← België

Arrest 252211 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 24/11/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.211 Rolnummer: A. 230568/IX-9701 Zaak: Arrest 252211 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 24/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-01 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-11 19:09 Fiche Arrest nr 252.211 van 24 november 2021 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 252.211 van 24 november 2021 in de zaak A. 230.568/IX-9701 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Vanheule kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Fien Van Daele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 27 maart 2020, strekt tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel naar aanleiding van arrest nr. 246.735 van 20 januari 2020. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. IX-9701-1/20 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2021. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Vanheule, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Fien D’Haenens, die loco advocaten Sofie Logie en Fien Van Daele verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Aanleiding tot het verzoek 3. Verzoeker is bij besluit van de raad van bestuur van de Universiteit Gent met ingang van 1 februari 2010 voor een periode van vijf jaar aangesteld als voltijds docent tenure track vroegmoderne Engelse letterkunde bij de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. In zijn gepersonaliseerde doelstellingen is vastgelegd dat hij aan het einde van zijn aanstelling een B2-taalbeheersingsniveau Nederlands overeenkomstig het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen moet bezitten of een certificaatniveau 5 Nederlands van het universitair Talencentrum moet voorleggen. IX-9701-2/20 Op 17 december 2014 stelt de raad van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte dat verzoeker “voldoet aan de criteria voor onderzoek, onderwijs en dienstverlening, voor onderzoek zelfs ruimschoots”, maar hij “voldoet vooralsnog niet aan de taalvereiste”. Op 16 januari 2015 beslist de raad van bestuur van de Universiteit Gent om verzoeker niet te benoemen in de graad van hoofddocent. Bij arrest nr. 246.735 van 20 januari 2020 vernietigt de Raad van State het besluit van de raad van bestuur van de Universiteit Gent van 16 januari 2015 waarbij de vaste benoeming van verzoeker in de graad van hoofddocent wordt geweigerd. In dit arrest overweegt de Raad van State onder meer: “Op 16 januari 2015 beslist de raad van bestuur van de universiteit Gent om verzoeker niet te benoemen in de graad van hoofddocent. Dat is de bestreden beslissing. Uit de notulering ervan blijkt en niet wordt betwist dat de weigering ‘enkel en alleen’ is gemotiveerd door het niet behalen van de taalvereiste. […] Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker op de datum van de bestreden beslissing geacht moet worden aan de persoonlijke doelstelling met betrekking tot de vereiste taalkennis, voldaan te hebben. Door zijn vaste benoeming ‘enkel en alleen’ omwille van de taalvereiste te weigeren, schendt de verwerende partij de in het middelonderdeel aangevoerde [artikelen II.270, § 2, en II.389, 2°, van de Codex Hoger Onderwijs].” IV. De gevorderde schadevergoeding 4. De initieel gevorderde schadevergoeding heeft betrekking, eensdeels, op een materieel nadeel, bestaande uit (

  1. i)gederfd inkomen sedert 1 februari 2015 tot aan de uitspraak van het arrest, (
