id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.287 Rolnummer: A. 232070/VII-40941 Zaak: Arrest 252287 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-09 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-12 14:32 Fiche Arrest nr 252.287 van 2 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.287 van 2 december 2021 in de zaak A. 232.070/VII-40.941 In zake :
- de BV AGRO-ENERGIEK
- de LANDBOUWVENNOOTSCHAP VANDAELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Els De Rammelaere kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Christiaan HOORNE
- Dina LEYSEELE
- Rik ADAM
- Anita MARTENS
- Xavier Bernard DE TRACY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Vandamme kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0032 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 10 september 2020 in de zaak 1819-RvVb-0814-A II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 23 december
- VII-40.941-1/15 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 17 juni 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Vandenbroucke, die loco advocaten Gregory Vermaercke en Els De Rammelaere verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Lukas Penders, die loco advocaat Stijn Vandamme verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Met een besluit van 11 april 2019 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de bv Agro-Energiek en de lv Vandaele (hierna: Agro-Energiek en Vandaele) een stedenbouwkundige vergunning voor
(1)het slopen van bestaande stallen met berging,
(2)het VII-40.941-2/15 uitbreiden van een vergistingsinstallatie met herbouw bestaande loods, verbouw bestaande loods voor drooginstallatie en oprichting nieuwe lagune, vergisters, mengtank, sleufsilo, pomphuis, andere inplanting tanks en aanhorigheden, en
(3)het bouwen van een garage.
- Het bestreden arrest verklaart het eerste en zesde middel en bijgevolg het beroep van Hoorne ea. gegrond, vernietigt de vergunning van de deputatie en weigert de stedenbouwkundige vergunning. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van Agro-Energiek en Vandaele
- Agro-Energiek en Vandaele voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet “al dan niet in samenhang met schending van de gevolgen van een vernietigingsarrest en schending van het gezag van gewijsde van het arrest van 18 september 2018” en schending van artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Zij betogen dat na een vernietigingsarrest niet mag worden gehandeld alsof de tijd sinds de vernietigde beslissing is blijven stilstaan en dat er zal rekening moeten worden gehouden met de nieuwe omstandigheden, zoals de gewijzigde regelgeving, sinds de vernietigde beslissing na het vernietigingsarrest van 18 september 2018 van de RvVb. Zij lichten toe dat het hen niet duidelijk is wat het bestreden arrest met de aangehaalde dubbelzinnige/tegenstrijdige motivering bedoelt. Enerzijds stelt het bestreden arrest dat de deputatie een beslissing genomen heeft op grond van gegevens die voorlagen op datum van de beslissing (of 11 april 2019) en dat het aanvraagdossier ruim zes jaar oude gegevens bevatte, waarmee het voor hen niet duidelijk is of het bestreden arrest hiermee op zich het aanwenden van VII-40.941-3/15 actuele gegevens uitsluit of niet. Anderzijds oordeelt het bestreden arrest dat deze bijkomende gegevens dermate afwijken van het aanvraagdossier dat ze een essentiële wijziging van deze aanvraag zouden vormen waardoor de deputatie geenszins bevoegd was om hierover uitspraak te doen. Indien het bestreden arrest in die zin moet geïnterpreteerd worden dat geen actuele gegevens aangewend mogen worden strijdt het met de ingeroepen bepalingen. Zij zetten uiteen dat de vergunningverlenende overheid verplicht is om bij de beoordeling van een aanvraag de actuele feitelijke en juridische omstandigheden in