id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.319 Rolnummer: A. 228974/X-17565 Zaak: Arrest 252319 - Natuurbehoud - Vergunningen - 03/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-10 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-12 14:53 Fiche Arrest nr 252.319 van 3 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK X KAMER nr. 252.319 van 3 december 2021 in de zaak A. 228.974/X-17.565 In zake : de NV KIA-ORA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten John Toury en Martin Denys kantoor houdend te 1560 Hoeilaart de Quirinilaan 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ruud De Houwer en Ciska Servais kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2012)beschreven toestand. • D1, D6: De Goede toestand volgens de Kaderrichtlijn Water (meer bepaald Goede Ecologische Toestand), de Habitat- en Vogelrichtlijnen (meer bepaald gunstige staat van instandhouding) en het OSPAR verdrag (meer bepaald ecologische kwaliteitsdoelen) is bereikt. Zeldzame en bedreigde habitattypes en soorten, die in de bestaande regelgeving en verdragen zitten vervat, zijn beschermd zoals in die regelgeving en die verdragen wordt beoogd. X-17.565-16/21 • D1: De diversiteit binnen de verschillende componenten van de ecosystemen (meer bepaald plankton, benthos, vissen, zeevogels en zeezoogdieren) blijft behouden. • D1, D4: Levensvatbare populaties van soorten gevrijwaard zijn, wat betreft de belangrijkste langlevende soorten die zich slechts traag voortplanten, evenals voor de toppredatorsoorten in alle habitattypes. • D6, D4, D1: De habitattypes [die] op structureel en functioneel vlak gevarieerd en productief zijn. • D6: De fysieke verstoring van de zeebodem wordt beperkt tot een duurzaam minimumniveau waarbij rekening wordt gehouden met de relatieve gevoeligheid van de habitattypes. Voor een beschrijving van de milieudoelen en daarmee samenhangende indicatoren voor deze beschrijvende elementen wordt verwezen naar ‘Omschrijving van Goede Milieutoestand en vaststelling van Milieudoelen voor de Belgische mariene wateren’ (Belgische Staat, 2012b). Naast het nastreven van een goede milieutoestand conform KRMS, is het ook de bedoeling van het MRP om ruimtelijk maximaal bij te dragen aan het halen van de gunstige staat van instandhouding zoals bepaald door de habitat- en de vogelrichtlijn. Binnen de passende beoordeling wordt verder ingegaan op de IHD’s en de impact van het plan op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen (DEEL 7 van voorliggend rapport). De hier relevante IHD’s zijn in grote mate overlappend met de geformuleerde doelen opgenomen in de KRMS voor het BNZ. De diverse en talrijke bodemverstorende activiteiten in het BNZ brengen de goede milieutoestand en de realisatie van de IHD’s potentieel in gevaar. Vooral het ruimtelijk bereik en de spreiding van de EUNIS habitats van niveau 3 en van de grindbedden kunnen sterk aangetast worden door implementatie van beide alternatieven, voornamelijk door de bouw van nieuwe windparken en door de uitvoering van commerciële en industriële activiteiten binnen de daarvoor voorziene zones. Deze projecten zullen immers resulteren in een wijziging van de habitat spreiding. De uitvoeringswijze van deze diverse projecten speelt hierbij een cruciale rol; densiteit van windparken, funderingstypes, vrijwaring van meest waardevolle en kwetsbare habitats, uitvoering van commerciële/industriële activiteiten op een eiland of een platform… Hierbij is er een duidelijk milieudoel dat streeft naar vrijwaring van het ruimtelijk bereik en de spreiding van deze habitats (binnen acceptabele marges) zoals vastgelegd in de initiële beoordeling. Dit geldt dus als een randvoorwaarde voor uitvoering van deze projecten. Anderzijds is het mogelijk dat bepaalde constructies bij kunnen dragen tot het herstel en verdere ontwikkeling van bepaalde natuurlijke habitats (grindbedden), bijvoorbeeld door een doordacht ontwerp van funderingen en erosiebescherming. Op die manier zou dergelijk project bij kunnen dragen aan dit milieudoel en de IHD’s. Het plan (beide alternatieven) kan ook bijdragen aan de goede milieutoestand en realisatie van de IHD’s door bevordering van een positieve trend wat betreft het zeebodemoppervlak dat permanent gespaard blijft van verstoringen als gevolg van vistuig dat de bodem raakt. Dit als neveneffect van de afbakening van nieuwe zones voor hernieuwbare energie, waarbinnen op verloop van tijd (naarmate bouw en exploitatie vordert) een vaarverbod (dus ook voor vissersvaartuigen) geldt.” X-17.565-17/21 5.4.
