id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.204 Rolnummer: A. 225087/XIV-37704 Zaak: Arrest 252204 - Varia (economische zaken) - 24/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-08 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-11 19:04 Fiche Arrest nr 252.204 van 24 november 2021 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 252.204 van 24 november 2021 in de zaak A. 225.087/XIV-37.704 In zake : de BVBA BINOT woonplaats kiezend te 1780 Wemmel Isidoor Meyskensstraat 222 tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR BEROEPSRISICO’S (FEDRIS) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marijke Van Reybrouck kantoor houdend te 1170 Brussel Vorstlaan 68/7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 april 2018, strekt tot de nietigverklaring van “de verwerping door FEDRIS van de aanvraag tot het bekomen van vermindering van de bijdrage ambtshalve aansluiting van 5 februari 2018”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. XIV-37.704-1/13 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2021 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Vince Noelmans, die loco advocaat Marijke Van Reybrouck verschijnt, is gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Bij aangetekend schrijven van 24 januari 2017 deelt FEDRIS aan de verzoekende partij mee dat zij ambtshalve wordt aangesloten voor niet-verzekerde tewerkstelling overeenkomstig artikel 50 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. 3.2. Op 31 januari 2017 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot vermindering van de bijdrage ambtshalve aansluiting. 3.3. Op 5 februari 2018 verwerpt FEDRIS de aanvraag. Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.704-2/13 3.4. De verzoekende partij wordt met een aangetekend schrijven van 8 februari 2018 in kennis gesteld van de bestreden beslissing. 3.5. Met een schrijven van 19 maart 2018, waarin toelichting wordt verstrekt bij de bestreden beslissing, meldt FEDRIS aan de verzoekende partij dat er tegen een beslissing van FEDRIS “beroep [kan] aangetekend worden bij de arbeidsrechtbank, binnen de drie maanden na de kennisgeving van de beslissing”. IV. Rechtsmacht Exceptie 4. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de rechtsmacht van de Raad van State. Zij brengt artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten van de Raad van State, evenals de artikelen 59quater en 64 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna: de arbeidsongevallenwet) die zij aanhaalt, in herinnering. Zij stelt vervolgens dat het voorliggende geschil betrekking heeft op een beslissing omtrent een aanvraag tot vermindering van de bijdrage bedoeld in artikel 59, 4°, van de arbeidsongevallenwet zodat de bevoegdheid van de arbeidsgerechten vaststaat en de Raad van State te dezen bijgevolg zonder rechtsmacht is. In haar laatste memorie preciseert de verwerende partij dat de verzoekende partij ten onrechte beweert dat in het auditoraatsverslag zou zijn gesteld dat het koninklijk besluit van 25 december 2017 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 december 1976 tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971’ (hierna: het koninklijk besluit van 25 december 2017) het besluit is dat uitvoering verleent aan de in artikel 59quater, laatste lid, van de arbeidsongevallenwet voorziene delegatie aan de Koning om “de modaliteiten [te bepalen] volgens dewelke een beroep bij de arbeidsrechtbank tegen de beslissing van het beheerscomité voor XIV-37.704-3/13 de arbeidsongevallen of van de persoon belast met het dagelijks beheer van Fedris inzake de vraag tot vermindering van de bijdrage voor ambtshalve aansluiting kan worden ingesteld”. Die zienswijze berust immers op een verkeerde lezing van het auditoraatsverslag. In dat verslag wordt erop gewezen dat (in uitvoering van het laatste lid van artikel 59quater) artikel 8ter van het koninklijk besluit van 30 december 1976 ‘tot uitvoering van sommige bepalingen van artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971’ (hierna: het koninklijk besluit van 30 december 1976), zoals dat werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 december 2017, erin voorziet dat het beroep tegen de beslissing van de verwerende partij inzake de vraag tot vermindering van de bijdrage ambtshalve aansluiting, op straffe van verval, binnen de drie maanden na de kennisgeving van die beslissing, moet worden ingesteld. Het koninklijk besluit van 25 december 2017 dat het koninklijk besluit van 30 december 1976 wijzigt, is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2018 