← België

Arrest 252274 - Handelsvestigingen - 01/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.274 Rolnummer: A. 228191/X-17508 Zaak: Arrest 252274 - Handelsvestigingen - 01/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-14 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-12 14:23 Fiche Arrest nr 252.274 van 1 december 2021 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.274 van 1 december 2021 in de zaak A. 228.191/X-17.508 In zake : de NV WERELDHAVE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ive Van Giel kantoor houdend te 2000 Antwerpen Cockerillkaai 18 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Caestecker kantoor houdend te 1831 Diegem De Kleetlaan 12A tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert en Ann Apers kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV GROUP GL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Beleyn en Merlijn De Rechter kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het interministerieel comité voor de distributie van 27 november 2018, waarbij in graad van bestuurlijk beroep aan de nv Group GL een socio-economische machtiging wordt verleend voor de inplanting van een X-17.508-1/16 handelscomplex aan de Bosdel 26 te Genk, voor een totale netto handelsoppervlakte van 16.425 m². II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De NV Group GL heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 augustus
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober
  4. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tjörven Masil, die loco advocaten Ive Van Giel en Dirk Caestecker verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Ann Apers, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Merlijn De Rechter, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. X-17.508-2/16 III. Feiten 3.
  6. De verzoekende partij is eigenaar van twee shoppingcentra in het stadscentrum van Genk, te weten Shopping I en Stadsplein-Sint-Martinusplein. 3.
  7. De tussenkomende partij wenst aan de Bosdel 26 / Zuiderring te Genk een handelscomplex (retailpark) in te planten. Het betreft een bestaande handelssite, waar de laatste jaren evenwel meerdere handelszaken werden gesloten, en die volgens de tussenkomende partij aan een opwaardering toe is (hierna: de site). 3.
  8. De site wordt beheerst door het besluit van de Vlaamse regering van 20 januari 2017 houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening regionaalstedelijk gebied Hasselt-Genk – deelgebied 11 specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel – Zuiderring/Bosdel’ (hierna: het gewestelijk afbakenings-RUP). Met ’s Raads arresten nrs. 245.469 van 17 september 2019 en 247.546 van 13 mei 2020 wordt het beroep van de verzoekende partij tegen het gewestelijk afbakenings-RUP verworpen De voor de site overeenkomstig het gewestelijk afbakenings-RUP geldende bestemmingen zijn ‘specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel’, met een zone voor ‘groencorridor en landschapsbuffer’ aan de noordelijke en de zuidoostelijke gebiedsgrens (artikel 11.1.2 van het gewestelijk afbakenings-RUP), een ‘parkzone’ in het noordoostelijke gedeelte (artikel 11.3 van het gewestelijk afbakenings-RUP), een als esplanade voor zwakke weggebruikers in te richten centrale as dwars door het gebied (artikel 11.4.2 van het gewestelijk afbakenings-RUP), en een als overdruk met een symbolische pijl aangegeven ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer vanuit zuidelijke richting (artikel 11.2 van het gewestelijk afbakenings-RUP). Hierna volgt een weergave van het grafisch plan van het gewestelijk afbakenings-RUP: X-17.508-3/16 3.
  9. Eind juli 2018 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk voor de site een handelsvestigingsvergunningsaanvraag in, teneinde er een handelscomplex te vestigen met een netto handelsoppervlakte van 23.770 m². In het complex zou een veelvoud aan assortimenten worden aangeboden, zoals textiel, schoenen, tuinbenodigdheden, “doe-het-zelf”, meubelen, keukens, speelgoed en ontspanning, supermarkt. 3.
  10. Het nationaal sociaal-economisch comité voor de distributie (hierna: het NSECD) verleent op 19 september 2018 een deels gunstig advies over de aanvraag, voor een netto handelsoppervlakte van 21.375 m². Voor de assortimenten textiel en schoenen luidt het advies ongunstig. 3.
  11. Met een besluit van 9 oktober 2018 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk de gevraagde vergunning, gelet op de impact die het project zou kunnen hebben op de handel in de stadskern en om mobiliteitsredenen. 3.
  12. De tussenkomende partij tekent tegen deze vergunningsweigering bestuurlijk beroep aan bij het interministerieel comité voor de distributie (hierna: het ICD). X-17.508-4/16 3.
