id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.320 Rolnummer: A. 228980/X-17566 Zaak: Arrest 252320 - Plannen van aanleg - 03/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-10 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-12 14:54 Fiche Arrest nr 252.320 van 3 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.320 van 3 december 2021 in de zaak A. 228.980/X-17.566 In zake :
(2012)beschreven toestand. • D1, D6: De Goede toestand volgens de Kaderrichtlijn Water (meer bepaald Goede Ecologische Toestand), de Habitat- en Vogelrichtlijnen (meer bepaald gunstige staat van instandhouding) en het OSPAR verdrag (meer bepaald ecologische kwaliteitsdoelen) is bereikt. Zeldzame en bedreigde habitattypes en soorten, die in de bestaande regelgeving en verdragen zitten vervat, zijn beschermd zoals in die regelgeving en die verdragen wordt beoogd. • D1: De diversiteit binnen de verschillende componenten van de ecosystemen (meer bepaald plankton, benthos, vissen, zeevogels en zeezoogdieren) blijft behouden. • D1, D4: Levensvatbare populaties van soorten gevrijwaard zijn, wat betreft de belangrijkste langlevende soorten die zich slechts traag voortplanten, evenals voor de toppredatorsoorten in alle habitattypes. • D6, D4, D1: De habitattypes [die] op structureel en functioneel vlak gevarieerd en productief zijn. • D6: De fysieke verstoring van de zeebodem wordt beperkt tot een duurzaam minimumniveau waarbij rekening wordt gehouden met de relatieve gevoeligheid van de habitattypes. Voor een beschrijving van de milieudoelen en daarmee samenhangende indicatoren voor deze beschrijvende elementen wordt verwezen naar ‘Omschrijving van Goede Milieutoestand en vaststelling van Milieudoelen voor de Belgische mariene wateren’ (Belgische Staat, 2012b). Naast het nastreven van een goede milieutoestand conform KRMS, is het ook de bedoeling van het MRP om ruimtelijk maximaal bij te dragen aan het halen van de gunstige staat van instandhouding zoals bepaald door de habitat- en de vogelrichtlijn. Binnen de passende beoordeling wordt verder ingegaan op de IHD’s en de impact van het plan op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen (DEEL 7 van voorliggend rapport). De hier relevante IHD’s zijn in grote mate overlappend met de geformuleerde doelen opgenomen in de KRMS voor het BNZ. De diverse en talrijke bodemverstorende activiteiten in het BNZ brengen de goede milieutoestand en de realisatie van de IHD’s potentieel in gevaar. Vooral het ruimtelijk bereik en de spreiding van de EUNIS habitats van niveau 3 en van de grindbedden kunnen sterk aangetast worden door implementatie van beide alternatieven, voornamelijk door de bouw van X-17.566-28/43 nieuwe windparken en door de uitvoering van commerciële en industriële activiteiten binnen de daarvoor voorziene zones. Deze projecten zullen immers resulteren in een wijziging van de habitat spreiding. De uitvoeringswijze van deze diverse projecten speelt hierbij een cruciale rol; densiteit van windparken, funderingstypes, vrijwaring van meest waardevolle en kwetsbare habitats, uitvoering van commerciële/industriële activiteiten op een eiland of een platform… Hierbij is er een duidelijk milieudoel dat streeft naar vrijwaring van het ruimtelijk bereik en de spreiding van deze habitats (binnen acceptabele marges) zoals vastgelegd in de initiële beoordeling. Dit geldt dus als een randvoorwaarde voor uitvoering van deze projecten. Anderzijds is het mogelijk dat bepaalde constructies bij kunnen dragen tot het herstel en verdere ontwikkeling van bepaalde natuurlijke habitats (grindbedden), bijvoorbeeld door een doordacht ontwerp van funderingen en erosiebescherming. Op die manier zou dergelijk project bij kunnen dragen aan dit milieudoel en de IHD’s. Het plan (beide alternatieven) kan ook bijdragen aan de goede milieutoestand en realisatie van de IHD’s door bevordering van een positieve trend wat betreft het zeebodemoppervlak dat permanent gespaard blijft van verstoringen als gevolg van vistuig dat de bodem raakt. Dit als neveneffect van de afbakening van nieuwe zones voor hernieuwbare energie, waarbinnen op verloop van tijd (naarmate bouw en exploitatie vordert) een vaarverbod (dus ook voor vissersvaartuigen) geldt.” 7.1.2.
