← België

Arrest 252297 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 02/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.297 Rolnummer: A. 225867/VII-40354 Zaak: Arrest 252297 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 02/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-14 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-12 14:39 Fiche Arrest nr 252.297 van 2 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.297 van 2 december 2021 in de zaak A. 225.867/VII-40.354 In zake : de BVBA DE BAERE MATHIEU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Van den Bunder kantoor houdend te 8580 Avelgem Kasteelstraat 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de ADMINISTRATEUR-GENERAAL VAN HET AGENTSCHAP VOOR NATUUR EN BOS
  2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 31 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 2 mei 2018 waarbij de erkenning van de verzoekende partij als koper of exploitant van hout, wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De tweede verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord en een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 9 juli 2021 een verslag opgesteld. VII-40.354-1/16 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
  5. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, is gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoekende partij is een bedrijf gespecialiseerd in bosontginning, houtrecyclage en de verkoop van hout. Sinds 11 juni 2014 is zij erkend als bosexploitant in de zin van het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002 ‘houdende de erkenning van kopers en exploitanten van hout overeenkomstig artikel 79 van het Bosdecreet van 13 juni 1990’. 3.
  8. Op 1 maart 2018 dient de regiobeheerder van het Agentschap voor Natuur en Bos een klacht in over de bosexploitatie door de verzoekende partij in het domeingebied Drongengoed te Knesselare. De klacht gaat er voornamelijk over dat de exploitatievoorwaarden niet worden nageleefd, schade wordt VII-40.354-2/16 toegebracht aan bomen en bodem, de boswachter niet wordt ingelicht en infrastructuur wordt weggehaald. Bij de klacht is een verslag van de boswachter gevoegd. 3.
  9. Op 6 maart 2018 volgt een klacht van de terreinbeheerder van het Agentschap voor Natuur en Bos jegens de verzoekende partij omtrent een exploitatie in het domeinbos Kampveld te Oostkamp. Deze klacht heeft betrekking op een meerkap van 44,36 %. Er wordt de exploitant een financiële verrekening voorgesteld. De exploitant aanvaardt de minnelijke schikking en betaalt de verrekening. 3.
  10. Met een e-mailbericht van 21 maart 2018 maakt de verzoekende partij gebruik van de mogelijkheid om schriftelijk standpunt in te nemen over de klacht met betrekking tot de meerkap in het domeinbos Kampveld. Zij stelt het volgende: “De meerkap in Kampveld is mede de oorzaak van slecht aangeduide ruimingspistes, bomen die niet gemarkeerd waren met de hamer (enkel met de rits aan 1 kant). Het hoge percentage van de meerkap is hier gebeurd doordat de aangeduide ruimingspistes gekapt werden. Dit was in een bestand met kleine fijnsparren. ANB zegt dat wij 44 % te veel gekapt hebben in het totale lot, waarvan er een bestand is die door ons nog moet gekapt worden. (er is voor dit bestand nog geen kapvergunning). Maar ze rekenen het wel door als een volledig lot. […] In het lot Kampveld waren er 3 proefvlakken en het is enkel in het bestand met de fijnsparren waar er een meerkap is. Mede door die ruimingspiste. Dit is ook duidelijk te zien. Wij vinden het jammer dat dit volledig werd doorgetrokken naar het volledige lot”. 3.
