← België

Arrest 252272 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.272 Rolnummer: A. 228151/X-17505 Zaak: Arrest 252272 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-10 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-12 14:22 Fiche Arrest nr 252.272 van 1 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.272 van 1 december 2021 in de zaak A. 228.151/X-17.505 In zake : Joris HEYNDRICKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Pauw kantoor houdend te 2800 Mechelen Schaliënhoevedreef 20/T bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en door de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Devers en John Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de GEMEENTE BEVEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur, van 19 maart 2019 die “[h]et beroepschrift van mr. Ryckalts, namens de heer Joris Heyndrickx, tegen de weigering van de gemeente Beveren om een afschrift te verlenen van de collegebeslissing d.d. 17 september 2018 inzake de aanstelling van GD&A-advocaten door de gemeente Beveren teneinde beroep in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen ten aanzien van de X-17.505-1/16 omgevingsvergunning afgeleverd door de deputatie Oost-Vlaanderen aan de heer Heyndrickx voor een woonproject gelegen aan de Spoorweglaan te Melsele” ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaart, en dit “voor zover dit besluit stelt dat de gegevens betreffende de samenstelling van het college op blz. 1 en 2 van het besluit niet openbaar gemaakt mogen worden”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De gemeente Beveren heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 juli 2019. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij, de tussenkomende partij en verzoeker hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2021. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laura Thewis, die loco advocaat Joris De Pauw verschijnt voor verzoeker, advocaat John Devers, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Thomas Geyns, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-17.505-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker dient op 17 februari 2016 een vergunningsaanvraag in voor het oprichten van een privaat erf met drie meergezinswoningen (9 woongelegenheden), 14 parkeerplaatsen en het slopen van een garage. Nadat het college van burgemeester en schepenen van de tussenkomende partij de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg heeft geweigerd, verleent de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: de deputatie), na administratief beroep, op 17 november 2016 de vergunning onder voorwaarden. 3.2. Tegen het deputatiebesluit van 17 november 2016 worden meerdere vernietigingsberoepen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) ingediend, waaronder door de tussenkomende partij. De RvVb vernietigt met zijn arrest nummer RvVb-A-1819-0450 van 18 december 2018 het deputatiebesluit van 17 november 2016, en weigert de vergunningsaanvraag rechtstreeks wegens haar onvolledigheid. Ingevolge de voormelde vernietiging verklaart de RvVb met zijn arrest nummer RvVb-A-1819-0451 van 18 december 2018 het beroep van de tussenkomende partij zonder voorwerp. 3.3. Op 29 november 2017 dient verzoeker opnieuw een vergunningsaanvraag in, voor het slopen van een garage en het bouwen van een privaat woonerf met drie meergezinswoningen (samen 9 woongelegenheden) en 15 parkeerplaatsen. Het college van burgemeester en schepenen van de tussenkomende partij weigert op 9 april 2018 de vergunning. In graad van X-17.505-3/16 administratief beroep verleent de deputatie op 23 augustus 2018 een omgevingsvergunning onder voorwaarden (hierna: de omgevingsvergunning van de deputatie van 23 augustus 2018). 