  2. ii)een toekomstige loonderving vanaf de uitspraak van het arrest en (iii) verhuiskosten en, anderdeels, op een moreel nadeel. In de memorie van wederantwoord doet verzoeker afstand van het verzoek, wat de toekomstige loonderving betreft. Er wordt hierna dus geen IX-9701-3/20 rekening mee gehouden, noch met het verweer op dat punt van de verwerende partij. V. Ontvankelijkheid van het verzoek – causaal verband Standpunt van de verwerende partij 5. De verwerende partij erkent dat de nietigverklaring bij arrest nr. 246.735 van 20 januari 2020 in rechte het “bewijs van fout” levert – versta, in het licht van de toepassingsvoorwaarden van artikel 11bis RvS-Wet: dat een onwettigheid is vastgesteld – bij het nemen van de vernietigde beslissing. Zij betwist evenwel het causaal verband met de aangevoerde schade. Volgens haar volgt uit de vastgestelde “fout” immers niet dat verzoeker “noodzakelijkerwijze een recht op benoeming kan claimen”. Zij wijst erop dat het positieve advies van de faculteitsraad niet betekent dat de raad van bestuur verplicht was om verzoeker te benoemen. Het is een gunstig, maar niet-bindend advies. In de overwegingen van het arrest is evenmin een rechtsplicht tot benoemen te bespeuren. Zeer uitvoerig wijst de verwerende partij erop dat “naderhand” twijfel is ontstaan over de publicatielijst die verzoeker indiende in het kader van zijn benoemingsdossier en op mogelijke malversaties met FWO-fondsen. Hiervoor heeft de verwerende partij een strafklacht ingesteld tegen verzoeker. Het gaat ook om tuchtfeiten. In het licht van dergelijke inbreuken op de wetenschappelijke integriteit acht de verwerende partij het ondenkbaar dat verzoeker retroactief benoemd kan worden. Minstens moet hieruit worden afgeleid dat verzoeker, eens IX-9701-4/20 benoemd, tuchtrechtelijk ontslagen zou worden en hij dus niet benoemd zou zijn gebleven. De verwerende partij stelt vast dat verzoeker op geen enkele wijze zijn recht op vaste benoeming opeist. In de mate dat hij zijn recht op benoeming niet wenst af te dwingen, neemt de schadelijder geenszins de schade- beperkende maatregelen die van een normale, zorgvuldige en vooruitziende persoon in dezelfde concrete omstandigheden kunnen worden verwacht. Beoordeling 6. Overeenkomstig artikel 10, § 1, tweede lid, van het toepasselijke ZAP-reglement wordt de docent tenure track “na afloop van de aanstellingstermijn door de raad van bestuur vast benoemd in de graad van hoofddocent op basis van een gunstige beoordeling van de gepersonaliseerde doelstellingen door de faculteitsraad die zich bij deze beoordeling laat adviseren door de facultaire ZAP-evaluatiecommissie”. De facultaire ZAP-evaluatiecommissie is van oordeel dat verzoeker “voldoet aan de criteria vermeld in zijn Tenure Track contract op het vlak van Onderwijs, Onderzoek en Dienstverlening” en zij stelt voor om verzoeker “onder voorbehoud van het behalen van het certificaat B2; of niveau 5 (UCT), Nederlands – m.i.v. 1 februari 2015 vast te benoemen in de graad van hoofddocent”. De faculteitsraad heeft een advies gegeven en daarbij eveneens vastgesteld dat aan ál de overige in het tenure track traject gestelde voorwaarden tot benoeming door verzoeker was voldaan. Verzoeker “heeft de doelstellingen voor onderwijs, [onderzoek] en dienstverlening zoals gedefinieerd in zijn Tenure Track overeenkomst behaald”, aldus de faculteitsraad die enkel ongunstig adviseert “[indien verzoeker] niet voldoet aan de voornoemde taalvereiste”. IX-9701-5/20 In het vernietigingsarrest heeft de Raad van State vastgesteld dat het onwettig bevonden motief – de taalvereiste – ook het enige motief was om verzoekers benoeming te weigeren. 7. De verwerende partij overtuigt niet dat het dossier, zoals het voorlag aan de raad van bestuur maar zonder de vastgestelde onwettigheid, toentertijd tot enige andere beslissing zou hebben geleid of kunnen leiden, dan de benoeming van verzoeker. De redenen die zij in de huidige procedure uiteenzet, zijn naar haar eigen zeggen immers pas “naderhand” gebleken. Verzoeker is een benoeming als hoofddocent misgelopen die hem toentertijd zonder de vastgestelde onwettigheid zou zijn toegevallen. 