← België

Arrest 252221 - Schooltucht - 25/11/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.221 Rolnummer: A. 223793/IX-9181 Zaak: Arrest 252221 - Schooltucht - 25/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-06 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-11 19:15 Fiche Arrest nr 252.221 van 25 november 2021 Onderwijs en cultuur - Schooltucht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 252.221 van 25 november 2021 in de zaak A. 223.793/IX-9181 In zake : Marleen DEVOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 Tussenkomende partij : de STAD BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 november 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de kamer van beroep voor het gesubsidieerd officieel onderwijs van 6 september 2017, waarbij de aan Marleen Devos opgelegde tuchtstraf van de afhouding van wedde van 20% gedurende drie maanden wordt bevestigd. IX-9181-1/39 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De stad Brussel heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 februari
  3. De stad Brussel heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maartje Jongbloet, die loco advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue verschijnt voor de verzoekende partij, adviseur Frederik Stevens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. IX-9181-2/39 III. Feiten 3.
  6. Verzoekster is bij beslissing van de gemeenteraad van de stad Brussel van 22 december 2000 benoemd als directeur van het Nederlandstalig basisonderwijs van de stad Brussel en met ingang van 1 januari 2001 geaffecteerd aan de basisschool Peter Benoit te Brussel. Op 7 september 2015 beslist de gemeenteraad van de stad Brussel om verzoekster met ingang van 1 september 2015 te affecteren aan de gemeentelijke basisschool Koningin Astrid te Brussel. 3.
  7. In de loop van maart 2016 ontvangt de onderwijsinspectie van de stad Brussel verschillende klachten over de wijze waarop verzoekster haar functie uitoefent. 3.
  8. Op 23 juni 2016 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel om een tuchtonderzoek op te starten jegens verzoekster. 3.
  9. Op 22 maart 2017 brengt de stadssecretaris verslag uit van het tuchtonderzoek. Er wordt vastgesteld dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan diverse afwezigheden zonder geldige reden, het wegnemen van goederen, onzorgvuldig financieel beleid door onder meer een aantal facturen niet te betalen en ongewettigde afwezigheden tijdens terreurniveau 4 en de verscherpte maatregelen van november 2015 tot januari
  10. Aan verzoekster worden de volgende inbreuken ten laste gelegd: “Het niet naleven […] van dwingende richtlijnen en voorschriften inzake: - De verplichte aanwezigheid aan de schoolpoort gedurende de periode van terreurniveau 4; - Het verbod tot het onderbreken van de uitoefening van het ambt overeenkomstig artikel 13 van het Decreet van 21 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde PMS instellingen; IX-9181-3/39 - De verplichting tot het nauwgezet uitvoeren van de taken die worden opgedragen met inachtneming van de verplichtingen welke door of krachtens de wet, het Decreet of een dienstorder zijn opgelegd overeenkomstig artikel 10 van het Decreet van 21 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde PMS instellingen.” De stadssecretaris stelt voor om verzoekster de tuchtstraf van de inhouding van wedde van 20% gedurende twee maanden op te leggen. 3.
  11. Verzoekster wordt opgeroepen om te worden gehoord door het college van burgemeester en schepenen op 27 april
  12. Op die hoorzitting vraagt verzoekster om drie getuigen op te roepen. 3.
  13. Verzoekster en de drie getuigen worden opgeroepen voor een hoorzitting op 1 juni
  14. 3.
  15. Op 18 mei 2017 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel om een tweede tuchtonderzoek jegens verzoekster op te starten en haar preventief te schorsen bij hoogdringendheid. 3.
  16. Op de hoorzitting van 1 juni 2017 zijn de getuigen afwezig. Beslist wordt om ze opnieuw op te roepen op een hoorzitting op 6 juni
  17. 3.
  18. Op 2 juni 2017 meldt de raadsman van de stad Brussel dat de getuigen hebben medegedeeld niet aanwezig te zullen zijn op 6 juni
  19. Verzoekster deelt mee dat gelet op de afwezigheid van de getuigen, het weinig zinvol is dat zij aanwezig is op 6 juni
  20. Wel vraagt zij een nieuwe hoorzitting om haar standpunt te kunnen geven met betrekking tot de weigering van de opgeroepen getuigen en het doorkruisen van de tuchtzaak met een tweede tuchtonderzoek. IX-9181-4/39 3.
  21. Op 6 juni 2017 oordeelt het college van burgemeester en schepenen dat de vier aan verzoekster ten laste gelegde feiten bewezen en gegrond zijn en dat verzoekster derhalve tuchtrechtelijke inbreuken heeft begaan op dwingende richtlijnen, in casu op de bepalingen van de artikelen 10 en 13 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs en op de dwingende voorschriften tijdens terreurniveau
  22. Het college van burgemeester en schepenen tilt zwaar aan het zich onrechtmatig, op basis van een onjuiste verklaring, toe-eigenen van gemeenschapsgoederen en beschouwt het niet naleven van dwingende richtlijnen tijdens een traumatische periode voor personeelsleden, ouders en kinderen als een zeer ernstig tuchtvergrijp. Om die redenen wijkt het college van burgermeester en schepenen af van het voorstel van tuchtstraf van de stadssecretaris en beslist het om verzoekster de tuchtstraf van de afhouding van wedde van 20% gedurende drie maanden op te leggen. 3.
  23. Op 26 juni 2017 stelt verzoekster beroep in tegen de voornoemde tuchtstraf bij de kamer van beroep voor het gesubsidieerd officieel onderwijs. 3.
  24. Op 6 september 2017 oordeelt de kamer van beroep dat drie van de tenlasteleggingen gegrond zijn en als tuchtfeit in aanmerking kunnen worden genomen, namelijk 1° het ten onrechte beweren dat bepaalde voorwerpen en meubilair privébezit zijn en het laten verplaatsen van die goederen van de Peter Benoitschool naar de Koningin Astridschool, 2° het voeren van een onzorgvuldig en niet transparant financieel beheer met onder meer het laattijdig betalen van facturen en de gevolgen daarvan onder meer ten nadele van de leerlingen en 3° het niet naleven van instructies van de pedagogisch inspecteur- generaal en niettegenstaande die instructies op bepaalde dagen en uren afwezig zijn tijdens de periode van dreigingsniveau
  25. De kamer van beroep oordeelt dat de in aanmerking genomen tekortkomingen ernstige inbreuken zijn op de beroepsplichten van een directie en voldoende zwaarwichtige redenen vormen om de opgelegde tuchtstraf te verantwoorden en te handhaven. Beslist wordt dan ook om de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad IX-9181-5/39 Brussel van 6 juni 2017 waarbij aan verzoekster de tuchtstraf wordt opgelegd van de afhouding van wedde van 20% gedurende drie maanden, te bevestigen. Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  26. Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), het vermoeden van onschuld in tuchtzaken als algemeen rechtsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de kamer van beroep de tweede, derde, en vierde tenlastelegging bewezen en gegrond verklaart en de tuchtbeslissing bevestigt zonder de beroepsgrieven van verzoekster voldoende te onderzoeken en bij de motivering van de bestreden beslissing te betrekken en doordat de kamer van beroep voor wat betreft de derde en de vierde tenlastelegging steunt op een verklaring van 30 januari 2017 waarvan verzoekster steeds de nauwkeurigheid en de rechtmatige totstandkoming heeft betwist omdat twee van de ondertekenende personeelsleden niet eigenhandig hun naam hebben geschreven, een derde verklaarde onder druk te zijn gezet om de verklaring te tekenen en de betrokkenen tot driemaal toe hebben geweigerd daarover te getuigen. Met betrekking tot de tweede tenlastelegging ‘wegneming van goederen’ voert verzoekster aan dat zij in het beroepschrift uitgebreid heeft uiteengezet dat de verhuis van enkele kantoormeubelen kaderde in haar plotse overplaatsing naar de Koningin Astridschool waar op dat moment geen meubilair voorhanden was en dat de feiten niet als een tuchtrechtelijke inbreuk kunnen worden gekwalificeerd bij gebrek aan schuldig gedrag. Meer specifiek is in het IX-9181-6/39 beroepschrift aangevoerd dat de bewuste kantoormeubelen niet werden aangewend voor privégebruik maar voor de uitoefening van verzoeksters ambt, dat de ten laste gelegde feiten kaderen in een pragmatische oplossing voor een probleem van organisatorische aard namelijk de afwezigheid van geschikt kantoormeubilair tien dagen voor de start van het schooljaar, dat de rechtspraak van de Raad van State luidens dewelke feiten die te wijten zijn aan problemen van organisatorische aard niet als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd bij gebrek aan schuldig gedrag van toepassing is aangezien verzoekster zonder de verhuis van het directiemeubilair onmogelijk haar nieuwe functie op correcte wijze zou kunnen uitoefenen en dat niet valt in te zien hoe de feiten een inbreuk vormen op artikel 10 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs nu het net in het kader van de persoonlijke en nauwgezette uitoefening van de haar opgedragen taken is dat verzoekster erop heeft aangedrongen dat zij in het kader van haar nieuwe directeursfunctie een voldoende uitgerust kantoor had. Dit verweer is op geen enkele wijze betrokken bij de beoordeling van de tenlastelegging. De kamer van beroep oordeelt dat het hoe dan ook vaststaat dat de verklaring werd ondertekend – hetgeen niet wordt ontkend – en dat de inbreuk daarmee komt vast te staan. Op het verweer inzake de afwezigheid van schuldig gedrag gelet op de problemen van organisatorische aard wordt nergens ingegaan. De bestreden beslissing steunt in die mate reeds op een onzorgvuldig onderzoek van het verweer van verzoekster en de elementen à décharge die daarin worden aangehaald. Ook inzake de derde tenlastelegging ‘onzorgvuldig financieel beleid’ voert verzoekster aan dat verschillende elementen uit het beroepschrift niet zijn betrokken bij de beoordeling. Vooreerst is er een verklaring van verzoeksters administratief medewerker die verduidelijkt dat elk van de facturen die aan het tuchtdossier zijn toegevoegd om verschillende redenen niet zijn betaald – soms om praktische of (informatica-)technische redenen, soms omdat er een fout was gebeurd in de levering of de facturering zelf – en dat op geen enkel van de betrokken facturen een meerkost werd betaald. