id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.288 Rolnummer: A. 232683/VII-41001 Zaak: Arrest 252288 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-09 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-12 14:32 Fiche Arrest nr 252.288 van 2 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.288 van 2 december 2021 in de zaak A. 232.683/VII-41.001 In zake : de NV IMMO FELIAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0339 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 26 november 2020 in de zaak 1920-RvVb-0514-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 19 maart
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 19 juli 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. VII-41.001-1/13 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met een besluit van 16 januari 2020 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: de provincie) aan verzoekende partij een omgevingsvergunning te verlenen voor “de regularisatie van een bestaande meergezinswoning”.
- Het bestreden arrest verwerpt in korte debatten de 2 middelen van de verzoekende partij na vaststelling dat deze middelen betrekking hebben op overtollige motieven en niet tot de vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie kunnen leiden. VII-41.001-2/13 IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid
- De provincie werpt op dat het verzoekschrift enkel onontvankelijke middelen bevat omdat de verzoekende partij enkel middelen opwerpt die zij in de procedure voor de RvVb ook reeds had kunnen opwerpen. Hoewel in de beschikking van 21 augustus 2020 waarin de RvVb bepaalt dat het beroep alleen korte debatten vereist, niet duidelijk vermeld werd op grond van welke overwegingen de RvVb van oordeel was dat in dit dossier enkel korte debatten vereist waren, had de verzoekende partij dit standpunt op verschillende momenten kunnen betwisten. De verzoekende partij heeft niet op de beschikking ‘korte debatten’ gereageerd, zelfs niet na ontvangst van het beknopte, maar duidelijke standpunt van de provincie. Dit had gekund binnen de oorspronkelijke termijn van dertig dagen waarbinnen alle partijen, en dus ook de verzoekende partij, een “nota korte debatten” konden indienen. Bovendien had de verzoekende partij zich ook kunnen verzetten tegen de schriftelijke behandeling van haar verzoekschrift en had ze op de zitting kunnen pleiten tegen de behandeling in korte debatten. Zij besluit dat de verzoekende partij zich tijdig had kunnen verzetten tegen de beweerde schendingen van diverse bepalingen, onder meer het recht van verdediging. Zij heeft echter geen gebruik gemaakt van de diverse gelegenheden om haar standpunt uiteen te zetten en beklaagt zich thans over schendingen van bepalingen die zij veel eerder in de procedure had kunnen opwerpen. Om die reden dient het verzoekschrift als onontvankelijk te worden afgewezen.
- De verzoekende partij antwoordt dat de beschikking ter oproeping in korte debatten stelt dat aan de partijen een termijn van dertig dagen wordt verleend om een nota met opmerkingen over de in de beschikking gedane vaststellingen aan de RvVb en de overige partijen in het geding te bezorgen. Door het feit dat de ‘in de beschikking gedane vaststellingen’ zich beperkte tot de melding dat het beroep slechts korte debatten vereiste zonder meer, ziet zij niet in waarop zij kon antwoorden. Het staat volgens haar vast dat deze nota in geen enkel geval dient om te reageren op de nota van de provincie, hetgeen valt af te leiden uit de voor beide partijen gelijklopende termijn van 30 dagen. Ook al restte er haar nog een week na ontvangst van de nota van de provincie, het doel van de nota bij korte VII-41.001-3/13 debatten is niet om te antwoorden op de nota van de provincie. Dit kan haar dan ook in geen enkele mate worden verweten. Zij stelt nog dat het haar daarenboven niet te doen is om de procedure in korte debatten an sich, zodat zij dan ook geen reden zag om zich tegen de procedure in korte debatten te verzetten. Zij rekende op een correcte eerbiediging van haar recht op verdediging en gelet op het gebrek aan enige reden waarom er werd besloten tot de korte debatten-procedure, kon zij zich dan ook tegen niets verzetten. Beoordeling
- Het verzoekschrift in cassatie bevat drie middelen, waarvan het eerste betrekking heeft op de schending door het bestreden arrest van de rechterlijke motiveringsplicht aangaande de beoordeling door de RvVb van de door de verzoekende partij daar opgeworpen middelen. Dergelijke kritiek kon niet reeds in de procedure voor de RvVb opgeworpen worden, zodat alleen al om die reden het verzoekschrift in cassatie niet als onontvankelijk kan worden verworpen.