  11. Het erkenningscomité beslist op 27 maart 2018 om een schorsing van de erkenning gedurende één maand op te leggen voor de klacht met betrekking tot het domeingebied Drongengoed. Voor de klacht met betrekking tot het domeinbos Kampveld adviseert het comité om de erkenning in te trekken. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: VII-40.354-3/16 “[…] Klachten Bij de bespreking van klacht 49 en 50 heeft Marc De [Spiegelaere], op eigen voorstel en om redenen van ‘mogelijk belanghebbende’ de vergadering verlaten, zoals voorzien in artikel 8 van het huishoudelijk reglement. - Klacht 49 De Baere Mathieu BVBA – Lot 4-2016 / dro 206: o Na bespreking wenst het EC alle elementen van de klacht te weerhouden. o Het veelvuldig afwijken van de opgelegde exploitatievoorwaarden (die stellen dat er moest gewerkt worden vanop de bestaande dreven) weegt zwaar door. Nergens is er ook maar een spoor van een gedocumenteerde afspraak met een boswachter die een afwijking van deze exploitatievoorwaarden zou hebben toegestaan. o Infrastructuur (slagbomen en paaltjes) zonder overleg en/of verwittiging uittrekken om zich toegang te verschaffen, is onaanvaardbaar. Dit had mits goed overleg met de boswachter ook vermeden kunnen worden (sleutel van de slagbomen kan bekomen worden). o Er wordt rekening gehouden met het feit dat door het opleggen van uitlieren als exploitatietechniek onvermijdelijk bomen kunnen beschadigd worden. o Er wordt rekening gehouden met de vaststelling dat dezelfde exploitant in de voorbije 3 jaar reeds tweemaal (klacht 41 van 26/05/2015 en klacht 43 van 16/06/2016) een waarschuwing heeft gekregen. o Sanctie: Eén maand schorsing van 1/05/2018 tot en met 31/05/
  12. - Klacht 50 De Baere Mathieu BVBA – Lot 3-2017 / KAM-303 o Het EC stelt vast dat er op basis van de toegepaste controlemethodes een ernstige meerkap vastgesteld is. o De berekende meerkap bedraagt 44,36% wat uitzonderlijk omvangrijk is. o Het EC stelt vast dat de exploitant de voorgestelde financiële verrekening in meer ter financiële compensatie van de meerkap aanvaard heeft. o Het EC neemt kennis van de verweerelementen van de exploitant zoals vervat in zijn mail van 21 maart
  13. o Het EC stelt vast dat de omvang van de meerkap werd bepaald rekening houdend met het nog niet gekapt bestand. In het verkochte lot zat 300m³ populier die nog niet gekapt was maar die geen invloed heeft op het resultaat van de meerkap. Zowel bij de keuze van de plots, als bij de verwerking van de vaststellingen werd het volume populier buiten rekening gehouden. De in de plots vastgestelde meerkap werd enkel doorgerekend naar de bestanden waarin plots lagen en dus niet naar het volledige lotvolume. o De andere argumentatie aangehaald door de exploitant wordt volledig weerleg[d]: - Dat ‘slecht aangeduide ruimingspistes’ mede de oorzaak kunnen zijn, is na de kapping sowieso moeilijk te checken. Zelfs als dat zo zou zijn geweest is het geen vrijgeleide om als exploitant zelf naar eigen inzicht bomen die niet geschalmd waren toch te kappen. Als exploitant problemen vaststelt ivm technisch nodig te kappen bomen (‘slechte ruimingspistes’) die niet geschalmd zijn, dan is er maar één methode: VII-40.354-4/16 voorafgaand overleg hierover met de boswachter. En dat is niet gebeurd. - In het lot werden 8 plots gelegd (en dus geen 3 zoals De Baere schrijft ; op terreinbezoek in zijn aanwezigheid van 19/2/2018 werden er effectief maar 3 bezocht, nl. waar de grootste meerkap was vastgesteld). In elke plot werd meerkap vastgesteld. o Het EC wijst op het kader aangereikt door de directieraad van ANB (zie onder punt 2) waarbij voor meerkap>10% gevraagd wordt om een hogere sanctie dan waarschuwing uit te spreken. o Herhaling van gesanctioneerde overtredingen (zie voorgaande schorsing uitgesproken naar aanleiding van klacht 49). Het EC wijst naar Art 28 van de erkenningsregeling waarin vermeld staat: ‘een tweede schorsing binnen de geldigheidsduur van de erkenning leidt tot het adviseren aan de minister om de erkenning in te trekken’. o Sanctie: Omwille van het uitzonderlijk karakter van de overtreding en de herhaling van overtredingen door dezelfde exploitant beslist het EC om aan de minister te adviseren om de erkenning in te trekken”. Het advies van het erkenningscomité van dezelfde datum luidt als volgt: “Advisering intrekking erkenning Volgende dossiers, waarbij het erkenningscomité verzoekt tot intrekking van de erkenning, werden door het erkenningscomité besproken. Het erkenningscomité beslist unaniem om aan de minister een positief advies tot intrekking van de erkenning inzake de volgende dossiers voor te leggen: Erk Naam Aanvrager Adres Land Erkend nr 654 De Baere Mathieu Buntelarestraat 2 9910 B 11/06/2014 BVBA Knesselare ”. 3.