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de kamer van beroep dit verweer zorgvuldig heeft onderzocht en bij IX-9181-7/39 haar beoordeling heeft betrokken. Er wordt verwezen naar een “aantal facturen” dat te laat zou zijn betaald, maar voor elk van de facturen heeft de administratief medewerker verklaard waarom deze niet tijdig werd betaald met de bevestiging dat hier geen meerkost of ander nadeel mee gepaard ging. Voorts is de kamer van beroep ook niet ingegaan op verzoeksters argumentatie inzake de gegrondheid van de tenlastelegging. Verzoekster heeft in dat verband aangevoerd dat zij in haar hoedanigheid van directeur niet verantwoordelijk is voor het (tijdig) uitvoeren van de betalingen zodat de laattijdige betalingen haar niet tuchtrechtelijk kunnen worden verweten, dat voor zover wordt verwezen naar verklaringen van leerkrachten over het gebrek aan transparantie omtrent de financiële toestand van de school dit geen betrekking heeft op de zorgvuldigheid van het financieel beheer maar wel op de communicatie hierover naar het onderwijspersoneel en dat communicatie over werkingsmiddelen een persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstelling is die is opgelegd in het kader van de functioneringsgesprekken zodat niet kan worden geoordeeld dat er sprake is van een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging maar wel van een (beweerd) werkpunt in het kader van de verbetering en ondersteuning van verzoekster. Geen van deze argumenten is door de kamer van beroep onderzocht. Het enige element dat de kamer van beroep uitdrukkelijk betrekt bij haar beoordeling is de beweerde laattijdige betaling van een niet nader gespecificeerde factuur van Delhaize. Deze factuur maakt evenwel geen deel uit van het tuchtdossier. De kamer van beroep lijkt te steunen op het tuchtonderzoek van de stad Brussel, waarin dit tuchtfeit uitsluitend wordt afgeleid uit een verklaring van 30 januari 2017, ondertekend door verschillende personeelsleden. Het getuigt echter van onzorgvuldigheid om deze verklaring als betrouwbaar en dus bewijskrachtig te beschouwen, nu er ernstige twijfels bestaan over de totstandkoming ervan. Bovendien wordt in die verklaring ook niet uitdrukkelijk gesteld dat het om leveringen van Delhaize zou gaan. Ten slotte overweegt de kamer van beroep ten onrechte dat het jaarlijks gratis ontbijt is verdwenen ten gevolge van de laattijdige betaling van facturen. In het beroepschrift is uiteengezet dat de leveringen en het gratis gezonde ontbijt opnieuw zijn opgestart. Ook op dat punt heeft de kamer van beroep het IX-9181-8/39 beroepschrift onvoldoende zorgvuldig onderzocht, hetgeen zich uit in een onvoldoende draagkrachtige motivering van de bestreden beslissing. Met betrekking tot de vierde tenlastelegging ‘de niet-naleving van de voorschriften inzake de verplichte aanwezigheid aan de schoolpoort gedurende de periode van dreigingsniveau 4’, benadrukt verzoekster voorafgaandelijk dat deze periode zich uitstrekt van 21 tot 26 november 2015 en dat de school tijdens die periode slechts twee dagen toegankelijk is geweest voor leerlingen – op woensdag 25 november 2015 en donderdag 26 november 2015 – zodat de tenlastelegging is beperkt tot deze twee dagen. Verzoekster voert aan dat de kamer van beroep een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door te stellen dat uit de e-mails van 21 november 2015 (18.22u) en van 23 november 2015 (12.26u) een ondubbelzinnige instructie aan verzoekster blijkt om samen met het personeel om 7.30u aan de schoolpoort aanwezig te zijn. Zij argumenteert dat de voornoemde e-mails geen enkele dergelijke ondubbelzinnige instructie bevatten en dat de stadssecretaris of het college van burgemeester en schepenen dit ook nooit hebben beweerd. Uit de e-mail van 21 november 2015 kan geenszins ondubbelzinnig worden afgeleid dat verzoekster en de andere schooldirecteurs de instructie hebben gekregen om 7.30u aanwezig te zijn aan de schoolpoort. De lessen in de Koningin Astridschool vangen immers aan om 8.30u. In de e-mail van 23 november 2015 wordt verduidelijkt dat de leerlingen “bij voorkeur” naar school komen tussen 7.30u en 8 uur en dat de “eerder verscherpte maatregelen” van kracht blijven, waaruit kan worden afgeleid dat het aangewezen is de hulpopvoeders zo veel mogelijk in te zetten bij de controle aan de ingang, zoals uiteengezet in een e-mail van 22 november
  27. Overigens komen al deze instructies op korte tijd na elkaar terwijl de scholen nog gesloten zijn en pas openen op 25 november
  28. Bovendien wordt met een e-mail van 24 november 2015 een ‘samenvatting van de info gisteren meegedeeld’ verstuurd waarin geen melding wordt gemaakt van de verplichting van de directeurs om aanwezig te zijn bij het openen van de schoolpoort om 7.30u. Zij worden integendeel – zoals gevraagd in de e-mail van 22 november 2015 – aangespoord om de hulpopvoeders en leerkrachten in te schakelen voor de controle van wie al dan IX-9181-9/39 niet toegang krijgt tot de schoolpoort. Aangezien dit bij het openen van de scholen de meest recente instructies van het onderwijsorganiserend bestuur betreft, is het onredelijk verzoekster te verwijten geen gevolg te hebben gegeven aan enkele eerdere e-mails, die dateren vóór het openen van de scholen, voor interpretatie vatbaar zijn en bovendien niet worden bevestigd in de meest recente e-mail. Het is pas met een e-mail van 27 november 2015 dat uitdrukkelijk te kennen wordt gegeven dat met ingang van 30 november 2015 het verscherpt toezicht aan de schoolpoort “in aanwezigheid van de directie” dient te gebeuren. Dit is ná de periode van dreigingsniveau
  29. Het nieuwe karakter van deze maatregel blijkt uit de verschillende e-mails met vragen over de interpretatie en toepassing van deze regel, zowel van verzoekster als haar collega’s. Uit de navolgende correspondentie blijkt ook dat de directeurs zich mogen laten vervangen door een ander personeelslid in geval van ziekte of belangrijke vergaderingen of overleg. Verzoekster wordt niet ten laste gelegd dat zij de maatregelen in het kader van dit verscherpt toezicht na de periode van dreigingsniveau 4 niet zou hebben nageleefd, zodat zij zich hier niet tegen dient te verweren. Het is dan ook ten onrechte dat de kamer van beroep suggereert dat dit eveneens een rol speelt door te stellen dat verzoekster “niet aanwezig was op 26 november 2015 [ ... ] en ook op andere dagen laattijdig kwam”. Daarenboven heeft verzoekster steeds uitdrukkelijk betwist dat zij op 25 en 26 november 2015 laattijdig aanwezig was. De kamer van beroep acht dit wel bewezen op grond van de verklaring van 30 januari
  30. Verzoekster heeft echter de regelmatigheid van die verklaring betwist omdat ze niet is ondertekend door elf personeelsleden, zoals ten onrechte wordt gesteld. Twee personen, wier naam wel handgeschreven op de verklaring wordt vermeld, hebben deze niet ondertekend. Van een derde persoon heeft verzoekster vernomen dat deze onder druk werd gezet door de diensten van de stad Brussel om de verklaring te ondertekenen. Deze personen werden op vraag van verzoekster tot driemaal toe opgeroepen om te worden gehoord over de totstandkoming van de bewuste verklaring maar zij hebben steeds te kennen gegeven niet te willen getuigen. Het is dan ook onredelijk en onzorgvuldig dat de kamer van beroep oordeelt dat dit stuk alsnog kan worden beschouwd als ondertekend door negen personeelsleden, en dat dit dus kan IX-9181-10/39 worden “gebruikt als informatie om de werking van de school te onderzoeken met inbegrip van de wijze waarop de directie haar/zijn taak uitoefent”. Dit klemt des te meer nu drie van de leerkrachten die de verklaring hebben ondertekend, slechts zijn aangesteld sinds het schooljaar 2016-2017 zodat hoegenaamd niet kan worden ingezien hoe zij zich kunnen uitspreken over gebeurtenissen van het schooljaar voordien (in casu de aanwezigheid van verzoekster tijdens dreigingsniveau 4 en de kwestie van de onbetaalde facturen). Bovendien is het gedeelte over de aanwezigheid van verzoekster tijdens dreigingsniveau 4 tegenstrijdig en onnauwkeurig, zodat de kamer van beroep op grond daarvan en in het licht van de zorgvuldigheidsplicht en het vermoeden van onschuld in tuchtzaken, deze tenlastelegging niet bewezen kon achten. Dit is ook in het beroepschrift aangevoerd, maar de kamer van beroep heeft daar niet op geantwoord.