- Uit de analyse van de publieksraadpleging blijkt verder nog het volgende : “
- Het is niet de intentie van de federale overheid om iedere activiteit te verbieden in beschermingsgebieden, vele activiteiten hebben immers geen negatieve impact op de natuur. Om de bescherming van de natuurgebieden echter te verzekeren, is er voor veel activiteiten de verplichting om een passende beoordeling te bekomen. Deze wordt uitgevoerd door een wetenschappelijke instelling (de Beheerseenheid voor het Mathematisch Model voor de Noordzee) die een Natura 2000-toelating geeft wanneer de activiteit geen negatief effect heeft op het gebied. […]
- De federale overheid kan enkel natuurbeschermingsgebieden instellen op het Belgisch deel van de Noordzee. Natuurbeschermingsgebieden op land behoren tot de bevoegdheid van de gewesten. Met de twee habitatgebieden, Vlaamse Banken en Vlakte van de Raan en de drie vogelrichtlijngebieden op zee, is reeds meer dan 1/3 van de oppervlakte van het Belgisch deel van de Noordzee erkend als natuurgebied.” In verband met zeewering en meer bepaald de aanleg van een kunstmatig eiland wordt aldaar het volgende gesteld : X-17.566-29/43 “De alternatievenstudie vormt een belangrijk onderdeel van de correcte toepassing van de federale en Vlaamse procedures in de aanloop naar de effectieve bouw van een testeiland voor zeewering. Er is op dit moment onvoldoende informatie om, in de uitoefening van de federale coördinatierol, de opgelegde alternatievenstudie voor het opstellen van het strategisch milieueffectenrapport op het ontwerp van marien ruimtelijk plan waar te maken. Deze informatie wordt nog gegenereerd en verzameld binnen het Vlaams ‘Complex Project Kustvisie’. In afwachting daarvan is besloten om de zone voor een dergelijk testeiland voor zeewering uit het koninklijk besluit te halen. In bijlage 3 worden de voorwaarden opgenomen waaronder de minister voor Noordzee zich engageert om een wijzigingsprocedure op te starten om alsnog een zone aan te duiden binnen het (dispositief van het) koninklijk besluit (en op de kaart).” En over de commerciële en industriële activiteiten stelt dit document: “
- -
- In bijlage 2 en 3 worden er inderdaad reeds belangrijke voorwaarden gesteld die nageleefd moeten worden bij de invulling van deze zones. Bijlages 2 en 3 zijn bindend voor de federale overheid dus deze voorwaarden moeten minstens gerespecteerd worden bij de verdere uitwerking van de procedure tot toekenning van het gebruik van deze zones. Er is dan ook een actie opgenomen in bijlage 3 dat de procedure dient uitgewerkt te worden en dat er minstens met deze voorwaarden rekening dient gehouden te worden (er kunnen natuurlijk in deze procedure nog extra voorwaarden worden toegevoegd). Het is echter belangrijk om ruimte te bieden voor dergelijke activiteiten, de blauwe economie groeit immers op een hoog tempo verder en kan belangrijke oplossingen bieden voor bepaalde maatschappelijke problemen (zoals duurzame voedselproductie voor mens en dier), het MRP wil dan ook kansen bieden aan deze economie. Dit is ook de reden waarom er verschillende zones worden voorzien op verschillende plaatsen, afhankelijk van de activiteit zullen er immers andere randvoorwaarden moeten vervuld worden (bv. waterkwaliteit, watersnelheid, afstand van de kust). Het MRP poogt dus ruimte te voorzien voor toekomstige ontwikkelingen, zonder deze echter een carte blanche te geven, precies daarom worden er reeds belangrijke voorwaarden opgelegd waar projectontwikkelaars nu dus reeds rekening mee kunnen houden. Er kunnen ook nog geen concessies zijn aangevraagd aangezien er momenteel nog geen zones werden aangeduid en er nog geen procedure is uitgeschreven.
