← België

Arrest 252143 - Varia (justitie) - 18/11/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.143 Rolnummer: A. 232481/XIV-38710 Zaak: Arrest 252143 - Varia (justitie) - 18/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-23 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-11 18:23 Fiche Arrest nr 252.143 van 18 november 2021 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.143 van 18 november 2021 in de zaak A. 232.481/XIV-38.710 In zake: Erik STUER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristiaan Calmeyn kantoor houdend te 8501 Kortrijk Waterhoennest 82a bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Vereningstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 december 2020, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van “de impliciete beslissing van de Procureur Generaal [H.V.] dd. 7.12.2020, houdende een maatregel van opsluiting waarbij verzoeker zich diende aan te melden bij de Gevangenis te Gent niettegenstaande een uitdrukkelijke uitsluitingsbepaling in een eigen administratieve verordenende omzendbrief nr. 07bis/2020 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep van 5 november 2020.” Tevens vraagt verzoeker om “een tijdelijk verbod op te leggen aan de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie om over te gaan tot uitvoering van de gevangenisstraf waarbij verzoeker effectief zou worden opgesloten in de gevangenis, dit minstens (I) tot nadat de beoogde maagoperatie XIV-38.710-1/8 bij verzoeker zal zijn uitgevoerd en verzoeker daarvan voldoende is hersteld en (II) verzoeker voorts kon worden ingeënt met een vaccin tegen het coronavirus. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 juni
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker wordt op 15 april 2020 door het hof van beroep te Gent onder meer strafrechtelijk veroordeeld tot een effectieve XIV-38.710-2/8 hoofdgevangenisstraf van 18 maanden. Zijn cassatieberoep wordt bij arrest van 20 oktober 2020 afgewezen. 3.
  6. Bij arrest van 27 april 2020 veroordeelt het hof van beroep te Gent verzoeker op strafrechtelijk vlak bijkomend tot een hoofdgevangenisstraf van dertig maanden. 3.
  7. Op 23 november 2020 wordt verzoeker aanbevolen voor de uitvoering van de gevangenisstraf, op welk ogenblik hij onder het beheer staat van de gevangenis. 3.
  8. Op 3 december 2020 wordt verzoeker via de Dienst Elektronisch Toezicht (CET) telefonisch verzocht zich aan te bieden in de gevangenis te Gent. 3.
  9. Met een e-mail van 7 december 2020 deelt de raadsman van verzoeker aan hem mee dat hij zonet bericht kreeg van het parket-generaal dat de omzendbrief nr. 07bis/2020 van het college van procureurs-generaal van 5 november 2020 niet van toepassing is in zijn geval. 3.
  10. Verzoeker biedt zich niet aan in de gevangenis, doch dagvaardt op 8 december 2020 de Belgische Staat in kortgeding voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel waarbij gevraagd wordt om een tijdelijk verbod op te leggen aan de Belgische Staat om over te gaan tot uitvoering van de gevangenisstraf waarbij verzoeker effectief zou worden opgesloten in de gevangenis. Daarbij wordt onder meer gewezen op zijn precaire gezondheidstoestand en op een fors verhoogd risico op overlijden bij besmetting met het coronavirus. Tevens wordt aangevoerd dat de vraag aan verzoeker om zich aan te melden in de gevangenis niet verenigbaar is met de voornoemde omzendbrief (zie supra, punt 3.5.). Deze vordering wordt bij beschikking van de kortgedingrechter op 16 december 2020 verworpen. XIV-38.710-3/8 3.
  11. Nadat verzoeker werd geseind, wordt hij op 24 december 2020 door de politiediensten in de gevangenis van Gent binnengebracht. IV. Toepassing korte debattenprocedure - Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
  12. De verwerende partij werpt in haar nota op dat de Raad van State zich onbevoegd moet verklaren. De Raad van State heeft op grond van artikel 14, 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geen rechtsmacht omdat de bestreden beslissing de onmiddellijke uitvoering van gevangenisstraffen betreft waartoe verzoeker werd veroordeeld en de Raad van State ter zake geen rechtsmacht heeft. Voorts werpt zij op, het arrest van de Raad van State nr. 225.909 van 19 december 2013 citerend, dat de bestreden beslissing uitgaat van de ambtenaar van het openbaar ministerie die de hoedanigheid van magistraat heeft, een gerechtelijk ambt uitoefent en meewerkt aan de uitoefening van de rechterlijke macht. De procureur-generaal bij het hof van beroep is aldus een gerechtelijke overheid en geen administratieve overheid.
