id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.292 Rolnummer: A. 223414/VII-40097 Zaak: Arrest 252292 - Milieuvergunningen - 02/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-09 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-12 14:35 Fiche Arrest nr 252.292 van 2 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.292 van 2 december 2021 in de zaak A. 223.414/VII-40.097 In zake : de BV TURBO SERVICE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 20 juli 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 4 augustus 2011, houdende het deels vergunnen, deels weigeren van een vergunning aan Patrick Boden voor een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot, gelegen aan de Industrieweg 1008 te Herk-de-Stad, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.097-1/15 Auditeur Benny De Sutter heeft op 5 mei 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 november 2021. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jeffrey Roegiers, die loco advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Nick Parthoens verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny de Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij baat een bedrijf uit dat als activiteit heeft het afstellen en reviseren van turbo’s. Zij is gevestigd op het industrieterrein Daelemveld, Industrieweg 1014 in Herk-de-Stad. 3.2. De aanvrager van de bestreden vergunning baat in Herk-de-Stad, aan de Industrieweg 1008, op een naburig terrein, sedert 1981 een garage/carrosserie uit. Dit bedrijf is geëvolueerd tot een inrichting voor opslag en verwerking van schroot. De planologische bestemming volgens het gewestplan VII-40.097-2/15 Hasselt - Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, is industriegebied. 3.3. Op 25 januari 2011 dient de exploitant een aanvraag in voor een hernieuwing van een milieuvergunning voor het verder exploiteren van een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot, onder meer voor afgedankte voertuigen, op hetzelfde terrein. 3.4. Hij dient tegelijkertijd een aanvraag in voor een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot, gelegen aan de Industrieweg 1020, ook in Herk-de-Stad. Die aanvraag betreft een nieuwe exploitatievergunning. Er wordt gesteld dat de ruimte waarover de bestaande inrichting op de Industrieweg 1008 beschikt, te beperkt is geworden. Voorts vermeldt de aanvraag dat het bedrijf installaties zal bevatten voor het opslaan en sorteren, dit is het manueel of met lichte gereedschappen bijeenvoegen van schroot, afgedankte elektrische en elektronische apparaten, afvalkabels en aanverwante producten. Daarnaast is er de opslag en sortering van kabelafval, zowel gevaarlijk als niet-gevaarlijk, en niet-gedepollueerde afgedankte elektrische en elektronische apparaten (hierna: AEEA). Als nieuwe activiteit is ook de sortering en depollutie van AEEA opgenomen. Het bedrijf wordt geëxploiteerd in een regime van zes dagen per week. Aan- en afvoeren, en bijgevolg overslaan en mechanisch behandelen van AEEA, gebeuren tussen 7 en 19 uur. 3.5. Tijdens het openbaar onderzoek worden drie schriftelijke bezwaren ingediend, onder meer door de verzoekende partij, waarin onder meer gewag wordt gemaakt van reeds bestaande ernstige hinder. 3.6. De deputatie van de provincieraad van Limburg verleent op 4 augustus 2011 de vergunning onder voorwaarden voor de exploitatie aan de Industrieweg 1008. De vergunning wordt geweigerd voor de opslag en mechanische behandeling “van de overige 100 ton schroot deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie”. VII-40.097-3/15 3.7. Tegen deze beslissing wordt beroep aangetekend door drie omliggende bedrijven, waaronder de verzoekende partij. 3.8. Op 4 april 2012 wordt aan de exploitant de vergunning verleend voor een termijn tot 4 augustus 2031, voor het verder exploiteren van een inrichting voor opslag en sortering van schroot gelegen aan de Industrieweg 1008 te Herk-de-Stad. De milieuvergunning wordt geweigerd voor de opslag en mechanische behandeling van de overige 100 ton schroot deels in hal en deels naast de schaar/persinstallatie. 3.9. Bij arrest van de Raad van State nr. 225.295 van 31 oktober 2013 wordt deze beslissing nietig verklaard. 