8. De verwerende partij schrijft in haar laatste memorie: “Uw Raad vernietigt in het arrest het volledige besluit van 16 januari 2015 tot weigering van benoeming, hetgeen betekent dat dit besluit retroactief uit de rechtsorde verdwijnt en geacht wordt nooit bestaan te hebben. Door de vernietiging van een rechtshandeling wordt deze ab initio uit de rechtsorde genomen, zij wordt geacht nooit te hebben bestaan, geen rechtsgevolgen te hebben gehad. Quod nullum est nullum producit effectum. Verwerende partij plaatst zich aldus terug op de toestand vanaf het advies van de faculteitsraad. De raad van bestuur herwint m.a.w. door de vernietiging van het volledige besluit van 16 januari 2015 haar volledige beoordelingsvrijheid, als zou zij nooit een beslissing genomen hebben.” Dat is helemaal juist. 9. Wat de verwerende partij schrijft, toont aan dat het in principe op haar weg lag om verzoeker rechtsherstel te geven door middel van een nieuwe beslissing zonder opnieuw de vastgestelde onwettigheid te begaan. Het vernietigingsarrest plaatst haar immers weer op het punt waar de zaak is misgelopen, namelijk op het punt waarop zij moest beslissen over IX-9701-6/20 verzoekers benoeming – “de toestand vanaf het advies van de faculteitsraad”. Zij heeft hiervoor geen uitnodiging van verzoeker nodig. Zo een rechtsherstellende beslissing had kunnen vermijden dat de verwerende partij nog een schadevergoeding tot herstel moet betalen, of minstens had ze de omvang van de schade kunnen beïnvloeden. De verwerende partij heeft echter stilgezeten. Zij heeft géén nieuwe beslissing genomen – geen benoemingsbeslissing, maar evenmin een deugdelijk gemotiveerde weigering om te benoemen. 10. De redenen die zij nu geeft als mogelijke motieven voor een weigering om verzoeker met terugwerkende kracht te benoemen – daargelaten dat verzoeker ze betwist of minstens nuanceert – zijn dus hypothetisch en van geen tel. 11. Op verzoeker rust volgens de verwerende partij een plicht om de schade te beperken. Gewis is ook verzoeker blijven stilzitten en heeft hij niets ondernomen om zijn benoeming alsnog te vragen of zelfs af te dwingen. In de concrete omstandigheden kan hem dit evenwel niet ten kwade worden geduid; gelet op de houding van de verwerende partij had en heeft verzoeker immers “geen enkel perspectief” op een vaste benoeming. 12. De bewering dat ná de vaste benoeming van verzoeker tuchtmaatregelen in ieder geval een voortijdig einde zouden hebben gesteld aan zijn carrière bij de verwerende partij, is in de gegeven omstandigheden al even hypothetisch. Er is nu eenmaal geen benoeming gevolgd en geen tuchtprocedure gevoerd, zodat de tenlasteleggingen niet verder zijn geraakt dan het stadium van eenzijdige verwijten. Van enig resultaat van de strafklacht is de Raad van State voorts niet op de hoogte gebracht. IX-9701-7/20 13. De verwerende partij weerlegt niet dat verzoeker zonder de vastgestelde onwettigheid op een benoeming tot hoofddocent mocht rekenen en dat hij door de misgelopen benoeming tot hoofddocent schade heeft geleden, die voor vergoeding in aanmerking komt. De aard, omvang en begroting van die schade(vergoeding) worden hierna onderzocht. IX-9701-8/20 VI. Onderzoek A. “Gederfd inkomen sinds 1 februari 2015” Standpunt van de partijen 14. Verzoeker wijst erop dat hij voor de periode van 1 februari 2015 tot de datum van het tussengekomen arrest geen salaris als hoofddocent heeft ontvangen. Hierdoor loopt hij materiële schade op, ten belope van het bedrag van het niet-ontvangen salaris. Hij maakt vervolgens een cijfermatige berekening van dat salaris voor de periode van 1 februari 2015 tot 31 januari 2020, uitgaande van een “niet-geïndexeerd jaarsalaris van 39.145,77 euro (derde salaristrap van de eerste salarisschaal hoofddocent), zijnde het onmiddellijk hogere salaris in die schaal in vergelijking tot zijn salaris als docent”, de triënnale