbegisel geschonden. Indien de verwerende partij een ander administratief dossier zou voorleggen dan worden de rechten van verdediging van verzoeker geschonden.
  10. In een tweede onderdeel stelt verzoeker dat de bestreden beslissing is gemotiveerd door verwijzing naar andere stukken. De verwerende partij heeft echter ten onrechte en op onwettige wijze gemotiveerd door verwijzing doordat tal van stukken niet aan de beslissing gehecht waren, niet geciteerd worden of niet aan verzoeker werden overgemaakt.
  11. Verzoeker voegt in zijn memorie van wederantwoord toe dat elk stuk relevant is, ongeacht of het doorslaggevend is of niet. De verwerende partij heeft de nadruk gelegd op de historiek van het dossier, maar deze historiek is niet onderbouwd in het dossier. Volgens hem heeft de verwerende partij een beslissing VII-40.307-15/17 genomen onder verwijzing naar tal van feiten, zonder kennis van de eigenlijke inhoud ervan.
  12. In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat de diverse processen-verbaal een fundamentele basis voor de bestreden beslissing vormen, zodat het niet aanwezig zijn van alle processen-verbaal in het dossier problematisch is. Beoordeling
  13. De schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan niet worden aangenomen aangezien uit de beoordeling van de voorgaande middelen blijkt dat de bestreden beslissing gesteund is op de deugdelijke materiële motieven die steun vinden in het administratief dossier. Deze motieven zijn niet hoofdzakelijk of uitsluitend gebaseerd op de opgesomde processen-verbaal maar vinden steun in de stukken die werden opgenomen in het administratief dossier. Het eerste onderdeel is niet gegrond.
  14. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert is de bestreden beslissing niet gemotiveerd door verwijzing naar de processen-verbaal. Deze processen-verbaal worden weergegeven bij het feitenrelaas. De motieven verwijzen naar het deskundigenverslag, waar verzoeker kennis van had, en de laboresultaten die overgemaakt werden door verzoeker. De kritiek van verzoeker mist feitelijke grondslag. Het tweede onderdeel is niet gegrond. Het vierde middel is niet gegrond. VII-40.307-16/17 BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het beroep.
  16. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  17. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien november tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.307-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.139 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.243.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.