  13. Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat “het Hof” niet anders kan dan vaststellen dat “zij het enige rechtsorgaan is dat een beslissing van een Procureur Generaal die in tegenspraak is met een Omzendbrief van het College van Procureur-Generaal kan schorsen” en dat onmogelijk kan worden ontkend “dat de Procureur-Generaal en met haar het Openbaar Ministerie de instantie is die zich ingelaten heeft met het onderzoek, de vervolging, de verdediging in rechte en thans ook de strafuitvoering”. Verzoeker voelt “zich miskend in [zijn] rechten als er geen enkele rechtsinstantie zou kunnen zijn waarbij hij de voormelde misvatting in interpretatie door de Procureur-Generaal van de Omzendbrief zou kunnen aanvechten wat een schending van het recht van verdediging, vervat in de Grondwet en in art. 6 van het EVRM zou inhouden.” XIV-38.710-4/8 Beoordeling
  14. Artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen : 1° van de onderscheiden administratieve overheden; 2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen.” Op grond van deze bepaling heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State slechts rechtsmacht om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring, indien de bestreden beslissing kan worden beschouwd, hetzij als een handeling van een administratieve overheid in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, hetzij als een handeling van één van de overheden opgesomd in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, voor zover het in het laatste geval gaat om een handeling met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen.
  15. Het voorliggende beroep is gericht tegen “de impliciete beslissing van de Procureur Generaal [H.V.] dd. 7.12.2020, houdende een maatregel van opsluiting waarbij verzoeker zich diende aan te melden bij de Gevangenis te Gent niettegenstaande een uitdrukkelijke uitsluitingsbepaling in een eigen administratieve verordenende omzendbrief nr. 07Bis/2020 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep van 5 november 2020.” XIV-38.710-5/8 De bestreden impliciete beslissing houdt verband met de uitvoering van een rechterlijke uitspraak en is genomen door een ambtenaar van het openbaar ministerie. Die heeft de hoedanigheid van magistraat en neemt in die hoedanigheid deel aan de rechtsbedeling, wat hem fundamenteel onderscheidt van de ambtenaren (GwH nr. 27/2009 van 18 februari 2009, punt B.2.5.). Hij oefent een gerechtelijk ambt uit en werkt mee aan de uitoefening van de rechterlijke macht. Het openbaar ministerie handelend in de voorliggende zaak die leidde tot de bestreden (impliciete) beslissing, is dan ook een gerechtelijke overheid en geen administratieve overheid. De bestreden (impliciete) beslissing gaat aldus niet uit van een administratieve overheid in de zin van het hiervoor aangehaalde artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Evenmin kan de bestreden beslissing worden aangemerkt als een handeling van één van de overheden opgesomd in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. Het betreft duidelijk een beslissing genomen door een orgaan van de rechterlijke macht die specifiek betrekking heeft op de uitvoering van een straf.
  16. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de bestreden beslissing. Het argument van verzoeker in zijn verzoekschrift leidt niet tot een andere conclusie. De rechtsmacht van de Raad van State als hoogste administratief rechtscollege, is op grond van artikel 160 van de Grondwet ratione materiae strikt door de gecoördineerde wetten op de Raad van State afgebakend. Het feit dat, naar wat verzoeker betoogt, de regeling te dezen niet in een andere beroepsmogelijkheid zou voorzien, is zonder gevolg voor de aldus door de wetgever omschreven rechtsmacht van de Raad van State en kan aldus niet tot gevolg hebben dat Raad van State als het ware “residuair” de bevoegde (administratieve) rechter zou moeten zijn om zich uit te spreken over een XIV-38.710-6/8 handeling die niet valt binnen het toepassingsgebied van artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State indien verzoeker meent dat er geen andere rechter rechtsmacht zou hebben. Dat standpunt strijdt met de toegewezen rechtsmacht en faalt derhalve in rechte. Aangezien zulks volstaat moet verzoekers standpunt dat geen andere rechter bevoegd zou zijn inzake het voorliggende geschil, niet op zijn merites worden onderzocht.
  17. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. V. Vordering tot schorsing en tot het opleggen van een voorlopige maatregel
  18. De vordering tot schorsing alsook de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel dienen, als accessoria van het beroep tot nietigverklaring, te worden verworpen. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel.
  20. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  21. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijlage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-38.710-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien november tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.710-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.