salarisverhogingen en de indexaanpassingen. Daaraan voegt hij de misgelopen eindejaarstoelagen en vakantiegelden toe. In de loop van de procedure weerspreekt hij niet de berekeningswijze ervan door het auditoraat en verklaart hij zich naar de wijsheid van de Raad te gedragen, wat de berekening van die componenten van het nadeel betreft. Verzoeker weerspreekt voorts niet de zienswijze van de verwerende partij, bijgevallen door het auditoraat, dat voor het bepalen van de omvang van de schade door het misgelopen inkomen ook rekening moet worden gehouden met de inkomsten die hij in diezelfde periode daadwerkelijk genoot. Hij legt daarover stukken neer. 15. De verwerende partij betwist het bedrag van het in aanmerking te nemen “onmiddellijk hogere” jaarsalaris. IX-9701-9/20 Voorts wijst zij erop dat verzoeker zelf ontslag nam op 30 juni 2016, zodat de periode nadien en minstens de periode tot 31 december 2016 niet voor vergoeding in aanmerking komt door deze vrijwillige keuze van verzoeker. Beoordeling 16. Verzoeker vraagt – terecht – geen achterstallige wedde. Om de omvang van de schadevergoeding te berekenen houdt hij echter terecht rekening met het loon dat hij ontvangen zou hebben als hoofddocent. Het ontberen van die verloning staat, als gezien, in rechtstreeks causaal verband met de vastgestelde onwettigheid. 17. Terecht weerspreekt verzoeker niet dat hiervan het inkomen moet worden afgetrokken dat hij effectief heeft verdiend. Immers, indien verzoeker was benoemd als hoofddocent bij de verwerende partij zou hij het inkomen dat hij in die periode heeft verworven, niet hebben kunnen verdienen. 18. Zoals hiervóór al is opgemerkt, mag geen rekening worden gehouden met hypothetische situaties, inzonderheid de afloop van een tuchtprocedure die tegen verzoeker gevoerd zou zijn, mocht hij in dienst zijn geweest. Daarom ook, houdt de Raad enkel rekening met het carrièrepad van verzoeker, zoals het zich in de feiten heeft voorgedaan. De verwerende partij toont niet aan dat verzoeker gedurende de besproken periode moedwillig onbeschikbaar was voor de arbeidsmarkt of anderszins beslissingen nam met als doel de verwerende partij te schaden. Bovendien is de verwerende partij slecht geplaatst om verzoeker te verwijten voortijdig – dat wil zeggen: vóór 31 IX-9701-10/20 december 2016 – andere horizonten opgezocht te hebben; zij was hem zelf immers ook liever kwijt dan rijk. 19. Verzoeker is op 1 januari 2020 voltijds aangesteld als professor Engelse en vergelijkende literatuur aan de Shangai University of Finance and Economics. In zijn laatste memorie erkent hij dat dit “een aanstelling in een gelijkaardige functie” is, vergeleken met de aanstelling van hoofddocent die hij misliep. Dat betekent naar het oordeel van de Raad van State dat verzoeker vanaf 1 januari 2020 geen aanspraak meer kan maken op een schadevergoeding wegens de in het arrest vastgestelde onwettigheid. 20. De vergoeding van het gederfde inkomen beloopt bijgevolg 59 maanden, van 1 februari 2015 tot 31 december 2019. 21. Bij vaste benoeming zou verzoeker zijn aangesteld als hoofddocent in de eerste schaal en recht hebben op het onmiddellijke hogere salaris in die schaal in vergelijking met zijn salaris als docent. Dit is blijkens artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 ‘tot vaststelling van de salarisschalen van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap’ 36.700,82 euro, het bedrag opgenomen in de berekeningen van de verwerende partij waarin ook op correcte wijze rekening is gehouden met de verhogingen en indexeringen. Aangezien de salarisschalen zijn vastgesteld op jaarbasis, is het argument dat verzoeker ontleent aan het ontvangen maandsalaris om het hogere brutojaarsalaris van 39.145,77 euro te claimen, niet relevant. Aldus kan het gederfde brutosalaris over de beoogde periode worden vastgesteld op 318.717,41 euro. IX-9701-11/20 22. Verzoeker noch de verwerende partij betwisten in hun laatste memorie de herberekening in het auditoraatsverslag van de over diezelfde periode verschuldigde eindejaarstoelagen (14.423,41 euro) en vakantiegelden (24.741,25 euro). Ook de Raad van State kan die becijfering bijvallen. 