  14. Met een brief van 9 april 2018 wordt aan de verzoekende partij het volgende meegedeeld: “Op datum 6 maart 2018 ontving het erkenningssecretariaat een klacht tegen uw bedrijf De Baere Mathieu (erkenningsnummer 654) vanuit het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), regio Zandig Vlaanderen & Terreinbeheer Koepel. De klacht werd opgesteld naar aanleiding van exploitatie van het lot 3-2017/KAM-
  15. […] Het erkenningscomité besliste in haar zitting van 27 maart 2018 […]: […] VII-40.354-5/16 dat volgende sanctie wordt opgelegd, overeenkomstig artikel 28 §1 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende de erkenning van kopers en exploitanten van hout van 8 november 2002: Omwille van het uitzonderlijk karakter van de overtreding en de herhaling van overtredingen door dezelfde exploitant beslist het EC om aan de minister te adviseren om de erkenning in te trekken. Motivatie: Het EC stelt vast dat er op basis van de toegepaste controlemethodes een ernstige meerkap vastgesteld is. De berekende meerkap bedraagt 44,36% wat uitzonderlijk omvangrijk is. Het EC stelt vast dat de exploitant de voorgestelde financiële verrekening in meer ter financiële compensatie van de meerkap aanvaard heeft. Het EC neemt kennis van de verweerelementen van de exploitant zoals vervat in zijn mail van 21 maart
  16. Het EC stelt vast dat de omvang van de meerkap werd bepaald rekening houdend met het nog niet gekapt bestand. In het verkochte lot zat 300 m³ populier die nog niet gekapt was maar die geen invloed heeft op het resultaat van de meerkap. Zowel bij de keuze van de plots, als bij de verwerking van de vaststellingen werd het volume populier buiten rekening gehouden. De in de plots vastgestelde meerkap werd enkel doorgerekend naar de bestanden waarin plots lagen en dus niet naar het volledige lotvolume. De andere argumentatie aangehaald door de exploitant wordt volledig weerleg[d]: Dat ‘slecht aangeduide ruimingspistes’ mede de oorzaak kunnen zijn, is na de kapping sowieso moeilijk te checken. Zelfs als dat zo zou zijn geweest is het geen vrijgeleide om als exploitant zelf naar eigen inzicht bomen die niet geschalmd waren toch te kappen. Als exploitant problemen vaststelt ivm technisch nodig te kappen bomen (‘slechte ruimingspistes’) die niet geschalmd zijn, dan is er maar één methode: voorafgaand overleg hierover met de boswachter. En dat is niet gebeurd. In het lot werden 8 plots gelegd (en dus geen 3 zoals De Baere schrijft ; op terreinbezoek in zijn aanwezigheid van 19/2/2018 werden er effectief maar 3 bezocht, nl. waar de grootste meerkap was vastgesteld). In elke plot werd meerkap vastgesteld. Het EC wijst op het kader aangereikt door de directieraad van ANB waarbij voor meerkap >10% gevraagd wordt om een hogere sanctie dan waarschuwing uit te spreken. Herhaling van gesanctioneerde overtredingen (zie voorgaande schorsing uitgesproken naar aanleiding van klacht 49). Het EC wijst naar Art 28 van de erkenningsregeling waarin vermeld staat: ‘een tweede schorsing binnen de geldigheidsduur van de erkenning leidt tot het adviseren aan de minister om de erkenning in te trekken’. Het erkenningscomité wil er u ook attent op maken dat de lijst van erkende kopers en bosexploitanten u systematisch per email wordt toegestuurd. Overeenkomstig artikel 26 van het besluit van de Vlaamse regering kan tegen elke beslissing van het erkenningscomité door de erkende exploitant of koper per aangetekend schrijven, binnen 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing van het erkenningscomité, een beroep worden ingediend bij het comité van beroep: Comité van beroep erkenningsregeling, Agentschap voor VII-40.354-6/16 Natuur en Bos, VAC Brussel – Herman Teirlinck – Havenlaan 88 bus 75 – 1000 Brussel”. 3.