- Dit zal bekeken worden bij het uitwerken van de procedure tot toekenning van deze zones en kan zeker overwogen worden in het kader van meervoudig ruimtegebruik.” 7.1.
- Wat betreft de in het advies van de raadgevende commissie aangehaalde versnippering, overtuigen de verzoekende partijen er niet van dat dit op zich een achteruitgang zou betekenen van het beschermingsniveau van het X-17.566-30/43 leefmilieu, laat staan een aanzienlijke achteruitgang. In het compilatiedocument wordt hierover het volgende gesteld : “In welke mate alternatief 2 opening biedt voor versnippering van de zone door het spreiden van de te ontwikkelen CIAs en in welke mate dit een versterkende negatieve milieu-impact kan hebben, is momenteel moeilijk in te schatten. Dit zal mede afhangen van de aard van de activiteit bijvoorbeeld meerdere kleine zones voor aquacultuur ontwikkeling binnen het gebied leidt niet noodzakelijk tot meer impact dan ingeval van 1 grotere zone voor aquacultuur. Voor de ontwikkeling van activiteiten bestaande uit grotere infrastructuur elementen zou echter een verspreide opstelling voor meer impact kunnen zorgen. Ook hier moet verwezen worden naar het belang van een project-MER; of zouden bepaalde specifieke randvoorwaarden kunnen gekoppeld worden aan bepaalde types CIA binnen het MRP en naar de procedure die ontwikkeld wordt voor het toekennen van activiteiten binnen deze zones.” 7.1.
- Opgemerkt moet voorts worden dat de plannende overheid bij de milieubeoordeling enkel rekening kan houden met de elementen en omstandigheden die haar op dat ogenblik bekend zijn of kunnen zijn, en dat het bestreden MRP luidens de bijlage 2 ervan een “langetermijnvisie” inhoudt “met een tijdshorizon tot 2050”. Mede gelet daarop kan aangenomen worden dat voor detailaspecten verwezen wordt naar het effectenonderzoek dat gevoerd zal moeten worden op projectniveau, wanneer de bijzonderheden bekend zijn van wat precies wordt aangevraagd. 7.1.5.
- De verzoekende partijen betwisten verder dat een afdoende evaluatie van het MRP van 2014 is gebeurd. 7.1.5.
- Over de evaluatie van het voorgaande MRP wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2012 ‘tot wijziging van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, wat de organisatie van de mariene ruimtelijke planning betreft’ opgemerkt: “Artikel 5bis, § 2 bepaalt dat het marien ruimtelijk plan dat volgens die procedure wordt aangenomen, bindend is en door de Koning wordt vastgesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit plan wordt zesjaarlijks geëvalueerd en waar nodig gewijzigd, zodat het kan X-17.566-31/43 fungeren als een instrument voor de duurzame ontwikkeling van het ruimtegebruik binnen de Belgische zeegebieden. Deze evaluatie moet zoveel als mogelijk geharmoniseerd worden met de andere belangrijke evaluatieprocedures voor het beleid binnen de Belgische zeegebieden, zoals deze opgezet in het kader van de Natura 2000-regelgeving en het bereiken van een goede milieutoestand in 2020.” 7.1.5.
