← België

Arrest 252292 - Milieuvergunningen - 02/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.292 Rolnummer: A. 223414/VII-40097 Zaak: Arrest 252292 - Milieuvergunningen - 02/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-09 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-12 14:35 Fiche Arrest nr 252.292 van 2 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.292 van 2 december 2021 in de zaak A. 223.414/VII-40.097 In zake : de BV TURBO SERVICE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 20 juli 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 4 augustus 2011, houdende het deels vergunnen, deels weigeren van een vergunning aan Patrick Boden voor een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot, gelegen aan de Industrieweg 1008 te Herk-de-Stad, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.097-1/15 Auditeur Benny De Sutter heeft op 5 mei 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 november 2021. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jeffrey Roegiers, die loco advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Nick Parthoens verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny de Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij baat een bedrijf uit dat als activiteit heeft het afstellen en reviseren van turbo’s. Zij is gevestigd op het industrieterrein Daelemveld, Industrieweg 1014 in Herk-de-Stad. 3.2. De aanvrager van de bestreden vergunning baat in Herk-de-Stad, aan de Industrieweg 1008, op een naburig terrein, sedert 1981 een garage/carrosserie uit. Dit bedrijf is geëvolueerd tot een inrichting voor opslag en verwerking van schroot. De planologische bestemming volgens het gewestplan VII-40.097-2/15 Hasselt - Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, is industriegebied. 3.3. Op 25 januari 2011 dient de exploitant een aanvraag in voor een hernieuwing van een milieuvergunning voor het verder exploiteren van een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot, onder meer voor afgedankte voertuigen, op hetzelfde terrein. 3.4. Hij dient tegelijkertijd een aanvraag in voor een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot, gelegen aan de Industrieweg 1020, ook in Herk-de-Stad. Die aanvraag betreft een nieuwe exploitatievergunning. Er wordt gesteld dat de ruimte waarover de bestaande inrichting op de Industrieweg 1008 beschikt, te beperkt is geworden. Voorts vermeldt de aanvraag dat het bedrijf installaties zal bevatten voor het opslaan en sorteren, dit is het manueel of met lichte gereedschappen bijeenvoegen van schroot, afgedankte elektrische en elektronische apparaten, afvalkabels en aanverwante producten. Daarnaast is er de opslag en sortering van kabelafval, zowel gevaarlijk als niet-gevaarlijk, en niet-gedepollueerde afgedankte elektrische en elektronische apparaten (hierna: AEEA). Als nieuwe activiteit is ook de sortering en depollutie van AEEA opgenomen. Het bedrijf wordt geëxploiteerd in een regime van zes dagen per week. Aan- en afvoeren, en bijgevolg overslaan en mechanisch behandelen van AEEA, gebeuren tussen 7 en 19 uur. 3.5. Tijdens het openbaar onderzoek worden drie schriftelijke bezwaren ingediend, onder meer door de verzoekende partij, waarin onder meer gewag wordt gemaakt van reeds bestaande ernstige hinder. 3.6. De deputatie van de provincieraad van Limburg verleent op 4 augustus 2011 de vergunning onder voorwaarden voor de exploitatie aan de Industrieweg 1008. De vergunning wordt geweigerd voor de opslag en mechanische behandeling “van de overige 100 ton schroot deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie”. VII-40.097-3/15 3.7. Tegen deze beslissing wordt beroep aangetekend door drie omliggende bedrijven, waaronder de verzoekende partij. 3.8. Op 4 april 2012 wordt aan de exploitant de vergunning verleend voor een termijn tot 4 augustus 2031, voor het verder exploiteren van een inrichting voor opslag en sortering van schroot gelegen aan de Industrieweg 1008 te Herk-de-Stad. De milieuvergunning wordt geweigerd voor de opslag en mechanische behandeling van de overige 100 ton schroot deels in hal en deels naast de schaar/persinstallatie. 