3.4. Onder meer de tussenkomende partij vordert voor de RvVb de schorsing en de nietigverklaring van de omgevingsvergunning van de deputatie van 23 augustus 2018. Verzoeker komt tussen in de procedures voor de RvVb. 3.5. Op 21 januari 2019 richt verzoeker een openbaarheidsverzoek tot de tussenkomende partij, waarbij hij vraagt om een afschrift “van de collegebeslissing op de zitting van 17 september 2018 van Uw college omtrent het aanstellen van GD&A-advocaten als raadsman van de gemeente om beroep in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen t.a.v. een omgevingsvergunning afgeleverd aan mijn cliënt, de heer Heyndrickx voor een woonproject aan de Kerkenhoek en de Spoorweglaan [hierna: het aanstellingsbesluit van 17 september 2018]”. 3.6. De tussenkomende partij weigert op 6 februari 2019 om de gevraagde beslissing openbaar te maken, op grond van de volgende motivering: “Het besluit tot aanstelling van de raadsman moet overeenkomstig de geldende procedureregels voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet worden bijgebracht in de procedure tot schorsing en nietigverklaring, en maakt geen procedurestuk uit. Uw verzoek tot openbaarheid lijkt er uitsluitend toe te strekken het mandaat van onze raadsman in twijfel te trekken. Ik ben dan ook van oordeel dat uw verzoek niet opweegt tegen het belang dat de gemeente heeft bij het administratief rechtsgeding voor de Raad, het recht op een eerlijk proces en het beginsel van de gelijkheid der wapens in een proces, hetgeen een essentieel onderdeel is van het recht op een eerlijk proces (cfr. Beslissing beroepsinstantie Openbaarheid van bestuur OVB/2014/41 van 28 maart 2014). Uw vraag tot openbaarmaking van het aanstellingsbesluit moet bijgevolg worden geweigerd op grond van artikel 36, §1, 8° Bestuursdecreet. […]” 3.7. Tegen deze weigeringsbeslissing dient verzoeker op 14 februari 2019 een beroep in bij de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en X-17.505-4/16 hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur (hierna: de beroepsinstantie). 3.8. Op 19 maart 2019 verklaart de beroepsinstantie het beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en beslist zij dat het aanstellingsbesluit van 17 september 2018 gedeeltelijk openbaar dient gemaakt te worden, met dien verstande dat de samenstelling van het college, en de inschatting van de haalbaarheid van het beroep door het aangestelde advocatenkantoor, dienen te worden geschrapt: “Bijgevolg dient het gevraagde collegebesluit deels openbaar te worden gemaakt door er een afschrift van te verstrekken. De volgende onderdelen van het besluit dienen te worden geschrapt: - de gegevens betreffende de samenstelling van het college op blz. 1 en 2 van het besluit - de weergave van de inschatting van GD&A Advocaten vervat in de vierde laatste en voorlaatste alinea op blz. 1 van het besluit.” De weigering, bij voormeld besluit van de beroepsinstantie van 19 maart 2019, om de gegevens openbaar te maken betreffende de samenstelling van het college van burgemeester en schepenen van de tussenkomende partij, vermeld op de bladzijden 1 en 2 van het aanstellingsbesluit van 17 september 2018, maakt het voorwerp uit van huidig beroep. 3.9.1. Met zijn arresten nummers RvVb-S-1819-0935 en RvVb-S-1819-0936 van 30 april 2019 verwerpt de RvVb de schorsingsvorderingen gericht tegen de omgevingsvergunning van de deputatie van 23 augustus 2018. Met zijn arrest nummer RvVb-A-1920-0777 van 21 april 2020 vernietigt de RvVb op vraag van F.V.M. e.a. de omgevingsvergunning van de deputatie van 23 augustus 2018, en beveelt hij de deputatie een nieuwe beslissing te nemen over het administratief beroep binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van de betekening van het arrest. Met zijn arrest nummer RvVb-A-1920-0778 van 21 april 2020 verwerpt de RvVb het vernietigingsberoep dat de tussenkomende partij tegen de omgevingsvergunning van de deputatie van 23 augustus 2018 heeft ingesteld, bij gebrek aan voorwerp. X-17.505-5/16 3.9.2. Gevolg gevend aan de injunctie door de RvVb beslist de deputatie op 27 augustus 2020 om de gevraagde vergunning te weigeren. Tegen die weigeringsbeslissing heeft