  31. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster inzake de tweede tenlastelegging dat het tuchtfeit het wegnemen van goederen betreft en niet het afleggen van een onjuiste verklaring. Dat zij heeft erkend een verklaring te hebben afgelegd die wat betreft de aard van de goederen onnauwkeurig was, volstaat niet als afdoende motivering om het tuchtfeit bewezen en gegrond te achten. De in het beroepschrift uiteengezette grieven konden nog steeds tot de conclusie leiden dat er geen sprake is van een tuchtfeit en dienden dan ook nader te worden onderzocht en beantwoord. De kamer van beroep heeft dit niet gedaan en louter gesteld dat verzoekster “hoe dan ook […] wat de reden ook moge zijn” een onnauwkeurige verklaring heeft afgelegd. Daarmee geeft de kamer van beroep ook zelf te kennen dat zij het vereiste intentionele element van de vermeende tuchtinbreuk niet kent. Zonder een bewezen intentioneel element kan een tuchtsanctie echter niet wettig worden opgelegd. Voorts benadrukt verzoekster dat in de bestreden beslissing niet is geantwoord op haar argumentatie dat de tenlastegelegde feiten te wijten zijn aan problemen van organisatorische aard, zodat haar geen schuldig gedrag kon worden verweten. Pas tijdens de voorliggende procedure stelt de verwerende partij dat er geen sprake is van organisatorische redenen, maar een dergelijke a posteriori motivering is niet IX-9181-11/39 aanvaardbaar. Ten slotte doet verzoekster nog gelden dat niet kan worden aangenomen dat uit een samenvatting van haar argumenten blijkt dat de verwerende partij deze ook zorgvuldig heeft onderzocht en op een afdoende en redelijke wijze heeft beoordeeld. De formelemotiveringsplicht vereist dat uit de motivering blijkt dat de kamer van beroep de argumentatie van de tuchtrechtelijk vervolgde bij de besluitvorming heeft betrokken en dat, minstens impliciet, kan worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard, waarbij ook rekening moet worden gehouden met het vermoeden van onschuld. Minstens moet worden geantwoord op de grieven die, mochten ze terecht blijken, tot een andersluidend eindoordeel zouden leiden. Voormelde redenering geldt, aldus verzoekster, ook voor wat betreft de derde tenlastelegging. Uit een loutere samenvatting van haar standpunt kan niet worden achterhaald waarom haar grieven zijn afgewezen. Elk van de aangevoerde argumenten kon nochtans leiden tot een verwerping van de tenlastelegging en dus een ander eindoordeel. Inzake de vierde tenlastelegging doet verzoekster nog gelden dat van de vergadering van 23 november 2015 waarin volgens het tuchtverslag van de stadssecretaris “duidelijke richtlijnen gegeven werden in verband met de maatregelen in het kader van terreurdreiging 4 en uitdrukkelijk de verplichte aanwezigheid van de directeurs aan de poort van hun school van 7.30 tot 8.30 uur voor het basisonderwijs werd vermeld” geen verslag is opgesteld. Er is enkel de samenvattende e-mail van 24 november 2015, waarin sprake is van verscherpt toezicht, maar niet van duidelijke en uitdrukkelijke richtlijnen over de aanwezigheid van directeurs aan de schoolpoort van 7.30 tot 8.30 uur. Deze uitdrukkelijke richtlijn is pas meegedeeld met een e-mail van 27 november 2015, dus na de periode van dreigingsniveau
  32. Voorts benadrukt verzoekster dat de vraag naar haar aanwezigheid op 27 november 2015 en de dagen nadien – na de periode van dreigingsniveau 4 – niet aan de orde is aangezien de tenlastelegging uitdrukkelijk beperkt is tot haar aanwezigheid tijdens de periode van dreigingsniveau
  33. Het staat niet aan de kamer van beroep om de tenlastelegging IX-9181-12/39 uit te breiden tot heel de periode van verscherpte maatregelen van 27 november 2015 tot 4 januari 2016, laat staan dat zij dit zou kunnen zonder tegensprekelijk debat. Dit geldt des te meer nu de tuchtoverheid in eerste administratieve aanleg de tuchtrechtelijk in aanmerking genomen periode uitdrukkelijk heeft beperkt tot deze van dreigingsniveau 4 en dus tot 26 november
  34. Verzoekster heeft zich niet kunnen verdedigen tegen de uitbreiding van de vierde tenlastelegging zodat de bestreden beslissing ook om die reden onwettig is. Ten slotte benadrukt verzoekster ook hier dat een loutere samenvatting van haar standpunt niet volstaat in het licht van de motiveringsplicht en evenmin garant staat voor een zorgvuldig onderzoek.
  35. In haar laatste memorie doet verzoekster inzake de tweede tenlastelegging nog gelden dat uit de omstandigheid dat een tekortkoming aan de ambtsplichten volstaat om een feit als tuchtfeit te beschouwen, niet kan worden afgeleid dat de overheid niet zou moeten aantonen dat er sprake is van schuldig gedrag. Het personeelslid moet zelf de schuld dragen voor de verstoring van de goede werking van de dienst opdat er sprake zou zijn van een tuchtinbreuk. Op verzoeksters essentiële grief dat het tenlastegelegde feit te wijten is aan problemen van organisatorische aard zodat haar geen schuldig gedrag kan worden verweten, is in de bestreden beslissing niet geantwoord zodat de motivering op dat punt gebrekkig is. Dat de kamer van beroep zwaar tilt aan de afgelegde verklaring leidt niet tot een ander besluit. Inzake de derde tenlastelegging argumenteert verzoekster dat de beoordeling eensdeels steunt op een factuur van Delhaize, terwijl die geen deel uitmaakt van het tuchtdossier. Een verwijzing naar een stuk dat op geen enkele wijze in tijd of omvang wordt gesitueerd kan echter geen draagkrachtig motief vormen. Anderdeels steunt de beoordeling op andere onbetaalde facturen die wel aan het tuchtdossier zijn toegevoegd, maar verzoekster heeft voor elk ervan uiteengezet waarom het niet mogelijk was om deze tijdig te betalen. De motivering van de kamer van beroep dat van de directie kan worden verwacht dat deze de dienst zodanig organiseert dat betalingen tijdig gebeuren en ingrijpt zodra IX-9181-13/39 problemen rijzen, biedt geen afdoende antwoord op verzoeksters argumentatie. Dat motief beoogt hoogstens een antwoord te willen bieden op het verweer van verzoekster dat zij zelf niet verantwoordelijk is voor de feitelijke uitvoering van de betalingen. Uit een overzicht van de te laat betaalde facturen blijkt dat het tijdstip van betaling toe te schrijven is aan verschillende redenen zoals een materiële vergissing omtrent de uit te voeren betaling, een eerste factuur die nooit is ontvangen, een misverstand met een leverancier die enkel op verzoek een factuur bijbrengt, een foutief opgestelde factuur of een levering die niet is voldaan. Er valt niet in te zien hoe hier sprake kan zijn van een gebrek op vlak van organisatie, noch hoe een initiatief van de directeur te allen tijde zou kunnen vermijden dat dit soort zaken voorvalt. Dit punt van verweer is dus niet onderzocht en beantwoord. Inzake de vierde tenlastelegging blijft verzoekster bij haar standpunt. Uit het tuchtverslag kan niet worden afgeleid dat ook de periode van verscherpte maatregelen wordt geviseerd en dat dit deel uitmaakt van de tenlastelegging. Slechts in een stuk dat in dat verslag wordt geciteerd – de verklaring van 30 januari 2017 – wordt ook verwezen naar de verscherpte maatregelen van november 2015 en januari
  36. Dat citaat moet enkel steun bieden aan de stelling dat verzoeksters afwezigheid aan de schoolpoort tijdens terreurniveau 4 is bevestigd door dertien personeelsleden. Verzoekster heeft reeds in de verweernota die is neergelegd tijdens de hoorzitting door het college van burgemeester en schepenen aangevoerd dat zij de tenlastelegging begrijpt als beperkt tot de periode van dreigingsniveau 4 en niet de navolgende periode van verscherpte maatregelen en de tuchtoverheid heeft dit uitdrukkelijk bevestigd in de tuchtbeslissing in eerste aanleg. Verzoekster heeft haar argumenten voor de kamer van beroep steeds geformuleerd in de veronderstelling dat het enkel de periode van dreigingsniveau 4 betrof en de stad Brussel heeft dit ook niet tegengesproken. Het staat niet aan de kamer van beroep om deze tenlastelegging verder uit te breiden. Beoordeling IX-9181-14/39 a. algemeen
  37. De kamer van beroep heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de feitenvinding en bewezenverklaring van de feiten, als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten, als op het vlak van de straftoemeting – zo te verstaan dat de kamer van beroep de uitgesproken tuchtstraf niet mag verzwaren.
