← België

Arrest 252289 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.289 Rolnummer: A. 233146/VII-41045 Zaak: Arrest 252289 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-09 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-12 14:33 Fiche Arrest nr 252.289 van 2 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.289 van 2 december 2021 in de zaak A. é.146/VII-41.045 In zake : de VZW PARC DES EXPOSITIONS DE BRUXELLES- TENTOONSTELLINGSPARK VAN BRUSSEL-BRÜSSELER MESSEGELÜNDE-BRUSSELS EXHIBITION CENTER (BRUSSELS EXPO) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Vincent Ost kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE AMBTENAAR Tussenkomende partijen :

  1. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE GRIMBERGEN
  2. de GEMEENTE GRIMBERGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9420 Erpe-Mere Schoolstraat 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 10 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0568 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 28 januari 2021 in de zaak 1920-RvVb-0131-A. VII-41.045-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 april
  5. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen en de gemeente Grimbergen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 juni
  6. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 10 september 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Lindsay Dedrie, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.045-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten
  9. Met arrest nr. RvVb-A-1819-0882 van 16 april 2019 vernietigt de RvVb de vergunningsbeslissing van 18 juli 2017 waarbij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) aan de verzoekende partij (hierna: Brussels Expo) een stedenbouwkundige vergunning verleent voor het aanleggen van een verbindingsweg vanaf de Romeinse Steenweg naar parking C van het Heizelcomplex en het bouwen van een tunnel onder de Romeinse Steenweg naar parking C als verbindingsinfrastructuur van de nieuwe weg tussen de Keizerin Charlottelaan en parking C en aan de GSA beveelt een nieuwe beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag binnen een termijn van vier maanden.
  10. De GSA weigert vervolgens op 30 augustus 2019 de door Brussels Expo aangevraagde stedenbouwkundige vergunning.
  11. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van Brussels Expo tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 30 augustus 2019 van de GSA. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van Brussels Expo
  12. Brussels Expo voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Oud Burgerlijk Wetboek VII-41.045-3/15 (hierna: OBW), de artikelen 8.17 en 8.18 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: NBW) en artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek (hierna: Ger.W.). Zij betoogt in een eerste onderdeel dat het bestreden arrest de bewijskracht van arrest nr. RvVb-A-1819-0882 van 16 april 2019 (hierna: eerste arrest) schendt omdat de rechter aan een stuk geen uitlegging mag geven die onverenigbaar is met de inhoud ervan of geen zaken mag toevoegen die niet in het stuk aanwezig zijn of zaken mag weglaten die wel in het stuk aanwezig zijn. Zij voert aan dat het eerste arrest enkel stelde dat de toepassing van artikel C.1.1.6 de toepassing van artikel C.1.1.1 niet “lijkt” uit te sluiten, waardoor het bestreden arrest, door weglating van het woord “lijkt” in de beoordeling van de omvang van het gezag van gewijsde van het eerste arrest, een element weglaat dat wel in het stuk aanwezig is, en zo aan het stuk een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de inhoud ervan. In een tweede onderdeel bekritiseert zij het feit dat het bestreden arrest aan het eerste arrest gezag van gewijsde toekent omtrent het feit dat artikel C.1.1.1, laatste lid van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening van het VSGB en aansluitende open ruimtegebieden” goedgekeurd op 16 december 2011 (hierna: GRUP VSGB) ook van toepassing is in het kader van de toepassing van de overgangsmaatregelen van artikel C.1.1.6, terwijl het eerste arrest het aangevoerde middel enkel “in de aangegeven mate” gegrond heeft bevonden, waarbij geoordeeld werd dat de GSA “gelet op de ingediende bezwaren en het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen, niet op zorgvuldig gemotiveerde wijze heeft onderzocht of de gevraagde verbindingsweg verenigbaar is met de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP.” Zij wijst er op dat het gezag van rechterlijk gewijsde zich overeenkomstig artikel 23 van het Ger.W. niet verder uitstrekt dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. VII-41.045-4/15 In een derde onderdeel betoogt zij dat het bestreden arrest geen motieven bevat voor de uitspraak over het in het verzoekschrift aangehaalde middel omtrent de omvang van het gezag van gewijsde van het eerste arrest, terwijl de rechterlijke motiveringsplicht inhoudt dat de bestuursrechter een redengeving opneemt waarom een middel gegrond dan wel ongegrond wordt bevonden. Beoordeling
  13. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste onderdeel van het eerste door Brussels Expo aangevoerde middel. Eerste onderdeel
  14. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Daarentegen miskent de RvVb die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, de bewijskracht van die akte niet.