verzoeker op 30 oktober 2020 een beroep tot nietigverklaring bij de RvVb ingediend. Deze procedure is hangende. De huidige tussenkomende partij komt tussen in de voormelde procedure. IV. Ontvankelijkheid van het beroep De aangevoerde excepties 4.1. De verwerende partij betwist in haar laatste memorie verzoekers belang bij het beroep tot nietigverklaring. Verzoeker heeft zijn belang bij het beroep in zijn verzoekschrift omschreven en afgelijnd. Hij verbindt zijn belang uitdrukkelijk aan zijn ontvankelijkheidsexceptie in de procedure voor de RvVb die met het arrest nummer RvVb-A-1920-0778 zonder voorwerp is verklaard. De bedoelde exceptie kan hem geen voordeel meer brengen. “Dit belang is afgestorven” en verzoeker beroept zich op geen ander belang in zijn verzoekschrift. Ondergeschikt, indien het risico op belangenvermenging en verzoekers mogelijkheid om hierop controle uit te oefenen als een bijkomend in het verzoekschrift aangevoerd belang moet worden aangenomen, moet worden vastgesteld dat dit belang opnieuw verbonden is met de door de RvVb afgesloten procedure. In zoverre in de nota die verzoeker op uitnodiging van het auditoraat heeft ingediend, wordt verwezen naar de nieuwe beslissing van de deputatie tot weigering van de omgevingsvergunning en naar een voorbehoud aangaande een eventuele burgerlijke procedure, “zijn dit nieuwe argumenten die een afgestorven belang niet kunnen doen herleven”. Voor het overige herneemt verzoeker in die nota de exacte bewoordingen uit zijn verzoekschrift, wat niet als belang kan volstaan. Ondergeschikt moet de verwijzing naar “andere beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in dit dossier en naar samenhangende dossiers” als “nietszeggend” worden beschouwd. 4.2. Ook de tussenkomende partij betwist in haar laatste memorie de ontvankelijkheid van het beroep wegens gemis aan belang. Aangezien de RvVb zich heeft uitgesproken over het beroep dat de tussenkomende partij tegen de X-17.505-6/16 omgevingsvergunning van de deputatie van 23 augustus 2018 heeft ingesteld, heeft verzoeker “evident” geen belang meer bij huidig beroep. De omgevingsvergunning die verzoeker met de huidige procedure in het rechtsverkeer wenst te houden is “onomkeerbaar vernietigd”. Een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit zou verzoeker dan ook “geen enkel voordeel kunnen bezorgen”. Overigens is het aanstellingsbesluit van 17 september 2018 zonder gevolg gebleven, nu niet de door de tussenkomende partij ingestelde procedure maar wel de procedure die F.V.M. e.a. bij de RvVb hebben ingediend, tot de nietigverklaring van de omgevingsvergunning van de deputatie van 23 augustus 2018 heeft geleid. Een gebeurlijke vernietiging heeft verder geen gevolg meer “voor de overige procedures die aan de hele kwestie ten grondslag liggen”. Beoordeling 5.1. Het bestreden besluit doet in graad van administratief beroep uitspraak over verzoekers openbaarheidsaanvraag. Daaruit volgt dat verzoeker in beginsel belang heeft bij het huidige annulatieberoep. 5.2. In het licht van het voorgaande, moet worden vastgesteld dat verzoeker een voldoende rechtstreeks en actueel belang heeft bij zijn beroep doordat het hem een nieuwe kans kan geven om – met de woorden van het verzoekschrift – controle op het bestuur te kunnen uitoefenen door te vernemen hoe het college van burgemeester en schepenen concreet samengesteld was bij het nemen van een hem aanbelangende beslissing, nu er sprake is van een potentieel risico op belangenvermenging. 5.3. Anders dan de verwerende en de tussenkomende partijen dit zien, wordt aan de in het vorig randnummer gedane vaststelling geen afbreuk gedaan door de omstandigheden dat in het verzoekschrift het belang verbonden is met een concrete procedure voor de RvVb die inmiddels afgesloten is met een verwerpingsarrest en dat de omgevingsvergunning van de deputatie van 23 augustus 2018 door de RvVb is vernietigd. 5.4. De excepties zijn ongegrond. X-17.505-7/16 V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 6.1. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 32 van de Grondwet en van artikel II. 35, 4°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 (hierna: het bestuursdecreet), in samenhang met het materiëlemotiverings-, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij betoogt dat artikel II.35, 4°, van het bestuursdecreet enkel en alleen in de mogelijkheid voorziet om de aanvraag tot openbaarheid af te wijzen indien de openbaarheid afbreuk doet aan de bescherming van de rechtspleging in burgerlijke of administratieve rechtsgedingen of afbreuk doet aan de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen. Een dergelijke decretale uitzonderingsgrond op het principe van openbaarheid moet restrictief worden geïnterpreteerd en moet bijgevolg concreet verantwoord worden. De verwerende partij heeft zich onterecht beroepen op de uitzonderingsgrond van artikel II.35°, 4°, van het bestuursdecreet. Het niet openbaar maken van de samenstelling van het college van burgemeester en schepenen schendt niet de rechten op een eerlijk proces in hoofde van de gemeente, maar wel de rechten op een eerlijk proces in hoofde van verzoeker. Daarenboven laat de verwerende partij na om de belangen in concreto ten opzichte van elkaar af te wegen. De gehanteerde motivering is beperkt tot loutere bedenkingen. Verzoeker voert verder ook aan dat een mogelijke schending van artikel 27 §1, 1°, van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 essentieel is en de openbare orde raakt. Het is volstrekt onzorgvuldig en onredelijk dat hem de mogelijkheid ontnomen wordt om kennis te nemen van de samenstelling van het schepencollege bij het nemen van de aanstellingsbeslissing van 17 september 2018, omdat op deze wijze niet kan nagegaan worden of er sprake is van belangenvermenging. X-17.505-8/16 6.2. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het recht op een eerlijk proces van verzoeker geen in het kader van artikel II.35, 4°, van het bestuursdecreet af te wegen belang betreft. Zij meent voorts dat verzoeker zich in de procedure voor de RvVb wel degelijk ten volle verdedigt, door ten aanzien van de vordering van de stad Beveren een exceptie op te werpen wegens schending van artikel 27, § 1, 1°, van het gemeentedecreet. De tussenkomende partij moet de mogelijkheid krijgen zich te verdedigen binnen de grenzen die de procedure voor de RvVb haar biedt, en waarbij zij “zodus via de openbaarheidsregelgeving niet gedwongen kan worden om stukken aan te leveren die in die procedure tegen haar gebruikt kunnen worden”. De verwerende partij betoogt dat de decreetgever de overheid in de mogelijkheid heeft willen stellen om in een rechtsgeding met gelijke wapens op te treden, binnen de (procedurele) grenzen van dat rechtsgeding. Verzoekers standpunt dat openbaarheid moet primeren nu de betrokken overheid zich in het betreffende rechtsgeding alsnog kan verdedigen tegen het openbaargemaakte stuk, gaat volledig voorbij aan deze ratio legis. De openbaarmaking wordt in casu wel degelijk afgewogen tegen de concrete dreiging van de aantasting van de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen. De concrete feiten waarop de bestreden beslissing steunt om toepassing te maken van de uitzonderingsgrond, “met name

  1. i)het bestaan [van] een administratief rechtsgeding waarin verzoekende partij en de stad Beveren zijn betrokken en
