id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.271 Rolnummer: A. 228143/X-17503 Zaak: Arrest 252271 - Monumenten en Landschappen - 01/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-10 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-12 14:21 Fiche Arrest nr 252.271 van 1 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.271 van 1 december 2021 in de zaak A. 228.143/X-17.503 In zake : Alfons VAN REUSEL woonplaats kiezend te 2860 Sint-Katelijne-Waver Clemenceaustraat 199 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Access Building Keizer Karellaan 586/9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het verzoekschrift, ingediend op 16 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed van 14 maart 2019 ‘tot vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed in de provincie Antwerpen’, in zoverre het betrekking heeft op het pand aan de Clemenceaustraat 199 te Sint-Katelijne-Waver. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. X-17.503-1/10 Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker woont aan de Clemenceaustraat 199 te Sint-Katelijne-Waver in een pand waarvan hij eigenaar is. Verzoekers pand bestaat uit twee aaneengesloten delen. Rechts bevindt zich een woongedeelte met twee bouwlagen en links een (voormalige) stal met een bouwlaag.
- In 2018 neemt de verwerende partij het initiatief om de inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie Antwerpen bij ministerieel besluit vast te stellen. 5.
- Van 1 juni tot 30 juli 2018 wordt een openbaar onderzoek gehouden over de eventuele opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed van onder meer verzoekers pand. X-17.503-2/10 5.2.
- In het ter inzage gelegde dossier is een grafisch plan opgenomen met een bovenaanzicht van de contour van verzoekers pand, waarop de rechterzijgevel samenvalt met de rechtse perceelgrens. 5.2.
- Het ter inzage gelegde dossier bevat volgende beschrijving van de erfgoedwaarden van verzoekers pand: “Enkelhuis van twee ongelijke traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (nok parallel aan de straat, kunstleien), uit het eerste kwart van de 20ste eeuw. Bakstenen lijstgevel met verwerking van witte, gele en zwarte baksteen voor rondboogfries, lisenen, banden en ontlastingsbogen. Deurtravee met tegelpanelen waarop vazen met guirlandes. Korfboogvensters en dito deur, bovenlicht van gezandstraald glas met monogram JDR. Links aansluitende (voormalige) stal met rondboogvenster. Omhaagde voortuin. Bron: Kennes H. & Steyaert R. 1997: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Mechelen, Kantons Duffel - Heist-op-den-Berg, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 13N4, Brussel - Turnhout. Auteurs: Steyaert, Rita”. 5.2.
- Verder vermeldt het meergenoemde dossier onder meer het volgende over verzoekers pand: “Beknopte karakterisering Typologie: burgerhuizen Datering: eerste helft 20ste eeuw”. 5.
- Verzoeker dient een bezwaarschrift in, waarin hij stelt dat het in het dossier opgenomen grafisch plan de inplantingsplaats van de rechterzijgevel van zijn pand verkeerd weergeeft. Zoals blijkt uit een in het bezwaarschrift opgenomen afbeelding (hierna: verzoekers schets) is er vooraan immers een afstand tussen de blinde rechterzijgevel en de perceelsgrens. Hierna volgt een uittreksel uit verzoekers schets, met verduidelijkende aanduidingen. X-17.503-3/10
- Op 17 januari 2019 geeft de Vlaamse Commissie voor Onroerend Erfgoed advies.
- Met het bestreden besluit stelt de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed de inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie Antwerpen vast. Om reden van de historische en de architecturale waarden wordt verzoekers pand er in opgenomen.
- In verband met verzoekers pand hernemen de bij het bestreden besluit horende bijlagen de in randnummer 5.2.2 geciteerde beschrijving. Daarnaast vermelden deze bijlagen volgende beknopte karakterisering van verzoekers pand: “Typologie: burgerhuizen, stallen Datering: eerste helft 20ste eeuw”. X-17.503-4/10 IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Het aangevoerde middel 9.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 4.1.6, 1°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van het gelijkheidsbeginsel en van de motiveringsplicht. 9.
- Verzoeker wijst er op dat hij in zijn tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift aangevoerd heeft dat het grafisch plan de inplantingsplaats van de rechterzijgevel van zijn woning verkeerd weergeeft. Zijn woning is dus niet, zoals het Onroerenderfgoeddecreet eist, nauwkeurig aangeduid. Verzoekers bezwaar is niet gevolgd, terwijl voor de bunkerlinie “Nordabschnitt” – na een gelijkaardig bezwaar – wél is overgegaan tot de aanpassing van het grafisch plan.
- In zijn memorie van wederantwoord erkent de verzoekende partij dat de perceelsgrenzen van zijn perceel correct zijn weergegeven op het bij het bestreden besluit horende grafische plan. Volgens verzoeker bevat dit plan evenwel een foutieve aanduiding, daar het geen rekening houdt met “de schuine stand van [zijn] woning”. Uit de inventarismethodologie blijkt dat het stedenbouwkundig aspect een rol speelt, hetgeen reeds in verzoekers bezwaarschrift werd gemeld om het belang van de foutieve aanduiding in het geografisch informatiesysteem van de Vlaamse overheid te benadrukken.
- In zijn laatste memorie preciseert verzoeker dat “de voor stedenbouw bevoegde overheid” kan toestaan dat er op een naastliggend perceel een woning gebouwd wordt tegen een blinde zijgevel die zich op de perceelsgrens bevindt. Door de afwijking van de rechterzijgevel vooraan zijn pand zal dit aan zijn rechterbuur “normalerwijze niet toegestaan [worden]”. X-17.503-5/10 Beoordeling
- Er valt niet in te zien hoe het gegeven dat de rechterzijgevel van verzoekers pand vooraan een aantal centimeters zou afwijken van de perceelsgrens enige relevantie zou hebben voor de appreciatie van de erfgoedwaarde van het betrokken onroerend goed. Dat dit goed onvoldoende nauwkeurig zou zijn aangeduid op het bij het bestreden besluit horende grafische plan, toont verzoeker niet aan met zijn verwijzing naar deze lichte afwijking van de rechterzijgevel(dikte). Verzoeker maakt niet aannemelijk dat het ten onrechte zou zijn dat de verwerende partij niet is ingegaan op zijn vraag om het grafisch plan aan te passen.