  15. Het bestreden arrest citeert uit het eerste arrest met de zin “Artikel C1.1.6 van het GRUP […] lijkt de toepassing van het laatste lid uit artikel C1.1.1 van het GRUP niet uit te sluiten”, ter beantwoording van het eerste middel waarin Brussels Expo de door de [GSA] vastgestelde strijdigheid met het stedenbouwkundige voorschrift van artikel C.1.1 van het GRUP VSGB” bekritiseert, om vervolgens te concluderen dat Brussels Expo het gezag van gewijsde van het eerste arrest miskent voor zover zij “betwist dat artikel C1.1.1, laatste lid GRUP ook geldt voor activiteiten die vallen onder artikel C1.1.6 GRUP”. VII-41.045-5/15 Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest een element uit het eerste arrest weglaat, mist feitelijke grondslag.
  16. In zoverre Brussels Expo argumenteert dat het bestreden arrest het woord “lijkt” weglaat in de beoordeling van de omvang van het gezag van gewijsde van het eerste arrest, heeft het middelonderdeel betrekking op het feitelijk of juridisch gevolg dat het bestreden arrest trekt uit het eerste arrest en kan het de bewijskracht ervan niet miskennen.
  17. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. Tweede onderdeel
  18. Artikel 23 van het Ger.W. bepaalt: “Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich evenwel niet uit tot de vordering die berust op dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond waarop ze steunt”.
  19. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat het voorwerp van het eerste arrest van de RvVb voormelde vergunningsbeslissing van 18 juli 2017 van de GSA is. Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat het voorwerp van het eerste arrest “een vaststelling van een motiveringsgebrek, in het kader waarvan de RvVb overwoog dat de loutere verwijzing naar artikel C.1.1.6 niet volstond, omdat die de toepassing van artikel C.1.1.1 niet ‘lijkt’ uit te sluiten” is, mist feitelijke grondslag. VII-41.045-6/15
  20. Brussels Expo laat voor het overige na concreet aan te tonen dat aan de vereisten voor de toepasselijkheid van deze wettelijke bepaling is voldaan, en vervolgens uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest bijgevolg deze bepaling schendt.
  21. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. Derde onderdeel
  22. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  23. Het middelonderdeel dat stelt dat -als motief in het bestreden arrest ter beantwoording van het middel van Brussels Expo- “de loutere affirmatie dat het eerste arrest […] gezag van gewijsde heeft, niet voldoende [is] om te VII-41.045-7/15 voldoen aan de vereiste dat de gerechtelijke uitspraak met redenen wordt omkleed”, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middelonderdeel kan in zoverre niet tot cassatie leiden.
