← België

Arrest 252277 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 01/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.277 Rolnummer: A. 225822/X-17293 Zaak: Arrest 252277 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 01/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-10 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-12 14:25 Fiche Arrest nr 252.277 van 1 december 2021 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Buitengewone herstelvergoeding (weigering) Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.277 van 1 december 2021 in de zaak A. 225.822/X-17.293 In zake : Herman MARTENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE SCHOTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend te 2630 Aartselaar Karel van de Woestijnelaan 7 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Schoten van 29 maart 2018 om de statutaire functie van financieel directeur in te vullen door middel van aanwerving. Tevens vraagt hij op 25 februari 2021 om de verwerende partij te veroordelen tot de betaling aan hem van een schadevergoeding tot herstel. X-17.293-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend en de verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juni
  3. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: Raad van State-wet). III. Juridisch kader en feiten
  4. Het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: decreet lokaal bestuur) vervangt de bestaande decreten die de organisatie en de werking van de Vlaamse lokale besturen regelen. Het voorziet onder meer in het ambt van financieel directeur, die in de plaats treedt van zowel de financieel beheerder van de gemeente als de financieel beheerder van het OCMW. X-17.293-2/15 Artikelen 581 tot en met 589 behelzen de overgangsbepalingen inzake onder meer de financieel directeur. Artikel 583, § 2, eerste lid, schrijft voor dat als de titularis van het ambt van financieel beheerder van de gemeente en de titularis van het ambt van financieel beheerder van het OCMW dat de gemeente bedient verschillende personen zijn, de gemeenteraad de titularissen kan oproepen om zich kandidaat te stellen voor het ambt van financieel directeur. Als geen van die personen zich tijdig kandidaat stelt of als de gemeenteraad geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid vermeld in het eerste lid, vult luidens artikel 583, § 2, vierde lid, de gemeenteraad het ambt in door aanwerving of bevordering. 4.
  5. Verzoeker is financieel beheerder van de gemeente Schoten. Op 29 maart 2018 stelt de gemeenteraad van Schoten de functiebeschrijving van financieel directeur vast. Tevens beslist de gemeenteraad om de statutaire functie van financieel directeur in te vullen door middel van aanwerving, en kiest hij dus niet om de zittende financieel beheerders op te roepen om zich kandidaat te stellen. Die laatste beslissing is het voorwerp van het voorliggende beroep. Verzoeker neemt niet deel aan de aanwervingsprocedure. 4.
  6. De gemeenteraad beslist op 28 maart 2019 om zich aan te sluiten bij de rangschikking van de kandidaten opgesteld door het selectiebureau en om W.V. aan te stellen als statutair financieel directeur met een proefperiode van twaalf maanden. Dat is het voorwerp van verzoekers beroep bij de Raad van State, gekend onder nr. A. 228.125/X-17.
  7. Het is overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van de Raad van State-wet verworpen geworden bij arrest nr. 246.783 van 21 januari 2020 wegens gebrek aan belang, bij gemis van een memorie van wederantwoord. X-17.293-3/15 4.
  8. Nadat het college van burgemeester en schepenen op 14 mei 2020 instemde met een gunstige evaluatie van W. V. als financieel directeur, stelt de gemeenteraad haar op 28 mei 2020 definitief aan als financieel directeur. Die beslissing is het voorwerp van verzoekers beroep in de zaak A. 231.419/X-17.
  9. IV. Beroep tot nietigverklaring – ontvankelijkheid Exceptie
  10. In haar verslag concludeert de eerste auditeur ambtshalve dat verzoeker door zijn eigen toedoen geen actueel belang meer heeft bij zijn beroep tot nietigverklaring: “Opdat de bestreden beslissing zou kunnen worden vernietigd, is vereist dat de aanstelling van financieel directeur naar behoren binnen het bereik van de Raad van State is gebracht. Dit is ten deze niet het geval.” De verwerende partij sluit zich daar in de laatste memorie bij aan.