- Uit de analyse van de publieksraadpleging blijkt verder het volgende : “
- Het is niet de intentie van de federale overheid om iedere activiteit te verbieden in beschermingsgebieden, vele activiteiten hebben immers geen negatieve impact op de natuur. Om de bescherming van de natuurgebieden echter te verzekeren, is er voor veel activiteiten de verplichting om een passende beoordeling te bekomen. Deze wordt uitgevoerd door een wetenschappelijke instelling (de Beheerseenheid voor het Mathematisch Model voor de Noordzee) die een Natura 2000-toelating geeft wanneer de activiteit geen negatief effect heeft op het gebied. […]
- De federale overheid kan enkel natuurbeschermingsgebieden instellen op het Belgisch deel van de Noordzee. Natuurbeschermingsgebieden op land behoren tot de bevoegdheid van de gewesten. Met de twee habitatgebieden, Vlaamse Banken en Vlakte van de Raan en de drie vogelrichtlijngebieden op zee, is reeds meer dan 1/3 van de oppervlakte van het Belgisch deel van de Noordzee erkend als natuurgebied.” Over de commerciële en industriële activiteiten stelt dit document: “1.-
- In bijlage 2 en 3 worden er inderdaad reeds belangrijke voorwaarden gesteld die nageleefd moeten worden bij de invulling van deze zones. Bijlages 2 en 3 zijn bindend voor de federale overheid dus deze voorwaarden moeten minstens gerespecteerd worden bij de verdere uitwerking van de procedure tot toekenning van het gebruik van deze zones. Er is dan ook een actie opgenomen in bijlage 3 dat de procedure dient uitgewerkt te worden en dat er minstens met deze voorwaarden rekening dient gehouden te worden (er kunnen natuurlijk in deze procedure nog extra voorwaarden worden toegevoegd). Het is echter belangrijk om ruimte te bieden voor dergelijke activiteiten, de blauwe economie groeit immers op een hoog tempo verder en kan belangrijke oplossingen bieden voor bepaalde maatschappelijke problemen (zoals duurzame voedselproductie voor mens en dier), het MRP wil dan ook kansen bieden aan deze economie. Dit is ook de reden waarom er verschillende zones worden voorzien op verschillende plaatsen, afhankelijk van de activiteit zullen er immers andere randvoorwaarden moeten vervuld worden (bv. waterkwaliteit, watersnelheid, afstand van de kust). Het MRP poogt dus ruimte te voorzien voor toekomstige ontwikkelingen, zonder deze echter een carte blanche te geven, precies daarom worden er reeds belangrijke voorwaarden opgelegd waar projectontwikkelaars nu dus reeds rekening mee kunnen houden. Er kunnen ook nog geen concessies zijn aangevraagd aangezien er momenteel nog geen zones werden aangeduid en er nog geen procedure is uitgeschreven. X-17.565-18/21
- Dit zal bekeken worden bij het uitwerken van de procedure tot toekenning van deze zones en kan zeker overwogen worden in het kader van meervoudig ruimtegebruik.” 5.
- De studie van 2005, die de verzoekende partij niet eens zelf bijbrengt, betreft een “eerste aanzet […] voor een […] ecologische waarderingskaart” (studie van 2005, p. 40), om op grond daarvan eventueel “een aanzet te geven tot een ruimtelijk structuurplan”, zonder dat het evenwel de bedoeling is om “het ene zaligmakende” (p. 7) of “ultieme ruimtelijke structuurplan” (p. 129) uit te werken. Er wordt vooral een “ruimtelijke planningsmethodologie” ontwikkeld voor het zeegebied, waarbij men er zich van bewust is dat de kennis nog te beperkt is om de impact goed in te schatten (p. 29). Ook wordt aangegeven dat het structuurplan om de zoveel jaar moet worden aangepast om te kunnen inspelen op de maatschappelijke veranderingen (p. 8). De uit 2005 daterende studie is niet van aard om de bevindingen van het plan-MER bij het bestreden MRP te weerleggen en de onwettigheid van het bestreden besluit aan te tonen. Dit geldt des te meer, nu de verzoekende partij in haar kritiek volledig voorbijgaat aan de voorwaarden die overeenkomstig het bestreden besluit gelden om activiteiten in de zones voor commerciële en industriële activiteiten te kunnen uitoefenen. Zo geldt voor de zones ‘D’ en ‘E’ dat deze maximaal voor 50% gebruikt mogen worden voor commerciële of industriële activiteiten (artikel 23, § 1, van het MRP). Daarnaast wordt in § 2 van artikel 23 van het bestreden besluit onder meer de voorwaarde opgelegd dat “[c]ommerciële en industriële activiteiten met een potentiële impact op de natuurbeschermingsgebieden, zoals bepaald in artikel 7, […] slechts [kunnen] toegelaten worden mits het bekomen van een Natura 2000-toelating” (zie randnummer 3.13). Ook gaat de verzoekende partij voorbij aan de door artikel 25 van de wet van 20 januari 1999 voorziene vergunnings- en machtigingsplicht. 5.
- De verzoekende partij toont gezien het voormelde in haar verzoekschrift geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. X-17.565-19/21 5.
- Voor het eerst ter terechtzitting oppert de verzoekende partij – louter mondeling – om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vraag te stellen of artikel 23 van het MRP, dat in commerciële en industriële zones voorziet, afbreuk doet aan verzoeksters subjectief recht op een verbetering van het leefmilieu zoals dat gewaarborgd wordt door artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Vooreerst wordt vastgesteld dat de verzoekende partij met de gesuggereerde vraag een nieuwe grondslag geeft aan het middel, meer bepaald dat zij aan dit artikel een subjectief recht zou ontlenen. Deze nieuwe grondslag is problematisch daar de Raad van State in beginsel zonder rechtsmacht is voor de beslechting van geschillen over subjectieve rechten. Hoe dan ook kon en moest de op de terechtzitting ter sprake gebrachte aangelegenheid al in het verzoekschrift of de memorie van wederantwoord zijn aangebracht, en ten allerlaatste in de laatste memorie. In de plaats daarvan verkiest de verzoekende partij om er de verwerende partij en de Raad van State onaangekondigd mee te verrassen tijdens haar mondelinge pleidooi op de zitting. Dit getuigt van een deloyale en proceseconomisch onverantwoorde houding, die in strijd komt met de rechten van verdediging van de verwerende partij en die de opdracht van het auditoraat om ter terechtzitting een onderbouwd advies uit te brengen praktisch onmogelijk maakt. In de gegeven, specifieke omstandigheden wordt de gesuggereerde prejudiciële vraag niet gesteld. 5.
- Het middel wordt verworpen. V. Besluit
- Het enige middel is ongegrond gebleken. Het beroep moet hoe dan ook verworpen worden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-17.565-20/21
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.565-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.319 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div