- De evaluatie van het MRP van 2014 blijkt niet aan bepaalde vormen te zijn onderworpen. Het bestreden besluit kan in dit verband niet losgezien worden van de documenten die eraan voorafgaan en die er deel van uitmaken. Het bestreden MRP vormt volgens de bijlage 1 ervan “de evaluatie en bijsturing van het in 2014 voor het eerst aangenomen marien ruimtelijk plan”, waarbij op verschillende plaatsen de bestaande situatie wordt beschreven. Tevens wordt ingegaan op de trends, opportuniteiten en uitdagingen. Ook de langetermijnvisie uit bijlage 2 bij het bestreden besluit kan niet worden losgezien van de bestaande situatie en het MRP van
- De aanwending van het MRP van 2014 als referentiesituatie/nulalternatief in het plan-MER heeft evenzeer op de evaluatie van het eerstgenoemde MRP betrekking. 7.1.5.
- De verzoekende partijen wijzen er in verband met de volgens hen gebrekkige evaluatie van het MRP van 2014 op, dat het merendeel van de soorten die in het MRP van 2014 voor de speciale zone voor natuurbehoud ‘Vlaamse Banken’ werden opgesomd, niet in het bestreden MRP hernomen worden, alsook dat de energie-atol voor de kust van Heist weggevallen is, en dat het in het MRP van 2014 voorziene samenwerkingsakkoord met de Vlaamse overheid voor het vastleggen van een zone voor het testen van nieuwe methodes van zeewering niet werd gesloten. 7.1.5.
- De verwerende partij stelt op goede grond dat het bestreden MRP ook drie SBZ’s voor vogels aanduidt, en dat bepaalde soorten niet opnieuw in het MRP werden opgenomen omdat deze door de Europese Commissie werden aangeduid als “Scientific Reserve”, wat inhoudt dat er verder onderzoek moet worden gedaan en wat de opname van die soorten volstrekt voorbarig maakt. Het verklaart waarom de door de verzoekende partijen vermelde vogelsoorten in de opsomming met betrekking tot de speciale zone voor natuurbehoud ‘Vlaamse X-17.566-32/43 Banken’ niet hernomen zijn geworden. Wat het vastleggen van een testlocatie voor zeewering betreft, wordt verwezen naar de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest in het kader van het complex project kustvisie. De verzoekende partijen komen op die elementen in hun memorie van wederantwoord niet meer terug. Bij de bespreking van de alternatieven in bijlage 2 bij het bestreden besluit, wordt voorts geoordeeld dat de zones voor energieopslag kunnen worden geschrapt omdat er geen vraag is om deze zones te behouden. Dit dient redelijkerwijze als een evaluatie van het MRP van 2014 te worden beschouwd. Voorts wordt niet ingezien dat de aanpassing van een bestemming niet kan worden gerechtvaardigd door het niet voorhanden zijn van een vraag vanuit de sector naar die bestemming. Waar de verzoekende partijen deze motivering intern strijdig achten met de in het bestreden MRP voorziene zones voor commerciële en industriële activiteiten, dient opgemerkt te worden dat deze zones andere mogelijkheden bieden en dat in het advies van de raadgevende commissie de nood aan deze zones wordt erkend. 7.1.5.
- De verzoekende partijen overtuigen er gezien het voormelde niet van dat geen afdoende evaluatie van het MRP van 2014 zou zijn gebeurd. 7.1.
- Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 7.2.
- In hun tweede middelonderdeel bekritiseren de verzoekende partijen de artikelen 16 en 23 van het bestreden MRP, die volgens hen al te ruim geformuleerd zijn. In de eerste plaats zij hierbij verwezen naar het gestelde onder randnummer 7.1.
- Ofschoon de voorschriften van het MRP op voldoende duidelijke wijze moeten worden geformuleerd, verhindert dit niet dat zij in zekere mate flexibel kunnen worden opgevat en dat zij binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen laten aan de vergunningverlenende overheden bij de beoordeling van een concrete vergunningaanvraag. X-17.566-33/43 7.2.