  13. Met het bestreden besluit van 27 november 2018 verklaart het ICD het beroep ontvankelijk en (deels) gegrond. De socio-economische machtiging wordt verleend voor een netto handelsoppervlakte van 16.425 m². Voor de assortimenten goederen voor persoonsuitrusting (kledij en textiel) wordt de vergunning geweigerd “omdat zij niet complementair zijn aan wat in de handelskern wordt aangeboden en een negatief effect op het handelscentrum zullen hebben”. Hoewel het vergunnen van de assortimenten speelgoed en ontspanning, elektro en woninginrichting volgens het ICD “niet bij voorbaat uitgesloten” is, wordt voor die onderdelen toch de vergunning geweigerd omdat “de beschikbare informatie” onvoldoende uitwijst “of er sprake is van complementariteit of niet”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  14. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (de motiveringswet), en van het materiëlemotiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Tevens voert zij “het ontbreken van de rechtens vereiste juridische grondslag [aan] ingevolge het buiten toepassing laten op grond van artikel 159 [van de Grondwet] van het [gewestelijk afbakenings-RUP]”. Zij bekritiseert de wettigheid van het gewestelijk afbakenings-RUP en herneemt daartoe de middelen die zij in haar beroep tegen dit plan heeft aangevoerd, en die met ’s Raads arresten nrs. 245.469 van 17 september 2019 en 247.546 van 13 mei 2020 werden verworpen. X-17.508-5/16 Beoordeling
  15. De verzoekende partij doet in haar laatste memorie afstand van het middel. Het behoeft dan ook geen onderzoek. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
  16. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, alsook van het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij zet uiteen dat van de aangevraagde 23.770 m² netto handelsoppervlakte maar liefst 7.345 m² met de bestreden beslissing wordt geweigerd. Een socio-economischevergunningsaanvraag is volgens haar evenwel een en ondeelbaar, wat zich verzet tegen “een substantiële en essentiële wijziging resp. opsplitsing van de gevraagde assortimenten”. Ook blijft het geweigerde gedeelte leegstaan, wat des te meer klemt, gelet op de zorgwekkende leegstandscijfers van de stad Genk. Dat het volgens de bestreden beslissing aangewezen zou zijn om tot een meer geleidelijke invulling van het handelsgeheel te komen, getuigt van onzorgvuldigheid en leidt tot rechtsonzekerheid, nu de beoordeling van het project aldus wordt “doorgeschoven naar latere vergunningsaanvragen”. In plaats van de aanvraag gedeeltelijk te vergunnen, had het ICD die integraal moeten weigeren. 6.
  17. In haar memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij gelden dat de Raad van State reeds besliste dat socio-economische toelatingen in beginsel ondeelbaar zijn, dat het niet zeker is dat voor de geweigerde assortimenten een nieuwe aanvraag zal worden ingediend, en dat het aspect van de leegstand wel degelijk relevantie vertoont. X-17.508-6/16 Beoordeling 7.
  18. Het standpunt van de verzoekende partij dat het ICD te dezen slechts “alles of niets” kon vergunnen, kan geen bijval vinden. Een handelsvestigingsvergunning mag “in beginsel” dan wel ondeelbaar zijn, de kwestieuze aanvraag betreft een handelscomplex bestaande uit verschillende individuele detailhandelszaken (assortimenten), waarvan in redelijkheid moet aangenomen worden dat een gedeeltelijke vergunning ervan mogelijk is. Het bestreden besluit vermeldt uitdrukkelijk de motieven waarom bepaalde assortimenten niet worden vergund. Meer in het bijzonder worden bepaalde assortimenten niet complementair geacht met de handelsactiviteiten in het stadscentrum, en worden andere assortimenten van vergunning uitgesloten om reden dat het aanvraagdossier onvoldoende concrete informatie verstrekt over de precieze invulling daarvan, waardoor de complementariteit met het handelsapparaat in de kern niet kan worden nagegaan. 7.