  17. Met het thans bestreden besluit van 2 mei 2018 beslist het Agentschap voor Natuur en Bos om de erkenning van de verzoekende partij als koper of exploitant van hout in te trekken. Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen: “Overwegende dat het Erkenningscomité vaststelt dat er op basis van de toegepaste controlemethode een ernstige meerkap is vastgesteld; dat de berekende meerkap 44,36 % bedraagt wat uitzonderlijk omvangrijk is; Overwegende dat het Erkenningscomité vast stelt dat de exploitant de voorgestelde financiële verrekening van de meerkap aanvaard heeft; Overwegende dat het Erkenningscomité kennis neemt van de verweer- elementen van de exploitant zoals vervat in zijn e-mail van 21 maart 2018; Overwegende dat het Erkenningscomité vast stelt dat de omvang van de meerkap werd bepaald rekening houdend met het nog niet gekapt bestand; dat in het verkochte lot 300m³ populier zat die nog niet gekapt was maar die geen invloed heeft op het resultaat van de meerkap; dat zowel bij de keuze van de plots, als bij de verwerking van de vaststellingen het volume populier buiten rekening werd gehouden; dat de in de plots vastgestelde meerkap enkel werd doorgerekend naar de bestanden waarin plots lagen en dus niet naar het volledige lotvolume; Overwegende dat het Erkenningscomité de door de exploitant aangehaalde argumentatie volledig weerlegt: 1° dat ‘slecht aangeduide ruimingspistes’ mede de oorzaak van de meerkap kunnen zijn, is na de kapping sowieso moeilijk te checken; dat zelfs als dat zo zou zijn geweest, het geen vrijgeleide is om als exploitant zelf naar eigen inzicht bomen die niet geschalmd waren toch te kappen; dat als exploitant problemen vaststelt i.v.m. technisch nodig te kappen bomen (‘slechte ruimingspistes’) die niet geschalmd zijn, slechts één methode voorhanden is nl. voorafgaand overleg hierover met de boswachter; dat overleg met de boswachter niet heeft plaats gevonden; 2° dat in het lot 8 plots werden gelegd (en dus geen 3 zoals De Baere schrijft; op terreinbezoek in zijn aanwezigheid van 19/2/2018 werden er effectief maar 3 bezocht, nl. waar de grootste meerkap was vastgesteld); dat in elke plot meerkap werd vastgesteld; Overwegende dat het Erkenningscomité wijst op het kader aangereikt door de directieraad van Agentschap voor Natuur en Bos waarin bij een meerkap>10% gevraagd wordt om een hogere sanctie dan waarschuwing uit te spreken; Overwegende dat het in casu een herhaling van gesanctioneerde overtredingen (zie voorgaande schorsing uitgesproken naar aanleiding van klacht 49) betreft; dat het Erkenningscomité verwijst naar artikel 28 van de erkenningsregeling waarin vermeld staat: ‘een tweede schorsing binnen de geldigheidsduur van de erkenning leidt tot het adviseren aan de minister om de erkenning in te trekken’; VII-40.354-7/16 Overwegende dat het erkenningscomité de intrekking van de erkenning adviseert; Overwegende dat het Agentschap voor Natuur en Bos het advies van het Erkenningscomité, gegeven op 27 maart 2018 volgt”. IV. Aanduiding van de verwerende partijen