23. Uit het aangebrachte overzicht met stavingsstukken blijkt dat het bruto-inkomen van verzoeker: - voor de periode van tewerkstelling bij de verwerende partij van 1 februari 2015 tot 30 juni 2016, 99.413,84 euro bedroeg en - van 1 juli 2016 tot 31 december 2019 en omgerekend met de door de verwerende partij niet weersproken maandelijkse wisselkoersen 144.732,32 euro bedroeg. 24. Het reëel gederfde loon van verzoeker bedraagt aldus 113.735,91 euro. B. Verhuiskosten Standpunt van de partijen 25. Als tweede component van het materiële nadeel brengt verzoeker zijn verhuiskosten naar het buitenland in. 26. De verwerende partij betwist dat deze kosten aan haar doorgerekend mogen worden. Verzoeker heeft zelf ervoor gekozen een onderzoeksbeurs in Duitsland aan te vragen. Er waren tal van alternatieven mogelijk die geen verhuiskosten noodzaakten. Minstens moet de verhuiskost beperkt worden tot één verhuis. De kosten voor stockage en de dubbele verhuis zijn een keuze van verzoeker. Beoordeling IX-9701-12/20 27. Door de vernietigde beslissing is verzoeker niet benoemd geworden en moest hij op zoek naar een nieuwe functie. Er is wel degelijk een noodzakelijk causaal verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het invullen van een nieuwe functie. Deze functie was voor verzoeker een onderzoeksbeurs bij de Alexander von Humboldt-Stiftung, die noodzakelijkerwijs een verhuis inhield. Het standpunt van de verwerende partij dat verzoeker er niet toe gedwongen was een job in het buitenland aan te nemen, is niet relevant. Een causaal verband moet in de feiten worden onderzocht; noch de verwerende partij noch de Raad van State moet uitgaan van veronderstellingen en speculaties. Zoals ook hiervóór opgemerkt, moet in beginsel rekening worden gehouden met het carrièreverloop zoals het zich feitelijk heeft voorgedaan. Dat een academische loopbaan naar het buitenland leidt, is niet onredelijk. Voorts stelt de verwerende partij in vraag dat de verhuizing in twee keer is gebeurd, maar toont zij niet aan dat hiermee enige kwade trouw is gemoeid of dat er om andere redenen niet mag worden van uitgegaan dat hiervoor gegronde redenen voorhanden waren. Net zoals bij de eerste schadepost moet bijgevolg worden uitgegaan van de voorliggende feitelijke situatie. De kosten verbonden aan het opnemen van de nieuwe functie, ten belope van 6.642,58 euro dienen dan ook vergoed te worden. C. Moreel nadeel Standpunt van de partijen 28. Verzoeker stelt, ten slotte, een moreel nadeel te hebben ondergaan dat niet hersteld is door het vernietigingsarrest. Het betreft reputatieschade daar de benoeming die volgt op een tenure track procedure wordt gezien als de bevestiging van de hoge academische kwaliteiten van de betrokkene. Door de weigering van de benoeming is het beeld gecreëerd dat verzoeker ondermaats heeft gepresteerd en heeft gefaald in zijn tenure track IX-9701-13/20 traject. Het heeft zijn zoektocht naar een nieuwe tewerkstelling in de academische wereld zwaar benadeeld. Pas in juli 2016 heeft hij een deeltijds senior research fellowship aan de Universiteit van Salford verworven, de periode van 1 september 2016 tot 28 februari 2018 genoot hij een beurs (Alexander von Humboldt- Stipendium für erfahrene Wissenschaftler) en van 1 oktober 2018 tot 31 juli 2019 was hij als EURIAS senior fellow en gastprofessor verbonden aan de Universiteit van Freiburg. Deze tijdelijke posities waren niet van het niveau van de misgelopen benoeming. Daarnaast heeft de onwettigheid tot gevolg gehad dat verzoeker het door hem opgebouwde