  19. Verzoeksters betoog dat op die manier “leegstand” in de hand wordt gewerkt, wordt niet aannemelijk gemaakt, gelet op het feit dat de grootte van het gebouw waarin de handelszaken zullen worden ondergebracht niet door het bestreden besluit wordt bepaald, en een gebeurlijke verdere invulling van het gebouw middels een nieuwe handelsvestigingsvergunningsaanvraag mogelijk is. De stelling van verzoekster dat de beoordeling van het gevraagde project deels wordt “doorgeschoven naar latere vergunningsaanvragen”, kan gezien het voormelde evenmin overtuigen. 7.
  20. Het middel wordt verworpen. X-17.508-7/16 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 8.
  21. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van artikel 11.1.2 van het gewestelijk afbakenings-RUP, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij bekritiseert dat nergens in het bestreden besluit de aanvraag concreet wordt getoetst aan de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 11.1.2 van het gewestelijk afbakenings-RUP, die in een zone voor ‘groencorridor en landschapsbuffer’ voorzien. Dit terwijl de stad Genk in eerste administratieve aanleg vaststelt dat “de vrije toegankelijkheid en overrijdbaarheid” voor gewoon personenvervoer met deze bepaling strijdig is. Het is duidelijk dat de aanvraag enkel kan worden vergund “indien de groencorridor wordt aangelegd en […] deze niet wordt gebruikt voor ontsluitingsinfrastructuur voor gemotoriseerd verkeer”. 8.
  22. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat een integrale planologische toets is vereist en dat het ICD simpelweg de opvatting van de aanvrager weergeeft, zonder deze in concreto te onderzoeken. Uit de beslissing tot ontheffing van de plicht tot opmaak van een projectmilieueffectrapport (project-MER) blijkt dat het projectgebied wel degelijk de zone voor ‘groencorridor en landschapsbuffer’ omvat. Beoordeling 9.
  23. Het door de verzoekende partij geschonden geachte artikel 11.1.2 van het gewestelijk afbakenings-RUP bepaalt dat “[l]angsheen de Hondeskuilstraat […] een groencorridor van minimaal 30 meter breed aangelegd [dient] te worden”, dat deze groencorridor “is bestemd voor instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van een kwaliteitsvolle groencorridor”, en dat in de groencorridor “ontsluitingsinfrastructuur voor gemotoriseerd verkeer (met uitzondering van nooddiensten)” niet toegelaten is, waarbij een ontsluitingsweg X-17.508-8/16 voor hulpdiensten moet worden aangelegd “in gestabiliseerd gras-en/of heidevegetatie”. 9.
  24. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de door het ICD uit te voeren planologische toets beperkt is tot het beoordelen van de verenigbaarheid van het specifieke voorwerp van de handelsvestigingsvergunningsaanvraag, te weten de gevraagde handelsassortimenten, met de geldende planologische voorschriften, te dezen de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk afbakenings-RUP. De verzoekende partij toont in haar verzoekschrift vooreerst niet aan, noch maakt zij aannemelijk, dat de vergunde assortimenten zich in de zone voor ‘groencorridor en landschapsbuffer’ van het gewestelijk afbakenings-RUP zouden situeren. Het ontheffingsdossier inzake de project-MER, waarnaar zij in haar memorie van wederantwoord in dat verband verwijst, gaat uit van een ruimer programma dan het vergunde, met namelijk een netto handelsvloeroppervlakte van 23.770 m² tegenover 16.425 m². De verzoekende partij gaat er bovendien aan voorbij dat, zoals gesteld in het gewestelijk afbakenings-RUP, voor de bestaande bebouwing een “uitdoofscenario” wordt beoogd, om “op termijn” tot de noodzakelijke buffering te komen. De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 11.1.2 van het gewestelijk afbakenings-RUP bepalen inderdaad dat de in de zone voor ‘groencorridor en landschapsbuffer’ gelegen vergunde of vergund geachte gebouwgedeeltes kunnen behouden blijven. De toelichting bij de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 11.1.2 stelt in dit verband nog dat “[g]ezien het hier om een economische functie gaat (grootschalige kleinhandel), […] het belangrijkste element op het terrein uiteraard de bruikbare economische oppervlakte [is]” en dat “de groeninvulling daar ondergeschikt aan [zal] zijn.” Met betrekking tot een en ander stelt het vermelde gewestelijk afbakenings-RUP ook nog dat de huidige ontsluiting behouden kan blijven tot de realisatie van de nieuwe ontsluiting, waarbij “de verkeersstructuur via de ovonde geënt zal worden op de Zuiderring”. De verzoekende partij gaat aan dit alles voorbij, alsook aan het feit dat het ICD in het bestreden besluit wel degelijk oog heeft gehad voor de ontsluiting van de site conform de voorschriften van het X-17.508-9/16 gewestelijk afbakenings-RUP. Zo overweegt het ICD dat uit dit RUP volgt “dat er ontsloten moet worden via de Bosdel, die in de toekomst ook geknipt zou worden”, en “dat er enkel milderende maatregelen mogelijk zijn om de verkeersimpact van het project te verminderen (aanpassing lichtenregeling en knip Bosdel)”. 9.