- Uit het advies van de raadgevende commissie blijkt dat de omschrijving van de mogelijke activiteiten in de zones voor commerciële en industriële activiteiten ruim wordt opgevat, om reden dat het beperken ervan een mogelijke belemmering zou inhouden voor toekomstige maatregelen in verband met zeewering. Onderzoek naar zeewering is luidens artikel 16, § 1, van het bestreden MRP “overal toegelaten behoudens andersluidende bepalingen”. In § 2 van datzelfde artikel wordt aan de hand van coördinaten een specifieke zone afgebakend voor het testen van nieuwe methodes van zeewering, waarbij wordt gespecificeerd dat testen die een potentiële impact kunnen hebben op natuurbeschermingsgebieden slechts kunnen worden toegestaan mits het bekomen van een Natura 2000-toelating (zie randnummer 3.13). Deze voorschriften zijn voldoende duidelijk en bieden de vereiste rechtszekerheid. 7.2.
- Wat de commerciële en industriële zones betreft, worden in artikel 23, § 1, van het bestreden MRP (zie randnummer 3.14) middels coördinaten een aantal zones afgelijnd, waarbij voor de zones onder ‘E’ wordt gespecifieerd dat maximum de helft van de oppervlakte voor commerciële en industriële activiteiten kan worden benut. Onder § 2 van datzelfde artikel worden die activiteiten aan een aantal voorwaarden onderworpen. Dat het in de bewoordingen van de verzoekende partijen om “een zeer breed scala aan concrete invullingen” gaat, toont nog geen schending van het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel aan. Aangenomen kan worden dat initiatieven met betrekking tot commerciële en industriële activiteiten op zee sterk marktafhankelijk zijn. Het vermag het gebrek aan meer gedetailleerde voorschriften in redelijkheid te verantwoorden. Dat er op heden nog geen “concrete aanleiding” zou bestaan voor het afbakenen van de kwestieuze zones, toont in het licht daarvan evenmin de onwettigheid van het bestreden besluit aan. Opgemerkt zij voorts dat latere, concrete initiatieven aan een vergunningsvereiste onderworpen zijn, in het kader waarvan waarborgen qua inspraak en milieueffectenbeoordelingen zullen gelden. Dat nog geen procedure zou zijn vastgelegd voor het toekennen van die toelatingen, is niet van aard om het bestreden MRP te vitiëren. X-17.566-34/43 7.2.
- Zoals hoger gezien, behoort de aanleg van een testeiland voor zeewering tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. Teneinde deze gewestelijke bevoegdheid en het overleg maximaal te respecteren, en om het alternatievenonderzoek alle kansen te geven, wordt in het bestreden MRP geen specifieke locatie voor een testeiland aangeduid. Wel omvat de bijlage 3 bij het bestreden besluit een aantal verplichte overlegmodaliteiten met de Vlaamse overheid, en voorwaarden waaronder de federale overheid zich ertoe verbindt om ruimte te voorzien voor de aanleg van een testeiland voor zeewering in het kader van het complex project kustvisie. 7.2.
- De verzoekende partijen overtuigen er gezien het voormelde niet van dat de door hen geviseerde bepalingen van het bestreden besluit het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel zouden schenden. 7.2.
- Ook het tweede middelonderdeel is ongegrond. 7.
- Het middel wordt in zijn geheel verworpen. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8.
- De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 5, eerste, tweede en derde lid, van de plan-MER-richtlijn, van artikel 9, tweede lid, van de plan-MER-wet, alsook van het zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 8.1.
- In een eerste middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat uit geen enkel stuk blijkt dat de verwerende partij bij de aanstelling van het studiebureau Arcadis is nagegaan of dit “geen enkel belang heeft bij het MRP”. Nochtans was Arcadis een van de initiatiefnemers van het project ‘Vlaamse Baaien 2001’ uit 2009, en was het studiebureau gelijktijdig ook door de Vlaamse regering belast met studiewerk omtrent de Vlaamse zeewering, in het bijzonder X-17.566-35/43 wat de aanleg van kunstmatige eilanden voor de kust betreft. Dit klemt des te meer, nu er tijdens het openbaar onderzoek op dit punt bezwaren zijn geformuleerd die niet, minstens niet afdoende, zijn weerlegd geworden. De verzoekende partijen menen dat het de “uitdrukkelijke wettelijke plicht” van de verwerende partij was om dat onderzoek te voeren, en noemen het “evident, minstens tot het bewijs van het tegendeel, dat het studiebureau dat in het verleden de aanleg van een eilandgordel gunstig heeft beoordeeld, thans niet tot een ander besluit komt [voor] wat betreft het onderzoek omtrent het testeiland”. Zij stellen dat Arcadis er alle belang bij heeft om het Vlaamse Gewest niet voor het hoofd te stoten, in het bijzonder wat betreft diens wens om een testeiland te ontwikkelen. 8.1.