  18. Het Agentschap voor Natuur en Bos is een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid dat opgericht is binnen het Vlaams ministerie van Omgeving (artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2005 ‘tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap voor Natuur en Bos’). De eerste verwerende partij, die over geen aparte rechtspersoonlijkheid beschikt, dient buiten de zaak te worden gesteld. Wanneer hierna wordt verwezen naar “de verwerende partij”, wordt hiermee enkel het Vlaamse Gewest bedoeld. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  19. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 26 tot en met 28 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002 ‘houdende de erkenning van kopers en exploitanten van hout overeenkomstig artikel 79 van het Bosdecreet van 13 juni 1990’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. De verzoekende partij klaagt in de eerste plaats aan dat het advies van het erkenningscomité van 27 maart 2018 “uiterst gebrekkig” formeel VII-40.354-8/16 werd gemotiveerd, zodat het onmogelijk is te achterhalen wat de precieze beweegredenen van het erkenningscomité waren. Daarenboven zijn de opgegeven motieven ook materieel onjuist, in het bijzonder omdat er op het ogenblik van het advies geen tweede schorsing binnen de geldigheidsduur van de erkenning was uitgesproken. De schorsing naar aanleiding van de exploitatie in het domeingebied Drongengoed werd immers pas opgelegd met een beslissing van 28 maart 2018, daags na het advies van het erkenningscomité. Overigens is er, zo stelt de verzoekende partij, nooit sprake geweest van twee schorsingen omdat onmiddellijk werd overgegaan tot de intrekking van de erkenning. Voorts werpt de verzoekende partij op dat zij niet in de mogelijkheid is gesteld om tegen het advies van 27 maart 2018 beroep in te stellen bij het comité van beroep. Tot slot blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat het Agentschap voor Natuur en Bos geen eigen onderzoek heeft gevoerd naar de ernst en de omstandigheden van de ten laste gelegde feiten, dat concrete motieven ontbreken waarom tot een “zeer zware, en zelfs onevenredige sanctie” wordt overgegaan en dat er slechts gewag wordt gemaakt van motieven die neerkomen op een loutere stijlformule.
  20. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij bij brief van 9 april 2018 ter kennis werd gebracht dat het erkenningscomité aan de bevoegde Vlaamse minister zou voorstellen om haar erkenning in te trekken, dat de motieven van de voorgenomen intrekking integraal in dit schrijven werden vermeld en dat erin ook melding wordt gemaakt van de wettelijk voorziene beroepsmogelijkheid. Zij benadrukt dat de verzoekende partij van die beroepsmogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, zodat de beslissing van het erkenningscomité van 27 maart 2018 een definitief karakter heeft verkregen. Volgens de verwerende partij volgt uit het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002 niet dat het Agentschap voor Natuur en Bos een nieuw onderzoek had moeten voeren naar de concrete omstandigheden van de zaak, noch dat de verzoekende partij nogmaals had moeten worden VII-40.354-9/16 gehoord, te meer omdat over de uitvoering van een ongeoorloofde meerkap geen discussie bestaat en de verzoekende partij de daarvoor voorgestelde financiële compensatie heeft betaald. Voorts benadrukt zij dat tot de eerste schorsing werd besloten op 27 maart 2018 en dat op dezelfde datum een tweede sanctiebeslissing werd genomen. Voor de opheffing van de erkenning is niet vereist dat de eerste schorsing effectief moet zijn ingegaan. Er anders over oordelen, zou betekenen dat de behandeling van de tweede klacht moet worden uitgesteld naar een volgende zitting van het erkenningscomité, wat geen enkele zin heeft.