  38. De kamer van beroep die zich als tuchtoverheid over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Nu de op verzoekster toepasselijke tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt die tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.
  39. Het valt de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om een onderzoek in te stellen betreffende het zich al dan niet hebben voorgedaan van gebeurtenissen en om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is geen hogere beroepsinstantie. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens – meer bepaald met inachtneming van de algemene beginselen van de bewijsvoering – of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  40. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de tuchtoverheid aan te tonen, mag een verzoekende partij niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de IX-9181-15/39 beoordeling door de kamer van beroep berust. Het is zaak van de verzoekende partij om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. b. ontvankelijkheid van het middel
  41. Voor zover de tussenkomende partij opwerpt dat het middel onontvankelijk is omdat het ertoe strekt – onder het mom van een schending van de formelemotiveringswet, het vermoeden van onschuld en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur – de Raad van State ten gronde te laten oordelen over de tuchtrechtelijke vergrijpen van verzoekster, gaat zij eraan voorbij dat verzoekster in het middel ook de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert. Zoals hiervóór reeds is uiteengezet, vermag de Raad van State bij de toetsing van de materiëlemotiveringsplicht na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  42. De exceptie van de tussenkomende partij wordt verworpen. c. tweede tenlastelegging 13.
  43. In de bestreden beslissing wordt verzoeksters argumentatie als volgt samengevat: “5.3.
  44. Verzoekende partij betwist ook de tweede tenlastelegging, m.n. de wegneming van goederen. Deze tenlastelegging is volgens verzoekende partij niet correct weergegeven en houdt verband met de nieuwe affectatie van verzoekende partij naar de Koningin Astridschool en het feit dat er in deze school geen of onvoldoende meubilair aanwezig was in het secretariaat en in het directiebureau. Daarom werd meubilair van de Peter Benoitschool verhuisd naar de Koningin Astridschool. Op 20 augustus 2015 werd een lijst opgemaakt van de meubelstukken/voorwerpen die IX-9181-16/39 ‘privébezit zijn van verzoekende partij’ en ‘geen eigendom (zijn) van de school’ en die verhuisd werden van de Peter Benoitschool naar de Koningin Astridschool. Deze lijst werd door verzoekende partij ondertekend samen met drie vertegenwoordigers van het schoolbestuur. Verzoekende partij erkent dat het woord ‘privébezit’ in deze context weinig accuraat is en zij enkel de bedoeling heeft gehad voorwerpen te verhuizen die – naar haar overtuiging – haar als directie toekwamen. Zij ontkent dat de vermelde goederen effectief haar eigendom zijn/waren op het moment van de feiten.” De kamer van beroep oordeelt daarover: “5.3.
  45. Tijdens de hoorzitting heeft verzoekende partij toegegeven dat de vermelde voorwerpen en meubilair niet haar privé-eigendom zijn en dat zij de ‘verklaring’ op 20 augustus 2015 ondertekend heeft om de verhuis van het meubilair en de voorwerpen toch te kunnen laten doorgaan naar de Koningin Astridschool. Hoe dan ook staat vast dat, wat de reden ook moge zijn, verzoekende partij op 20 augustus 2015 een verklaring heeft ondertekend die niet met de werkelijkheid overeenstemde om een verhuis van meubilair en voorwerpen te laten doorgaan die in normale omstandigheden niet toegelaten was. De handelwijze van verzoekende partij is dus een tekortkoming en wordt als tuchtfeit weerhouden.” 13.
  46. Anders dan verzoekster betoogt, is voor een tuchtfeit niet steeds een “bewezen intentioneel element” vereist, maar volstaat een tekortkoming aan de ambtsplichten als “schuldig gedrag” dat een feit als tuchtfeit laat beschouwen. Niet zozeer de verhuis van goederen op zich, maar wel de wijze waarop verzoekster zich heeft opgesteld om die verhuis te faciliteren, is de kern van wat haar tuchtrechtelijk kwalijk wordt genomen. De kamer van beroep motiveert dat het afleggen van een valse verklaring om een verhuis van meubilair en voorwerpen te laten gebeuren die in normale omstandigheden niet toegelaten was een tekortkoming aan de ambtsplichten is en bijgevolg als tuchtfeit in aanmerking kan worden genomen. Overigens heeft de kamer van beroep daarbij oog gehad voor de door verzoekster aangevoerde organisatorische redenen – het feit dat er in de Koningin Astridschool geen of onvoldoende meubilair aanwezig was in het secretariaat en IX-9181-17/39 in het directiebureau – maar geeft zij impliciet maar zeker te kennen dat dit niet opweegt tegen het feit dat verzoekster een verklaring heeft afgelegd die niet overeenstemt met de werkelijkheid teneinde de goederen toch te kunnen meenemen naar haar nieuwe werkplek. d. derde tenlastelegging 14.
  47. In de bestreden beslissing wordt verzoeksters argumentatie als volgt samengevat: “5.4.
  48. Verzoekende partij betwist ook de derde tenlastelegging, m.n. het voeren van een onzorgvuldig financieel beleid. Zij verklaart dat er bij de aanvang van haar functie in de Koningin Astridschool problemen waren met de betaling van de schoolrekeningen door de ouders en dat hierdoor ook de facturen van leveranties aan de school niet tijdig konden worden betaald. Bovendien werden in de eerste maanden van haar nieuwe functie facturen gedeponeerd in een brievenbus die niet meer werd gebruikt waardoor een aantal facturen laattijdig in handen kwamen van de school. Verzoekende partij vestigt er de aandacht op dat de betaling van de facturen behoorde tot het takenpakket van een administratief medewerkster en dat zij in haar hoedanigheid van directeur niet verantwoordelijk was voor het tijdig uitvoeren van de betalingen.” De kamer van beroep oordeelt daarover: “5.4.
  49. De Kamer van Beroep wijst erop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de facturen die de school moet betalen voor aankopen of diensten enerzijds en de schoolrekeningen die de ouders moeten betalen voor door de school geleverde diensten anderzijds en dat de niet tijdige betaling van facturen aan derden los staat van de betaling van de schoolrekeningen door de ouders. Verzoekende partij heeft op 1 september 2015 haar taak in de Koningin Astridschool opgenomen en tijdens de hoorzitting dd. 30 augustus 2017 heeft verwerende partij verklaard dat alle facturen door de vorige directie waren betaald. Na een overgangsperiode in september 2015 binnen welke de overdracht van de financiële rekeningen werden geformaliseerd en de beschikbare kredieten werden verdeeld, werden een aantal facturen laattijdig betaald, o.m. aan het warenhuis Delhaize, niettegenstaande er voldoende gelden beschikbaar waren. De laattijdige betalingen zijn niet zonder gevolgen gebleven. Zo heeft het warenhuis Delhaize de gratis levering van een gezond ontbijt voor de leerlingen stopgezet. IX-9181-18/39 Het schoolbestuur mag van een directie verwachten dat, binnen het met het schoolbestuur afgesproken kader van de financiële autonomie van betrokken onderwijsinstelling, de facturen tijdig worden betaald of althans dat de directie de werking van de dienst zodanig organiseert dat deze betalingen tijdig gebeuren en ingrijpt zodra er zich problemen stellen. Dit is in voorliggend geval niet of onvoldoende gebeurd en is een tekortkoming in de uitoefening van het directieambt en wordt als tuchtfeit weerhouden [versta: in aanmerking genomen].” 14.