- In het tweede middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat de milieueffectbeoordeling op onzorgvuldige wijze is gebeurd, met een gebrekkig onderzoek van redelijke alternatieven. Het plan-MER voorziet drie planalternatieven: het nulalternatief (het MRP van 2014), alternatief 1 (het ontwerpplan), en alternatief 2 (“opgebouwd aan de hand van een selectie van opties en aangeleverde suggesties die niet weerhouden werden in het ontwerp-MRP”). Het alternatief 2 kan niet als een redelijk alternatief beschouwd worden, daar het “een samenraapsel van mogelijkheden” betreft die bij de opmaak van het ontwerp-MRP niet werden aanvaard. De inhoud van het alternatief was reeds beleidsmatig afgeschreven alvorens de milieueffecten zijn onderzocht. Het alternatief 2 is bijgevolg “beleidsmatig onrealistisch” en onredelijk. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat in de eindverklaring wordt overwogen dat voor alternatief 1 wordt gekozen. De enige aanpassing die op basis van het alternatievenonderzoek alsnog wordt doorgevoerd, is de keuze voor de projectzone E voor commerciële en industriële activiteiten uit alternatief
- Nochtans biedt het plangebied ruimte voor alternatieve locaties en bestemmingen. De verzoekende partijen wijzen in het bijzonder op de beperkte invulling van het noordwestelijke deel van de BNZ. Alternatief 2 voorziet in een beperkt aantal locatiealternatieven, die dan nog dichter bij de kustlijn zijn gelegen, terwijl de meest verafgelegen zone van het plangebied volgens de data van het plan-MER biologisch minder waardevol is. De verantwoording die ter zake door de opsteller van het plan wordt gegeven, overtuigt niet. Daaruit blijkt enkel dat het X-17.566-36/43 de bedoeling is geweest om een “werkbaar kader” te hebben, wat uiteraard niet volstaat. Een en ander geldt volgens de verzoekende partijen a fortiori voor de zones voor commerciële en industriële activiteiten, en in het bijzonder voor de projectzone E. Hier bestaat het alternatief uit de uitbreiding ervan, met een beperking van de relatieve benutbaarheid tot maximaal 50 %. Een aantal mogelijke invullingen van de beide alternatieven zijn dus identiek of betreffen een iets ruimer bemeten variant, die nog steeds deels in de speciale zone voor natuurbehoud ‘Vlakte van de Raan’ is gelegen. Het is niet duidelijk waarom niet gekozen wordt voor “een werkelijk alternatieve zone E”. De vraag rijst “waarom voor de locatiealternatieven geen zones verder van de kustlijn worden overwogen, terwijl er evenmin overtuigende redenen kenbaar zijn gemaakt waarom deze zone dicht bij de kust moet worden gesitueerd”. Het alternatievenonderzoek is ook op dit punt niet deugdelijk gevoerd. 8.2.
- De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord, aangaande het eerste middelonderdeel, dat de verwerende partij kennelijk niet op de hoogte was van de betrokkenheid van Arcadis bij de door hen aangehaalde projecten. Het volstaat niet om een aantal voorwaarden inzake onafhankelijkheid te stellen indien de naleving daarvan niet wordt bewaakt. De verwerende partij beperkt zich tot het minimaliseren van de betrokkenheid van Arcadis bij de eerdere initiatieven inzake ‘Vlaamse Baaien’, en is er kennelijk niet van op de hoogte dat Arcadis “blijkens recente eigen berichtgeving ondertussen ook is aangesteld als studiebureau belast met het alternatievenonderzoek in het kader van het Complex Project Kustvisie”. 8.2.