  25. Gelet op wat voorafgaat, toont de verzoekende partij geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 9.
  26. Het middel is hoe dan ook ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 10.
  27. De verzoekende partij voert in een vierde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, alsook van het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en het materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en van “art. 159 van de Grondwet”. Zij zet uiteen dat de project-MER-ontheffingsbeslissing en de mobiliteitsstudie uitgaan van een bruto handelsvloeroppervlakte van 35.764 m², terwijl met het bestreden besluit slechts 16.425 m² netto handelsoppervlakte wordt vergund. Deze beslissing en studie zijn achterhaald. Hoewel de handelsoppervlakte wordt verlaagd, kan niet worden uitgesloten dat er andere milieueffecten optreden. “De geldigheidsduur van vier jaar van een [project-MER-ontheffingsbeslissing] is geen argument om een achterhaalde [plan-MER-ontheffingsbeslissing] te kunnen blijven gebruiken of een [plan-MER-ontheffingsbeslissing] die betrekking heeft op een ander project in het kader van de voorliggende aanvraag te hanteren”. Uit de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen blijkt dat de mobiliteitsstudie achterhaald is, dat de oplossing voor potentiële conflicten tussen doorgaand verkeer en in- en uitrijdend verkeer wordt doorgeschoven naar latere afspraken met de stad Genk, en dat het laden en lossen niet op een veilige manier kan gebeuren. Door hier geen rekening mee te houden, is de beoordeling X-17.508-10/16 van de bestreden beslissing inzake mobiliteit kennelijk onredelijk en onzorgvuldig. Ook wat de onveilige bereikbaarheid voor zwakke weggebruikers en de fietsparking betreft, is het onzorgvuldig om dit aspect te laten afhangen van een later standpunt van de stad Genk, waarvoor niet in het minst garanties bestaan. Er zal ook verkeers- en mobiliteitshinder optreden voor de handelsvestigingen van de verzoekende partij, wat blijkt uit het plan-MER voor het gewestelijk afbakenings-RUP. De verkeerseffecten “op het wijdere wegennet”, zoals het kruispunt van de Oosterring en de Europalaan, worden niet onderzocht, en de cijfers waarop de mobiliteitsstudie en het ontheffingsdossier voor het project-MER steunen, zijn meer dan vier jaar oud. De bestreden beslissing kan in dit opzicht ook niet verwijzen naar het gewestelijk afbakenings-RUP dat immers onwettig is. De project-MER-ontheffingsbeslissing kan niet steunen op het plan-MER, dat gebaseerd is op achterhaalde gegevens. 10.
  28. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat het wel degelijk mogelijk is om kritiek te leveren op de project-MER-ontheffingsbeslissing en de mobiliteitsstudie, nu deze de “onontbeerlijke grondslag” vormen voor de bestreden beslissing. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk heeft terecht besloten tot het achterhaalde karakter van de gegevens in de mobiliteitsstudie. Voorts meent zij dat de mobiliteit van de zwakke weggebruiker wel degelijk een essentiële component is in het dossier. Beoordeling 11.
  29. In zoverre de verzoekende partij een deel van haar argumentatie steunt op de onwettigheid van het gewestelijk afbakenings-RUP, zij erop gewezen dat het beroep van de verzoekende partij tegen dit RUP met ’s Raads arresten nrs. 245.469 van 17 september 2019 en 247.546 van 13 mei 2020 verworpen is geworden, en dat de verzoekende partij van haar desbetreffende eerste middel afstand heeft gedaan. 11.