  11. In zijn laatste memorie betwist verzoeker de exceptie. In de eerste plaats betoogt hij een moreel belang te hebben. Het zou manifest “de bedoeling, de wens en het objectief van de gemeenteraad” zijn de kans van verzoeker op benoeming te bemoeilijken, “nl. door de concurrentie ervoor te vergroten”. Verzoeker is in 1989 bij de gemeente in dienst getreden als ontvanger en binnen de gemeente dus al bijna dertig jaar lang de hoogste ambtenaar in financiële zaken. Niet alleen is de keuze voor een aanstelling door aanwerving bedoeld om hem “aan de kant te kunnen schuiven”, ze voelt ook aan als een negatieve beoordeling van zijn functioneren en wordt in de plaatselijke omgeving zo gepercipieerd. Aansluitend verwijst verzoeker naar het “administratief isolement” waarin hij sinds de zomer van 2018 zegt te moeten functioneren. X-17.293-4/15 Voorts verwijst verzoeker naar artikel 104, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007 ‘houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn’ (hierna: het Vlaamse rechtspositieregelingsbesluit van 7 december 2007). Hij concludeert eruit dat zelfs als men aanneemt dat de Raad van State de definitieve aanstellingsbeslissing niet kan vernietigen, omdat de aanstelling op proef definitief is, dan kan men nog “niet heen om de vaststelling dat een loutere onregelmatigverklaring tot een ambtshalve beëindiging van de definitieve benoeming moet leiden”. Eveneens benadrukt verzoeker dat hij “de definitieve aanstellingsbeslissing” aanvecht en beroept hij zich op “de leer” van de arresten nr. 216.022 van 26 oktober 2011 en nr. é.442 van 11 januari 2016 om te doen gelden dat deze definitieve aanstellingsbeslissing niet onaantastbaar is geworden. Nog volgens verzoeker is de definitieve aanstelling van 28 mei 2020 een gevolgakte van de beslissing om de betrokkene op proef aan te stellen. Zou, aldus verzoeker, wanneer vandaag een onderzoek werd gevoerd naar het per hypothese hangende beroep tegen de aanstelling op proef, men “dan van oordeel zijn dat de aanstelling op proef niet langer ‘binnen het bereik’ van de Raad van State ligt, om dit beroep onontvankelijk te bevinden, en om dan vervolgens op grond van de jurisprudentiële constructie van de gevolgakte meteen ook alle andere vorderingen als onontvankelijk te […] kwalificeren?”. Ten slotte doet verzoeker gelden dat hij alleszins bij de aanvang van het beroep een belang had bij het verkrijgen van de nietigverklaring van de beslissing van 29 maart 2018 en dat hij een verzoek om schadevergoeding tot herstel indient: “In het kader van het annulatieberoep, dat ontvankelijk was op de dag waarop het werd ingesteld en gezien het verlies aan actueel belang de verzoekende partij niet verwijtbaar is, blijven wel nog de aangevoerde X-17.293-5/15 middelen tot nietigverklaring te onderzoeken en de eventuele onwettigheid van de beslissing vast te stellen in zoverre dit onderzoek en de vaststelling nodig zijn om over de gevorderde schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen.” Beoordeling
  12. Het beroep tot nietigverklaring kan, gelet op artikel 19, eerste lid, van de Raad van State-wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Het vereiste belang moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. Opdat het belang als toereikend kan worden beschouwd, moet de nietigverklaring de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring. Dat voordeel moet in principe dan ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing. Die genoegdoening houdt immers in wezen enkel verband met het horen gegrond verklaren van één of meer van de aangevoerde middelen en niet met het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde.