3.9. Bij arrest van de Raad van State nr. 225.295 van 31 oktober 2013 wordt deze beslissing nietig verklaard. 3.10. In het kader van de hernomen beroepsprocedure worden de volgende adviezen ingewonnen: - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) ziet geen reden om haar gunstig advies van eerste aanleg te wijzigen gelet op het feit dat dit beroep niet handelt over het afvalstoffen- en materialenbeleid; - de afdeling Ruimtelijke Planning en Woonbeleid verleent een gunstig advies omdat de inrichting in overeenstemming is met de ter plaatse geldende planologische voorschriften en gezien het louter milieutechnische karakter van de bezwaren; - de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna: VMM) verleent een gunstig advies voor de lozing van 2 m³/uur, 10 m³/dag en 1.600 m³/jaar bedrijfsafvalwater in de openbare riolering indien voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor de lozing van bedrijfsafvalwater in de riool en aan bijzondere voorwaarden; - de afdeling Milieuvergunningen besluit in haar deels gunstige, deels ongunstige advies dat de hinder voor mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de gevraagde inrichting mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, met uitzondering van de opslag en mechanisch behandelen van de overige 100 ton schroot deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie. Zij stelt onder VII-40.097-4/15 meer voor om de voorwaarde dat de exploitant of zijn vertegenwoordiger, wanneer de wachtzone volzet is, de aanrijdende leveranciers zal verplichten om zich te wenden tot de nieuwe exploitatie (Industrieweg 1020) waar een wachtzone van 100 meter lengte ter beschikking is en waar de betreffende afvalstoffen tevens kunnen worden gelost, te schrappen. 3.11. Op 23 mei 2014 verleent de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur aan de exploitant de vergunning, voor een termijn verstrijkend op 4 augustus 2031, voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot. De milieuvergunning wordt geweigerd wat de exploitatie betreft van opslag en mechanisch behandelen van de overige 100 ton schroot, deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie. 3.12. Bij arrest van de Raad van State nr. 237.459 van 23 februari 2017 wordt ook deze beslissing nietig verklaard. 3.13. In het kader van de andermaal hernomen beroepsprocedure worden de volgende adviezen ingewonnen: - de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (Milieu) verleent een deels gunstig, deels ongunstig advies; - de OVAM adviseert eveneens deels gunstig, deels ongunstig; - de VMM geeft een voorwaardelijk gunstig advies; - de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (Ruimte) geeft ook een voorwaardelijk gunstig advies; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie verleent, nadat de exploitant op 16 mei 2017 werd gehoord, een deels gunstig, deels ongunstig advies. 3.14. Op 20 juli 2017 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw aan de exploitant de vergunning, voor een termijn verstrijkend op 4 augustus 2031, voor het verder exploiteren van een inrichting voor opslag en sortering van schroot gelegen aan de Industrieweg 1008 te VII-40.097-5/15 Herk-de-Stad, op kadastrale perceel afdeling 1, sectie A, perceelnr. 254B, omvattende: “- opslag van max. 5 ton batterijen; - opslag en sortering van max. 10 ton niet-gevaarlijk kabelafval; - opslag en sortering van max. 10 ton gevaarlijk kabelafval; - opslag en mechanisch behandelen van max. 650 ton schroot deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie; voor het mechanisch behandelen wordt een schaar/persinstallatie, een kraan en een rolbrug gebruikt + deze opslag omvat ook de uitgesorteerde materialen; - opslag, depollutie, ontmanteling en vernietiging van voertuigwrakken en/of afgedankte voertuigen met een max. opslag van 30 ton; hierbij hoort de opslag afkomstig van depollutie en ontmanteling: batterijen, remvloeistof, koelvloeistof, ruitenspoeiervloeistof, benzine, diesel, afvaloliën, koelmiddelen