rekening te brengen op grond van artikel 1.1.4 en 4.3.1 VCRO. Zij wijzen er in dit verband op dat de RvVb in een eerder arrest van 18 september 2018 net een motiveringsgebrek in het besluit van de deputatie had weerhouden en dat aan dit arrest gezag van gewijsde kleeft. De deputatie hield in haar herstelbeslissing van 11 april 2019 volgens hen dan ook terecht niet alleen rekening met de cijfers opgenomen in het aanvraagdossier, maar ook met de actuele feitelijke en juridische gegevens van het dossier. Bij een beoordeling in 2019 van een aanvraag die dateert van 2012 kan geen fictie worden gemaakt van de realiteit van de voorbije zeven jaar. In de mate het bestreden arrest oordeelt dat dit niet kan, schendt het arrest de ingeroepen bepalingen. Voor zover het arrest oordeelt dat er wel bijkomende gegevens mogen verstrekt worden, maar dat deze te dezen een essentiële wijziging inhouden, stellen Agro-Energiek en Vandaele dat dit een kennelijk onredelijke en onzorgvuldige beoordeling is die niet strookt met de ware toedracht van dit dossier. Het aanvraagdossier uit 2012 is volgens hen op geen enkele wijze, laat staan op een essentiële manier, gewijzigd aangezien het nog steeds gaat om een stedenbouwkundige vergunning waarvan de plannen/configuratie van de gebouwen nog steeds dezelfde is, om te komen tot een uitbreiding van de landbouwvergister met een capaciteit van 30.000 ton/jaar tot een capaciteit van 60.000 ton/jaar waarbij de installatie nog steeds niet gebonden is aan één bedrijf, maar in functie staat van een aantal bedrijven in de omgeving en waarbij de installatie nog steeds “gevoed” wordt met inputstromen die voor minstens 60% afkomstig zijn van landbouw en maximaal 40% organisch biologische VII-40.941-4/15 afvalstromen. Naar aanleiding van de herneming van het dossier hebben zij enkel de actuele feitelijke en juridische toestand geduid waarmee de deputatie vanzelfsprekend ook rekening moet houden. Juridisch werd gewezen op een bijzondere voorwaarde die is opgelegd in een milieuvergunning van 4 september 2017, met name de bijzondere voorwaarde waarbij voorzien werd dat de mest afkomstig diende te zijn van binnen een straal van 20 kilometer rond het bedrijf ten einde de lokale binding van het bedrijf te verzekeren. Dit is volgens hen geen essentiële wijziging van het aanvraagdossier en het is evident dat de deputatie met deze juridische realiteit rekening diende te houden op het moment van het nemen van haar herstelbeslissing. Daarnaast hebben zij feitelijk duiding verstrekt omtrent de afkomst van de inputstromen en een aantal feitelijke evoluties op het terrein, zoals dit overigens ook gevraagd is geweest in het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: PSA). Evenzeer hebben zij meegedeeld dat zij eind 2018 een aanpalend landbouwbedrijf in eigendom verworven hebben, welk bedrijf overigens al voorzien was in het aanvraagdossier als toeleverancier. Zij benadrukken dat zij niets gewijzigd hebben aan hun aanvraag, maar dat zij enkel de meest recente verwerkingscijfers voorgelegd hebben om aan te tonen dat voldaan wordt aan de opgelegde bijzondere voorwaarde uit de milieuvergunning (20 kilometer) én om tegemoet te komen aan de vraag van de PSA (namelijk afkomst van de inputstromen). Er bestaat geen regelgeving die een aanvrager verbiedt om lopende de aanvraag aanvullende gegevens en informatie ter beschikking te stellen van de vergunningverlenende overheid en dit ter verduidelijking van reeds ingediende stukken en in antwoord of als reactie op een negatief advies dan wel een PSA-verslag. Aan de hand van aangehaalde rechtspraak besluiten zij dat het bestreden arrest ten onrechte een essentiële wijziging afleidt uit het feit dat zij meegedeeld hebben dat zij eind 2018 een aanpalend landbouwbedrijf hadden verworven, hetgeen zou leiden -aldus de RvVb- tot een landbouwbedrijf op een ongeveer