  50. Vastgesteld moet worden dat het tuchtdossier daadwerkelijk verschillende onbetaalde facturen bevat. Terecht wijst verzoekster erop dat in het tuchtdossier geen factuur van het warenhuis Delhaize zit, doch voormelde niet- betaling wordt in de bestreden beslissing louter vermeld om aan te tonen dat de laattijdige betalingen, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, wel gevolgen hebben gehad. Uit het tuchtverslag van de stadssecretaris blijkt dat de gewezen leverancier van het fruit waarvan sprake in de verklaring van 30 januari 2017 het warenhuis Delhaize betreft. Dat de gevolgen van de laattijdige betaling aan het warenhuis Delhaize nadien ongedaan zijn gemaakt door het vinden van een nieuwe leverancier doet geen afbreuk aan het feit dat de laattijdige betaling van facturen wel degelijk gevolgen heeft gehad en dat dit mee in overweging kan worden genomen . Anders dan verzoekster beweert, biedt de kamer van beroep een antwoord op verzoeksters argumentatie dat zij niet instaat voor de betalingen én dat voor elke onbetaalde factuur die in het tuchtdossier steekt een goede reden is voor de laattijdige betaling ervan. De kamer van beroep geeft te kennen dat van verzoekster als directie mag worden verwacht dat zij de werking van de dienst zodanig organiseert dat de betaling van facturen tijdig gebeurt en dat zij ingrijpt zodra er problemen ontstaan. Dat verzoekster dit niet of onvoldoende heeft gedaan wordt beschouwd als een tekortkoming in de uitoefening van het directieambt, hetgeen als tuchtfeit in aanmerking mag worden genomen. e. vierde tenlastelegging IX-9181-19/39 15.
  51. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de pedagogisch inspecteur-generaal op zaterdag 21 november 2015 een e-mail heeft gestuurd aan de directies van alle scholen die luidt: “Beste collega’s, Gelieve volgende maatregelen te treffen in jullie scholen / academie gezien de recente terreurdreiging (niveau 4): - Verzamelen van het personeel aan de schoolpoort bij de aanvang en op het einde van lessen (directie, hulpopvoeders, leerkrachten, onderhoudspersoneel, secretariaat), ook bij het verlaten van de school tijdens de middagpauze, om de veiligheid en de controle te verhogen = zie punt 2); […] Deze maatregelen gaan vanaf nu in (muziekacademie) én gelden voor de scholen vanaf maandagochtend. Jullie krijgen een seintje wanneer deze opgeheven worden.” Bijkomend deelt de pedagogisch inspecteur-generaal met een e- mail van 22 november 2015 mee: IX-9181-20/39 “[…] hulpopvoeders worden zo veel mogelijk ingezet om toezicht te verlenen bij de ingang van de school; ook in functie van leerlingen die later komen e.d.m.” Met een e-mail van 23 november 2015 deelt de pedagogisch inspecteur-generaal nog mee: “Beste Collega’s Momenteel blijft terreurniveau 4 van kracht. […] Op vraag van de inrichtende macht en de politie: - komen de leerlingen bij voorkeur naar school tussen 7.30 en 8 uur, in sommige scholen (binnen de vijfhoek) zal de politie patrouilleren – de eerder verscherpte maatregelen inzake beveiliging toegang blijven van kracht.” Naar aanleiding van een vergadering op maandag 23 november 2015, wordt op 24 november 2015 per e-mail door de pedagogisch inspecteur- generaal de ‘samenvatting van de info gisteren meegedeeld’ verstuurd, waarbij wordt benadrukt dat de maatregelen blijven gelden tot vrijdag 27 november 2015: “1) Openen van de schoolpoort tussen 7.30 en 8.30 uur 2) Verscherpt toezicht aan de schoolpoort bij aanvang en bij het beëindigen van de lessen - schoolpoort wordt afgesloten 3) Enkel leerlingen en personeel krijgen toegang tot de school (geen ouders, geen werklui, geen externe organisaties, ... ) - de Brusselse keukens leveren aan de ingang van de school. De ouders geven hun kind af aan de schoolpoort. Geen enkele ouder betreedt het schooldomein. Dit voor de veiligheid van ieder. Gelieve de hulpopvoeders en de leerkrachten in te schakelen.[…] 11) Directies moeten ten allen tijde bereikbaar blijven via gsm.” 15.
  52. Uit voormelde e-mails blijkt dat reeds op 21 november 2015 te kennen is gegeven dat de directie aanwezig moet zijn aan de schoolpoort. Op 23 november 2015 wordt uitdrukkelijk gespecificeerd dat dit vanaf 7.30u is. Uit niets kan worden afgeleid dat die maatregel nadien zou zijn opgeheven. Het gegeven dat in latere e-mails te kennen wordt gegeven dat hulpopvoeders en leerkrachten moeten worden ingeschakeld, ontslaat de directie geenszins van de plicht om ook zelf aanwezig te zijn om 7.30u aan de schoolpoort. IX-9181-21/39 15.
  53. Uit de verklaringen die meerdere personeelsleden op 30 januari 2017 hebben afgelegd blijkt dat verzoekster niet aanwezig was op donderdag 26 november 2015 en ook op andere dagen laattijdig aankwam. In zoverre verzoekster de regelmatigheid en de betrouwbaarheid van die verklaringen in twijfel trekt, wordt verwezen naar wat sub 16 wordt uiteengezet. 15.
  54. In de mate dat verzoekster betoogt dat de tenlastelegging beperkt is tot woensdag 25 november en donderdag 26 november 2015 en dat haar aanwezigheid nadien niet ter zake doet, moet worden opgemerkt dat hoewel de tenlastelegging omschreven is als ‘aanwezigheid dreigingsniveau 4’ de kamer van beroep niettemin erop kon wijzen dat verzoekster ook in de periode na dreigingsniveau 4 herhaaldelijk niet tijdig aanwezig was. Dit wordt ook vastgesteld in het tuchtverslag van de stadssecretaris waarin sprake is van laattijdige aanwezigheden en ongewettigde afwezigheden tijdens “de terreurdreiging niveau 4 en de verscherpte maatregelen van november 2015 tot januari 2016”. 15.
  55. Gelet op dit alles mocht de kamer van beroep dan ook oordelen als volgt: “De Kamer van Beroep stelt vast dat met een instructie van de inspecteur- generaal van 21 november 2015 (18u.22) en van 23 november 2015 (12u.26) aan de directies opdracht werd gegeven om samen met het personeel aan de schoolpoort aanwezig te zijn om 7u
  56. Uit eensluidende verklaringen die meerdere personeelsleden op 30 januari 2017 hebben afgelegd, blijkt dat verzoekende partij enkel aan de schoolpoort aanwezig was op woensdag 25 november 2015 (de eerste dag na het heropenen van de scholen) maar niet aanwezig was op donderdag 26 november 2015 (de tweede dag na het heropenen van de scholen) en ook op andere dagen laattijdig aankwam. Uit deze feitelijkheden blijkt duidelijk dat verzoekende partij de instructies van het schoolbestuur niet heeft nageleefd en de inbreuken derhalve als een tuchtfeit worden weerhouden [versta: in aanmerking worden genomen].” f. de verklaring van 30 januari 2017 IX-9181-22/39 16.
  57. Wat de regelmatigheid van de verklaring van 30 januari 2017 betreft, voert verzoekster aan dat ze elf namen bevat maar slechts door negen personen is ondertekend. Voorts waren drie van de ondertekenaars pas aangesteld in het schooljaar 2016-2017, zodat zij zich niet kunnen uitspreken over de derde en vierde tenlastelegging. Tevens beweert zij dat druk is uitgeoefend op een personeelslid om de verklaring te ondertekenen. 16.