  13. De bestreden beslissing is een voorbereidende beslissing. Als zodanig maakt ze een onderdeel uit van een complexe administratieve rechtshandeling die is uitgelopen op de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Schoten van 28 maart 2019 om W. V. op proef aan te stellen als statutair financieel directeur. In beginsel is een voorbereidende beslissing niet voor vernietiging vatbaar en moet haar eventuele onwettigheid worden aangevoerd in het kader van een beroep tegen de eindbeslissing. Eventueel kan de voorbereidende beslissing toch afzonderlijk bestreden worden, wanneer ze niet zuiver voorbereidend is, maar van aard om dadelijk werkende rechtsgevolgen mee te brengen die de situatie van de X-17.293-6/15 verzoekende partij nadelig beïnvloeden. Dit belet echter niet dat de verzoekende partij in voorkomend geval ook nog de voor haar ongunstige eindbeslissing bijtijds met een beroep zal moeten bestrijden om te voorkomen dat die eindbeslissing definitief wordt en dat zij daardoor haar belang bij het beroep tegen de voorbereidende beslissing verliest.
  14. Te dezen blijkt onmiskenbaar dat verzoeker met zijn beroep beoogt zelf als financieel directeur te worden aangesteld. Terecht merkt hij hieromtrent op dat de bestreden beslissing zijn kans op deze aanstelling bemoeilijkt, “nl door de concurrentie ervoor te vergroten”. Bijgevolg kan worden aangenomen dat de bestreden beslissing, ofschoon voorbereidend, door verzoeker ontvankelijk met een annulatieberoep kan worden aangevochten.
  15. Vermits de complexe administratieve rechtshandeling waarvan de bestreden beslissing deel uitmaakt intussen finaal uitmondde in de aanstelling van W. V. als financieel directeur, moest, zoals gezien, verzoeker om het voordeel te vrijwaren dat hij met het voorliggende beroep beoogt – zelf als financieel directeur aangesteld worden – tijdig bij de Raad van State ook de nietigverklaring vorderen van deze eindbeslissing, die door de bestreden beslissing mee voorbereid is geworden. Met zijn beroep in de zaak A. 228.125/X-17.498 heeft verzoeker effectief een annulatieberoep ingesteld tegen de beslissing waarmee W. V. op proef werd aangesteld als financieel directeur. Dat beroep is evenwel bij arrest nr. 246.783 van 21 januari 2020 verworpen geworden wegens het ontbreken van het vereiste belang.
  16. Tevergeefs meent verzoeker niettemin nog een afdoende belang bij het voorliggende beroep te hebben, door te doen gelden dat hij – in de zaak A. 231.419/X-17.765 – de beslissing heeft aangevochten waarmee W. V., nadat zij X-17.293-7/15 met goed gevolg de proeftijd doorliep, in vast verband als financieel directeur werd aangesteld. Die beslissing is echter niet het eindpunt van de complexe administratieve rechtshandeling tot aanstelling van een financieel directeur. Ze situeert zich ná dat eindpunt – de beslissing om W. V. op proef aan te stellen als financieel directeur – en is er, in de termen van het arrest nr. 173.201 van 5 juli 2007, het “natuurlijke en logische gevolg” van. Het brengt mee dat de eventuele vaststelling van een onwettigheid in het kader van het tegen de aanstelling op proef niet zonder gevolgen zou kunnen blijven voor de nagekomen vaste aanstelling die binnen het bereik van de Raad van State is gebracht. Maar een heel andere zaak is de weerslag op de vaste aanstelling van een beweerde onwettigheid waarmee de aanstelling op proef zou zijn behept, wanneer die aanstelling op proef intussen definitief is geworden omdat er geen beroep tegen werd ingesteld of omdat dat beroep – zoals te dezen – verworpen werd. In een dergelijk geval kan, precies om de vermelde reden, de onwettigheid van de aanstelling op proef niet (meer) de nietigverklaring door de Raad van State van de vaste aanstelling verantwoorden.