voor airconditioning, schroot (metalen onderdelen), motoroliefilters, gastanks, pyrotechnische delen van airbags/gordels (niet ingedeeld: minder dan 1 kg), katalysatoren, voertuigbanden, glas, kunststofonderdelen en herbruikbare auto-onderdelen; - het lozen van max. 2 m³/u - 10 m³/dag - 1.600 m³/jaar bedrijfsafvalwater afkomstig van de vloeistofdichte vloer (opslag schroot + tankpiste) in de openbare riolering; - een dieselgenerator met een elektrisch vermogen van 309 kW; - een transformator van 800 kVA; - een stalplaats voor 2 heftrucks en 3 vrachtwagens; - een werkplaats met gebruik van 2 hefbruggen; - 2 luchtcompressoren van resp. 2 kW en 4 kW - totaal 6 kW; - opslag van 2.900 liter gas in flessen: 200 liter argon, 400 liter mengsel argon en CO2, 1.500 liter zuurstof en 800 liter propaan + 60 liter koelmiddelen voor airco in verplaatsbare recipiënten + opslag van LPG-tanks afkomstig van de ontmanteling van voertuigwrakken met inhoud van max. 500 liter - totaal 3.460 liter; - opslag van 2.000 kg gerecupereerde koelvloeistof en 600 kg gerecupereerde ruitensproeiervloeistof - totaal 2600 kg; - opslag van benzine in 2 bovengrondse houders van elk 590 liter - totaal 1.180 liter; - opslag van max. 13.600 liter: 10.000 liter lichte stookolie in een ondergrondse houder, 1.000 liter afvalolie in vaten, 600 liter diesel in een bovengrondse houder en 2.000 liter afvalolie in een bovengrondse houder; - opslag van 1.800 liter P4-producten: 800 liter motorolie, 800 liter hydraulische olie en 200 liter remvloeistof; - één verdeelslang voor mazout en één verdeelslang voor diesel; - een schaar/persinstallatie van 270 kW, een kolomboormachine van 0,6 kW, een slijpsteen van 0,8 kW, een zaagmachine van 1,5 kW en een metaalschaar van 11 kW - totaal 283,9 kW; - een dieselgenerator met een nominaal vermogen van 325 kW”. VII-40.097-6/15 De milieuvergunning wordt geweigerd wat de exploitatie betreft van opslag en mechanisch behandelen van de overige 100 ton schroot, deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste en het derde middel A. Eerste middel Standpunten van de partijen 4. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 4 van richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: richtlijn 85/337/EEG), de artikelen 1, 2 en 4 van richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, de artikelen 4.1.1, § 1, 5° en 4.3.2, §§ 2 en 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: project-MER-besluit) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en van het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partij is in wezen van oordeel dat de vergunningverlenende overheid voor het betrokken project, op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004, samen gelezen met omzendbrief LNE 2011/01, zoals destijds van toepassing, ambtshalve een MER-screening moest uitvoeren om zo de uitwerking van richtlijn 85/337/EEG te verzekeren. Bovendien geldt voor die screening dat beide percelen van de exploitant als één geheel onderzocht moeten worden. In de bestreden beslissing wordt niet gemotiveerd waarom geen MER-screening vereist zou zijn. VII-40.097-7/15 5. De verwerende partij werpt als exceptie op dat de ingeroepen schending van de aangehaalde Europese richtlijnen reeds eerder, in de administratieve procedure, dan wel in de procedures voor de Raad van State, kon worden opgeworpen, zodat de verzoekende partij zich er thans niet langer op ontvankelijke wijze op kan beroepen. De overige regelgeving waarvan de verzoekende partij de schending aanvoert, was op het ogenblik van de milieuvergunningsaanvraag en de volledigheids- en ontvankelijkheidsverklaring ervan nog niet in werking, zodat zij niet kan geschonden zijn. Beoordeling 6. Geen enkele bepaling of geen enkel beginsel schrijft voor dat een verzoeker voor de Raad van State, als annulatierechter, slechts die kritiek kan aanvoeren die hij tevens gedurende het administratief besluitvormingsproces heeft laten gelden. Het gegeven dat het middel niet in eerdere procedures voor de Raad van State werd aangevoerd, leidt evenmin tot de