  24. Het bestreden arrest verwerpt het eerste onderdeel van het eerste middel van Brussels Expo, na het weergeven van het oordeel in het eerste arrest “over de verenigbaarheid van de verbindingsweg met de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP”, op volgende gronden: “Het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest geldt voor het beschikkend gedeelte en strekt zich uit tot de motieven die het noodzakelijk tot grondslag hebben gediend. Het gezag van gewijsde houdt in dat een rechterlijke beslissing bindend is en niet meer in vraag mag worden gesteld. Het moet voorkomen dat eenzelfde betwisting zich na de uitspraak blijft herhalen. In het vernietigingsarrest van 16 april 2019 heeft de Raad zich niet uitgesproken over de vraag of het aangevraagde onder het toepassingsgebied van artikel C1.1.6 GRUP valt. De Raad heeft wel met gezag van gewijsde vastgesteld dat als de stedenbouwkundige voorschriften uit artikel C1.1.6 van toepassing zijn op de aanvraag, hetgeen aan de verwerende partij toekomt te beoordelen, dat dat de toepassing van de stedenbouwkundige voorschriften uit artikel C1.1.1, laatste lid niet uitsluit. Die vaststelling vindt niet alleen steun in de bewoordingen van artikel C1.1.1, laatste lid GRUP VSGB, maar ook in de toelichtingsnota bij het GRUP dat op pagina 308 stelt dat ‘De parkeercapaciteit voor de bestaande activiteiten ter plekke behouden [moet] blijven’ en op pagina 309-310 dat ‘het bestaand aantal parkeerplaatsen moet behouden blijven in functie van de Heizelactiviteiten. Enkel tijdens de realisatie van een bijkomend programma kan het aanbod tijdelijk dalen.’ Voor zover de verzoekende partij zowel in haar replieknota tijdens de hernomen administratieve procedure als in haar middel betwist dat artikel C1.1.1, laatste lid GRUP ook geldt voor de activiteiten die vallen onder artikel C1.1.6 GRUP, miskent ze het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van 16 april
  25. Het is in die zin dan ook geenszins onredelijk of onzorgvuldig dat de verwerende partij haar beoordeling uit de vernietigde beslissing van 18 juli 2017 herziet, met verwijzing naar het vernietigingsarrest van 16 april 2019 waarin de Raad vaststelt dat ze niet concreet antwoordt op de strijdigheid van de aanvraag met artikel C1.1.1 van het GRUP en zich beperkt tot de loutere vaststelling dat voldaan is aan artikel C1.1.6 van het GRUP, terwijl VII-41.045-8/15 artikel C1.1.1, laatste lid ook van toepassing is voor de activiteiten die vallen onder artikel C1.1.6 GRUP, en als besluit vervolgens vaststelt ‘dat ook artikel C.1.1.
  26. in deze aanvraag van toepassing is en dat er moet nagegaan worden of de ‘bestaande parkeercapaciteit in dit gebied voor de bestaande activiteiten op de Heizel behouden blijft.’ De verwerende partij kan op dat punt dus geen gebrekkige motivering worden verweten”.
  27. Het middel dat argumenteert dat het bestreden arrest geen motieven bevat voor de uitspraak van het middel van Brussels Expo omtrent de omvang van het gezag van gewijsde van het eerste arrest, mist feitelijke grondslag.
  28. Het middelonderdeel wordt verworpen.
  29. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van Brussels Expo
  30. Brussels Expo voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), de artikelen 4.4.1 en 4.7.26 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt in een eerste onderdeel dat de aan het oordeel van het bestreden arrest ten grondslag liggende rechtsopvatting dat een “voorgestelde afwijkingsmogelijkheid” niet moet worden onderzocht -wat inhoudt dat de plicht om “zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing” zich niet uitstrekt tot aan de overheid op regelmatige wijze voorgelegde afwijkingsverzoeken- naar recht faalt en een verkeerde, niet rechtens aanvaardbare, invulling geeft aan het zorgvuldigheidsbeginsel. VII-41.045-9/15 In een tweede onderdeel doet zij gelden dat de aan het oordeel van het bestreden arrest ten grondslag liggende rechtsopvatting dat een “voorgestelde afwijkingsmogelijkheid” niet moet worden onderzocht en het gebrek aan onderzoek niet aan motivering onderhevig is -wat inhoudt dat de verplichting om de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen niet moeten worden vermeld indien het gaat om het niet in overweging nemen van een afwijking- naar recht faalt en een verkeerde, niet rechtens aanvaardbare, invulling geeft aan de formele motiveringsplicht. In een derde onderdeel stelt zij dat het bestreden arrest in strijd met de rechterlijke motiveringsplicht geen motieven bevat voor de uitspraak over het in het verzoekschrift aangehaalde middel omtrent de schending van het hoorrecht. Beoordeling
  31. Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het derde onderdeel van het eerste middel van Brussels Expo.