- Voorts blijkt uit de gegevens van de zaak dat de verwerende partij zich aanvankelijk vergist heeft over de volledige inplantingsplaats van onroerende goederen die behoren tot de bunkerlinie “Nordabschnitt” en dat zij deze vergissing na het openbaar onderzoek heeft rechtgezet. Deze situatie is niet vergelijkbaar met de door verzoeker gesignaleerde afwijking van de zijgevel(dikte), zodat hij geen schending van het gelijkheidsbeginsel aantoont.
- De conclusie is dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat het bestreden besluit niet zou steunen op deugdelijke motieven of anderszins onwettig zou zijn.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Het aangevoerde middel 16.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 4.1.3 en 4.14 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli
- X-17.503-6/10 16.
- Verzoeker voert aan dat de stal van zijn pand pas na het openbaar onderzoek aan de beschrijving is toegevoegd. De toevoeging van de stal is niet aan het openbaar onderzoek onderworpen geweest.
- In zijn memorie van wederantwoord erkent verzoeker dat de stal vermeld werd in de beschrijving die aan het openbaar onderzoek is onderworpen. Hij benadrukt evenwel dat de aanduiding “stallen” ontbreekt in de beknopte karakterisering van vóór het openbaar onderzoek.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat voor zijn pand de regels op een veel soepelere manier zijn toegepast, zodat “zich toch de vraag [stelt] of ook het gelijkheidsbeginsel dit toelaat”. Beoordeling
- Met de in het vorige randnummer weergegeven argumentatie geeft verzoeker een laattijdige en bijgevolg onontvankelijke nieuwe grondslag aan het middel.
- Uit de gegevens van de zaak (randnr. 5.2.2) blijkt dat de “[l]inks aansluitende (voormalige) stal met rondboogvenster” wel degelijk vermeld is in de beschrijving van verzoekers pand die aan het openbaar onderzoek is onderworpen, zodat moet worden vastgesteld dat eenieder in de gelegenheid is gesteld dienaangaande zijn bezwaarrecht uit te oefenen. Aan de voorgaande vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de door verzoeker aangehaalde omstandigheid dat de aanduiding “stallen” na het openbaar onderzoek is toegevoegd aan de beknopte karakterisering.
- Het tweede middel wordt verworpen. X-17.503-7/10 C. Het derde middel Het aangevoerde middel 22.
- Het derde middel is genomen uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel. 22.
- Volgens verzoeker bestaat er een tegenstrijdigheid tussen, enerzijds, artikel 4.1.8 van het Onroerenderfgoeddecreet en, anderzijds, de door het agentschap Onroerend Erfgoed op 15 februari 2018 uitgevaardigde richtlijn “Beoordelen van sloopaanvragen van gebouwen opgenomen in de vastgestelde Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed” (hierna: de richtlijn van het agentschap). Immers is in artikel 4.1.8 van het Onroerenderfgoeddecreet gesteld dat de opname in een inventaris “geen weigeringsgrond voor eender welke vergunning” vormt, terwijl de richtlijn van het agentschap stelt dat het ongeschikt en onbewoonbaar zijn van een geïnventariseerde woning “geen volwaardig motief [is] om het gebouw te slopen”. Verzoeker voegt er aan toe dat het volgen van de richtlijn van het agentschap, dan wel van artikel 4.1.8 van het Onroerenderfgoeddecreet een groot verschil maakt. Dit veroorzaakt rechtsonzekerheid.
- In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat artikel 4.1.8 van het Onroerenderfgoeddecreet en de richtlijn van het agentschap tegengestelde richtingen aanwijzen op de weg die moet gevolgd worden om tot een verantwoord besluit te komen. Daardoor wordt de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid tot het verlenen of weigeren van een (sloop)vergunning, onvoorspelbaar.
- In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat er een tegenspraak bestaat tussen artikel 4.1.8 van het Onroerenderfgoeddecreet en artikel 4.3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. X-17.503-8/10 Beoordeling
- Met de in het vorige randnummer weergegeven argumentatie geeft verzoeker een laattijdige en bijgevolg onontvankelijke nieuwe grondslag aan het middel.
- Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat het aangevoerde middel geen wettigheidskritiek inhoudt op het bestreden besluit zelf, zodat het niet tot de vernietiging van dit besluit kan leiden.
- Het derde middel wordt verworpen. D. Het vierde middel Het aangevoerde middel 28.
- Het vierde middel is genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht. 28.
- Verzoeker herneemt vooreerst zijn tweede middel. Verzoeker vervolgt dat na het openbaar onderzoek de beschrijving van zijn pand werd ingekort. Het weglaten van een aantal elementen brengt niet meer duidelijkheid en het ontneemt verzoeker de mogelijkheid om deze feitelijkheden nog in een argumentatie te gebruiken. Dit is onsportief gedrag. Beoordeling
- In zoverre het tweede middel wordt herhaald, wordt verwezen naar de verwerping van dit middel hiervoor.
- Voor het overige mist het middel feitelijke grondslag. Zoals terecht is vastgesteld in het auditoraatsverslag – dat niet wordt tegengesproken in verzoekers laatste memorie – is de beschrijving van het betrokken pand niet ingekort na het openbaar onderzoek. X-17.503-9/10
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.503-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.271 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div