onderzoek en de onderzoeksnetwerken als directeur van het Onderzoekscentrum Study of Text and Print Culture aan de Universiteit Gent heeft moeten afbouwen. Dat nadeel komt neer op een abrupt ongedaan maken van de kern van zijn werk en leven als academicus en is dermate groot dat het niet is ongedaan gemaakt door de loutere vernietiging van de bestreden beslissing. Verzoeker begroot het morele nadeel ex aequo et bono op 2.500 euro. 29. De verwerende partij betwist het morele nadeel en stelt dat de nietigverklaring volstaat ter morele genoegdoening. Het moeten leveren van inspanningen om een andere tewerkstelling te vinden, noemt zij eigen aan een niet-benoeming, zeker gelet op de duur van een gerechtelijke procedure. Verzoeker toont geenszins aan dat hij moeite had om bepaalde vacatures in te vullen. Bovendien valt het op dat hij na zijn ontslag verschillende goed betaalde functies uitoefende. Er is geen causaal verband aangetoond tussen de vastgestelde onwettigheid en eventuele moeilijkheden om elders een betrekking te vinden. IX-9701-14/20 30. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat alleen al het feit dat hij demarches heeft moeten ondernemen om tot zijn huidige aanstelling te komen genoegzaam het morele nadeel aantoont. De functies die hij tussentijds heeft bekleed waren niet van het niveau van voltijds professor. Die hoedanigheid is nochtans noodzakelijk voor onder meer het aanvragen van onderzoeksgeld bij nationale of Europese onderzoeksfondsen of om als promotor van doctoraatsonderzoek te kunnen optreden. Beoordeling 31. Opdat een moreel nadeel aanleiding zou kunnen geven tot het toewijzen van een schadevergoeding tot herstel, moet worden aangetoond dat dit nadeel niet of niet volledig door de vernietiging van de onwettig bevonden bestuurshandeling is hersteld. Het komt aan de verzoekende partij toe dat nog niet herstelde moreel nadeel te bewijzen aan de hand van concrete gegevens, aangezien de nietigverklaring in beginsel de nodige morele genoegdoening verschaft. 32. De in het vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid houdt verband met de taalvereiste en geenszins met het inhoudelijk presteren van verzoeker. Nergens is uit de vernietigde beslissing af te leiden dat verzoeker ondermaats heeft gepresteerd met betrekking tot onderwijs, onderzoek en dienstverlening; integendeel blijkt uit de beslissing én de voorbereidende documenten net het tegendeel en is ook in het vernietigingsarrest te lezen dat de benoeming “enkel en alleen” geweigerd is wegens de vermeend falende talenkennis van verzoeker. Van een aantasting van het academisch imago is geen sprake. Om die reden wordt ook niet aangenomen dat de eventuele moeilijkheden die verzoeker heeft ondervonden om andere betrekkingen te vinden rechtstreeks terug te voeren zijn tot de onwettig bevonden beslissing. Het IX-9701-15/20 blijft van de kant van verzoeker op dit punt ook bij loutere beweringen. Die vermeende moeilijkheden hebben verzoeker ook niet tegengehouden om aan zijn tijdelijk contract bij de verwerende partij een voortijdig einde te stellen. Overigens vertaalt zich dit ook in de hoogte van de materiële schadevergoeding. Verzoeker overtuigt niet ervan dat hiervoor nog bijkomende morele schade vergoed moet worden. 33. Verzoeker weerspreekt noch weerlegt in zijn laatste memorie dat “bij het individuele onderzoek de hoedanigheid waarin een academicus is aangesteld […] weinig verschil maakt”. Verzoeker toont niet aan dat hij ingevolge de vernietigde beslissing minder heeft kunnen onderzoeken en publiceren of uitgesloten is geworden uit wetenschappelijke netwerken. 34. Of het academisch werk van een tijdelijk of deeltijds onderzoeker – in het geval van verzoeker zelfs meestal in een senior fellow positie – de facto minder prestigieus en waardevol is, laat zich evenmin onmiddellijk aannemen. Aangenomen mag worden dat de gevarieerde tewerkstelling van verzoeker veeleer bijdraagt tot het uitbouwen van een internationaal netwerk. 