3.10. In het kader van de hernomen beroepsprocedure worden de volgende adviezen ingewonnen: - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) ziet geen reden om haar gunstig advies van eerste aanleg te wijzigen gelet op het feit dat dit beroep niet handelt over het afvalstoffen- en materialenbeleid; - de afdeling Ruimtelijke Planning en Woonbeleid verleent een gunstig advies omdat de inrichting in overeenstemming is met de ter plaatse geldende planologische voorschriften en gezien het louter milieutechnische karakter van de bezwaren; - de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna: VMM) verleent een gunstig advies voor de lozing van 2 m³/uur, 10 m³/dag en 1.600 m³/jaar bedrijfsafvalwater in de openbare riolering indien voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor de lozing van bedrijfsafvalwater in de riool en aan bijzondere voorwaarden; - de afdeling Milieuvergunningen besluit in haar deels gunstige, deels ongunstige advies dat de hinder voor mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de gevraagde inrichting mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, met uitzondering van de opslag en mechanisch behandelen van de overige 100 ton schroot deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie. Zij stelt onder VII-40.097-4/15 meer voor om de voorwaarde dat de exploitant of zijn vertegenwoordiger, wanneer de wachtzone volzet is, de aanrijdende leveranciers zal verplichten om zich te wenden tot de nieuwe exploitatie (Industrieweg 1020) waar een wachtzone van 100 meter lengte ter beschikking is en waar de betreffende afvalstoffen tevens kunnen worden gelost, te schrappen. 3.11. Op 23 mei 2014 verleent de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur aan de exploitant de vergunning, voor een termijn verstrijkend op 4 augustus 2031, voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot. De milieuvergunning wordt geweigerd wat de exploitatie betreft van opslag en mechanisch behandelen van de overige 100 ton schroot, deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie. 3.12. Bij arrest van de Raad van State nr. 237.459 van 23 februari 2017 wordt ook deze beslissing nietig verklaard. 3.13. In het kader van de andermaal hernomen beroepsprocedure worden de volgende adviezen ingewonnen: - de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (Milieu) verleent een deels gunstig, deels ongunstig advies; - de OVAM adviseert eveneens deels gunstig, deels ongunstig; - de VMM geeft een voorwaardelijk gunstig advies; - de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (Ruimte) geeft ook een voorwaardelijk gunstig advies; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie verleent, nadat de exploitant op 16 mei 2017 werd gehoord, een deels gunstig, deels ongunstig advies. 3.14. Op 20 juli 2017 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw aan de exploitant de vergunning, voor een termijn verstrijkend op 4 augustus 2031, voor het verder exploiteren van een inrichting voor opslag en sortering van schroot gelegen aan de Industrieweg 1008 te VII-40.097-5/15 Herk-de-Stad, op kadastrale perceel afdeling 1, sectie A, perceelnr. 254B, omvattende: “- opslag van max. 5 ton batterijen; - opslag en sortering van max. 10 ton niet-gevaarlijk kabelafval; - opslag en sortering van max. 10 ton gevaarlijk kabelafval; - opslag en mechanisch behandelen van max. 650 ton schroot deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie; voor het mechanisch behandelen wordt een schaar/persinstallatie, een kraan en een rolbrug gebruikt + deze opslag omvat ook de uitgesorteerde materialen; - opslag, depollutie, ontmanteling en vernietiging van voertuigwrakken en/of afgedankte voertuigen met een max. opslag van 30 ton; hierbij hoort de opslag afkomstig van depollutie en ontmanteling: batterijen, remvloeistof, koelvloeistof, ruitenspoeiervloeistof, benzine, diesel, afvaloliën, koelmiddelen voor airconditioning, schroot (metalen onderdelen), motoroliefilters, gastanks, pyrotechnische delen van airbags/gordels (niet ingedeeld: minder dan 1 kg), katalysatoren, voertuigbanden, glas, kunststofonderdelen en herbruikbare auto-onderdelen; - het lozen van max. 2 m³/u - 10 m³/dag - 1.600 m³/jaar bedrijfsafvalwater afkomstig van de vloeistofdichte vloer (opslag schroot + tankpiste) in de openbare riolering; - een dieselgenerator met een elektrisch vermogen van 309 kW; - een transformator van 800 kVA; - een stalplaats voor 2 heftrucks en 3 vrachtwagens; - een werkplaats met gebruik van 2 hefbruggen; - 2 luchtcompressoren van resp. 2 kW en 4 kW - totaal 6 kW; - opslag van 2.900 liter gas in flessen: 200 liter argon, 400 liter