  2. ii)de door de verzoekende partij reeds geuite bekommernissen aangaande de samenstelling van het college van de stad Beveren bij de beslissing waarvan de onwettig[heid] in voormelde procedure wordt aangevoerd”, worden door verzoeker niet betwist. Het is op basis van deze niet-betwiste feiten dat zij concreet heeft geoordeeld dat de tussenkomende partij er middels de openbaarmaking van het kwestieuze document kan toe gedwongen worden om een stuk openbaar te maken dat in de procedure voor de RvVb tegen haar dreigt gebruikt te worden. 6.3. De tussenkomende partij betoogt in haar memorie tot tussenkomst dat artikel II.35, 4°, van het bestuursdecreet uitsluitend een afweging voorschrijft tussen het algemeen belang dat gebaat is bij de openbaarheid en de concrete belangen van een bestuur om een eerlijk proces te krijgen. “Essentieel” is dat deze bepaling moet verhinderen dat de overheid verplicht wordt om een document openbaar te maken dat tegen haar gebruikt zou kunnen worden in een X-17.505-9/16 lopende procedure, waardoor haar recht op een eerlijk proces en de procedurele wapengelijkheid in het gedrang komt. Verzoeker stelt volstrekt ten onrechte dat artikel II.35, 4°, van het bestuursdecreet zou nopen tot een afweging van de belangen van verzoeker tegen de belangen van de gemeente. Het recht van verzoeker op een eerlijk proces, noch de mogelijkheid om zichzelf ten volle te verdedigen, zijn belangen die moeten worden afgewogen in het kader van de voormelde bepaling. Bovendien kan niet worden betwist dat verzoeker voor de RvVb wel degelijk een eerlijk proces zal krijgen. Hij kan zijn exceptie omtrent vermeende belangenvermenging daar opwerpen. Anders dan verzoeker beweert, wil de bestreden beslissing geen onwettig handelen “verhullen”. Bovendien strekt artikel II.35, 4°, van het bestuursdecreet hoegenaamd niet tot een belangenafweging tussen de (ernst van
  3. de)aangevoerde onwettigheid van het gevraagde document, enerzijds, en de belangen van de gemeente bij een eerlijk proces, anderzijds. Verzoeker maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat er in voorliggend geval sprake zou zijn van een hoger belang dan het recht van de gemeente op een eerlijk proces en de procedurele wapengelijkheid. De doorgevoerde belangenafweging gebeurde voorts wel degelijk in concreto. 6.4. Verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat de verwerende partij niet zelf een onderzoek heeft gevoerd naar de schade die wordt toegebracht aan het ingeroepen belang, maar zich enkel baseert op de veronderstelling van de algemene directeur van tussenkomende partij. Uit de bestreden beslissing valt niet af te leiden hoe de belangenafweging met betrekking tot de samenstelling van het college van burgemeester en schepenen in concreto is gebeurd. De decreetgever heeft er expliciet voor gekozen om het belang van de openbaarmaking niet te definiëren in het bestuursdecreet, zodat dit belang in elke individuele casus moet worden bepaald. De verwerende partij had dan ook de rechtmatigheid van de beslissing van het schepencollege bij de beoordeling van het belang van de openbaarmaking moeten betrekken. De rechtmatigheid van de opgevraagde beslissing betreft een middel van openbare orde. Ook het belang van verzoeker om een eerlijk proces te verkrijgen had bij die beoordeling moeten betrokken worden. X-17.505-10/16 6.5. In haar laatste memorie doet de verwerende partij nog gelden dat nu de betrokken procedure voor de RvVb beëindigd is, verzoeker niet langer een belang heeft bij het middel. Zij meent voorts dat de in concreto te maken belangenafweging zeker afdoende wordt ingevuld “door een concrete feitelijke link vast te stellen tussen de gegevens waarvan openbaarmaking wordt gevraagd en de argumentatie ontwikkeld in een hangende procedure tegen het bestuur, aan wie tevens een verzoek tot openbaarmaking wordt gericht”. Het lijkt de verwerende partij niet mogelijk om bij de te maken belangenafweging “voorbij het vaststellen van zulke concrete link, nog concreter af te wegen zonder zich op het terrein van de merites van de in dat rechtsgeding voorgehouden argumentatie te moeten begeven en zo zelf het recht op een eerlijk proces in hoofde van het zich aldaar verwerende bestuur potentieel te fnuiken”. Tot slot merkt zij op dat verzoeker het hogere belang van de openbaarheid niet aannemelijk maakt, ook niet nadat hem de mogelijkheid werd geboden om dit te verduidelijken. 