- Het cassatieberoep is ontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 32, tweede lid, en 35 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC-decreet). VII-41.001-4/13 Zij herneemt de beoordeling in het bestreden arrest van haar middelen en betoogt dat de verplaatsing van de bergingen op de specifieke wijze zoals wordt voorzien en zo dicht bij de perceelsgrenzen een rechtstreeks gevolg is van de verplichting tot het voorzien van nieuwe parkeerplaatsen. De verplichting tot het aanleggen van parkeerplaatsen is volgens haar dan ook het determinerend weigeringsmotief en niet de locatie van de bergingen die hiervan net een gevolg is, aangezien deze bij gebrek aan parkeerplaatsen conform de wensen van de deputatie kunnen worden ingeplant. Zij stelt dus wel degelijk belang te hebben bij de ingeroepen middelen, die kunnen leiden tot de vernietiging daar zij overduidelijk een voordeel zou halen uit de vernietiging. Zij stelt dat het bestreden arrest niet voldoet aan de rechterlijke motiveringsverplichting. Zij vindt er geen duidelijke en ondubbelzinnige weergave terug van de redenen die de RvVb ertoe gebracht hebben die beslissing te nemen. Zij wijst er op dat niet wordt gemotiveerd waarom het wegvallen van de verplichting tot aanleggen van de parkeerplaatsen geen impact zou hebben op de andere weigeringsmotieven, terwijl dit overduidelijk wel het geval zou zijn, zodat het arrest zowel naar inhoud als motivering volstrekt onwettig is. Zij voegt toe dat het opgeworpen middel slaat op het gebrek aan motivering van het bestreden arrest. Het is evident dat zulk middel slechts kan opgeworpen worden in graad van cassatie, zodat het ontvankelijk is. Zij herhaalt dat zij in haar middel wel degelijk kritiek had geuit op de andere weigeringsmotieven, die een rechtstreeks gevolg zijn van de toepassingsverklaring van de parkeerverordening. De provincie kan niet stellen dat zij niet zou aantonen dat de aangehaalde bepalingen geschonden zouden zijn, zonder zelf aan te tonen op welke manier zij dit niet zou aantonen. Zij meent dat zij wel degelijk aantoont dat de artikelen 59, 59/1 en 59/2 van het procedurereglement RvVb zijn geschonden. VII-41.001-5/13 Beoordeling
- Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van de middelen waarin de verzoekende partij de schending van artikel 4 en 5.4.3 van de bij besluit van 6 november 2013 van de gemeenteraad van Temse definitief vastgestelde gemeentelijke stedenbouwkundige verordening op het aanleggen van parkeerplaatsen en fietsenstallingen buiten de openbare weg en “het gebrek aan rechtens vereiste feitelijke grondslag” heeft aangevoerd. Het bestreden arrest overweegt: “ ...