driemaal grotere bedrijfssite. De site van de landbouwvergister -voorwerp van de aanvraag- is geenszins plots driemaal groter geworden, zoals het bestreden arrest ten onrechte stelt. Zij lichten verder toe dat de RvVb meent te kunnen besluiten dat er ook door een verdrievoudiging van de eigen inputstromen (van 6,5% naar 19%) VII-40.941-5/15 een essentiële wijziging aan het aanvraagdossier wordt aangebracht. Zij betwisten dit en stellen dat het bestreden arrest er fundamenteel aan voorbijgaat dat de aanvraag betrekking heeft op een landbouwvergister die niet gebonden is aan één bedrijf (het eigen bedrijf) maar evenzeer in functie staat van een aantal bedrijven uit de omgeving. De eventuele vaststelling dat één van beide parameters (eigen bedrijf of omliggende bedrijven) zou fluctueren in de tijd, is irrelevant wanneer vastgesteld wordt dat dit geen impact heeft op het globale cijfer (en dus de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de planologische bestemming). Opdat er al sprake zou kunnen zijn van een essentiële wijziging, zou deze globale parameter fundamenteel verschillend moeten zijn ten opzichte van het aanvraagdossier, hetgeen volgens hen niet het geval is. Volledig ten onrechte baseert de RvVb zich op het verschil in de eigen input. Dit moet evenwel gezien worden in het geheel van de cijfers en is inbegrepen in de totale input van het eigen bedrijf en de invoer binnen een straal van 20 kilometer die nagenoeg gelijk blijft op 78%. Bovendien was een deel van de inputcijfers van het overgenomen bedrijf reeds opgenomen in de verantwoordingsnota bij het aanvraagdossier als aan te voeren uit de nabije omgeving. Zij lichten verder toe dat in het bestreden arrest tevens wordt gesteld dat door de recente cijfers nieuwe essentiële gegevens werden aangevoerd waaromtrent elke inspraakmogelijkheid ontbrak en stellen dat dit fundamenteel onjuist is omdat de cijfers naar voor zijn gebracht als repliek op het verslag van de PSA in een tegensprekelijke procedure, waarop dus alle verweermogelijkheden gevoerd konden worden. Uit niets blijkt dan ook welk belang Hoorne ea. erbij zouden hebben dat omtrent deze wijziging een nieuw openbaar onderzoek zou moeten worden georganiseerd, dan wel een nieuwe aanvraag zou moeten worden ingediend. In de mate dat de RvVb in het bestreden arrest ook verwijst naar de “zeer complexe vergunningshistoriek” in het dossier, vormt dit geen weigeringsgrond en ontbeert het elke rechtsgeldige grondslag. VII-40.941-6/15 In de mate dat de RvVb meent dat het initiële aanvraagdossier gebrekkig en onvolledig was omdat Agro-Energiek en Vandaele een omgevingsvergunning hebben aangevraagd op 13 september 2019 en de nieuwe cijfers aldus essentieel zouden zijn, stellen zij dat dit pertinent onjuist is en niet wordt aangetoond, zodat deze overweging geenszins het bestreden arrest op afdoende wijze kan ondersteunen. De nieuwe aanvraag van 13 september 2019 staat volgens hen volledig los van het dossier dat tot het bestreden arrest aanleiding heeft gegeven omdat het gaat om bijkomende installaties (biofilter en biologische verwerking), die niet voorzien waren/zijn in het dossier dat bij de RvVb ter beoordeling lag. Beoordeling
- Het middel gaat terug op de gegrondverklaring door de RvVb van het eerste en het zesde middel van Hoorne ea.
- In zoverre het middel de schending van de rechterlijke motiveringsplicht aanvoert al dan niet in samenhang met de gevolgen van het arrest van de RvVb van 18 september 2018 en met artikel 4.3.1 VCRO en nalaat te preciseren wanneer het bestreden arrest deze verplichting schendt in samenhang met en afzonderlijk van de gevolgen van het laatst vermelde arrest en artikel 4.3.1 VCRO, mist het de nauwkeurigheid om ontvankelijk te kunnen zijn. Het middel is slechts ontvankelijk in zoverre het de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert.