  17. De arresten van de Raad van State nr. 216.022 van 26 oktober 2011 en nr. é.442 van 11 januari 2016 kunnen er niet van overtuigen om het te dezen anders te zien. In de zaak die tot het arrest nr. 216.022 van 26 oktober 2011 leidde, werd de verzoeker tuchtrechtelijk ontslagen als OCMW-ontvanger. Hij vocht dat ontslag met succes aan en bestreed vervolgens de vaste aanstelling als ontvanger van zijn opvolger. Als in het arrest de Raad van State niet meegaat met de exceptie dat verzoeker naliet de benoeming van de betrokkene tot ontvanger op proef te bestrijden, dan is het omdat slechts één persoon de functie van ontvanger kan uitoefenen en omdat de vernietiging van verzoekers ontslag impliceert dat hij, zonder dat een nieuw besluit moeten worden genomen, geacht wordt steeds ontvanger te zijn gebleven, zodat hij er terecht van mocht uitgaan dat de X-17.293-8/15 verwerende partij de toestand van zijn opvolger aan de vernietiging van verzoekers ontslag zou aanpassen. Het arrest nr. é.442 van 11 januari 2016 gaat in dezelfde zin. In die zaak was de verzoeker, na een ongunstige eindevaluatie van zijn proeftijd als (enige) financieel beheerder van het OCMW, ontslagen. Het arrest doet ervan blijken dat de verwerende partij terecht van mening is dat zij na de vernietiging van de ongunstige eindevaluatie van de proeftijd van verzoeker en van zijn ontslag, de nieuwe financieel beheerder die ter opvolging op proef is aangesteld, uit die functie zal moeten verwijderen, al werd zijn aanstelling op proef niet aangevochten. Terwijl aldus de vernietigingen door de arresten 216.022 en é.442 tot direct gevolg hadden dat de betrokken verzoekers zich hervinden in de functie van enige ontvanger of financieel beheerder die zij voordien bekleedden, wat de respectieve verwerende partijen er hoe dan ook toe verplichtte de situatie van hun opvolgers hieraan aan te passen, zou een vernietiging van de beslissing die te dezen aangevochten wordt, verzoeker geenszins terugplaatsen in de functie van financieel directeur en in voorkomend geval dan ook niet noodzaken dat de verwerende partij de situatie van W. V. eraan aanpast, ook al werd haar aanstelling als financieel directeur op proef niet ontvankelijk bestreden.
  18. Evenmin kan artikel 104, eerste lid, 1°, van het Vlaamse rechtspositieregelingsbesluit van 7 december 2007 verzoeker baten. Overeenkomstig die bepaling wordt ambtshalve een einde gemaakt aan de hoedanigheid van statutair personeelslid als de statutaire aanstelling onregelmatig werd bevonden binnen de termijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of, als een zodanig beroep is ingesteld, tijdens de procedure. Verzoeker heeft tegen zowel de aanstelling op proef van W. V. als financieel directeur, als tegen haar vaste aanstelling een beroep ingesteld. Het eerste beroep is verworpen bij arrest nr. 246.783 van 21 januari 2020, het tweede wordt verworpen bij arrest nr. 252.278 van 1 december
  19. Er is binnen de termijn van deze procedures geen onregelmatigheid vastgesteld. X-17.293-9/15
  20. Uit wat voorafgaat, volgt dat een vernietiging van de bestreden voorbereidende beslissing verzoeker niet dichter zou brengen bij de door hem beoogde aanstelling als financieel directeur. Het sluit op zich niet uit dat hij toch nog van een moreel belang bij het beroep tot nietigverklaring en het doen verdwijnen van de bestreden beslissing blijk geeft. Concreet acht verzoeker dit moreel belang voorhanden, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak die er beweerdelijk van doen blijken dat het de bedoeling van de verwerende partij is om hem, nadat hij bijna dertig jaar de hoogste ambtenaar in financiële zaken is geweest, aan de kant te schuiven, wat als een negatieve beoordeling van zijn functioneren te beschouwen is. De Raad van State valt verzoekers zienswijze niet bij. In de motivering voor de keuze om de functie van financieel directeur door middel van aanwerving in te vullen, wordt op geen enkele wijze gewag gemaakt van of zelfs maar gerefereerd aan een ongunstige beoordeling van de capaciteiten van of beroepsuitoefening door de zittende financieel beheerders. De keuze wordt verantwoord door de overweging dat de integratie van gemeente en OCMW een grotere en complexere organisatie oplevert, ook in haar aansturing, dat daarvoor competenties en functievereisten nodig zijn die “van een andere orde zijn dan deze die momenteel vereist worden voor OCMW en gemeente afzonderlijk”, dat daarom in een nieuwe functiebeschrijving voor financieel directeur is voorzien, en dat in dat licht het best gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid in artikel 583, § 2, van het decreet lokaal bestuur om de functie van financieel directeur in te vullen door middel van aanwerving. Aan die aanwervingsprocedure mag overigens ook verzoeker deelnemen.