- In het eerste middel betwist de verzoekende partij de toepasselijkheid van de parkeerverordening op haar aanvraag. De verzoekende partij voert aan dat de inpandige garage en de fietsenstallingen op het gelijkvloers niet met toepassing van de parkeerverordening aangelegd werden, zodat zij in overeenstemming met artikel 4 van de verordening niet verplicht is om die te handhaven. Evenmin kan zij daartoe worden verplicht op grond van artikel 5.4.3 (verbouwingen) of van artikel 1 juncto artikel 5.5.3 (wijziging naar kantoorbestemming) van de parkeerverordening. De verzoekende partij besluit daaruit dat de verwerende partij niet rechtmatig heeft kunnen beslissen dat de inpandige garage en de fietsenstallingen gecompenseerd moeten worden, en dat zij de aanleg van een waterdoorlaatbare groene zone in de plaats van de aangevraagde parkeerplaatsen en het weglaten van de bergingen als voorwaarde had kunnen opleggen. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, formuleert de verzoekende partij geen kritiek op de duidelijk te onderkennen motivering op grond waarvan de verplaatsing van de bergingen van het gelijkvloers naar de tuinzone afgewezen wordt. De verwerende partij motiveert dat de plaatsing van een berging van drie meter hoogte aan de linker zijde, waar het maaiveld 1,25 meter lager ligt, tot gevolg heeft dat ‘de linker buren over bijna de helft van de tuindiepte tegen een muur van bijna 4,30 meter hoog op(kijken)’. Die bergingen zijn bovendien ‘enkel bereikbaar via de achtertuin van de rechter buur waardoor de praktische bruikbaarheid ervan danig wordt aangetast en er in feite geen sprake meer is van volwaardige bergingen voor de bovenliggende appartementen’. De verwerende partij hecht kennelijk belang aan het behoud van volwaardige bergingen ten behoeve van de appartementen en wijst de verplaatsing ervan naar de tuinzone om reden van slechte bereikbaarheid, om reden van beperkt gebruiksgenot dus, en om reden van hinder voor de aanpalende bewoners van de hand. Nergens in het verzoekschrift betwist de verzoekende partij VII-41.001-6/13 die appreciatie, niet in de middelen en evenmin in de gevolgtrekking die zij maakt uit ‘de gegrondbevinding van de middelen’. De ongunstig beoordeelde verplaatsing van de bergingen naar de tuinzone staat volledig los van de vraag of de parkeerverordening al dan niet van toepassing is. Zelfs als bij veronderstelling de verwerende partij ten onrechte de toepasselijkheid van de parkeerverordening aangenomen heeft, laat dat de beoordeling onverlet dat de bergingen ter wille van het comfort van de appartementen behouden moeten blijven en dat de tuinzone als alternatieve locatie ongeschikt is. De eventuele gegrondheid van de kritiek in het eerste middel op de toepasselijkheid van de parkeerverordening komt dan ook neer op kritiek op een overtollige motivering. Ook de kritiek in het tweede middel op het motief dat de aanvraag een voorwendsel is om op het gelijkvloers een bijkomende woongelegenheid te creëren, vervalt om dezelfde reden als kritiek op een overtollige motivering en kan niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden.”
- Het middel dat de schending aanvoert van de rechterlijke motiveringsplicht bij de beoordeling van de middelen van de verzoekende partij in het bestreden arrest is ontvankelijk. De exceptie van de provincie dienaangaande wordt verworpen.
- De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een juiste dan wel verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een VII-41.001-7/13 middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Het middel dat stelt dat het bestreden arrest naar inhoud volstrekt onwettig is, gaat uit van een andere opvatting en faalt bijgevolg naar recht.
- Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest geen duidelijke en ondubbelzinnige weergave bevat “van de redenen die de RvVb ertoe gebracht hebben die beslissing te nemen”, mist feitelijke grondslag.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 59, 59/1 en 59/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurereglement RvVb). Zij stelt dat het bestreden arrest toepassing maakt van de korte debatten om over te gaan tot de verwerping van het beroep wegens gebrek aan ontvankelijke middelen, terwijl uit de artikelen 59/1 en 59/2 van het procedurereglement RvVb kan afgeleid worden dat de korte debatten niet de procedure is om te handelen over beroepen waarvan de RvVb van oordeel is dat ze klaarblijkelijk ongegrond of onontvankelijk zijn. Zij betoogt dat een verzoekende partij die een beschikking ‘korte debatten’ ontvangt dan ook nooit kan verwachten dat de RvVb het beroep klaarblijkelijk ongegrond of onontvankelijk zou beschouwen, al zeker niet wanneer de RvVb geen enkele indicatie geeft van haar oordeel. Zij besluit dat de procedure ‘korte debatten’ nooit kan leiden tot de ongegrondheid of onontvankelijkheid van een beroep, minstens kan dit enkel nadat VII-41.001-8/13 de procedure werd voortgezet waarbij de partijen een volwaardige mogelijkheid kregen hun antwoordnota en wederantwoordnota in te dienen. Zij voegt toe dat de nota die binnen de dertig dagen neergelegd kan worden naar aanleiding van de beschikking waarin beslist wordt tot het toepassen van de korte debatten-procedure, weinig inhoudelijk kan bijbrengen gelet op het feit dat de beschikking geen enkele reden geeft waarom wordt beslist tot de toepassing van de korte debatten. Het kan haar dan ook niet verweten worden dat zij geen verweer heeft gevoerd tegen de toepassing van de korte debatten-procedure. Partijen hebben het gissen naar de reden waarom wordt beslist tot de toepassing van ‘korte debatten’. Dit zou ertoe leiden dat partijen, vanuit hun recht van verdediging, zich altijd zouden verzetten tegen de procedure ‘korte debatten’. Beoordeling
- Het middel gaat terug op de overweging in het bestreden arrest met betrekking tot het “onderzoek van de behandeling via korte debatten” voorafgaand aan het “onderzoek van de middelen” die na onderzoek ten gronde worden verworpen. De overweging luidt: “In de beschikking van 21 augustus 2020, genomen op grond van artikel 59, § 1 van het Procedurebesluit, heeft de voorzitter van de [RvVb] geoordeeld dat de behandeling in korte debatten van de twee middelen op het eerste gezicht volstaat. Een zaak is redelijkerwijze vatbaar voor behandeling in korte debatten als de gegevens zo duidelijk zijn dat het bij de eerste lezing, zonder dat een diepgaand of omstandig onderzoek noodzakelijk is, meteen aannemelijk is dat daarop een vernietiging of een verwerping moet volgen”.
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 59 van het Procedurereglement RvVb met betrekking tot de ambtshalve onderzoeksbevoegdheid voor de toepassing van de vereenvoudigde of de korte debattenprocedure en van 59/1 van hetzelfde reglement met betrekking tot de VII-41.001-9/13 voorwaarden voor de toepassing van de vereenvoudigde procedure, zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen schendt, is niet ontvankelijk.
- Het middel dat stelt dat “het bestreden arrest toepassing maakt van de korte debatten om over te gaan tot de verwerping van het beroep wegens gebrek aan ontvankelijke middelen”, mist feitelijke grondslag. Hetzelfde geldt voor het middel dat ervan uitgaat dat de RvVb “het beroep klaarblijkelijk ongegrond of onontvankelijk zou beschouwen”.
- Artikel 59/2 van het Procedurereglement bepaalt dat de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter bij beschikking vaststelt dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist en bevat voor het overige een aantal procedureregels. Het middel dat ervan uitgaat “de procedure korte debatten dan ook nooit kan leiden tot de ongegrondheid of onontvankelijkheid van een beroep” gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en is bijgevolg onontvankelijk.
- Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat de verzoekende partij heeft nagelaten een in artikel 59/2, § 1, eerste lid, 5°, bedoelde nota in te dienen en heeft “ingestemd met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering”. Het middel dat voor het eerst aanvoert dat de verzoekende partij geen “volwaardige mogelijkheid [kreeg om een] wederantwoordnota in te dienen”, is niet ontvankelijk.