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is uitgesproken. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. VII-40.941-7/15 Het middel noopt tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb in zoverre het aanvoert dat: - het bestreden arrest kennelijk onredelijk en onzorgvuldig oordeelt dat er wel bijkomende gegevens mogen worden verstrekt maar deze in dit geval een essentiële wijziging inhouden “die niet strookt met de ware toedracht van het dossier”, - zij het aanvraagdossier uit 2012 niet hebben gewijzigd. Het middel in zoverre het deze grieven bevat, is niet ontvankelijk.
- Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
- Het oordeel van de RvVb steunt op volgende overwegingen: “
- In essentie stellen de verzoekende partijen met het eerste middel dat de verenigbaarheid van de aanvraag met het bestemmingsvoorschrift van agrarisch gebied moet worden beoordeeld op grond van de gegevens in het aanvraagdossier, terwijl de verwerende partij de aanvraag vergunt op grond van nieuwe gegevens ‘die substantieel afwijken van de gegevens uit de initiële aanvraag’. In essentie stellen de verzoekende partijen met het zesde middel dat de verwerende partij de vergunning verleent op grond van essentiële aanpassingen aan het dossier door ‘het verwerven van een aanpalend bedrijf in 2018, [en] het in rekening brengen van totaal andere aan- en afvoergegevens dan in de initiële aanvraag’. Door die werkwijze schendt de VII-40.941-8/15 verwerende partij ook de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid in eerste administratieve aanleg. In beide middelen benadrukken ze in dat verband het belang van het openbaar onderzoek om met kennis van zaken over de aanvraag te kunnen oordelen en de vastgestelde legaliteitsbelemmering door de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar.
- Artikel 4.7.12 VCRO, in zijn toepasselijke versie, bepaalt dat ‘binnen de reguliere procedure [een vergunning] afgeleverd [wordt] door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin het voorwerp van de vergunning gelegen is’. Artikel 4.7.14, §1, tweede lid VCRO, in zijn toepasselijke versie, bepaalt dat een aanvraag ontvankelijk en volledig is als ze voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.7.13 VCRO, en de dossiergegevens een onderzoek ten gronde toelaten. Zoals toegelicht in de parlementaire voorbereiding van die bepaling, volstaat het niet altijd dat een aanvraagdossier formeel alle vereiste stukken bevat om als grondslag voor een beslissing te kunnen dienen (memorie van toelichting, Parl. St. Vl. Parl., 2008-09, nr. 2011/1, 179). De dossiergegevens moeten een beslissing met kennis van zaken toelaten. Luidens artikel 4.7.14, §3 VCRO geldt het verdere verloop van de procedure in eerste aanleg en in beroep alleen voor ontvankelijke en volledige aanvragen. Artikel 4.7.21, §1 VCRO, in zijn toepasselijke versie, opent tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag een georganiseerd administratief beroep bij de deputatie van de provincie waarin de gemeente gelegen is. In overeenstemming met artikel 4.7.21, §1 VCRO komt het de deputatie toe de aanvraag aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, met inbegrip van de samenstelling van het aanvraagdossier. De parlementaire voorbereiding licht toe dat de toewijzing van de bevoegdheid aan het college van burgemeester en schepenen om zich als eerste over een vergunningsaanvraag uit te spreken, wel perken stelt aan de bevoegdheid van de deputatie om in administratief beroep wijzigingen aan een aanvraag aan te brengen (Parl. St. Vl. Parl., 2008-09, nr. 2011/1, 183). Artikel 4.3.1, §1, tweede en derde lid VCRO, dat deel uitmaakt van de beoordelingsgronden van een aanvraag, bepaalt de grenzen voor het opleggen van voorwaarden, met inbegrip van een beperkte aanpassing van de plannen, om een strijdigheid van de aanvraag met het recht of de goede ruimtelijke ordening te remediëren. Luidens artikel 4.3.1, §1, tweede lid in fine VCRO mogen voorwaarden niet dienen om de leemtes van een onvolledige of vage aanvraag op te vangen. Artikel 3, §3, 3° van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsaanvragen en aanvragen tot verkavelingswijziging (hierna: Besluit Openbare Onderzoeken)bepaalt: […]