  21. Louter ten overvloede wenst de Raad van State in dit verband nog te verwijzen naar het arrest nr. 252.087 van 9 november
  22. Het wijst uit dat X-17.293-10/15 verzoekers enige middel, waarin hij – in aansluiting op het besproken moreel belang bij het beroep – precies de onwettigheid van de keuze doet gelden om de functie van financieel directeur via aanwerving in te vullen, op onjuiste aannames berust. Verzoekers enige middel luidt: “Enig middel, genomen uit de schending van art. 10 en 11 van de Grondwet, art. 583, § 2 en 589, § 2 van het Decreet Lokaal Bestuur, art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Doordat de gemeenteraad in de bestreden akte beslist om het ambt van financieel directeur in te vullen door aanwerving of bevordering. Terwijl, de gemeenteraad, na een zorgvuldig onderzoek van het dossier, een weloverwogen keuze moet maken tussen de mogelijkheden voor de invulling van het ambt van financieel directeur, nl. de oproeping van de zittende financieel beheerders of de invulling van het ambt door aanwerving of bevordering, rekening houdende met de wil van de decreetgever om de oproeping van de zittende financieel beheerders als principiële keuze voorop te willen stellen, waarvan het bestaan moet blijken uit de motieven van de akte en het daaraan ten grondslag liggende dossier, en zeker wanneer voor de minder voor de hand liggende keuze voor de invulling van het ambt door aanwerving of bevordering wordt geopteerd. En terwijl, de gemeenteraad, bij deze keuze, rekening dient te houden met alle door de decreetgever vooropgestelde criteria inzake de continuïteit en de kwaliteit van de openbare dienstverlening, het zuinigheids- en redelijkheidsbeginsel en de éénheid van sturing, en hierbij geen abstractie mag maken van één of meerdere van deze criteria, minstens niet dan na op afdoende wijze te hebben aangegeven, wezen het in stukken die deel uitmaken van het dossier dat aan de beslissing ten grondslag liggen, waarom met één of twee van de criteria te dezen geen rekening gehouden kan worden. En terwijl, indien de gemeenteraad er al mee zou kunnen volstaan om énkel het criterium van de aansturing in aanmerking te nemen, quod non, hij concreet in de beslissing dan wel op grond van de stukken van het dossier op grond waarvan hij de beslissing heeft genomen, aannemelijk moet maken in welke mate de aansturing noopt tot de keuze voor een open procedure, zeker in geval blijkt dat het louter bestaan van het vereiste van aansturing voor de invulling van het ambt van algemeen directeur de gemeenteraad er niet toe gebracht heeft om voor dit ambt een andere aanwijzingsprocedure te kiezen dan de principiële, nl. door de keuze te maken tussen de zittende secretarissen.” X-17.293-11/15 In het arrest nr. 252.087 van 9 november 2021 wordt onder meer geoordeeld dat de decreetgever niet zonder redengeving in artikel 583 van het decreet lokaal bestuur in de mogelijkheid heeft voorzien om voor de aanstelling van de financieel directeur te kiezen voor de normale toepassing van het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt en dat hij, verre van er “principieel en gemotiveerd” voor te kiezen om van die toepassing af te wijken, juist uitdrukkelijk het tegendeel heeft gedaan door weldoordacht tegemoet te komen aan de verzuchting van de vakorganisaties en door alsnog voor de nieuwe functies van algemeen en van financieel directeur plaats in te ruimen voor het principe van de gelijke toegang tot het openbaar ambt. Hij deed er, aldus het arrest, “des te beter” mee uitkomen dat de beperking van de toegang tot de functie van financieel directeur, tot de zittende financieel beheerders, een uitzondering is op de normale invulling van die functie. De mogelijkheid van die uitzondering