  21. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat er naar haar weten geen enkele bepaling van toepassing is die voorschrijft dat een “herhaling van gesanctioneerde overtredingen” per definitie leidt tot een (tweede) schorsing. De schorsing is een sanctie die geval per geval kan worden uitgesproken en niet kan worden verondersteld. Evengoed zou voor de feiten in Kampveld een waarschuwing opgelegd kunnen zijn. Voorts benadrukt zij dat de loutere omstandigheid dat het erkenningscomité de intrekking heeft geadviseerd, het Agentschap voor Natuur en Bos er niet van vrijstelt om een eigen onderzoek te voeren, te meer omdat de eventuele intrekking van een erkenning een enorme impact heeft. Daarbij is het niet meer dan normaal dat de betrokken bosexploitant de mogelijkheid krijgt om te worden gehoord. In voorliggend geval heeft het Agentschap voor Natuur en Bos kritiekloos het advies van het erkenningscomité, dat bovendien onwettig is, overgenomen.
  22. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij nog toe dat vast staat dat het erkenningscomité geen tweede schorsingsbeslissing heeft genomen zodat het comité, in strijd met artikel 28 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002, de bevoegde minister heeft geadviseerd om haar erkenning in te trekken en dat er niet van kan worden uitgegaan dat de tweede klacht zou hebben geleid tot een impliciete schorsingsbeslissing. VII-40.354-10/16 Beoordeling
  23. Artikel 26 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002 luidt: “§
  24. Tegen elke beslissing van het erkenningscomité kan door de erkende koper of exploitant per aangetekend schrijven, binnen 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing van het erkenningscomité, een beroep ingediend worden bij het comité van beroep, beschreven onder artikel
  25. §
  26. Het beroepschrift moet gemotiveerd zijn. §
  27. Alle betrokken partijen kunnen verzoeken om tijdens de behandeling van het beroep gehoord te worden. Het beroep schorst de bestreden beslissing niet. §
  28. Het comité van beroep formuleert een met redenen omklede beslissing binnen een termijn van 60 dagen vanaf de ontvangst van het beroepschrift. Het comité van beroep zendt een afschrift ervan aan het erkenningscomité, de indiener van de klacht en de exploitant of koper waartegen de klacht is gericht”. Naar luid van artikel 27 van hetzelfde besluit wordt: “[e]lke beslissing van de minister, het comité van beroep of van het erkenningscomité, houdende de erkenning, de weigering, de schorsing, de intrekking, of de formele aanpassing van de erkenning, […] per aangetekend schrijven aan de aanvrager of de houder betekend met in voorkomend geval vermelding van de mogelijkheid om tegen de beslissing beroep in te dienen, de bevoegde beroepsinstantie, vormvoorschriften, en termijnen die voor het instellen van dat beroep in acht moeten worden genomen”. Artikel 28 van hetzelfde besluit bepaalt: “§
  29. Het erkenningscomité kan elke erkende persoon bij het niet naleven van de vereisten, vermeld onder artikel 3 of artikel 4, hetzij een waarschuwing geven, hetzij ambtshalve schorsen, hetzij de minister adviseren de erkenning ambtshalve in te trekken na herhaalde schorsingen of bij ernstige inbreuken op de in artikel 3 of artikel 4 vermelde vereisten. §
  30. Een eerste inbreuk op de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1, 1°, 4°, 5° of § 2, 1°, 2°, 5°, 6° of artikel 4, § 1, 2° of § 2, 1°, 3°, wordt gesanctioneerd met een waarschuwing. Een volgende waarschuwing binnen de geldigheidsduur van de erkenning kan tot een schorsing voor één jaar leiden. Een tweede schorsing binnen de geldigheidsduur van de erkenning leidt tot het adviseren aan de minister om de erkenning in te trekken. §
  31. Inbreuken op de voorwaarden, vermeld in artikel 3, § 1, 2°, 3°, artikel 3, § 2, 3°, 4°, artikel 4, § 1, 1°, of artikel 4, § 2, 2°, kunnen leiden tot een schorsing voor één jaar. VII-40.354-11/16 §
  32. Gedurende de periode waarin de erkenning is ingetrokken kan geen verlenging toegekend worden”.
  33. In zoverre het middel gericht is tegen de motivering van het advies van het erkenningscomité van 27 maart 2018 en niet tegen de bestreden beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos, is het middel niet ontvankelijk.