6.6. De tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat de beroepsinstantie op grond van art. II.35, 4°, van het bestuursdecreet een aanvraag tot openbaarmaking in principe kan afwijzen teneinde in hoofde van de overheid een eerlijk verloop van de rechtspleging in een rechtsgeding te vrijwaren. Het oordeel dat de gevraagde openbaarmaking de wapengelijkheid ongedaan zou maken en “de balans zou kunnen doen doorslaan” naar verzoeker, vormt een afdoende afweging van de belangen van de betrokken partijen. Beoordeling 7.1. Verzoeker heeft een belang bij het middel, al was het maar om de onder randnummer 5.1 aangenomen reden. De desbetreffende exceptie van de verwerende partij wordt verworpen. 7.2. Artikel 32 van de Grondwet bepaalt: “Ieder heeft het recht elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de regel bedoeld in artikel 134”. X-17.505-11/16 Het Grondwettelijk Hof heeft uit de algemene omschrijving die artikel 32 van de Grondwet hanteert, afgeleid dat de Grondwetgever het recht op openbaarheid van de bestuursdocumenten heeft ingeschreven als een grondrecht. Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten zijn slechts mogelijk onder de voorwaarden vastgesteld door de wet, het decreet of de ordonnantie. Zij moeten worden verantwoord en moeten beperkend worden geïnterpreteerd (arrest nr. 17/97 van 25 maart 1997, overweging B.2.1. en 2.2., nr. 150/2004 van 15 september 2004, overweging B.3.2.). De Raad van State sluit zich aan bij die rechtspraak. Artikel 32 van de Grondwet wordt verder geconcretiseerd in artikel II.26 van het bestuursdecreet. Luidens deze bepaling regelt hoofdstuk 3 ‘Toegang tot bestuursdocumenten’ van titel II van het bestuursdecreet het recht om bestuursdocumenten te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, vermeld in artikel 32 van de Grondwet, om uitleg te krijgen bij bestuursdocumenten en om persoonsgegevens in bestuursdocumenten te laten verbeteren. Artikel II.31, eerste lid, van het bestuursdecreet voorziet in een principieel recht op openbaarmaking: “De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, zijn verplicht aan iedereen die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen of er een afschrift van te overhandigen, of er uitleg over te verschaffen.” Onder titel II, Hoofdstuk 3, afdeling 3 van het bestuursdecreet worden de uitzonderingen op dit recht geregeld. 7.3. Elk beroep op een uitzonderingsbepaling moet concreet worden gemotiveerd met verwijzing naar de specifieke gegevens, eigen aan de zaak. Geen enkele uitzonderingsgrond kan de grondslag vormen om aan een bestuurde systematisch de openbaarheid van bestuur te weigeren. X-17.505-12/16 7.4. Het te dezen toepasselijke artikel II.35, 4°, van het bestuursdecreet, bepaalt dat de in artikel II.28 van het bestuursdecreet genoemde instanties een aanvraag tot openbaarmaking afwijzen: “als ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van één van de volgende belangen: […] 4° de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid een eerlijk proces te krijgen.” Het komt aan de beroepsinstantie toe om bij de beoordeling van de deze uitzonderingsgrond tot een concrete belangenafweging over te gaan. 7.5. Het bestreden besluit motiveert de toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel II.35, 4°, van het bestuursdecreet als volgt: “De beroepsinstantie stelt vast dat het voorwerp van de lopende procedure voor de Raad voor Vergunnings[betwistingen] naar aanleiding van de door de deputatie aan de cliënt van de beroeper verleende vergunning verband houdt met het oorspronkelijke openbaarheidsverzoek. In dat geval dient een afweging gemaakt te worden tussen het belang van de openbaarheid versus het belang dat beschermd wordt door de ingeroepen uitzonderingsgrond van het bestuursdecreet. Het belang van de uitzonderingsgrond van artikel II.35.4° van het bestuursdecreet is gelegen in de bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid om een eerlijk proces te verkrijgen. De gegevens die gevraagd worden in het openbaarheidsverzoek hebben een duidelijke link […] met de lopende procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De vraag rijst of er een reëel risico bestaat dat de beroeper de opgevraagde collegebeslissing tegen de gemeente Beveren zal gebruiken in de vermelde procedure en of het meedelen van de collegebeslissing het recht van de gemeente Beveren op een eerlijk proces ernstig in het gedrang kan brengen. […] Op 15 maart 2019 verduidelijkte de algemeen directeur weliswaar nog aan de beroepsinstantie dat volgens hem de openbaarmaking van het collegebesluit ook dient geweigerd te worden omdat [door] de beroeper de aan- of afwezigheid van de bewuste schepen bij het nemen van de beslissing op de zitting van 17 september 2018 dreigt aangegrepen te worden om de beweerde ongeoorloofde belangvermenging van de bewuste schepen aan de kaak te stellen. De beroepsinstantie is hierbij de mening toegedaan dat de gemeente Beveren op die manier er via het bestuursdecreet toe wordt gedwongen om een stuk in de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen te brengen [dat] tegen haar dreigt gebruikt te worden. Gelet op de reeds door de beroeper geuite X-17.505-13/16 bekommernissen aangaande de vermeende belangenvermenging door de bewuste schepen, kan er volgens de beroepsinstantie terecht een beroep gedaan worden op grond van artikel II.35, 4° van het bestuursdecreet om de openbaarmaking van het betreffende besluit, voor zover daarin informatie vervat zit over de samenstelling van het college op 17 september 2018 te weigeren. […] Bijgevolg leidt de toetsing van de notulen aan de finaliteit van de betrokken uitzonderingsgrond van artikel II.35, 4° van het bestuursdecreet tot de conclusie dat het belang van de openbaarheid in dit specifieke geval slechts deels opweegt tegen het belang van de betreffende uitzonderingsgrond. […] Het ingestelde beroep kan bijgevolg als gedeeltelijk gegrond worden beschouwd.” 7.6. De beroepsinstantie blijkt niet in concreto te hebben onderzocht of het belang bij de openbaarmaking van de samenstelling van een politiek orgaan, opweegt tegen het door de tussenkomende partij ingeroepen belang in het kader van haar administratief rechtsgeding. De enkele omstandigheid dat de openbaarmaking van het gevraagde gedeelte van het aanstellingsbesluit van 17 september 2018 voor de tussenkomende partij ongunstig kan uitpakken in een procedure voor de RvVb, is geen wettige reden om zich aan die afweging te onttrekken. 7.7. Het betoog in de laatste memorie van de verwerende partij dat zij het recht op een eerlijk proces voor de RvVb in hoofde van de tussenkomende partij zou fnuiken indien zij de uitzonderingsgrond van artikel II.35, 4° van het bestuursdecreet zou toepassen zoals hiervoor vereist, wordt niet aannemelijk gemaakt en kan geen bijval vinden. 7.8. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van 19 maart 2019 van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur, waarbij het beroepschrift van Joris Heyndrickx tegen de weigering van de gemeente X-17.505-14/16 Beveren om een afschrift te verlenen van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beveren van 17 september 2018 inzake de aanstelling van GD&A-advocaten door de gemeente Beveren teneinde beroep in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen ten aanzien van de omgevingsvergunning verleend door de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen aan Joris Heyndrickx voor een woonproject gelegen aan de Spoorweglaan te Melsele, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaart, en dit in zoverre wordt beslist dat de gegevens betreffende de samenstelling van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beveren op de bladzijden 1 en 2 van de voormelde collegebeslissing van 17 september 2018 niet openbaar gemaakt mogen worden. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-17.505-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.505-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.272 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.