← België

Arrest 252290 - Voedselveiligheid (FAVV) - 02/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.290 Rolnummer: A. 226671/VII-40428 Zaak: Arrest 252290 - Voedselveiligheid (FAVV) - 02/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-09 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-12 14:34 Fiche Arrest nr 252.290 van 2 december 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.290 van 2 december 2021 in de zaak A. 226.671/VII-40.428 In zake : 1. de NV EEG SLACHTHUIS VERBIST IZEGEM 2. Lodewijk VERBIST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Hofströssler en Bart Martel kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van: (

  1. i)de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) waarmee de goederen, vermeld in de bijlage bij het proces-verbaal van inbeslagneming met nummer 2290/18/0042/NOE van 13 maart 2018 “buiten het humane circuit” worden gesteld, zonder dat daarop een “nieuwe bemonstering” wordt uitgevoerd; en (
  2. ii)de beslissing van het FAVV om “140 paletten in beslag genomen vlees”, vermeld in de bijlage bij het proces-verbaal van inbeslagneming met nummer 2290/18/0042/NOE van 13 maart 2018 te verkopen “als categorie III, materiaal”. VII-40.428-1/7 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft op 29 juli 2021 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 november 2021. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristof Caluwaert, die loco advocaten Patrick Hofströssler en Bart Martel verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het slachthuis van de verzoekende partijen, opgericht in april 1986, is gevestigd in Izegem. VII-40.428-2/7 3.2. Op 9 maart 2018 stelt de verwerende partij een proces-verbaal op met betrekking tot de inbeslagneming van dierlijke producten omdat zij of bedorven, ontaard, schadelijk of schadelijk verklaard zijn of niet conform zijn aan de bepalingen van de wet. 3.3. Tweede verzoeker wordt op 30 augustus 2018 verhoord in opdracht van het parket West-Vlaanderen, afdeling Ieper. 3.4. Met een schrijven van 12 september 2018 deelt de verwerende partij mee dat de betreffende partijen vlees in definitief beslag worden genomen en buiten het humane circuit gesteld. Een nieuwe bemonstering is dan ook niet meer mogelijk. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.5. Ambtenaren van de verwerende partij bieden zich op 23 oktober 2018 aan om de prospectie uit te voeren ter voorbereiding van de verkoop als categorie III-materiaal van 140 paletten met vlees dat op 13 maart 2018 werd in beslag genomen. De toegang wordt geweigerd. Er wordt een proces-verbaal van betekening opgesteld. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.6. Op 20 november 2018 wordt een proces-verbaal van opheffing van administratief beslag en tot gerechtelijke inbeslagname opgesteld. Het administratief beslag wordt opgeheven omdat de goederen gerechtelijk in beslag worden genomen in opdracht van het parket te Ieper. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen 4. De verwerende partij voert aan dat het beroep onontvankelijk is wegens gebrek aan voorwerp. VII-40.428-3/7 Zij betoogt dat het administratief beslag ingevolge een strafrechtelijk onderzoek op 20 november 2018 werd opgeheven, en dat er diezelfde dag een gerechtelijke inbeslagname plaatsvond van de betrokken goederen, waardoor elk eigendomsrecht op die goederen wordt ontnomen, en ook de verwerende partij elke zeggenschap over die goederen verliest. De bestreden beslissingen hebben volgens haar als uitvoeringshandelingen van het inmiddels opgeheven administratief beslag opgehouden te bestaan, met als gevolg dat het beroep zonder voorwerp is geworden. 5. In hun memorie van wederantwoord trachten de verzoekende partijen aan te tonen dat het beroep tot nietigverklaring wel degelijk nog een voorwerp heeft. Uit de loutere omstandigheid dat het “administratief beslag” inmiddels werd opgeheven en vervangen door een “gerechtelijk beslag” vloeit volgens hen niet voort dat het voorliggende beroep tot nietigverklaring haar voorwerp zou hebben verloren. Er is te dezen immers geen sprake van een (impliciete) intrekking van de genomen administratieve beslagmaatregel, maar hoogstens van de opheffing en substitutie ervan met een maatregel van gerechtelijk beslag. Een dergelijke opheffing sorteert enkel gevolgen voor de toekomst, zodat de opgeheven bestuurshandeling haar rechtskracht behoudt voor de periode van 9 maart 2018 tot 20 november 2018 die aan de opheffing voorafgaat. De beëindiging of opheffing van het administratief beslag op 20 november 2018 neemt het bestaan van die inbeslagneming voor het verleden volgens haar niet weg, en houdt de rechtsgevolgen ervan uitdrukkelijk overeind. 6. In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen nog toe dat het bestaan van een moreel nadeel niet kan worden afgewezen zonder dit nadeel in concreto in overweging te nemen. Beoordeling 7. De verzoekende partijen betwisten niet dat het administratief beslag werd opgeheven en dat de goederen het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke inbeslagname. VII-40.428-4/7 Bijgevolg zijn de goederen onttrokken aan het vrije beschikkingsrecht van de verzoekende partijen en van de verwerende partij. De verzoekende partijen kunnen wel de lichting van het beslag vorderen, respectievelijk aan de onderzoeksrechter volgens artikel 61quater van het Wetboek van Strafvordering, of aan de procureur des Konings volgens artikel 28sexies van hetzelfde Wetboek. De bestreden beslissingen zijn uitvoeringshandelingen van het inmiddels opgeheven administratief beslag. Zij hebben, tegelijk met de opheffing van het administratief beslag, opgehouden te bestaan. De bewering van de verzoekende partijen dat de beëindiging van het administratief beslag op 20 november 2018 het bestaan van de inbeslagname voor het verleden niet wegneemt waardoor de rechtsgevolgen uitdrukkelijk overeind blijven, kan niet worden gevolgd. De verzoekende partijen benadrukken in de memorie van wederantwoord dat het voorliggende beroep niet gericht is tegen de inbeslagname van de handelsvoorraad, maar tegen de beslissing van het FAVV om deze handelsvoorraad te bestemmen als petfood en voor verkoop over te dragen aan de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. Deze beslissingen, die louter de bestemming van de betrokken goederen bepaalden, hebben geen uitwerking gekregen in het verleden en hebben geen rechtsgevolgen die uitdrukkelijk overeind blijven, aangezien de betrokken goederen gerechtelijk in beslag werden genomen. De vordering tot nietigverklaring is zonder voorwerp geworden. V. Kosten 8. De kosten dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. VII-40.428-5/7 Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april 2017. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De onterecht betaalde bijdrage van 20 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. VII-40.428-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.428-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.290 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.