- Inzake het tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen niet in te zien hoe de verwerende partij dienstig kan verwijzen naar bepaalde suggesties die vanuit belangengroepen werden gemaakt. Zij merken op dat de vraag onbeantwoord blijft “waarom voor de locatiealternatieven geen zones verder van de kustlijn worden overwogen terwijl er evenmin overtuigende redenen kenbaar zijn gemaakt waarom deze zone dicht bij de kust moet worden gesitueerd”. X-17.566-37/43 8.3.
- In hun laatste memorie betogen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 6/2021 van 21 januari 2021 overweegt dat de onafhankelijkheid van de MER-deskundige een essentiële waarborg vormt met betrekking tot de kwaliteit en de volledigheid van de informatie die ter beschikking wordt gesteld van het publiek. De vraag of Arcadis een belang kon hebben bij het MRP diende bij aanvang door de verwerende partij te worden onderzocht. Zij benadrukken dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen het “concept gelanceerd door de privé” ‘Vlaamse Baaien 2100’, en het door de Vlaamse regering opgestelde onderzoeksproject ‘Vlaamse Baaien’. Het eerstgenoemde project is onder meer een initiatief van Arcadis en beoogt de creatie van “echte eilanden”. Arcadis heeft in elk geval “een bepaald moreel belang” om de conclusies van haar eerdere studiewerk in opdracht van de Vlaamse regering niet tegen te spreken. Het gegeven dat in het kader van het plan-MER bijkomende experts en instanties zijn geraadpleegd, maakt de vastgestelde partijdigheidsproblematiek niet ongedaan. 8.3.
- Inzake het tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen in hun laatste memorie dat bepaalde alternatieven, zoals voor de projectzone E, geen volwaardige alternatieven zijn, nu de beide alternatieven een identieke invulling mogelijk maken. Uit het MRP blijkt voorts dat de gebruikelijke scheepvaartroutes nog voldoende ruimte binnen de BNZ “onverlet laten”, zodat niet valt in te zien waarom de aanwezigheid daarvan in het uiterste noorden van de BNZ kan worden aangenomen als reden om een zone voor commerciële en industriële activiteiten dermate dicht bij de kustlijn te voorzien. Beoordeling 9.
- In zoverre de schending van de plan-MER-richtlijn wordt aangevoerd, is het middel om de onder randnummer 5.1 vermelde reden onontvankelijk. 9.2.
- Het door de verzoekende partijen aangevoerde artikel 9, tweede lid, van de plan-MER-wet bepaalt dat “[w]anneer de opsteller van X-17.566-38/43 het plan of programma een beroep doet op een externe natuurlijke of rechtspersoon voor het opstellen van het milieueffectenrapport, […] hij zich ervan [moet] vergewissen dat deze persoon geen enkel belang heeft bij het desbetreffende plan of programma”. 9.2.