en in werking getreden op 25 januari 2018. Het is echter het koninklijk besluit van 30 december 1976 (zoals dat werd gewijzigd met het koninklijk besluit van 25 december 2017) dat het toe te passen uitvoeringsbesluit is. De bewering van de verzoekende partij berust voorts nog op een verkeerd begrip van de Justel-wetgevingsdatabank. De verzoekende partij verwart met name, eensdeels, de voetnootvermeldingen in die databank die de wijzigingsbepalingen bij een welbepaalde wettelijke bepaling aangeven met, anderdeels, de raadpleging van de besluiten die tot de uitvoering van een wet strekken en die moeten worden geraadpleegd via het aanklikken van de link “uitvoeringsbesluiten” bij die betrokken wet. In die lijst met uitvoeringsbepalingen bevindt zich het koninklijk besluit van 30 december 1976. De door FEDRIS opgeworpen exceptie “kan dus niet als niet tegenstelbaar [worden] beschouwd wegens gebrek aan een uitgevaardigd uitvoeringsbesluit dat de modaliteiten regelt binnen een redelijke termijn”. Voorts kan de verwerende partij evenmin worden verweten niet behoorlijk te hebben gehandeld. Zij heeft namelijk in haar schrijven aan de verzoekende partij expliciet verwezen naar de arbeidsrechtbank als bevoegde rechtbank, met vermelding van de toepasselijke regelgeving. Tot slot stelt de verzoekende partij ten onrechte dat het koninklijk besluit van 25 december 2017 nog een ministerieel besluit zou vereisen. De verzoekende partij leidt zulks XIV-37.704-4/13 ten onrechte af uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 december 2017 dat bepaalt dat de minister bevoegd voor Sociale Zaken belast is met de uitvoering van dit besluit. Anders dan de verzoekende partij dat ziet, betreft het genoemde artikel 2 een uitvoeringsbepaling doch vereist het geen ministerieel uitvoeringsbesluit. Een uitvoeringsbepaling duidt de persoon of personen aan die met de uitvoering ervan worden belast zodat daaruit blijkt welke minister(
- s)verantwoordelijk is of zijn voor de uitvoering van het besluit doch daarmee wordt geen verordenende bevoegdheid verleend. Dergelijke bepaling maakt het alleen mogelijk de bestuurlijke uitvoeringsmaatregelen te nemen die het besluit vereisen zoals de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, het uittrekken van de nodige kredieten op de begroting om in de uitgaven die het meebrengt te voorzien, de diensten daartoe te organiseren, eventueel extra personeel in dienst te nemen of, nog, er op toe te zien dat circulaires worden opgesteld met instructies betreffende de toepassing van de regelgeving. 5. De verzoekende partij repliceert zeer uitgebreid in haar memorie van wederantwoord op de exceptie van de verwerende partij, hetgeen ze in haar laatste memorie herneemt. Zij voert tegen die exceptie twee “middelen” aan die ertoe strekken de Raad van State ervan te trachten te overtuigen de ingeroepen exceptie af te wijzen, eensdeels, omdat deze is gestoeld “op onbehoorlijke regelgeving zodat zij niet tegenstelbaar is aan de verzoekende partij” en, anderdeels, “wegens strijdigheid met de Grondwet en het EVRM”. Door het wegvallen van de exceptie, herwint de Raad van State, aldus de verzoekende partij, zijn “algemene residuaire bevoegdheid op het vlak van overheidshandelingen”. In essentie voert de verzoekende partij aan dat de delegatie in 59quater, laatste lid, van de arbeidsongevallenwet ontbreekt hoewel “art. 59quater AOW in voege [is] sinds 1 januari 1988”. Zij stelt in haar memorie van wederantwoord dat “[m]iddels artikel 9 van de wet van 21 december 2013 [‘houdende dringende diverse bepalingen inzake sociale wetgeving’] in artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet de delegatie aan de Koning [werd] opgenomen om de voorwaarden te bepalen waaronder Fedris: 1° kan afzien van de invordering van de bedragen bedoeld in artikel 59, 3° en 4°; 2° de bijdrage bedoeld in artikel 59, 4° XIV-37.704-5/13 kan verminderen of vrijstellen. Aangezien (het gedeelte van) artikel 64 AOW, dat bepaalt dat de arbeidsrechtbank kennis neemt van alle betwistingen betreffende de toepassing van artikel 59quater, in werking getreden was op 10 mei 1996, kan men dus niet om de vaststelling heen dat de Koning bijna vijf jaar (!) na voormelde wet van 21 december 2013 nog steeds niet de kans heeft gezien om de modaliteiten te bepalen volgens dewelke een beroep bij de Arbeidsrechtbank kan worden ingesteld tegen de beslissing van het beheerscomité of van de persoon belast met het dagelijks beheer van Fedris inzake de vraag tot vermindering van de bijdrage voor ambtshalve aansluiting…”. Het is volgens de rechtsleer de