  34. In de brief van 9 april 2018 wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid die, overeenkomstig artikel 26 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002, openstaat bij het comité van beroep. Waar de verzoekende partij opwerpt dat zij niet in de mogelijkheid werd gesteld om tegen het advies van het erkenningscomité bestuurlijk beroep in te stellen bij het comité van beroep, mist het middel feitelijke grondslag.
  35. Het middel mist eveneens feitelijke grondslag in zoverre wordt betoogd dat de schorsing naar aanleiding van de klacht “49” over de bosexploitatie in het domeingebied Drongengoed werd uitgesproken op 28 maart
  36. Uit de stukken van administratief dossier blijkt immers dat op 27 maart 2018 wel degelijk de kwestieuze schorsingsbeslissing werd genomen, terwijl de verzoekende partij verkeerdelijk uitgaat van de datum die aangebracht is op de brief waarmee die beslissing haar ter kennis werd gebracht.
  37. Artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002 bepaalt dat het erkenningscomité de bevoegde minister kan adviseren om de erkenning in te trekken “na herhaalde schorsingen of bij ernstige inbreuken op de in artikel 3 of artikel 4 vermelde vereisten”. Naar luid van artikel 28, § 2, van hetzelfde besluit leidt een tweede schorsing binnen de geldigheidsduur van de erkenning tot een advies van het erkenningscomité aan de minister om de erkenning van de bosexploitant in te trekken. Op grond van voormelde bepalingen kan de erkenning ook ingetrokken worden bij “ernstige inbreuken”. Het standpunt van de verzoekende partij dat er aan de intrekking van de erkenning steeds twee schorsingsbeslissingen moeten voorafgaan, faalt bijgevolg naar recht. VII-40.354-12/16 Uit de motieven die aan de beslissing van het erkenningscomité over de tweede klacht ten grondslag liggen, blijkt dat een “ernstige meerkap” is vastgesteld van 44,36 %, wat “uitzonderlijk omvangrijk” is, alsook dat voor een meerkap van meer dan 10 % “gevraagd wordt om een hogere sanctie dan waarschuwing uit te spreken”. Als motivering voor het voorstel om de erkenning in te trekken wordt gewezen op het “uitzonderlijk karakter van de overtreding” en de “herhaling van overtredingen door dezelfde exploitant”. Hoewel in het advies van het erkenningscomité van 27 maart 2018 waarbij de minister wordt geadviseerd om de erkenning van de verzoekende partij in te trekken, formeel geen sprake is van een tweede schorsing van de erkenning, leidt het geen twijfel dat het erkenningscomité van oordeel was dat de vastgestelde meerkap minstens gesanctioneerd moest worden met een schorsing. Bijgevolg is voldaan aan de in artikel 28 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002 gestelde voorwaarden om tot een intrekking van de erkenning te kunnen overgaan.
  38. In de bestreden beslissing wordt overwogen dat de “omvang van de meerkap werd bepaald rekening houdend met het nog niet gekapt bestand”. Vervolgens wordt de door de exploitant aangehaalde argumentatie weerlegd, waarbij erop wordt gewezen dat “‘slecht aangeduide ruimingspistes’ […] geen vrijgeleide [zijn] om als exploitant zelf naar eigen inzicht bomen die niet geschalmd waren toch te kappen”, dat in voorkomend geval overleg moet plaatsvinden met de boswachter, wat hier evenwel niet is gebeurd en dat “in het lot 8 plots werden gelegd” en geen drie, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert. Uit de opgegeven motieven blijkt dat de omvang van de meerkap en de precieze omstandigheden ervan concreet werden onderzocht. De kritiek van de verzoekende partij dat de motivering van de bestreden beslissing niet doet blijken van een concreet onderzoek en de verwerende partij zich zou hebben beperkt tot een loutere stijlformulering, is ongegrond. In dit verband begaat het Agentschap voor Natuur en Bos geen onwettigheid door het advies van het VII-40.354-13/16 erkenningscomité te volgen en zich de eraan ten grondslag liggende motieven eigen te maken. Met betrekking tot de sanctionering van de vastgestelde feiten wordt in de bestreden beslissing gewag gemaakt van een uitzonderlijk omvangrijke meerkap en een “herhaling van gesanctioneerde overtredingen”. Samen met een verwijzing naar artikel 28 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 november 2002, wordt op afdoende wijze aangegeven waarom wordt overgegaan tot de intrekking van de erkenning.