  58. Vooreerst moet worden vastgesteld dat de verklaring van de personeelsleden van 30 januari 2017 niet alleen betrekking heeft op de derde en vierde tenlastelegging maar ook op andere aangelegenheden zoals machtsmisbruik en de verhouding tussen de directie en respectievelijk de ouders en leerlingen. Het komt dan ook niet vreemd voor dat personeelsleden aangeworven in het schooljaar 2016-2017 die dienaangaande klachten hebben ook de verklaring hebben ondertekend. Het personeelslid dat volgens verzoekster onder druk is gezet om de verklaring te ondertekenen, staat niet op het document vermeld. Dit maakt dat nog steeds zes personeelsleden de verklaringen met betrekking tot het derde en het vierde tuchtfeit onderschrijven. Het is niet onredelijk dat de tuchtoverheid binnen haar discretionaire bevoegdheid heeft geoordeeld dat die overeenstemmende verklaringen waarachtig zijn. Ook moet worden opgemerkt dat de derde tenlastelegging niet enkel steunt op de verklaring van 30 januari 2017, maar ook op de in het tuchtdossier bijgevoegde facturen. g. conclusie
  59. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat de kamer van beroep de in het middel aangegeven beginselen heeft geschonden. Het eerste middel is niet gegrond. IX-9181-23/39 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  60. Het tweede middel is genomen uit de schending van de redelijke termijn, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht en de rechten van verdediging in tuchtzaken, doordat na de mededeling van de opstart van het tuchtonderzoek gedurende zeven maanden geen enkele onderzoeksdaad werd gesteld en doordat de kamer van beroep in de bestreden beslissing stelt dat het onderzoek niet onverantwoord lang heeft geduurd en de stad Brussel binnen een redelijke tijd de nodige inspanningen heeft gedaan om de tenlasteleggingen nader te onderzoeken en aantoonbaar te maken, daarbij verwijzend naar verklaringen van de vertegenwoordiger van de stad Brussel tijdens de hoorzitting die geen steun vinden in het administratief dossier en niet aan tegenspraak zijn onderworpen. Verzoekster voert aan dat het tuchtonderzoek is opgestart op 27 juni 2016 en dat vervolgens gedurende zeven maanden geen enkele onderzoeksdaad is gesteld. Pas vanaf 30 januari 2017 wordt een beperkt aantal inlichtingen ingewonnen, die dan leiden tot de brief van 23 maart 2017 met een uitnodiging voor de hoorzitting van 27 april
  61. De lange duurtijd van het tuchtonderzoek, waarbij tussen 27 juni 2016 en 30 januari 2017 geen enkele onderzoeksdaad werd gesteld, vormt een manifeste schending van de redelijke termijn. Noch de complexiteit van het dossier, noch verzoeksters houding kan de vertraging van de behandeling van de tuchtzaak verantwoorden. Dit blijkt des te meer uit het feit dat de nadien toegevoegde stukken in een periode van minder dan een maand zijn verzameld. Bovendien blijkt uit deze stukken dat hiervoor geen moeilijke of tijdsintensieve onderzoeksdaden vereist waren. Het betreft het afnemen van twee verklaringen van personeelsleden, nazicht van de boekhouding, en het nemen van enkele foto’s. Het verstrijken van zeven maanden zonder onderzoeksdaden is enkel toe te schrijven aan het talmen van de tuchtoverheid. IX-9181-24/39 Verzoekster stelt vast dat de kamer van beroep voor de beoordeling van deze grief steunt op de verklaring van de vertegenwoordiger van de stad Brussel en overweegt dat de nodige inspanningen zijn gedaan maar dat het onderzoek niet met de verwachte spoed kon worden afgewerkt door de vrees van personeelsleden voor een mogelijke nadelige weerslag omdat de tenlasteleggingen betrekking hadden op de directie. Verzoekster argumenteert dat niet wordt verduidelijkt om welke inspanningen het zou gaan, noch waarom aan de verklaringen van de vertegenwoordiger van de stad Brussel geloof wordt gehecht. Evenmin wordt er naar enig stuk uit het tuchtdossier verwezen, hetgeen ook niet mogelijk is aangezien het tuchtdossier geen enkel stuk bevat dat in die periode werd toegevoegd. Bovendien doet de kamer van beroep deze vaststelling aan de hand van de ondervraging van de vertegenwoordiger van de stad Brussel, zonder dat dit aan tegenspraak is onderworpen en verzoekster dus haar recht van verdediging heeft kunnen uitoefenen. De bestreden beslissing schendt op dit punt het materiëlemotiveringsbeginsel en het recht van verdediging in tuchtzaken. Er wordt ook nergens uiteengezet waarom de “nodige inspanningen” opwegen tegen het onredelijk karakter van een termijn van zeven maanden. Evenmin wordt verduidelijkt binnen welke termijn de tuchtoverheid aanvankelijk had gedacht de zaak af te ronden. De bewering dat het onderzoek niet met de verwachte spoed kon worden afgewerkt, mist elke materiële draagkracht. Bovendien is de door de kamer van beroep gegeven verantwoording voor de overschrijding van de redelijke termijn vreemd aan de jurisprudentiële criteria die terzake gelden, te weten de complexiteit van de zaak en de houding van de partijen. Te dezen is de zaak niet complex en de kamer van beroep beweert dit ook niet. De overschrijding van de redelijke termijn kan ook niet aan verzoeksters houding worden toegeschreven aangezien de stad Brussel haar gedurende zeven maanden niets heeft gevraagd. Het criterium van de houding van de partijen heeft bovendien enkel betrekking op de houding van de tuchtoverheid en de tuchtrechtelijk vervolgde persoon en niet op de houding van derden. Reeds om die reden kan de beweerde vrees van de ondertekenaars van de brief van 30 januari 2017 voor een mogelijke nadelige weerslag omdat de tenlasteleggingen IX-9181-25/39 betrekking hebben op de directie geen afdoende verantwoording vormen voor de overschrijding van de redelijke termijn. De motivering van de kamer van beroep betreft ook een niet-afdoende typemotivering, aangezien dit geldt voor om het even welke tuchtvervolging tegen een hiërarchische meerdere. Het loutere feit dat verzoekster als schooldirecteur een gezagsfunctie bekleedt, kan haar niet worden verweten bij de beoordeling van de redelijke termijn. In dergelijke gevallen is het integendeel des te meer aangewezen om een zaak spoedig af te ronden. Een leidinggevende ambtenaar wordt immers des te meer in zijn functioneren bemoeilijkt eens bekend wordt dat tegen hem een tuchtonderzoek loopt.
  62. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster dat noch in de tuchtbeslissing van de stad Brussel, noch in het verweerschrift in het kader van de beroepsprocedure, uitdrukkelijk wordt bevestigd dat in de periode tussen 27 juni 2016 en 30 januari 2017 bijkomende onderzoeksdaden werden gesteld of inspanningen geleverd om het tuchtonderzoek te voeren, zodat de verwerende partij thans niet het tegendeel kan beweren. In het verweerschrift wordt verwezen naar een “eerste fase” waarin personeelsleden slechts anoniem durfden te getuigen. Het tuchtdossier bevat deze anonieme getuigenissen die alle dateren van maart 2016, hetgeen vóór de relevante datum van 27 juni 2016 is. Er wordt niet uitdrukkelijk aangevoerd – laat staan gestaafd met stukken – dat in de periode tussen 27 juni 2016 en 30 januari 2017 bijkomende anonieme klachten werden ingediend of gesprekken plaatsvonden die kaderden in het tuchtonderzoek. Dit blijkt evenmin uit de tuchtbeslissing van het college van burgemeester en schepenen. Er wordt weliswaar gesteld dat personeelsleden tot begin 2017 enkel anoniem wensten te getuigen, maar niet dat er andere onderzoeksdaden of inspanningen zijn verricht dan die waarvan stukken in het tuchtdossier zijn terug te vinden. De vertegenwoordiger van de stad Brussel heeft tijdens de hoorzitting van de kamer van beroep wel te kennen gegeven dat er tussen 27 juni 2016 en 30 januari 2017 nog bijkomende onderzoeksdaden werden verricht maar zonder enige verdere concretisering. Dat een verklaring anoniem zou zijn afgelegd vormt geen beletsel om dit stuk geanonimiseerd aan het tuchtdossier toe te voegen. Dit is met de andere verklaringen ook gebeurd. De IX-9181-26/39 kritiek dat de kamer van beroep zonder meer geloof hecht aan de verklaring van de vertegenwoordiger van de stad Brussel die door geen enkel stuk wordt gestaafd en door verzoekster wordt betwist, wordt door de verwerende partij niet weerlegd. Bovendien is de verklaring van 30 januari 2017 volgens de betrokken leerkrachten niet het gevolg van het actief onderzoek van de tuchtoverheid, maar wel een initiatief van de leerkrachten van de Koningin Astridschool. Dit wordt ook uitdrukkelijk bevestigd in het kader van de tweede tuchtprocedure waarin wordt verklaard dat het niet de inspecteur-generaal voor het Nederlandstalig onderwijs van de stad Brussel was, maar de leerkrachten zelf, die het initiatief hebben genomen. Ten slotte vermag het gegeven dat twee van de zeven maanden dat het tuchtonderzoek heeft stilgelegen schoolvakantie zijn, niet tot een andere conclusie te leiden. Uit geen enkel stuk blijkt dat ook maar een poging is gedaan om nog onderzoek te voeren. Ook met betrekking tot de periode na de vakantie, van september 2016 tot 29 januari 2017, wordt geen enkele bijkomende onderzoeksdaad of -inspanning aangetoond.
  63. In de laatste memorie argumenteert verzoekster nog dat een loutere verwijzing naar de totale duur van de tuchtprocedure op zich niet kan volstaan om tot een oordeel te komen over de redelijkheid van de verstreken termijn. Een lange periode in de tuchtprocedure waarin geen enkele handeling is gesteld staat haaks op de verplichting een tuchtzaak zonder verwijl af te handelen. De vervolgde ambtenaar heeft zich dan nodeloos lang in een toestand van onzekerheid bevonden en ook de ordentelijke werking van het bestuur is dan nodeloos lang verstoord. Van de elf maanden die de tuchtprocedure in eerste aanleg heeft geduurd zijn zeven maanden verloren gegaan door het stilzitten van de eerste tuchtoverheid, zonder dat voor dat stilzitten een redelijke uitleg wordt verstrekt. Bovendien moet in de mate dat de volledige duur van de procedure in aanmerking wordt genomen ook de duur van de beroepsprocedure in rekening worden gebracht. Dat brengt de totale duur van de tuchtprocedure op meer dan veertien maanden waarvan de helft is verloren gegaan door het stilzitten van de tuchtoverheid in eerste aanleg. Tot slot merkt verzoekster nog op dat de grieven IX-9181-27/39 die zij daaromtrent heeft aangevoerd in de bestreden beslissing op geen enkele wijze worden ontmoet. IX-9181-28/39 Beoordeling 21.