onontvankelijkheid ervan. Dit ontneemt de verzoekende partij evenmin het belang bij het opgeworpen middel. Het bestreden besluit werd immers genomen na een volledig heronderzoek van de vergunningsaanvraag in graad van beroep. De beoordelingsbevoegdheid over een aanvraag voor een milieuvergunning impliceert dat de vergunningverlenende overheid, rekening houdend met alle concrete gegevens van de zaak en de erbij betrokken uiteenlopende belangen, de hinder en de risico’s voor de mens en het leefmilieu onderzoekt en de passende eindconclusies trekt. De beoordeling van de milieueffecten behoort tot het wezen zelf van de opdracht van de vergunningverlenende overheid. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing niet onderzoekt of voor het project een milieueffectenrapport moet worden opgemaakt, heeft zij een evident belang bij deze kritiek. 7. Bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG, zoals van kracht ten tijde van de milieuvergunningsaanvraag, vermeldt onder punt 11,

  1. e)de “[o]pslag van schroot”. De activiteiten waarvoor de vergunning wordt gevraagd, vallen dus, minstens gedeeltelijk, onder de activiteiten vermeld in die bijlage. VII-40.097-8/15 Op 24 maart 2011 oordeelde het Hof van Justitie in zijn arrest in de zaak C-435/09 dat “voor zover de regelgeving van het Vlaamse Gewest drempelwaarden en selectiecriteria vaststelt die enkel met de omvang van het betrokken project rekening houden”, deze niet voldoet “aan de eisen van artikel 4, leden 2 en 3” van richtlijn 85/337/EEG, doordat bij het vaststellen van drempelwaarden en criteria de relevante selectiecriteria van bijlage III onvoldoende in acht werden genomen. De Vlaamse ministers bevoegd voor Leefmilieu en voor Ruimtelijke Ordening hebben op 22 juli 2011 omzendbrief LNE 2011/01 uitgevaardigd met instructies om in afwachting van een wijziging van de Vlaamse regelgeving reeds zo goed als mogelijk te voldoen aan de bepalingen van richtlijn 85/337/EEG (later gecodificeerd in richtlijn 2011/92/EU). Bij decreet van 23 maart 2012 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: decreet van 23 maart 2012) worden diverse bepalingen in overeenstemming gebracht met voornoemd arrest van het Europees Hof van Justitie. Artikel 4.3.2 DABM wordt bij artikel 5 van het decreet van 23 maart 2012 vervangen, waardoor onder meer een artikel 4.3.2, § 2bis, wordt ingevoegd, luidens hetwelk de Vlaamse regering, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de andere dan in paragrafen 1 en 2 vermelde categorieën van projecten aanwijst waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk een project-MER of een project-MER-screeningsnota moet worden opgesteld. Dit artikel 5 is op 29 april 2013 in werking getreden. De in het geding zijnde vergunningsaanvraag valt onder het toepassingsgebied van de omzendbrief van 22 juli 2011, gelet op de overgangsbepaling vervat in artikel 13, § 1, van het decreet van 23 maart 2012, die inhoudt dat een milieuvergunningsaanvraag die aan de bevoegde overheid werd verzonden voor de datum van inwerkingtreding van (onder meer) artikel 5 van dit decreet, moet worden behandeld “overeenkomstig de procedure die van toepassing was op dat ogenblik”. VII-40.097-9/15 Projecten van de categorieën die zijn opgenomen in bijlage II bij het project-MER-besluit en die de daar vastgestelde drempelwaarden niet overschrijden, vallen onder de toepassing van de omzendbrief als ze zijn opgenomen in de lijst die als bijlage bij de omzendbrief is gevoegd. De omzendbrief stelt onder punt C.2 Richtsnoeren: “[…] Als een project onder het toepassingsgebied valt, moet de vergunningverlenende overheid ervoor zorgen dat voorafgaandelijk aan de beslissing over de vergunningsaanvraag een screening wordt uitgevoerd. De vergunningverlenende overheid moet in de motivering van haar beslissing over de vergunningsaanvraag een duidelijk identificeerbare passage opnemen waaruit op afdoende wijze blijkt dat het project gescreend is. Dit dient te gebeuren voor zowel nieuwe als voor hangende vergunningsaanvragen. […]”. De bestreden beslissing bevat geen “duidelijk identificeerbare passage” waaruit op afdoende wijze blijkt dat het project gescreend is. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Derde middel Standpunten van de partijen 8. De verzoekende partij voert in het derde middel de schending aan van artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet) en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Gelet op de ligging van de vergunningsplichtige activiteit in het vogelrichtlijngebied “Demervallei” en op ongeveer 320 meter afstand van het gelijknamige habitatrichtlijngebied, diende volgens haar een passende beoordeling, minstens een screening, te worden uitgevoerd van de inpasbaarheid VII-40.097-10/15 van de vergunde inrichting ten opzichte van die speciale beschermingszones (hierna: SBZ). De motivering in de bestreden beslissing kan onmogelijk als afdoende worden beschouwd. In de eerste plaats is er helemaal geen vermindering van schrootopslag. Deze visie gaat uit van de situatie dat de inrichtingen niet werden beschouwd als een milieutechnische eenheid. Bovendien moet het betrokken project een specifiek beoordelingstraject doorlopen waarbij in een eerste fase een screening plaatsvindt om na te gaan of al dan niet een passende beoordeling is vereist, en vervolgens, indien nodig, in een volgende fase een passende beoordeling wordt gemaakt. In zijn arrest nr. 225.296 van 31 oktober 2013 heeft de Raad van State geoordeeld dat de hinder die de betrokken inrichting produceert moet worden bekeken vanuit de milieutechnische eenheid met de inrichting op nummer 1020. Ook in het kader van de passende beoordeling, minstens de screening, moet de milieu-impact van de beide inrichtingen gezamenlijk geëvalueerd worden. Dergelijke evaluatie ontbreekt in de bestreden beslissing. 9. De verwerende partij stelt daar tegenover dat een passende beoordeling enkel vereist is indien een vergunningsplichtige activiteit een betekenisvolle aantasting kan veroorzaken. De beoordeling in de bestreden beslissing in dit verband is niet kennelijk onredelijk en is ingegeven vanuit de exploitatie van beide inrichtingen als milieutechnische eenheid. Zij wijst erop dat de verzoekende partij de motieven van de grote afstand tegenover het gebied en de bestaande ligging in industriegebied niet in twijfel trekt, en zelfs geen enkel element uit de bestreden beslissing aanhaalt om de conclusie van de verwerende partij te ontkrachten. Beoordeling 10. Uit artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet volgt dat milieuvergunningsplichtige activiteiten die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een SBZ kunnen veroorzaken, onderworpen dienen te VII-40.097-11/15 worden aan een “passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone”. Artikel 2, 30°, van het natuurbehouddecreet definieert een “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als: “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
  2. en)of de habitat(
  3. s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
  4. en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone”. Hiermee stelt het natuurbehouddecreet de instandhouding voorop van de “natuurlijke kenmerken” van de SBZ. Een dergelijke beoordeling houdt in dat, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Rekening houdend met de conclusies van de beoordeling van de gevolgen van het plan of project voor het betrokken gebied, mag de overheid dergelijk plan of project pas goedkeuren nadat zij zekerheid heeft verkregen omtrent het feit dat het geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Die zekerheid is voorhanden “wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn”. Een passende beoordeling is geen loutere vormvereiste voor sommige vergunningsaanvragen, maar een specifiek onderzoek dat moet worden gevoerd vooraleer sommige vergunningen kunnen worden verleend. De natuurtoets van artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet vergt een stapsgewijze benadering, waarvan een screening de eerste stap vormt: tijdens een eerste fase wordt nagegaan of voor de desbetreffende vergunningsplichtige activiteit, plan