id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.300 Rolnummer: A. 226981/VII-40452 Zaak: Arrest 252300 - Milieuvergunningen - 02/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-14 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-12 14:41 Fiche Arrest nr 252.300 van 2 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.300 van 2 december 2021 in de zaak A. 226.981/VII-40.452 In zake : de GEMEENTE TEMSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij: Kristof JANSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Cornelis kantoor houdend te 9090 Melle Brusselsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 11 oktober 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse van 16 april 2018, houdende weigering van de milieuvergunning aan Kristof Janssens voor het exploiteren van een nieuwe varkenshouderij gelegen aan de Korte Landmolenstraat 2 te Temse, wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning grotendeels wordt verleend, onder voorwaarden. VII-40.452-1/9 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Kristof Janssens heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 18 februari 2019. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 9 juli 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november 2021. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laura Vandervoort, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de verzoekende partij, jurist Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Dany Cornelis, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.452-2/9 VII-40.452-3/9 III. Feiten 3.1. Op 22 december 2017 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe varkenshouderij, gelegen aan de Korte Landmolenstraat 2 te Temse. 3.2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse weigert op 16 april 2018 de gevraagde milieuvergunning. 3.3. Tegen die weigeringsbeslissing stelt de tussenkomende partij bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie). 3.4. Met een besluit van 11 oktober 2018 willigt de deputatie het beroep in, heft zij de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse op en verleent zij de milieuvergunning onder voorwaarden en “mits de beperking van het debiet van de grondwaterwinning tot max. 3000 m³/jaar”. Dit is het thans bestreden besluit. IV. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen 4. In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ (hierna: milieuvergunningsdecreet), van artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van artikel 2, § 7, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: project-MER-besluit) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke VII-40.452-4/9 motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De verzoekende partij bekritiseert de beoordeling in de bestreden beslissing van de project-MER-screeningsnota. Zij stelt dat de uitgevoerde MER-screening zeer summier is, de beoordeling in het bestreden besluit niet volstaat en dat de vergunningverlenende overheid, in het licht van de geldende MER-regelgeving, een eigen, concrete beoordeling moet maken van de mogelijke milieueffecten. Daarbij moet zij uitgaan van de specifieke kenmerken van de aangevraagde inrichting en de verwachte effecten ervan op de omgeving. De verzoekende partij besluit dat de vergunningverlenende overheid zich niet kan beperken tot een verwijzing naar de beoordeling van de milieuhygiënische aspecten. 5. De verwerende partij wijst erop dat bij het aanvraagdossier een project-MER-screeningsnota werd gevoegd, dat die nota op correcte wijze werd getoetst aan de selectiecriteria vermeld in bijlage II bij het DABM en dat in het licht van de concrete kenmerken van het project, de concrete plaatselijke omstandigheden en de concrete kenmerken van zijn potentiële milieueffecten, geen aanzienlijke milieueffecten moeten verwacht worden. Voorts beklemtoont zij dat de passage in de bestreden beslissing over de “MER-screening” niet los kan worden gezien van de motieven waarin de milieuhygiënische aspecten worden beoordeeld en waaruit blijkt dat alle selectiecriteria van bijlage II bij het DABM grondig werden afgetoetst. 6. De tussenkomende partij laat gelden dat bij het aanvraagdossier een MER-screeningsnota is gevoegd waarin alle mogelijke hinderaspecten worden onderzocht, dat de verwerende partij de aanvraag en de nota op een correcte wijze heeft getoetst aan de selectiecriteria in bijlage II bij het DABM, dat gelet op de aard van de inrichting, de ligging, de concrete plaatselijke omstandigheden en de mogelijke milieueffecten van een dergelijke inrichting op haar omgeving, terecht werd geoordeeld dat geen aanzienlijke negatieve milieueffecten verwacht worden en dat uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de milieuhygiënische aspecten van de exploitatie uitvoerig werden geëvalueerd. VII-40.452-5/9 7. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat de globale beoordeling in de bestreden beslissing van de verwachte milieueffecten, niet kan gelden als een specifieke project-MER-screening. 8. De tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat de verzoekende partij het aanvraagdossier ontvankelijk en gegrond heeft verklaard zodat “de vraag dient gesteld te worden of zij voldoende belang heeft dit middel in te roepen, nu zij blijkbaar zelf van oordeel is geweest dat de MER-screeningsnota voldoende was”. Opnieuw benadrukt zij dat de MER-screening in de bestreden beslissing “niet los kan gezien worden van de voorafgaandelijke en uitvoerige bespreking zowel van de stedenbouwkundige inpasbaarheid van het project (waarvoor de bouwvergunning ondertussen ook definitief geworden
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.