- VII-40.941-9/15 Het voorwerp van de aanvraag betreft een co-vergistingsinstallatie met een capaciteit van 60.000 ton per jaar. Het blijkt niet dat de bestreden beslissing een andere capaciteit vergunt. Het vernietigingsarrest van 27 september 2016 had betrekking op de beoordeling door de verwerende partij van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening en de daarover opgelegde voorwaarden. In dit arrest wees de Raad de verwerende partij er al op dat de perken om te beslissen over een aanvraag die in administratief beroep wijzigingen ondergaan heeft, onder meer in artikel 4.3.1, §1, tweede en derde lid VCRO worden bepaald. In de vernietigde beslissing ging de verwerende partij uit van de gegevens in het dossier zoals deze voorlagen op 20 december
- Het vernietigingsarrest van 18 september 2018 had betrekking op de beoordeling door de verwerende partij van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de bestemming van agrarisch gebied in de zin van artikel 11.4.1 Inrichtingsbesluit, en dus met het recht zoals bedoeld in artikel 4.3.1, §1 VCRO, op grond van onduidelijk- en onzekerheden over de toevoer van de landbouwstromen. Zo bleek uit de gegevens in de vernietigde beslissing noch het lokaal karakter van de inputstromen noch de aard ervan. Dit oordeel van de Raad steunde onder meer op de vaststelling in de bestreden beslissing dat 6,5% van de totale capaciteit afkomstig is van het eigen landbouwbedrijf. In de vernietigde beslissing ging de verwerende partij uit van de gegevens in het dossier zoals deze voorlagen op 19 januari
- De thans bestreden beslissing gaat uit van de gegevens in het dossier zoals deze voorlagen op 11 april
- Op het ogenblik van het nemen van de thans bestreden beslissing bevatte het initiële aanvraagdossier dus ruim meer dan zes jaar oude gegevens.
- Het wordt niet betwist dat [Agro-Energiek en Vandaele] de verwerende partij aanvullende gegevens hebben bezorgd na het arrest van 18 september
- De beoordeling in de bestreden beslissing van de verenigbaarheid met de gewestplanbestemming steunt op die ‘bijkomende gegevens’. De aanvullende gegevens hebben betrekking op de aankoop van het aanpalend landbouwbedrijf waardoor nu al 19 % van de totale input bedrijfseigen is (eerste replieknota van [Agro-Energiek en Vandaele] en waardoor de inputstromen binnen een straal van 20 kilometer 63 % van de gevraagde capaciteit zal bedragen (tweede replieknota van [Agro-Energiek en Vandaele]: • de eerste wijziging van de gegevens in het dossier hebben betrekking op de aankoop eind 2018 van ‘een actief uitgebaat landbouwbedrijf met een totale oppervlakte in eigendom van net geen 35ha (waarvan circa 32ha akkerland), waarop zowel de exploitatie van runderen als varkens plaatsvindt (80 melkkoeien, 30 vaarzen, 30 jongvee; 250 zeugen, 800 biggen en 1.800 vleesvarkensplaatsen)’. • de tweede wijziging van de gegevens in het dossier impliceert dat ‘de binding met het eigen bedrijf [...] vanaf 2019 alleen maar groter zal worden door de recente overname van het onmiddellijk aanpalend bedrijf: hierdoor zal immers nog bijkomend 6.800 ton mest en 2.080 ton energieteelten VII-40.941-10/15 verwerkt kunnen worden (hetgeen het totaal zal brengen op 47.200 ton oftewel 78.66%)’. Die wijzigingen in het dossier leiden tot