of programma al dan niet een passende beoordeling is vereist. Deze screening focust op de vraag naar eventuele schadelijke effecten voor de betrokken SBZ. Wanneer uit de screening blijkt dat VII-40.097-12/15 het plaatsvinden van schadelijke effecten niet met zekerheid kan worden uitgesloten, moet het verdere beoordelingstraject, de eigenlijke passende beoordeling, worden doorlopen. In het licht van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet moet de vergunnende overheid nagaan of de vergunningsplichtige activiteit al dan niet kan leiden tot een significante aantasting van de natuurlijke kenmerken van een SBZ. Uit de motivering van de bestreden beslissing moet blijken of de overheid zich afdoende vergewist heeft van de mogelijke risico’s die het project met zich meebrengt. Dit zorgvuldig onderzoek naar de noodzaak van een passende beoordeling dient zich te weerspiegelen in de motivering, die naar rechte en feite afdoende moet zijn. 11. In de bestreden beslissing wordt in dit verband overwogen: “[…] dat de inrichting gelegen is in het Vogelrichtlijngebied ‘Demervallei’ en gelegen is op ongeveer 320 meter van het Habitatrichtlijngebied ‘Demervallei’; dat gezien de grote afstand ten opzichte van het Habitatrichtlijngebied er aangenomen kan worden dat er geen significante effecten te verwachten zijn; dat de bestaande inrichting gelegen is op een industrieterrein; dat er bijgevolg gezien de hernieuwing en geplande vermindering van schrootopslag en de ligging, er geen significante negatieve effecten zullen zijn op het aanwezige vogelbestand; […] Overwegende dat het Vogelrichtlijngebied van de Demervallei mee het hele industrieterrein beslaat, maar op beide percelen in aanvraag de feitelijke configuratie vastligt in bouwvergunde loodsen en verhardingen, waardoor er in realiteit geen bijkomende weerslag op de (minimaal aanwezige/potentiële) natuurwaarden ontstaat”. In de overwegingen van het bestreden besluit wordt nergens aangegeven dat een voorafgaande screening overeenkomstig artikel 36ter van het natuurbehouddecreet is uitgevoerd. Zulks blijkt evenmin uit het administratief dossier. De ligging ten opzichte van het habitatrichtlijngebied komt weliswaar ter sprake, maar er is geen duidelijke, concrete beoordeling terug te vinden als zou een mogelijke betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken met zodanige zekerheid kunnen worden uitgesloten dat een passende beoordeling overbodig is, noch wat betreft het habitatrichtlijngebied, noch wat betreft het vogelrichtlijngebied dat mee het betrokken industriegebied beslaat. VII-40.097-13/15 Zoals in arrest nr. 225.295 van de Raad van State van 31 oktober 2013 wordt overwogen, moet de hinder die de inrichting produceert, bekeken worden vanuit de milieutechnische eenheid die de inrichting vormt met de inrichting aan de Industrieweg 1020. In het licht van het voorzorgsbeginsel dat de overheid in acht dient te nemen bij de uit te voeren screening, mag worden aangenomen dat ook bij de screening van de mogelijke impact van de betrokken inrichting op de SBZ, de milieutechnische eenheid van de betrokken inrichtingen als uitgangspunt moet worden gehanteerd. Aangenomen dat de verwerende partij de impact van de betrokken inrichting op de SBZ zou hebben gescreend, blijkt uit de aangehaalde overwegingen bovendien niet dat zij daarbij is uitgegaan van de milieutechnische eenheid. Zij heeft immers enkel “de hernieuwing en geplande vermindering” in rekening gebracht en is voorbijgegaan aan de nieuwe vergunning van het terrein aan de Industrieweg 1020. Het derde middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 20 juli 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 4 augustus 2011, houdende het deels vergunnen, deels weigeren van een vergunning aan Patrick Boden voor een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot, gelegen aan de Industrieweg 1008 te Herk-de-Stad, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. VII-40.097-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.097-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.