  39. Het eerste middel is deels onontvankelijk en voor het overige ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  40. Een tweede middel wordt afgeleid uit de schending van het onpartijdigheidsbeginsel, het fair play-beginsel, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij zet uiteen dat naar vereiste van het onpartijdigheidsbeginsel een lid van een beraadslagend orgaan zich moet onthouden van deelname aan de vergadering van dit orgaan wanneer een beslissing wordt genomen over een aangelegenheid waarbij dit lid een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft, zodat het geacht wordt niet meer op een objectieve wijze over de zaak te kunnen oordelen. Zij merkt op dat een van de leden van het erkenningscomité zaakvoerder is van een van haar nauwste concurrenten. Dit lid had er belang bij dat haar erkenning zou worden ingetrokken omdat zij alsdan niet meer zou kunnen concurreren bij biedingen van openbare houtverkoop. Een houtverkoop, georganiseerd op 7 juni 2018, toont volgens de verzoekende partij aan dat de concurrent in kwestie drie loten heeft kunnen kopen, terwijl met haar hoger bod geen rekening werd gehouden omdat haar erkenning was ingetrokken. VII-40.354-14/16
  41. De verwerende partij antwoordt dat de beslissingsbevoegdheid van het erkenningscomité gebonden was omdat een tweede schorsing noodzakelijkerwijze leidt tot het advies tot intrekking van de erkenning, dat de aanwezigheid van een concurrent op de vergadering van het erkenningscomité eigen is aan tuchtrechtelijke instanties waar wordt geoordeeld door “mensen van het vak”, dat een tuchtrechtelijk college daardoor ipso facto nog geen partijdige instelling wordt en dat de door de verzoekende partij aangehaalde toewijzing van een houtverkoop aan de betrokken concurrent heeft plaatsgevonden maanden na de bestreden intrekking van de erkenning, zodat dit feit geen uitstaans heeft met de beslissing van het erkenningscomité.
  42. In de memorie van wederantwoord merkt de verzoekende partij vooreerst op dat de motivering van de bestreden beslissing een exacte kopie is van het advies van het erkenningscomité, zodat zij op dienstige wijze kritiek kan uiten op de totstandkoming van dat advies. Voor het overige herneemt de verzoekende partij de uiteenzetting in het verzoekschrift en benadrukt zij nogmaals dat de rechtstreekse concurrent, die in het erkenningscomité zetelde, duidelijk zijn voordeel heeft gehaald uit de intrekking van haar erkenning. Beoordeling
  43. Subjectieve partijdigheid wordt niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze en concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Uit de gegevens van het administratief dossier, met name uit het verslag van het 121e erkenningscomité van 27 maart 2018, blijkt dat de betrokken concurrent bij de behandeling van de tegen de verzoekende partij geformuleerde klachten “op eigen voorstel en om redenen van ‘mogelijk belanghebbende’ de vergadering [heeft] verlaten, zoals voorzien in artikel 8 van het huishoudelijk reglement”. Hieruit volgt dat het erkenningscomité over de klachten heeft kunnen beraadslagen zonder enige mogelijke beïnvloeding door de bedoelde concurrent. De omstandigheid dat die concurrent in een navolgende houtverkoop enkele loten heeft kunnen kopen waarop de verzoekende partij een hoger bod had uitgebracht, VII-40.354-15/16 dat echter niet werd weerhouden omwille van de intrekking van haar erkenning, staat volledig los van de onpartijdige besluitvorming van het erkenningscomité.
  44. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
  45. Het Agentschap voor Natuur en Bos wordt buiten de zaak gesteld.
  46. De Raad van State verwerpt het beroep.
  47. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de tweede verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.354-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.