sluit volgens het arrest niet in “dat er een bijzondere motivering, formeel of minstens inhoudelijk, voorhanden zou moeten zijn, of dat er op enige manier naar de verantwoording van die uitzondering zou dienen te worden ‘teruggekoppeld’, wanneer de gemeenteraad wenst het principe toe te passen en niet voor de uitzondering op de normale invulling kiest”. Het arrest wijst aldus uit dat verzoeker er in het middel onterecht van uitgaat dat het “de wil van de decreetgever [is] om de oproeping van de zittende financieel beheerders als principiële keuze voorop te […] stellen”, dat de invulling van het ambt van financieel directeur door aanwerving “de minder voor de hand liggende keuze” zou zijn, en dat de gemeenteraad in voorkomend geval speciaal moet aangegeven waarom hij zich niet liet leiden door de overwegingen van continuïteit en kwaliteit van de openbare dienstverlening, van het zuinigheids- en redelijkheidsbeginsel en van een transitiemanagement naar eengemaakte sturing, die verantwoorden waarom de decreetgever in de mogelijkheid heeft voorzien om de keuze voor de aanstelling tot financieel directeur te beperken tot de zittende financieel beheerders. X-17.293-12/15
  23. In zoverre, ten slotte, verzoeker meent zijn belang te hebben behouden in het kader van een vordering tot schadevergoeding tot herstel, doet hij terecht gelden, onder verwijzing naar het arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nr. 244.015 van 22 maart 2019, dat artikel 11bis van de Raad van State-wet het instrument is om, ingeval het belang van een verzoeker in de annulatieprocedure buiten zijn tekortkoming om evolueert naar nog alleen een belang om de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding, toch nog een beoordeling van de aangevoerde middelen tot nietigverklaring te verkrijgen in zoverre dat nodig is om over de gevorderde schadevergoeding tot herstel uitspraak te doen. Ten onrechte evenwel is verzoeker van oordeel dat zijn verlies aan belang lopende de annulatieprocedure hem niet verwijtbaar is. Het is toe te schrijven aan zijn verzuim een memorie van wederantwoord in te dienen in het kader van zijn beroep tot nietigverklaring van de aanstelling op proef van W. V. als financieel directeur, waardoor dat beroep wegens gebrek aan belang is verworpen.
  24. Samenvattend, wordt het beroep tot nietigverklaring van de bestreden voorbereidende beslissing verworpen bij gebrek aan actueel belang. V. Verzoek tot schadevergoeding tot herstel – rolrecht en bijdrage
  25. Overeenkomstig artikel 70, § 1, eerste lid, 2°, in fine, van het algemeen procedurereglement geven de verzoeken tot schadevergoeding tot herstel aanleiding tot de betaling van een recht van 200 euro. Dit rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement moeten worden gekweten op de rekening bedoeld in artikel 71, eerste lid, van het algemeen procedurereglement. Gebeurt dat niet tijdig na daartoe door de griffie te zijn uitgenodigd, dan wordt de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft naar eis van artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement beschouwd als niet verricht. X-17.293-13/15
  26. Te dezen heeft verzoeker het vereiste recht en de bijdrage nog niet betaald. Dat alsnog doen ware, gelet op de overweging sub 16, zinloos. Er is reden om het verzoek tot schadevergoeding tot herstel als niet ingediend te beschouwen. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring. De vordering tot schadevergoeding tot herstel wordt als niet verricht beschouwd.
  28. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op het rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.293-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.293-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.