  32. Het derde onderdeel van het eerste middel waarin Brussels Expo de schending heeft aangevoerd van de artikelen 4.3.1, § 2, 4.4.1 en 4.7.26 VCRO, artikel C.1.1, C.1.1.6 van het GRUP VSGB, de motiveringswet, de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het hoorrecht, wordt in het bestreden arrest als volgt samengevat: “In een derde onderdeel laat de verzoekende partij gelden dat in de bestreden beslissing op geen enkele wijze wordt gemotiveerd waarom de verwerende partij geen toepassing maakt van de afwijkingsbepalingen uit artikel 4.4.1 VCRO. De verzoekende partij had daar in haar nota nochtans om verzocht. Het motief dat nergens in artikel C.1.1.1 GRUP VSGB voorzien is in een afwijking, volstaat terzake niet. Dat toont minstens ook aan dat de strijdigheid met artikel C.1.1.1 op zich niet volstaat om de vergunning te weigeren en in die zin geen determinerend weigeringsmotief is. Zelfs indien de verwerende partij er niet toe verplicht zou zijn om een verzoek tot afwijking in overweging te VII-41.045-10/15 nemen en dat te motiveren, is het nog aannemelijk dat haar oordeel op dat punt gevormd is door de andere weigeringsmotieven. Dat maakt dat, indien geoordeeld zou worden dat het eerste middel ongegrond zou zijn maar de andere wel gegrond, niet op voorhand kan gezegd worden dat de verwerende partij ook tot weigering had besloten, omdat ze in dat geval misschien wel tot een afwijking had besloten”.
  33. Het bestreden arrest verwerpt het derde middelonderdeel van Brussels Expo op volgende gronden: “3.3 In een derde middelonderdeel voert de verzoekende partij uiterst ondergeschikt nog aan dat de verwerende partij onterecht geen afwijking op de stedenbouwkundige voorschriften op grond van artikel 4.4.1 VCRO heeft toegestaan, niettegenstaande ze daar uitdrukkelijk om had verzocht in haar replieknota. De verwerende partij is er echter niet toe gehouden om van artikel 4.4.1 VCRO, zo het al zou kunnen worden toegepast, gebruik te maken. Artikel 4.4.1 VCRO moet als uitzonderingsbepaling restrictief worden ingevuld en biedt louter een mogelijkheid om beperkte afwijkingen toe te staan, geen verplichting. De verwerende partij is evenmin verplicht om de door verzoekende partij voorgestelde afwijkingsmogelijkheid te onderzoeken en te motiveren waarom ze de voorgestelde afwijking niet heeft onderzocht. De motiveringsplicht die op de verwerende partij rust, heeft immers niet tot gevolg dat ze, als vergunningverlenend bestuursorgaan, alle aangevoerde argumenten rechtstreeks en punt na punt moet beantwoorden”.
  34. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat Brussels Expo in haar verzoekschrift voor de RvVb in het derde onderdeel van het eerste middel heeft opgeworpen dat “de bestreden beslissing op geen enkel ogenblik ingaat op de mogelijkheid om met toepassing van artikel 4.4.
  35. VCRO een afwijking toe te kennen, ook al had Brussels Expo met haar brief van 13 juni 2019, die werd verstuurd in het kader van het hoorrecht dat op grond van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 juni 2017 van toepassing is, formeel om een dergelijke afwijking verzocht. Terwijl een administratieve overheid die ertoe gehouden is uitspraak te doen over een vergunningsaanvraag waarin de aanvrager formeel om de toepassing van een afwijking op een stedenbouwkundig voorschrift verzoekt, ertoe gehouden is om VII-41.045-11/15 uitspraak te doen over dit verzoek, zodat de bestreden beslissing de formele en de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, artikel 4.4.1 VCRO artikel 4.7.26 VCRO en het hoorrecht schendt”. Eerste middelonderdeel
  36. Als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is het zorgvuldigheidsbeginsel niet van toepassing op het bestreden arrest. De Raad van State moet als cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de RvVb als bestuursrechter bij de beoordeling van de bestreden vergunningsbeslissing de inhoud van dat beginsel zou hebben geschonden, zonder dat de Raad van State zich daarbij in de plaats van de RvVb kan stellen om zelf, in tweede instantie, te oordelen of het bestuur al dan niet zorgvuldig heeft gehandeld zoals door de verzoekende partij werd aangevoerd voor de RvVb.