  64. Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat een tuchtprocedure moet worden afgehandeld binnen een redelijke termijn. Dit beginsel is van toepassing wanneer in de regelgeving geen specifieke termijn is bepaald waarbinnen de procedure moet worden afgehandeld. De redelijkheid van de termijn moet voor elk geval afzonderlijk worden beoordeeld waarbij inzonderheid rekening dient te worden gehouden met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak en met de houding en het gedrag van de partijen. De verplichting om een tuchtzaak zonder verwijl af te handelen houdt niet alleen verband met het beëindigen van de onzekerheid waarin een tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zich bevindt, maar ook met de ordentelijke werking van een administratie, die vereist dat elke verstoring van de orde zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Als een redelijke termijn wordt beschouwd de tijd die normaal nodig is om een zaak haar beslag te geven. Daarbij komt dat de redelijkheid van de termijn in concreto moet worden beoordeeld, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. 21.
  65. Een tuchtvordering wordt geacht ingesteld te zijn op het ogenblik dat de tuchtoverheid laat blijken dat een personeelslid zich voor bepaalde feiten moet verantwoorden, met het oog op het opleggen van een tuchtsanctie. 22.
  66. In casu heeft de tuchtprocedure een aanvang genomen op 27 juni 2016 – datum waarop verzoekster ervan in kennis is gesteld dat een tuchtprocedure tegen haar zou worden gestart. De tuchtprocedure is beëindigd met de thans bestreden beslissing van 6 september
  67. Dit betekent dat de tuchtprocedure, inclusief administratief beroep, minder dan vijftien maanden heeft geduurd. Een dergelijke doorlooptijd op zich kan bezwaarlijk als onredelijk IX-9181-29/39 worden beschouwd. Verzoekster voert ook niet aan dat de duur van de tuchtprocedure, in zijn geheel bekeken, de redelijke termijn heeft overschreden. 22.
  68. Verzoekster klaagt wel aan dat na het opstarten van de tuchtprocedure op 27 juni 2016 gedurende zeven maanden geen enkele onderzoeksdaad is gesteld en dat pas op 30 januari 2017 een nieuw stuk aan het tuchtdossier is toegevoegd, zonder dat voor het verloop van die termijn enige verantwoording wordt gegeven. 22.
  69. Hiervóór is vastgesteld dat de tuchtzaak in globo is afgehandeld binnen een redelijke termijn. Opdat een verzoekende partij dan niettemin de schending van de redelijke-termijneis kan doen aannemen op grond van het specifieke verloop van de tuchtprocedure, dient zij aan te tonen dat het beweerd onverantwoorde getalm tijdens onderscheiden procedurestappen haar belangen heeft aangetast – bijvoorbeeld omdat getuigen niet meer bereikbaar zijn of hun verklaringen niet langer betrouwbaar zijn. Dat bewijs levert verzoekster niet. Zij alludeert wel heel algemeen erop dat een ambtenaar met leidinggevende functie “bemoeilijkt [wordt] te functioneren eens bekend wordt dat tegen hem een tuchtonderzoek loopt”, maar zonder dit concreet te maken en in verband te brengen met haar eigen functioneren tijdens de bedoelde periode. Slechts ten overvloede wordt daarom nog overwogen hetgeen volgt. 22.
  70. Anders dan verzoekster beweert wordt wel een verklaring gegeven voor het feit dat tussen 27 juni 2016 en 30 januari 2017 geen stukken aan het tuchtdossier zijn toegevoegd. Tijdens de zitting van de kamer van beroep geeft de vertegenwoordiger van de stad Brussel te kennen dat er in die periode wel onderzoeksdaden werden verricht. Zo had hij zelf meerdere gesprekken met personeelsleden, maar op vraag van die personeelsleden werd hiervan geen IX-9181-30/39 verslag opgesteld en werden zij niet bij naam genoemd omdat zij vreesden voor mogelijke nadelige gevolgen. Het heeft geduurd tot 30 januari 2017 vooraleer de personeelsleden hun klachten openlijk hebben geuit en die verklaring ligt aan de basis voor de voortgang van het tuchtonderzoek. Het tuchtdossier bevat een groot aantal anonieme verklaringen die de bewering dat de personeelsleden zich aanvankelijk terughoudend hebben opgesteld, lijken te schragen. Voorts had verzoekster wel degelijk de mogelijkheid om tijdens de terechtzitting van de kamer van beroep de verklaring van de vertegenwoordiger van de stad Brussel tegen te spreken en zo haar recht van verdediging uit te oefenen. In acht genomen dat de personeelsleden bij de aanvang van de tuchtprocedure niet (publiekelijk) tegen verzoekster durfden te getuigen en dat in de bewuste periode van zeven maanden twee maanden zomervakantie vallen waarin personeelsleden van een school minder of niet bereikbaar zijn, kan de duur van het tuchtonderzoek niet als onredelijk worden bestempeld. 22.
  71. Aangezien de schending van de redelijke-termijneis niet is aangetoond, heeft verzoekster geen belang bij haar kritiek op de motivering van de kamer van beroep.
  72. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  73. Het derde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, het materiëlemotiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, doordat de kamer van beroep in de bestreden beslissing overweegt dat zij bij de eindbeoordeling de aangevoerde verzachtende IX-9181-31/39 omstandigheden in overweging heeft genomen maar niettemin van oordeel is dat de drie in aanmerking genomen tekortkomingen ernstige inbreuken zijn op de beroepsplichten van een schooldirecteur en voldoende zwaarwichtige redenen vormen om de opgelegde tuchtstraf te verantwoorden en te handhaven, en doordat de kamer van beroep de opgelegde tuchtstraf van de inhouding van wedde voor een periode van drie maanden bevestigt niettegenstaande slechts drie van de vier tenlasteleggingen in aanmerking worden genomen en aldus in wezen een zwaardere tuchtstraf oplegt. Verzoekster voert aan dat zij in het beroepschrift tal van verzachtende omstandigheden heeft aangevoerd. Zo is uiteengezet dat zij regelmatig afwezig was om gewettigde medische redenen. Voorts zijn ook de moeilijke omstandigheden toegelicht waarin verzoekster werd geaffecteerd aan de Koningin Astridschool. De affectatie kwam onverwacht voor het onderwijspersoneel, het personeel is het niet gewend dat de schooldirecteur een actieve en leidinggevende rol vervult en de administratief medewerkster verklaart zelfs dat het onderwijspersoneel geen gezag aanvaardt. Ook is er verwezen naar de onvoldoende administratieve en logistieke ondersteuning op school en naar het feit dat het doorlichtingsverslag thans gunstig is. De kamer van beroep verwerpt de aangevoerde verzachtende omstandigheden op grond van het motief dat de inbreuken ernstig zijn. In de bestreden beslissing wordt daarbij enkel verduidelijkt dat zij deze beschouwt als “voldoende zwaarwichtige redenen om de opgelegde tuchtstraf te verantwoorden en te handhaven”. Er wordt niet concreet toegelicht waarom de aangevoerde verzachtende omstandigheden niet in aanmerking zijn genomen en er blijkt geenszins dat de kamer van beroep deze zorgvuldig heeft onderzocht en bij haar beoordeling heeft betrokken. Dit klemt des te meer nu de kamer van beroep in wezen een beperkt deel van de motivering van de tuchtbeslissing van het college van burgemeester en schepenen herneemt om een relatief zwaardere straf te verantwoorden. Ook het college van burgemeester en schepenen kwalificeerde de feiten als ernstig maar motiveerde concreter waarom de ingeroepen verzachtende omstandigheden niet werden aanvaard. Deze redenen zijn niet overgenomen door de kamer van beroep, zodat IX-9181-32/39 ook niet kan worden vermoed dat zij zich deze eigen maakt. Het college van burgemeester en schepenen voerde ook reeds een strafverzwaring door, namelijk door de inhouding van wedde voor drie maanden op te leggen in plaats van de door de stadssecretaris voorgestelde twee maanden. Thans verzwaart de kamer van beroep de straf nogmaals door voor de drie gegrond bevonden tenlasteleggingen dezelfde straf op te leggen die het college oplegde voor vier tenlasteleggingen. De beperkte motivering dat de feiten “ernstig” en “voldoende zwaarwichtig” zijn, kan de verwerping van de aangevoerde verzachtende omstandigheden en de feitelijke verzwaring van de straf niet rechtvaardigen.