  30. Het volstaat niet om te wijzen op een zeker tijdsverloop om de actualiteit van de MER-gegevens inzake mobiliteit te betwisten. Dat de gevraagde X-17.508-11/16 handelsvestigingsvergunning door het ICD slechts gedeeltelijk wordt verleend, brengt voorts nog niet mee dat de mobiliteitsstudie en de effectennota, waarop de project-MER-ontheffingsbeslissing is gestoeld, achterhaald zouden zijn. De verzoekende partij staaft haar bewering niet dat er “andere milieueffecten” zouden kunnen optreden door de inperking van het handelsproject. 11.
  31. De omstandigheid dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk in eerste bestuurlijke aanleg over het mobiliteitsaspect ongunstig heeft geoordeeld, doet op zich nog niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing besluiten. Het ICD geeft in de bestreden beslissing aan kennis te hebben van het standpunt van de stad Genk inzake mobiliteit, en maakt duidelijk waarom hij in beroep anders oordeelt. Zoals de verwerende en de tussenkomende partij terecht opmerken, heeft dit mede betrekking op het gegeven dat het gevraagde slechts gedeeltelijk wordt vergund. De verzoekende partij overtuigt er niet van dat de resultaten van de mobiliteitsstudie in dit verband niet langer relevant en accuraat zouden zijn. De mening van de verzoekende partij dat de impact “op het wijdere wegennet” had moeten onderzocht worden, toont nog niet aan dat de mobiliteitsstudie niet zou volstaan. 11.
  32. Zoals in de bestreden beslissing wordt aangegeven, zal het handelscomplex, in afgeslankte vorm, waar in hoofdzaak meer volumineuze goederen te koop zullen worden aangeboden, hoogstens slechts in marginale mate kopers aantrekken die te voet of met de fiets komen. Dat “de stad Genk zal moeten bekijken welke initiatieven samen met de aanvrager kunnen genomen worden om de toegang tot de site voor de zwakke weggebruikers veilig te laten verlopen”, toont in dit licht de onwettigheid van de bestreden beslissing niet aan. 11.
  33. Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel X-17.508-12/16 12.
  34. De verzoekende partij voert in een vijfde middel de schending aan van artikel 11.1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk afbakenings-RUP, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij zet uiteen dat overeenkomstig artikel 11.1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk afbakenings-RUP op de site enkel “ruimtebehoevende handelszaken die omwille van hun grootte niet mogelijk zijn in het kerngebied en die complementair zijn ten opzichte van de handel in het centrum” worden toegelaten. In de bestreden beslissing wordt onvoldoende onderzocht of het vergunde aan die kwalificatie beantwoordt. In eerste bestuurlijke aanleg wees het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk op de zorgwekkende leegstandscijfers, en in het eerste middel wordt aangetoond dat hiermee bij de vaststelling van het gewestelijk afbakenings-RUP onvoldoende rekening werd gehouden. Het ICD kon dan ook niet nuttig naar dit onwettige RUP verwijzen “om voor te houden dat de impact inzake leegstand reeds op GRUP-niveau werd beoordeeld”. Daarnaast heeft het college van burgemeester en schepenen opgemerkt dat er in het kernwinkelgebied nog voldoende mogelijkheden zijn voor grootschalige kleinhandel, zoals in Shopping 1, met meer dan voldoende mogelijkheden inzake bereikbaarheid. Ook Unizo adviseerde ongunstig. Met de bestreden beslissing worden nog steeds assortimenten vergund die evenzeer mogelijk zijn in kerngebied, zoals een dierenspeciaalzaak ten belope van 675 m² netto handelsoppervlakte. Op dat punt wordt zonder enige motivering en zonder zorgvuldig onderzoek voorbijgegaan aan het advies van Unizo Genk en aan de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing van de stad Genk. 12.
  35. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit, wat betreft de complementariteit van de vergunde handelszaken en assortimenten, gemotiveerd is met een “loutere stijlformule”. Beoordeling X-17.508-13/16 13.