  37. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat een bestuur zich op afdoende wijze dient te informeren over alle relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, met dien verstande echter dat de aanvrager van een vergunning alle nuttige elementen moet aanbrengen om te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet om de gevraagde vergunning te krijgen.
  38. Het bestreden arrest dat ter verwerping van het derde middelonderdeel van Brussels Expo, aanneemt dat de vergunningverlenende overheid niet verplicht is “om de door [Brussels Expo] voorgestelde afwijkingsmogelijkheid te onderzoeken”, schendt het zorgvuldigheidsbeginsel.
  39. Het eerste middelonderdeel is gegrond. VII-41.045-12/15 Tweede middelonderdeel
  40. De motiveringswet is niet van toepassing op het bestreden arrest. De Raad van State moet als cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de RvVb als bestuursrechter bij de beoordeling van de bestreden vergunningsbeslissing de motiveringswet zou hebben geschonden, zonder dat de Raad van State zich daarbij in de plaats van de RvVb kan stellen om zelf, in tweede instantie, te oordelen of het bestuur al dan niet de motiveringswet heeft geschonden zoals door de verzoekende partij werd aangevoerd voor de RvVb.
  41. In beginsel moet de vergunningverlenende overheid niet systematisch onderzoeken of in een vergunning beperkte afwijkingen als bedoeld in artikel 4.4.1, § 1, VCRO kunnen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen. De formelemotiveringsplicht die is vervat in de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, houdt inzake bestuurlijke beslissingen over vergunningsaanvragen wel in dat wanneer de aanvrager zich uitdrukkelijk en ondubbelzinnig beroept op dergelijke beperkte afwijkingsmogelijkheid en deze aanspraak wordt beargumenteerd, de aanvrager in de vergunningsbeslissing zelf moet kunnen vernemen waarom de vergunningverlenende overheid de gevraagde beperkte afwijking niet heeft toegestaan.
  42. Het bestreden arrest dat ter verwerping van het derde middelonderdeel van Brussels Expo, aanneemt dat de vergunningverlenende overheid niet verplicht is “om de door [Brussels Expo] voorgestelde afwijkingsmogelijkheid te onderzoeken en te motiveren waarom ze de VII-41.045-13/15 voorgestelde afwijking niet heeft onderzocht”, schendt de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet.
  43. Het tweede middelonderdeel is gegrond. Derde middelonderdeel
  44. De algemene stelling in het bestreden arrest dat de motiveringsplicht die op de GSA rust, niet tot gevolg heeft dat deze, als vergunningverlenend bestuursorgaan, alle aangevoerde argumenten rechtstreeks en punt na punt moet beantwoorden, beantwoordt het middelonderdeel van de verzoekende partij niet dat uit het recht om gehoord te worden voortvloeit dat de GSA in de bestreden vergunningsbeslissing uitspraak moet doen over het in het kader van het hoorrecht in een nota gedane verzoek om beperkt af te wijken in de vergunningsbeslissing. Door aldus te beslissen heeft de RvVb nagelaten duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteen te zetten om dit middelonderdeel van Brussels Expo met betrekking tot de schending van het hoorrecht te verwerpen. Het bestreden arrest schendt aldus artikel 149 van de Grondwet.
  45. Het derde middelonderdeel is gegrond.
  46. Het tweede middel is in al zijn onderdelen gegrond. BESLISSING
  47. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2021-0568 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28 januari 2021 in de zaak 1920-RvVb-0131-A. VII-41.045-14/15
  48. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
  49. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
  50. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.045-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.289 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.