  74. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster nog dat uit het enkele feit dat in de bestreden beslissing de aangevoerde verzachtende omstandigheden worden opgesomd, niet kan worden afgeleid dat de kamer van beroep na een zorgvuldig onderzoek heeft besloten om deze niet in aanmerking te nemen. Er wordt noch uitdrukkelijk, noch impliciet, verantwoord waarom de verzachtende omstandigheden niet in aanmerking worden genomen en waarom een relatieve strafverzwaring wordt doorgevoerd. De motivering dienaangaande is beperkt tot een nietszeggende stijlformule. Beoordeling
  75. Verzoeksters argumentatie inzake de strafmaat wordt in de bestreden beslissing als volgt samengevat: “6.
  76. Verzoekende partij acht de tuchtstraf te zwaar en vraagt om bij het heroverwegen van de strafmaat rekening te houden met de medische toestand van verzoekende partij, de moeilijke omstandigheden waarin zij haar taak uitoefende en de gunstige doorlichting van de school. Er werd ook verwezen naar het feit dat er voor die school geen huisbewaarder is.” De kamer van beroep beoordeelt deze argumentatie als volgt: “De Kamer van Beroep heeft bij de eindbeoordeling de aangehaalde verzachtende omstandigheden in overweging genomen maar de Kamer is van oordeel dat, om de redenen zoals voormeld is uiteengezet, de weerhouden [versta nog steeds: in aanmerking genomen] tekortkomingen IX-9181-33/39 ernstige inbreuken zijn op de beroepsplichten van een directie. Zo zijn de verklaring dat bepaalde voorwerpen en meubilair privébezit zijn hoewel die goederen aan de Stad Brussel toebehoren, het manke financieel en materieel beheer van de school en het niet opvolgen van instructies van het schoolbestuur tijdens de periode van terreur, naar het oordeel van de Kamer van Beroep, voldoende zwaarwichtige redenen om de opgelegde tuchtstraf te verantwoorden en te handhaven.” 27.
  77. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep beschikt de kamer van beroep – uitgezonderd op het vlak van de straftoemeting die zij niet mag verzwaren – over dezelfde ruime discretionaire bevoegdheid als de tuchtoverheid om te oordelen over de bij haar aanhangig gemaakte tuchtzaak en om tegen de aan een personeelslid toegeschreven feiten tuchtrechtelijk op te treden. De kamer van beroep spreekt zich uit op grond van een eigen beoordeling, zowel in rechte als in feite. Van de kamer van beroep wordt niet op grond van de formelemotiveringswet verwacht dat zij expliciteert om welke redenen zij het eventueel anders ziet dan de oorspronkelijke tuchtoverheid. Het volstaat dat zij als tuchtoverheid in hoger beroep motiveert hoe zij het zelf ziet en wat haar ertoe brengt voor de vastgestelde tuchtfeiten de uiteindelijk opgelegde sanctie toe te passen. De kamer van beroep is daarbij niet verplicht om in te gaan op de redenen die de bevoegde tuchtoverheid ertoe hebben aangezet om een bepaalde beslissing te nemen, zij is niet gebonden door argumenten die werden aangewend in die voorafgaande administratieve procedure en zij is er niet toe gehouden te verantwoorden waarom zij de opvatting van de bevoegde tuchtoverheid als zodanig niet bijvalt. 27.
  78. Hieruit volgt dat, anders dan verzoekster aanvoert, de kamer van beroep in de bestreden beslissing niet dient te motiveren waarom zij de strafmaat die door de tuchtoverheid in eerste aanleg werd gekoppeld aan vier tenlasteleggingen behoudt terwijl zij slechts drie tenlasteleggingen in aanmerking IX-9181-34/39 neemt. Het volstaat dat de kamer van beroep haar keuze voor de strafmaat motiveert. Daaromtrent overweegt de kamer van beroep in de bestreden beslissing uitdrukkelijk dat de tekortkomingen die in aanmerking worden genomen ernstige inbreuken zijn op de beroepsplichten van een directie en dat ze voldoende zwaarwichtige redenen vormen om de in eerste administratieve aanleg opgelegde tuchtstraf te verantwoorden en te handhaven.
  79. Uit de hiervóór geciteerde overwegingen van de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster geheel ten onrechte beweert dat de kamer van beroep de door haar aangevoerde verzachtende omstandigheden niet bij de beoordeling zou hebben betrokken en niet zou hebben gemotiveerd waarom deze verzachtende omstandigheden niet in aanmerking werden genomen. De kamer van beroep geeft in de bestreden beslissing uitdrukkelijk te kennen dat bij de eindbeoordeling de door verzoekster aangevoerde verzachtende omstandigheden in overweging zijn genomen maar dat zij van oordeel is, daarbij expliciet verwijzend naar de beoordeling van de tuchtfeiten, dat de in aanmerking genomen tekortkomingen ernstige inbreuken zijn op de beroepsplichten van een directie en voldoende zwaarwichtige redenen vormen om de opgelegde tuchtstraf te verantwoorden en te handhaven.
  80. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  81. Het vierde middel is genomen uit de schending van het recht van verdediging in tuchtzaken, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster voert aan dat zij heeft vastgesteld dat een aantal stukken ontbraken in het door de stad Brussel aan de kamer van beroep IX-9181-35/39 toegestuurde tuchtdossier en dat de stukken niet in het Frans werden vertaald. De stad Brussel heeft vervolgens, samen met het verweerschrift, verschillende nieuwe stukken neergelegd die geen deel uitmaakten van het tuchtdossier: de oproepingsbrieven voor de verschillende getuigen opgeroepen voor het college van burgemeester en schepenen alsook hun antwoorden, de Franse vertaling van de verschillende stukken, een verklaring van 6 juli 2017 en e-mails van 17 juli 2017 en van 4 mei
  82. Verzoekster nam pas kennis van het bestaan en de inhoud van deze stukken bij de ontvangst van het verweerschrift en beschikte op dat moment niet meer over de mogelijkheid om een schriftelijke repliek in te dienen. In haar pleitnota van 29 augustus 2017 en op de hoorzitting van 30 augustus 2017 heeft verzoekster gevraagd om de nieuwe stukken uit het debat te weren, minstens om de in de nieuwe stukken vermelde getuigen te horen. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gevraagde oproeping van de getuigen is gebeurd, maar dat zij zich niet hebben aangeboden om te getuigen. Er blijkt evenwel niet of de door de stad Brussel neergelegde nieuwe stukken vervolgens uit het debat zijn geweerd, dan wel of de kamer van beroep ze betrokken heeft bij de beoordeling van de tenlasteleggingen. De kamer van beroep motiveert niet waarom zij wel of niet ingaat op het verzoek om de stukken te weren en schiet derhalve tekort aan de op haar rustende motiveringsplicht. In zoverre de kamer van beroep de stukken betrokken heeft bij haar beoordeling, is dit een schending van het recht van verdediging van verzoekster.
  83. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster dat de juistheid van de bewering van de verwerende partij dat de kamer van beroep zou hebben besloten om geen rekening te houden met de nieuwe stukken nadat bleek dat geen van de opgeroepen personen aanwezig zou zijn om te getuigen, op geen enkele wijze kan worden nagegaan aangezien in de bestreden beslissing daarover geen uitspraak wordt gedaan. Niettemin maken de stukken wel deel uit van het administratief dossier.
  84. In de laatste memorie argumenteert verzoekster dat in de bestreden beslissing wel degelijk wordt verwezen naar een stuk dat samen met IX-9181-36/39 het verweerschrift van de stad Brussel op 8 augustus 2017 is neergelegd, namelijk de Franse vertaling van de stukken van het tuchtdossier. Hieruit blijkt dat de kamer van beroep dit stuk in aanmerking heeft genomen. De kamer van beroep kon niet wettig verwijzen naar dit stuk zonder uitspraak te doen over verzoeksters vordering om de neergelegde nieuwe stukken uit het debat te weren. Beoordeling
  85. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de kamer van beroep voor haar beoordeling geenszins steunt op de door de stad Brussel neergelegde nieuwe stukken. Dat die stukken wel deel uitmaken van het administratief dossier doet aan die vaststelling geen afbreuk. Het administratief dossier dient immers alle stukken te bevatten die betrekking hebben op het geschil, zo ook de stukken neergelegd door de tussenkomende partij en door verzoekster tijdens de beroepsprocedure. De aanwezigheid van bepaalde stukken in een administratief dossier impliceert niet ipso facto dat ze bij de bestreden beslissing zijn betrokken.
  86. Aangezien de kamer van beroep voor de bestreden beslissing niet steunt op de door de tussenkomende partij bij haar verweerschrift neergelegde stukken is verzoeksters recht van verdediging op dit punt niet miskend. Verzoekster heeft voorts geen belang bij haar klacht dat in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk wordt gemotiveerd dat die stukken uit het debat zijn geweerd. Er wordt immers niet op gesteund.
  87. Het vierde middel wordt verworpen. V. Rechtsplegingsvergoeding
  88. Voor zover de tussenkomende partij een rechtsplegingsvergoeding vordert, volstaat het deze partij erop te wijzen dat een tussenkomende partij geen rechtsplegingsvergoeding kan genieten (artikel 30/1, laatste lid, RvS-Wet). IX-9181-37/39 IX-9181-38/39 BESLISSING
  89. De Raad van State verwerpt het beroep.
  90. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig november tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9181-39/39 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.221 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.