mengsel argon en CO2, 1.500 liter zuurstof en 800 liter propaan + 60 liter koelmiddelen voor airco in verplaatsbare recipiënten + opslag van LPG-tanks afkomstig van de ontmanteling van voertuigwrakken met inhoud van max. 500 liter - totaal 3.460 liter; - opslag van 2.000 kg gerecupereerde koelvloeistof en 600 kg gerecupereerde ruitensproeiervloeistof - totaal 2600 kg; - opslag van benzine in 2 bovengrondse houders van elk 590 liter - totaal 1.180 liter; - opslag van max. 13.600 liter: 10.000 liter lichte stookolie in een ondergrondse houder, 1.000 liter afvalolie in vaten, 600 liter diesel in een bovengrondse houder en 2.000 liter afvalolie in een bovengrondse houder; - opslag van 1.800 liter P4-producten: 800 liter motorolie, 800 liter hydraulische olie en 200 liter remvloeistof; - één verdeelslang voor mazout en één verdeelslang voor diesel; - een schaar/persinstallatie van 270 kW, een kolomboormachine van 0,6 kW, een slijpsteen van 0,8 kW, een zaagmachine van 1,5 kW en een metaalschaar van 11 kW - totaal 283,9 kW; - een dieselgenerator met een nominaal vermogen van 325 kW”. VII-40.097-6/15 De milieuvergunning wordt geweigerd wat de exploitatie betreft van opslag en mechanisch behandelen van de overige 100 ton schroot, deels in hal en deels naast schaar/persinstallatie. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste en het derde middel A. Eerste middel Standpunten van de partijen 4. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 4 van richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: richtlijn 85/337/EEG), de artikelen 1, 2 en 4 van richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, de artikelen 4.1.1, § 1, 5° en 4.3.2, §§ 2 en 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: project-MER-besluit) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en van het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partij is in wezen van oordeel dat de vergunningverlenende overheid voor het betrokken project, op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004, samen gelezen met omzendbrief LNE 2011/01, zoals destijds van toepassing, ambtshalve een MER-screening moest uitvoeren om zo de uitwerking van richtlijn 85/337/EEG te verzekeren. Bovendien geldt voor die screening dat beide percelen van de exploitant als één geheel onderzocht moeten worden. In de bestreden beslissing wordt niet gemotiveerd waarom geen MER-screening vereist zou zijn. VII-40.097-7/15 5. De verwerende partij werpt als exceptie op dat de ingeroepen schending van de aangehaalde Europese richtlijnen reeds eerder, in de administratieve procedure, dan wel in de procedures voor de Raad van State, kon worden opgeworpen, zodat de verzoekende partij zich er thans niet langer op ontvankelijke wijze op kan beroepen. De overige regelgeving waarvan de verzoekende partij de schending aanvoert, was op het ogenblik van de milieuvergunningsaanvraag en de volledigheids- en ontvankelijkheidsverklaring ervan nog niet in werking, zodat zij niet kan geschonden zijn. Beoordeling 6. Geen enkele bepaling of geen enkel beginsel schrijft voor dat een verzoeker voor de Raad van State, als annulatierechter, slechts die kritiek kan aanvoeren die hij tevens gedurende het administratief besluitvormingsproces heeft laten gelden. Het gegeven dat het middel niet in eerdere procedures voor de Raad van State werd aangevoerd, leidt evenmin tot de onontvankelijkheid ervan. Dit ontneemt de verzoekende partij evenmin het belang bij het opgeworpen middel. Het bestreden besluit werd immers genomen na een volledig heronderzoek van de vergunningsaanvraag in graad van beroep. De beoordelingsbevoegdheid over een aanvraag voor een milieuvergunning impliceert dat de vergunningverlenende overheid, rekening houdend met alle concrete gegevens van de zaak en de erbij betrokken uiteenlopende belangen, de hinder en de risico’s voor de mens en het leefmilieu onderzoekt en de passende eindconclusies trekt. De beoordeling van de milieueffecten behoort tot het wezen zelf van de opdracht van de vergunningverlenende overheid. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing niet onderzoekt of voor het project een milieueffectenrapport moet worden opgemaakt, heeft zij een evident belang bij deze kritiek. 7. Bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG, zoals van kracht ten tijde van de milieuvergunningsaanvraag, vermeldt onder punt 11,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.