taak van de uitvoerende macht om uitvoering te geven aan de wet en dit binnen een redelijke termijn. ln bestuurszaken geldt, aldus de verzoekende partij, een periode van vijf jaar die intussen zo goed als verlopen is zonder dat het vereiste (koninklijk) uitvoeringsbesluit werd genomen. Hieruit kan niets anders afgeleid worden dan dat de door de verwerende partij aangereikte exceptie van onbevoegdheid niet aan de verzoekende partij tegenstelbaar is. Volgens de verzoekende partij weet de verwerende partij “manifest (cfr. haar memorie van antwoord) dat het uitvoeringsbesluit m.b.t. de ‘modaliteiten’ ter zake ontbreekt”. Daardoor schendt zij “samen met de Regering (Koning) zowel de beginselen van behoorlijke wetgeving als het recht op een eerlijk proces (art. 6, par. 1 van het EVRM)”. De verzoekende partij bevindt zich in een “patstelling nu [haar] ingevolge incoherente, onduidelijke minstens onvolledige regelgeving het recht op een eerlijk proces wordt ontzegd, minstens ernstig bemoeilijkt”. Bij de Raad van State kan zij volgens de verwerende partij niet terecht en bij de arbeidsrechtbank evenmin ingevolge ontbrekende regelgeving. Specifiek wat de schending van de beginselen van behoorlijke wetgeving betreft, stelt zij dat de in artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet opgenomen delegatie aan de Koning “een schoolvoorbeeld van onbehoorlijke wetgeving [is], want strijdig met ongeveer alle ter zake geldende beginselen van behoorlijke wetgeving(stechniek)”. Zij stelt dat minstens de volgende beginselen geschonden zijn: (1.) het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel omwille van de ontstentenis van enig(
- e)beroeps(mogelijkheid) tot nietigverklaring van de bestuurshandelingen, (2.) het rechtszekerheids- en de coherentievereiste omdat op grond van artikel 190 van de XIV-37.704-6/13 Grondwet een voor de rechtsonderhorige nadelige rechtsregel niet anticipatief mag worden toegepast, wetgeving en normen duidelijk moeten worden geformuleerd en begrijpbaar zijn noch leemtes, overlappingen of onnauwkeurigheden mogen bevatten, (3.) het uitvoerbaarheidsvereiste omdat de verzoekende partij niet kan worden gesanctioneerd nu zij in de materiële onmogelijkheid is omwille van het ontbreken van de vereiste regelgeving die daartoe de modaliteiten bepaalt om zich tot de arbeidsrechtbank te wenden, (4.) de rechtmatigheidseis nu het de plicht is van de uitvoerende macht om uitvoering te geven aan de wet; en dit binnen een redelijke termijn en, tot slot, (5.) het beginsel van regelgeving op het juiste niveau, in samenhang met het legaliteitsbeginsel, omdat de organisatie van de rechtsbescherming met bijhorende procedurele waarborgen – zoals het bepalen van de modaliteiten van een beroep bij de arbeidsrechtbank – een aan de wetgever voorbehouden aangelegenheid is op grond van de artikelen 146, 152, eerste lid, 154, 155 en 157 van de Grondwet en, bijgevolg, niet voor delegatie aan de Koning vatbaar. De conclusie is dat de door de verwerende partij ingeroepen exceptie berust op wetgeving (en delegatie aan de Koning) die onmogelijk kan voldoen aan eender welk van de vijf voormelde beginselen van behoorlijke wetgeving zodat deze regelgeving aan de verzoekende partij niet tegenstelbaar is en moet worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad. Wat specifiek de strijdigheid betreft met het recht op een eerlijk proces zoals vervat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag ‘tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden’, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM) stelt de verzoekende partij dat het bevoegd maken van de arbeidsrechtbank ermee “onverzoenbaar” is. Volgens haar mag “[v]olgens het EHRM […] de rechtsonderhorige van de wetgever een coherente regeling verwachten”. Incoherente, onduidelijke rechtsregels of procedures ondermijnen de rechtszekerheid en schenden het recht op een eerlijk proces. Zij voert aan dat de verwerende partij omwille van “onvolledige (bij gebreke aan uitvoeringsmodaliteiten bij K.B.) en dus incoherente regelgeving de facto gededouaneerd [wordt] op het vlak van het soort beslissingen waarvan verzoeker de vernietiging vraagt, hetgeen uiteraard op gespannen voet staat met het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, par. 1 EVRM”. De rechtsmacht van de XIV-37.704-7/13 arbeidsrechtbank is bij gebreke aan een uitvoeringsbesluit louter virtueel want onuitvoerbaar zodat de Raad van State wel degelijk en als enige bevoegd is om haar rechtsmacht uit te oefenen over het voorliggende beroep. Er anders over oordelen, zou betekenen dat de verwerende partij erin zou slagen de rechtsonderhorige te verhinderen zich tot een rechter te wenden hetgeen onverzoenbaar is met het recht op een eerlijk proces. In haar laatste memorie voert de verzoekende partij ter weerlegging van de ingeroepen exceptie nog een bijkomend “middel” aan met name de “schending van diverse beginselen van behoorlijk bestuur”. Ze acht het legaliteitsbeginsel geschonden omdat er geen bevoegdheid zonder grondslag is in wet of Grondwet en de verwerende partij haar liet weten dat het vereiste ministeriële uitvoeringsbesluit ontbrak. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel zou geschonden zijn omdat “de Justel-databank verzoeker niet deugdelijk in kennis heeft gesteld van een (koninklijk) uitvoeringsbesluit [w]aardoor verzoeker manifest op het verkeerde been [werd] gezet”. Tot slot zou ook het vertrouwensbeginsel zijn geschonden omdat de verwerende partij op 19 maart 2018 had meegedeeld dat er nog geen koninklijk dan wel ministerieel uitvoeringsbesluit was zodat bij de verzoekende partij manifest een verwachting werd opgewekt waarop zij had moeten kunnen vertrouwen. Beoordeling 6. De te dezen relevante bepaling van artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen : 1° van de onderscheiden administratieve overheden; [...].” XIV-37.704-8/13 Het geschil dat tussen de verzoekende en de verwerende partij is gerezen, heeft betrekking op een beslissing van de verwerende partij inzake een vraag tot vermindering van de bijdrage voor ambtshalve aansluiting. Artikel 59, 4°, van de arbeidsongevallenwet bepaalt dat FEDRIS wordt gestijfd (onder meer) door “de bijdragen verschuldigd door de werkgevers die verzuimen een verzekeringscontract af te sluiten bij een verzekeringsonderneming”. Artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet bepaalt: “De Koning bepaalt de wijze van berekening, inning en invordering van de bedragen, bedoeld bij de artikelen 59, 2°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9°, 14° en 59bis. De schuldenaar die de bedragen, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de door de Koning vastgestelde termijnen stort, is aan Fedris een opslag en een verwijlinterest verschuldigd. De Koning bepaalt het bedrag, de toepassingsvoorwaarden, de inning en de invordering van deze opslag en van deze verwijlinteresten. De opslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 pct. van de verschuldigde bedragen en de op deze bedragen berekende verwijlintrest is gelijk aan de wettelijke rentevoet vastgesteld in artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder Fedris: 1° […]; 2° de bijdrage bedoeld in artikel 59, 4° kan verminderen of vrijstellen; 3° […] De Koning bepaalt de modaliteiten volgens dewelke een beroep bij de arbeidsrechtbank tegen de beslissing van het beheerscomité voor de arbeidsongevallen of van de persoon belast met het dagelijks beheer van Fedris inzake de vraag tot vermindering van de bijdrage voor ambtshalve aansluiting kan worden ingesteld.” Artikel 64 van diezelfde wet bepaalt tot slot dat “[d]e arbeidsrechtbank kennis [neemt] van alle betwistingen betreffende de toepassing van de artikelen 59, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, (12°, 13°), 59bis, 59ter, 59quater en 59quinquies.”. 7. Zoals de verzoekende partij heeft kunnen lezen in het auditoraatsverslag is het laatste lid van artikel 59quater van de arbeidsongevallenwet waarbij de Koning wordt gemachtigd om de modaliteiten te XIV-37.704-9/13 bepalen volgens dewelke een beroep bij de arbeidsrechtbank kan worden ingesteld tegen een beslissing zoals de bestreden beslissing, ingevoegd bij artikel 28 van de wet van 30 september 2017 ‘houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken’, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 oktober 2017 en in werking getreden op 26 oktober 2017. In uitvoering van die machtigingsbepaling bepaalt artikel 8ter van het (koninklijk) uitvoeringsbesluit van 30 december 1976, zoals dat is gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 december 2017, dat “(h)et beroep tegen de beslissing van het beheerscomité of van de persoon belast met het dagelijks beheer van het Fonds inzake de vraag tot vermindering van de bijdrage ambtshalve aansluiting, […], op straffe van verval, binnen de drie maanden na de kennisgeving van de beslissing [dient] te worden ingesteld”. Deze wijziging is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2018 en in werking getreden op 25 januari 2018. Hieruit volgt dat de argumentatie van de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord met betrekking tot