- Het bestreden arrest komt tot de ongegrondverklaring van de middelen van de verzoekende partij “bij de eerste lezing” nadat bij beschikking door de voorzitter besloten werd dat “de behandeling in korte debatten van de twee middelen op het eerste gezicht volstaat”, de partijen vervolgens de gelegenheid VII-41.001-10/13 hebben gekregen een nota in te dienen en de zaak met instemming van de partijen schriftelijk in beraad werd genomen. Het middel dat aanvoert dat de beschikking geen enkele reden geeft waarom werd beslist tot de toepassing van de korte debatten, mist feitelijke grondslag en is niet gericht tegen het bestreden arrest.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij voert de schending aan van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging en van artikel 59/2 van het procedurereglement RvVb, en stelt dat het middel ook genomen is “uit het gezag van gewijsde van de beschikking waarbij de [RvVb] oordeelde dat de zaak met korte debatten kon worden behandeld”. Zij betoogt dat het de provincie werd toegelaten om een nota in te dienen met een verweer ten gronde tegen het ingediende verzoekschrift, terwijl aan haar geen redelijke termijn werd verleend om een wederantwoord in te dienen. Zij stelt dat ingevolge het bepaalde in artikel 59/2 van het procedurereglement RvVb enkel nota’s aangaande de in de beschikking gedane vaststelling dat de korte debatten van toepassing is, zijn toegelaten. Het kan volgens haar niet de bedoeling zijn dat de verwerende partijen een volwaardige antwoordnota kunnen neerleggen, daar de verzoekende partijen hierop vervolgens geen wederantwoordnota kunnen indienen gelet op het feit dat de nota’s van alle partijen aan een gelijktijdige termijn zijn verbonden. Indien de RvVb van oordeel was dat er terechte opmerkingen werden geuit in de nota van de verwerende partij, had hij ook de verzoekende partij een redelijke termijn moeten verlenen om hierop haar standpunt schriftelijk te laten overmaken. Indien de RvVb van oordeel was dat, op basis van de nota van de verwerende partij, hij tot de ongegrondheid kon besluiten, dan had hij de normale VII-41.001-11/13 procedure moeten verder zetten en de partijen de daarin voorziene tegensprekelijke mogelijkheden moeten bieden. Zij voegt toe dat het vaststaat dat de provincie zich in haar nota niet beperkt heeft tot de vaststelling die met de beschikking van de korte debatten-procedure werd gedaan. In tegendeel diende zij een uitgebreide nota in waarbij het verweer ten gronde werd gevoerd. De nota betrof in wezen een antwoordnota waarop zij geen wederantwoord kon bieden. Het feit dat er nog een week restte van de oorspronkelijke termijn van dertig dagen om een nota in te dienen kan in geen geval leiden tot enige onontvankelijkheid van het beroep. De nota dient immers louter om opmerkingen te laten gelden over de in de beschikking gedane vaststellingen en niet om te reageren op de nota van de andere partij. Het ligt echter in de essentie van de procedure ‘korte debatten’ dat er aan partijen geen mogelijkheid wordt geboden om een schriftelijk verweer ten gronde te voeren, hetgeen de provincie net wel heeft gedaan. De verzoekende partij verduidelijkt verder dat het haar niet te doen is om de procedure in korte debatten an sich. Zij zag dan ook geen reden om zich tegen de procedure in korte debatten te verzetten. Zij rekende op een correcte eerbiediging van haar recht op verdediging en gelet op het gebrek aan enige reden waarom er werd besloten tot de korte debatten-procedure, kon zij zich dan ook tegen niets verzetten. Belangrijk is volgens haar dat de RvVb in de motivering van het bestreden arrest uitdrukkelijk verwijst naar wat de deputatie in haar nota ‘korte debatten’ over de gegrondheid van de in het beroep tot nietigverklaring opgeworpen middelen uiteenzet, waaruit enkel kan worden afgeleid dat zij deze nota bij haar oordeel heeft betrokken, en de RvVb zich met andere woorden niet heeft beperkt tot de beoordeling van het beroep tot nietigverklaring en de erbij gevoegde stukken, die nochtans de enige elementen waren waarop de RvVb zich kon baseren om te oordelen dat de zaak met korte debatten kon worden afgedaan. Beoordeling
- Het middel dat voor het eerst aanvoert dat de verzoekende partij geen redelijke termijn werd verleend om een wederantwoord op de nota van de VII-41.001-12/13 provincie in te dienen, dat zij enkel gelijktijdig met de provincie een nota kon indienen, dat enkel een nota kon worden ingediend “aangaande de in de beschikking gedane vaststelling dat de korte debatten-procedure van toepassing is”, dat de RvVb de normale procedure had moeten voortzetten wanneer hij op basis van de nota van de provincie van oordeel was dat hij tot de ongegrondheid van de middelen kon besluiten, is niet ontvankelijk.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.001-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div