(1)bijna een verdrievoudiging van de eigen inputstromen ten opzichte van de oorspronkelijke gegevens in het aanvraagdossier, zijnde van 6,5% naar 19%
(2)een landbouwbedrijf op een ongeveer driemaal grotere bedrijfssite. Redelijkerwijs kan hierdoor moeilijk worden aangenomen dat met die wijzigingen enkel ‘verduidelijking werd gebracht omtrent de ingediende aanvraag’, anders dan de verwerende partij en [Agro-Energiek en Vandaele] stellen. 5.1 Het is niet betwist dat noch het college van burgemeester en schepenen als vergunningverlenende overheid in eerste aanleg noch derden tijdens het openbaar onderzoek kennis hebben kunnen nemen van die aanvullende gegevens en met kennis van zaken zich hebben kunnen uitspreken over het volledige dossier zoals de bestreden beslissing dit nu vergunt. Nu de latere wijzigingen aan het dossier klaarblijkelijk essentiële aanvullende gegevens impliceren, overschrijdt de verwerende partij haar bevoegdheid, zoals dit werd uiteengezet onder het tweede randnummer, te meer daar zowel de dienst Ruimte van de verwerende partij als de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar bij het hernemen van de beroepsprocedure onmiddellijk aangaven dat een nieuwe aanvraag is aangewezen door het onduidelijke en gebrekkige aanvraagdossier en de nu zeer complexe vergunningshistoriek. Het verweer van de verwerende partij dat ze heeft beslist op grond van ‘de meest recente feitelijke gegevens van waar de toevoer van het bedrijf zal komen’, doet geen afbreuk aan deze vaststelling en lijkt integendeel te bevestigen dat (de inhoud en het voorwerp van) het initiële aanvraagdossier, dat aan een openbaar onderzoek werd onderworpen en waarover destijds adviezen werden ingewonnen, in niets meer lijkt op (de inhoud en het voorwerp van) het dossier op grond waarvan de verwerende partij de thans bestreden beslissing heeft genomen. 5.2 Voorgaande vaststellingen lijken ook minstens impliciet in de feiten te worden bevestigd. De Raad stelt immers louter ten overvloede vast dat [Agro-Energiek en Vandaele] enkele maanden na het nemen van de thans bestreden beslissing op 13 september 2019 een omgevingsvergunningsaanvraag indienden voor het verder exploiteren en veranderen van de co-vergistingsinstallatie wegens ‘diverse procesoptimalisaties’. Deze nieuwe aanvraag, die weliswaar niet zonder meer als een verzaking aan de thans bestreden beslissing kan worden aangemerkt maar niettemin minstens in de feiten veelzeggend is, omvat zowel nieuwe als te regulariseren constructies. In de verantwoordingsnota bij deze nieuwe aanvraag voeren [Agro-Energiek en Vandaele] onder meer het volgende aan: […]”. VII-40.941-11/15
- Het bestreden arrest zet aldus duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteen die de RvVb ertoe brengt de middelen van Hoorne ea. “in de aangegeven mate” gegrond te verklaren.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van Agro-Energiek en Vandaele
- Agro-Energiek en Vandaele voeren de schending aan van artikel 37, § 2 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC-decreet), “al dan niet in samenhang met artikel 149 van de Grondwet en het gezag van gewijsde van het arrest van 18 september 2018”. Zij lichten toe dat de RvVb zijn uitspraak in de plaats van de beslissing van de deputatie stelt en daarbij ten onrechte oordeelt dat er een legaliteitsbelemmering is en de deputatie geen andere keuze had dan de vergunning te weigeren. Zij verwijzen naar de uiteenzetting van hun eerste middel waarin zij hebben aangevoerd dat de RvVb de bijkomende gegevens ten onrechte beoordeeld heeft als essentiële gegevens om met kennis van zaken te kunnen oordelen over de vergunning, aangezien het voorwerp van de aanvraag niet gewijzigd is. Deze