de beweerde niet-tegenstelbaarheid van deze bepalingen, in elk geval uitgaat van de foutieve premisse dat de bepalingen van artikel 64 iuncto 59quater van de arbeidsongevallenwet, zonder uitwerking zouden zijn omwille van het uitblijven van een uitvoeringsmaatregel. Zoals hiervoor is uiteengezet, blijkt immers dat de aanwijzing van de arbeidsrechtbank als de bevoegde rechter om kennis te nemen van betwistingen omtrent een vraag tot vermindering van de bijdrage voor ambtshalve aansluiting, door de wetgever zelf als essentie is vastgelegd, wat in wezen volstaat opdat – met toepassing van artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State – de rechtsmacht daarover niet langer de Raad van State toekomt. Aangezien het ontbreken van een uitvoeringsbesluit de uitvoerbaarheid van de essentie – te dezen, het aanduiden van de ter beslechting van een geschil bevoegde rechtsmacht door de (krachtens de Grondwet) daartoe bevoegde wetgever – doorkruist, wordt voorts vastgesteld dat het koninklijk besluit van 25 december 2017 dat de modaliteiten volgens welke – met name de XIV-37.704-10/13 termijn waarbinnen – dergelijk beroep kan en moet worden ingesteld, regelt, via de geëigende weg, d.w.z. via een publicatie in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Uit het feitenrelaas is voorts gebleken dat de houding van de verwerende partij niet van dien aard is geweest alsnog onzekerheid te creëren in hoofde van de verzoekende partij omtrent haar beroepsmogelijkheden. Het schrijven van FEDRIS van 19 maart 2018 (cfr. supra punt 3.4) verwijst expliciet naar de arbeidsrechtbank als de bevoegde rechter met ingang van 1 januari 2018 en maakt in voetnoot daarbij, melding van de toepasselijke regelgeving. Bedacht wordt dat ten tijde van dit schrijven van 19 maart 2018 de beroepstermijn van drie maanden om beroep aan te tekenen bij de arbeidsrechtbank, lopende was. Anders dan de verzoekende partij dat ziet, hebben de regelgever noch de verwerende partij de aanwijzing van de bevoegde rechter op een dergelijke wijze invulling gegeven, dat de verzoekende partij op begrijpelijke wijze zou kunnen aanvoeren verschalkt te zijn geweest in haar beroepsmogelijkheden. Evenmin is haar op enigerlei wijze de toegang tot de rechter ontzegd. Het mag dan al wat ongelukkig zijn dat de verwerende partij in diezelfde voetnoot bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 december 2017, dit is de uitvoeringsbepaling die de minister van Sociale zaken ermee belast uitvoering te verlenen aan dat besluit, stelt dat “[t]ot op heden er nog geen MB uitgevaardigd [is] omtrent de beroepsmogelijkheid”. Zulks neemt niet weg dat – anders dan de verzoekende partij dat ziet – ontegenzeglijk, uit kracht van de wet zelve, de arbeidsrechtbank bevoegd is. Hoe dan ook, het zijn ingevolge artikel 64 iuncto artikel 59, 4°, van de arbeidsongevallenwet enkel de arbeidsgerechten waaraan het toekomt te oordelen over zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid van beroepen ingesteld tegen beslissingen zoals de bestreden beslissing. De rechtsmacht van de arbeidsrechtbank verhindert dat de Raad van State op grond van zijn algemene vernietigingsbevoegdheid vervat in het hiervoor aangehaalde artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitspraak doet over het voorliggende geschil. XIV-37.704-11/13 8. De exceptie is gegrond. V. Wat de vordering tot het toekennen van een schadevergoeding tot herstel betreft 9. In haar verzoekschrift vraagt de verzoekende partij de Raad van State om de verwerende partij (provisioneel) te veroordelen tot betaling van “een schadevergoeding van 1.547,86 euro, maar te verhogen met alle bewezen of nog te bewijzen schade”. Beoordeling 10. Overeenkomstig artikel 25/3, §§1 en 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, dient het verzoek om schadevergoeding tot herstel eveneens te worden afgewezen. Immers, indien geen onwettigheid wordt vastgesteld, wijst het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af. Nu te dezen geen onwettigheid is vastgesteld, moet het verzoek om schadevergoeding tot herstel worden afgewezen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De Raad van State wijst het verzoek om schadevergoeding tot herstel af. XIV-37.704-12/13 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 4. De rechten verbonden aan het verzoek om schadevergoeding tot herstel, begroot op 200 euro, en de bijdrage van 20 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig november tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.704-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div