id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.172 Rolnummer: A. 232738/XIV-38575 Zaak: Arrest 252172 - Arbeids- en beroepskaarten - 19/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-26 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-11 18:43 Fiche Arrest nr 252.172 van 19 november 2021 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.172 van 19 november 2021 in de zaak A. 232.738/XIV-38.575 In zake : Mandeep SINGH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bertrand Vrijens kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 641 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale Economie en Landbouw van 6 januari 2021, waarmee het administratief beroep van verzoeker tegen de beslissing van 9 maart 2020 tot weigering van een beroepskaart voor verzoeker zonder voorwerp wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- Op 2 april 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het besluit van de Regent van 23 augustus 1948). XIV-38.575-1/6 Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2021, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Oriane Todts, die loco advocaat Bertrand Vrijens verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Niet-betaling van de kosten
- Krachtens artikel 70, § 1, eerste lid, 2° van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, geeft het instellen van een beroep tot nietigverklaring aanleiding tot de betaling van een rolrecht van 200 euro. Artikel 66, 6°, van datzelfde besluit bepaalt dat de kosten, naast de in artikel 70 bedoelde rechten, onder meer nog omvatten “de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’.” Deze bepaling is van toepassing op de zaken ingeleid vanaf 1 maart
- Artikel 71, eerste en tweede lid, van datzelfde besluit bepalen dat de rechten bedoeld in artikel 70 en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, worden gekweten door middel van een overschrijving of een storting op de in die XIV-38.575-2/6 bepaling genoemde bankrekening, geopend bij de dienst die binnen de Federale Overheidsdienst van Financiën is aangewezen als bevoegd om de rechten en de bijdrage die betaald moeten worden in het kader van een voor de Raad van State ingediende procedure, te innen en dat de hoofdgriffier daartoe aan de schuldenaar een overschrijvingsformulier zendt dat een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de te verrichten betaling in verband te brengen met de proceshandeling waarop ze betrekking heeft. Naar luid van artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 zal, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, het ingestelde beroep (tot nietigverklaring) van de rol worden geschrapt.
- Te dezen heeft de hoofdgriffier verzoeker met een brief van 26 januari 2021 aan verzoeker meegedeeld dat zijn verzoekschrift aanleiding geeft tot “betaling van een bijdrage van 20 EURO en een recht van 200 EURO”, met vermelding van de te crediteren rekening en de in te vullen gestructureerde mededeling. Deze brief bevat de volgende vermelding: “Indien de hierboven vermelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, overeenkomstig artikel 71 vierde lid van voornoemd besluit, deelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de betrokken partij mee dat de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de betrokken partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. […]”. Op 1 februari 2021 wordt de genoemde bankrekening gecrediteerd met een bedrag van 200 euro. Met een aangetekend schrijven van 2 april 2021 deelt de hoofdgriffier aan verzoeker mee dat voornoemde rekening niet voldoende is gecrediteerd binnen de vereiste termijn van dertig dagen na ontvangst van het overschrijvingsformulier en dat, overeenkomstig artikel 74, vierde tot en met XIV-38.575-3/6 zevende lid van het meergenoemde besluit van de Regent, de aangewezen kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Op 7 april 2021 wordt de meergenoemde rekening gecrediteerd met een bedrag van 20 euro. Met een ter post aangetekende brief van 7 april 2021 vraagt verzoeker om te worden gehoord. Standpunt van verzoeker
- In zijn op 7 april 2021 ingediende “memorie” stelt verzoeker dat er in zijnen hoofde sprake is van “onoverkomelijke dwaling”, dat hij op 1 februari 2021 het rolrecht van 200 euro heeft betaald, dat hij “door omstandigheden volledig buiten zijn wil om” heeft nagelaten rekening te houden met de bijkomende betaling van de bijdrage van 20 euro en dat hij alsnog de bijdrage van 20 euro heeft betaald. Verzoeker vraagt dat zijn beroep niet wordt geschrapt van de rol en dat hij wordt gehoord. Ter terechtzitting verwijst verzoeker eerst naar de schriftelijke procedure en gedraagt hij zich uiteindelijk “naar de wijsheid” van de Raad. Beoordeling
- Overeenkomstig de artikelen 71 en 66, 6°, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 wordt het beroep tot nietigverklaring van de rol geschrapt wanneer de in de artikelen 71, eerste lid bedoelde rechten en bijdrage waarvan het totale bedrag aan de verzoekende partij werd meegedeeld niet wordt gekweten binnen de termijn van dertig dagen na ontvangst van de uitnodiging daartoe. Te dezen heeft verzoeker een bedrag van 200 euro dat overeenstemt met het rolrecht tijdig betaald doch heeft hij het voorgeschreven bedrag van 20 euro, XIV-38.575-4/6 dat overeenstemt met de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, van het voornoemde besluit van de Regent, laattijdig vereffend. De procedureregels vervat in de voornoemde reglementaire bepalingen zijn duidelijk, nauwkeurig en precies en verdienen omwille van de rechtszekerheid, de gelijke behandeling en het verbod van willekeur een consequente toepassing. Zij verdragen geen uitzonderingen om rekening te houden met elke bijzondere omstandigheid eigen aan een of andere partij, tenzij, zoals artikel 71, voorlaatste lid, van het genoemde besluit van de Regent voorschrijft, in hoofde van de betrokken partij overmacht of onoverwinnelijke dwaling is bewezen. Verzoeker werd met een brief van de hoofdgriffier van 26 januari 2021 uitdrukkelijk uitgenodigd om het totale bedrag van 220 euro te kwijten op de wijze en binnen de termijn zoals in die brief staat vermeld. Verzoeker werd hierin tevens, zonder enige dubbelzinnigheid, gewezen op de toe te passen sanctie wanneer de bankrekening niet aldus is gecrediteerd. Verzoeker maakt dan ook geenszins de voorgehouden “onoverwinnelijke dwaling” aannemelijk, evenmin als de “omstandigheden buiten zijn wil”, die hij zelfs niet specificeert. Ook ter terechtzitting geeft verzoeker desgevraagd niet de minste toelichting.
- Het beroep dient met toepassing van artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 van de rol te worden geschrapt. IV. Terugbetaling
- Het rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro dienen te worden terugbetaald aan verzoeker. BESLISSING
- Het beroep wordt van de rol geschrapt. XIV-38.575-5/6
- Het door verzoeker betaalde rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.575-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.