vaststelling volstaat om de schending van de ingeroepen bepalingen te verantwoorden. Zij herhalen hun kritiek dat uit de voorliggende cijfers enkel blijkt dat er tussen de totale cijfers van het aanvraagdossier en de actuele cijfers van 2018 nagenoeg geen verschil zit, enkel een verwaarloosbare 0,33%, hetgeen volgens hen aantoont dat nog altijd voldaan is aan de opgelegde voorwaarden. De RvVb baseert zich dan ook ten onrechte op het verschil in de eigen input. Noch de verwerving van het nabijgelegen landbouwbedrijf, noch de gestegen eigen input VII-40.941-12/15 verantwoorden een gebonden bevoegdheid van de deputatie waardoor de RvVb in haar plaats kan oordelen. Desgevallend kon de RvVb de beslissing van de deputatie vernietigd hebben, doch in geen geval in haar plaats geoordeeld hebben. Zo was en is er geen enkel beletsel om ter zake specifieke voorwaarden aan de vergunning te verbinden. Het oordeel van gebonden bevoegdheid berust op de ten onrechte vastgestelde legaliteitsbelemmering. De actuele indeplaatsstelling in het bestreden arrest is ook in strijd met het gezag van gewijsde van het eerdere arrest van de RvVb van 18 september
- Daar heeft de RvVb uitdrukkelijk het dossier terugverwezen naar de deputatie met het oog op het nemen van een nieuwe beslissing. Het bestreden besluit bevat geen enkele verantwoording waarom dergelijke terugverwijzing nu niet zou kunnen gebeuren: de deputatie kan immers nog steeds beslissen met respect voor de tussengekomen uitspraken (zelfs indien de Raad van State per impossibile zou oordelen dat geen rekening gehouden zou worden met feitelijke of juridische evoluties in dit dossier). Beoordeling
- In zoverre het middel de schending van artikel 37, § 2, DBRC-decreet al dan niet in samenhang met artikel 149 van de Grondwet en met het gezag van gewijsde van het arrest van 18 september 2018, nalaat te preciseren wanneer het bestreden arrest deze decretale bepaling schendt in samenhang met en afzonderlijk artikel 149 van de Grondwet en het gezag van gewijsde van voormeld arrest van 18 september 2018, mist het de nauwkeurigheid om ontvankelijk te kunnen zijn. Het middel is slechts ontvankelijk in zoverre het de schending van artikel 37, § 2, DBRC-decreet aanvoert.
- Het middel, in zoverre ontvankelijk, gaat terug op de weigering door de RvVb van de stedenbouwkundige vergunning bij toepassing van artikel 37 DBRC-decreet op grond van volgende overweging: “Uit de bespreking van het eerste en het zesde middel volgt dat de aanvraag van [Agro-Energiek en Vandaele] van 24 april 2012 werd aangevuld met VII-40.941-13/15 essentiële gegevens om met kennis van zaken te kunnen worden beoordeeld voor het nemen van de bestreden beslissing én met een bijkomende omgevingsvergunningsaanvraag voor onder meer minstens veertien te regulariseren constructies na het nemen van de bestreden beslissing. De initiële aanvraag vertoont dus leemtes die op geen enkele wijze wettig geremedieerd kunnen worden. De verwerende partij heeft geen andere keuze dan de aangevraagde stedenbouwkundige vergunning te weigeren. Haar bevoegdheid is derhalve volledig gebonden. Er bestaat reden om dit arrest in de plaats te stellen van de uitspraak van de verwerende partij”.
- Gelet op de verwerping hiervoor van hun eerste middel, steunen Agro-Energiek en Vandaele hun grieven in het tweede middel tevergeefs op de uiteenzetting van hun eerste middel.
- Het tweede middel laat de reden in het bestreden arrest om het arrest in de plaats te stellen van de uitspraak van de deputatie onbesproken. Het middel, in zoverre ontvankelijk, is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. VII-40.941-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.941-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div