35. Het mogelijk mislopen van fondsen brengt verzoeker laattijdig aan in zijn laatste memorie, zodat er geen rekening mee gehouden wordt. 36. Met de gegevens waarvan verzoeker in zijn uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift gewag maakt, toont hij niet aan waarom het vernietigingsarrest, met inbegrip van de motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen, geen volledige morele genoegdoening heeft kunnen bieden. Door het vernietigingsarrest, dat een absoluut gezag van gewijsde erga omnes heeft en waardoor de onwettig bevonden rechtshandeling ab initio uit de rechtsordening werd genomen, staat het nochtans voor eenieder vast dat de griefhoudende beslissing onwettig was. IX-9701-16/20 Verzoeker toont niet genoegzaam aan een moreel nadeel te hebben geleden dat niet zou zijn hersteld door de kracht zelf van de vernietiging van de onwettig bevonden beslissing. D. Totale begroting van de schade 37. Gelet op wat voorafgaat wordt de voor vergoeding in aanmerking komende schade van verzoeker als volgt begroot: - 113.735,91 euro schade ingevolge loonderving, - 6.642,58 euro overige materiële schade. E. Intresten 38. Verzoeker vraagt om de schadevergoeding te vermeerderen met vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet “die verschuldigd is vanaf de gemiddelde datum berekend vanaf aanvangsdatum 1 februari 2015” wat de inkomensderving betreft en “vanaf de gemiddelde datum berekend vanaf aanvangsdatum 29 november 2017” wat de verhuiskosten betreft. Hij vordert ook de gerechtelijke intresten tot op de datum van de effectieve betaling. De verwerende partij formuleert geen standpunt noch bezwaar. De vraag wordt ingewilligd. VII. Matiging Verzoek 39. In de memorie van antwoord vraagt de verwerende partij om de “buitensporige omvang van de schadevergoeding van ruim 1 miljoen euro” te matigen “gelet op de buitensporige last die dit zou teweegbrengen voor IX-9701-17/20 verwerende partij als openbare instelling met een algemene academische opdracht”. 40. In haar laatste memorie verzoekt de verwerende partij andermaal om de toe te kennen schadevergoeding te matigen. Zij “verwijst ook hieromtrent op de eerste plaats naar haar memorie van antwoord”. Voorts maakt zij een vergelijking met de opzeggingstermijn in de privésector en de mogelijke schadevergoeding wegens “kennelijk onredelijk ontslag”. Beoordeling 41. De verwerende partij refereert met haar vraag in de memorie van antwoord aan het verzoek om verzoekers toekomstige loonderving te vergoeden. Verzoeker heeft van dit onderdeel van zijn verzoek in zijn memorie van wederantwoord afstand gedaan. 42. De – overigens laattijdige – vergelijking met de ontslagvergoeding in de privésector kan niet overtuigen. Artikel 11bis van de RvS-Wet strekt ertoe verzoeker voor de werkelijk geleden schade te vergoeden. De verwerende partij toont niet aan dat die schade, zoals hiervóór begroot, om enigerlei reden van billijkheid of omstandigheden van openbaar belang ingekort moet worden. BESLISSING 1. Aan XXXX wordt een schadevergoeding tot herstel toegekend ten bedrage van 113.735,91 euro, te verhogen met de vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet die verschuldigd is vanaf de gemiddelde datum berekend vanaf 1 februari 2015 en 6.642,58 euro, te verhogen met de IX-9701-18/20 vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet die verschuldigd is vanaf 29 november 2017, meer de gerechtelijke intrest. 2. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9701-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig november tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9701-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.211 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.