  36. In zoverre het middel verwijst naar het eerste middel, volstaat het te herhalen dat de daarin aangevoerde onwettigheden tegen het gewestelijk afbakenings-RUP met ’s Raads arresten nrs. 245.469 van 17 september 2019 en 247.546 van 13 mei 2020 verworpen zijn geworden, en dat de verzoekende partij van haar desbetreffende eerste middel afstand heeft gedaan. Verder zij herhaald dat het niet volstaat om te verwijzen naar de in eerste bestuurlijke aanleg door het college van burgemeester en schepenen genomen beslissing om de onwettigheid van de bestreden beslissing aan te tonen. 13.
  37. In het bestreden besluit wordt onder meer overwogen dat de site aan de Zuiderring in de richtinggevende principes van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de stad Genk (het GRS) geselecteerd is als “strategische locatie” voor “grootschalige, geschakelde handelsruimtes met een sterk autogericht karakter”, dat ook de provincie de locatie heeft “geselecteerd als kleinhandelsconcentratie type II”, dat het de bedoeling is het geheel te “behouden en versterk[en]” en “een opwaardering en een optimalisatie van het ruimtegebruik” te bewerkstelligen, dat de handelszone ook in de bindende bepalingen van het GRS “is geselecteerd als locatie voor grootschalige detailhandelsactiviteiten” en dat verder het strategisch commercieel plan van de stad Genk als “prioriteit […] het aantrekkelijk maken en uitbreiden van het bestaande retailpark Bosdel” vooropstelt “met een uitbreiding tot 25 à 30.000 m² winkel-vloeroppervlakte, enkel grootschalige winkels, aantrekkelijke branchering – geen branchebeperking”. Gesteld wordt nog dat de aanvrager een groot aantal argumenten naar voor brengt om aan te tonen dat de vergunde handelszaken wel degelijk passen in de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk afbakenings-RUP en complementair zijn met de handel in het stadscentrum, dat akkoord wordt gegaan met de visie van het NSECD “dat schoenen en textiel assortimenten zijn die zich sterk richten op het vergelijkend, belevend winkelgedrag en perfect kunnen verkocht worden in het winkelcentrum” en dat die assortimenten dan ook niet vergund worden, dat het ICD de stad bijtreedt om ook de assortimenten speelgoed en ontspanning, elektro en woninginrichting uit te sluiten van vergunning omdat het aanvraagdossier onvoldoende concrete gegevens bevat om te kunnen uitmaken of de handelszaken in die branches wel complementair zijn met de X-17.508-14/16 handelsactiviteiten in het stadscentrum, dat “de aangevraagde assortimenten keukens, meubels, diepvriescentrum, supermarkt, doe-het-zelf, drankenhandel, tuin en dieren (…) wel als complementair met het handelscentrum worden beschouwd”. Ten slotte wordt erop gewezen dat de beperkingen in wat wordt vergund “noodzakelijk [zijn] voor de bescherming van het stedelijk milieu” en verenigbaar zijn met de Europese dienstenrichtlijn, het decreet integraal handelsvestigingsbeleid en de voorschriften van het gewestelijk afbakenings-RUP, dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk zelf heeft gesteld dat de aanwezigheid van “de assortimenten keuken, meubels, diepvries, supermarkt, doe-het-zelf, dranken, tuin en dieren” op de site aan de Zuiderring niet “kernverstorend” zal werken, “maar wel […] de andere assortimenten die zouden worden aangeboden op de Bosdel site”, en dat de stad ook in een later schrijven aan het ICD “aan[geeft] dat enkel de branches keukens, meubels, diepvries, supermarkt, doe-het-zelf, drankenhandel en tuin en dieren complementair zijn met de handel in de binnenstad”. 13.
  38. De voormelde overwegingen kunnen in redelijkheid volstaan om de bestreden beslissing te verantwoorden. De verzoekende partij beperkt zich in hoofdzaak tot het formuleren van een eigen mening over het gevraagde, wat de onwettigheid van het bestreden besluit nog niet aantoont. 13.
  39. Het middel wordt verworpen. V. Besluit
  40. De middelen zijn ongegrond gebleken. Het beroep moet hoe dan ook verworpen worden. BESLISSING
  41. De Raad van State verwerpt het beroep.
  42. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van X-17.508-15/16 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.508-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.274 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.