- De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat het studiebureau Arcadis, dat instond voor de opmaak van het plan-MER, een belang heeft bij het MRP in de zin van de voormelde bepaling. Dat het studiebureau betrokken is bij het project ‘Vlaamse Baaien 2100’, waarmee “de creatie van echte eilanden” wordt beoogd, en dat dit onderzoeksbureau in het kader van het project ‘Vlaamse Baaien’ en het complex project kustvisie “in opdracht van het Vlaamse Gewest de mogelijkheden [onderzoekt] om een of meerdere eilanden voor zeewering op te richten”, volstaat in dat opzicht niet, evenmin als de loutere bewering van de verzoekende partijen dat het studiebureau Arcadis “er alle belang bij heeft om het Vlaams Gewest niet voor het hoofd te stoten, in het bijzonder wat betreft zijn wens om een zgn. testeiland te willen ontwikkelen”. Dit geldt des te meer, nu het project ‘Vlaamse Baaien’ niet uitsluitend en zelfs niet in hoofdzaak gericht blijkt te zijn op de realisatie van kunstmatige eilanden in de Noordzee, maar veel breder en conceptueler is, en een groot aantal andere mogelijke projecten betreft, zoals wind- en getijdenenergie op zee, de mogelijke bouw van een toeristisch resort ter hoogte van Blankenberge-Zeebrugge, de verdere inrichting en uitbreiding van de haven van Zeebrugge, nieuwe perspectieven voor de haven van Oostende, het creëren van ruimte voor natuurontwikkeling aan de stranden van Knokke-Heist en het Zwin, het ontwikkelen van de jachthaven van Blankenberge, de verdere ontwikkeling van het Europees zeil- en watersportcentrum in Nieuwpoort. Opgemerkt zij voorts dat de in het ontwerp-MRP voorziene zone voor een testeiland voor zeewering finaal uit het MRP werd geschrapt en dat het standpunt van verzoekers dat het MRP een dergelijk testeiland “overal” toelaat, geen bijval kan vinden. Artikel 16, § 1, van het bestreden besluit laat enkel nog “onderzoek naar” zeewering in het volledige plangebied toe, maar voorziet niet X-17.566-39/43 langer in de mogelijkheid tot de aanleg van een testeiland. Inmiddels blijkt het project complex project kustvisie ook te zijn stopgezet. 9.2.
- Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 9.3.
- Het betoog van de verzoekende partijen, in hun tweede middelonderdeel, dat er geen afdoende alternatievenonderzoek is gebeurd, aangezien alternatief 2 bestaat uit een aantal suggesties die niet werden aangenomen en die derhalve niet realistisch of uitvoerbaar worden geacht, kan evenmin bijval vinden, gelet op wat volgt. 9.3.
- Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat het alternatief 2 bestaat uit verschillende andersluidende opties voor de verschillende zones in het plangebied, die afzonderlijk op hun effecten werden getoetst. Voor een deel werd dit alternatief ook in het uiteindelijk gekozen alternatief 1 geïntegreerd. Dat is gebeurd voor de uitbreiding van de projectzone E voor commerciële en industriële activiteiten buiten het natuurbeschermingsgebied, met een beperking van de benutting van die zone tot maximaal 50%. Deze optie komt uit alternatief 2 en werd uitgewerkt naar aanleiding van opmerkingen van het actiecomité SEA. Dat de plannende overheid niet alle voorstellen van het alternatief 2 heeft aangenomen, houdt nog niet in dat deze als niet realistisch en onredelijk moeten worden beschouwd. 9.3.
- Waar de verzoekende partijen tot slot nog betogen dat bij de opmaak van het MRP is nagelaten op zoek te gaan naar “een werkelijk alternatieve zone E” voor commerciële en industriële activiteiten, “verder van de kustlijn”, in het noordwestelijke segment van het plangebied, dient te worden vastgesteld dat die zone hoofdzakelijk voorbehouden is voor de scheepvaartroutes op de Noordzee die in de praktijk het vaakst gebruikt worden, en die door hun diepte het meest geschikt zijn om grote schepen veilig langs deze routes te laten varen. De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat het door hen gesuggereerde alternatief om aldaar commerciële en industriële activiteiten op zee toe te staan als redelijk moet worden aangemerkt. X-17.566-40/43 9.3.
- Het tweede middelonderdeel is ongegrond. 9.
- Het middel wordt in zijn geheel verworpen. V. Besluit
- De middelen zijn ongegrond gebleken. Het beroep moet hoe dan ook verworpen worden. VI. Anonimisering
- De verzoekende partijen vragen dat bij de publicatie van het arrest hun identiteit niet wordt opgenomen.
- Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. Niets verzet zich tegen het verzoek voor wat vierde en vijfde verzoeker betreft.
- De eerste tot en met de derde verzoekende partijen zijn evenwel rechtspersonen. Hun verzoek wordt niet ingewilligd, bij gebrek aan een afdoende redengeving die kan verantwoorden dat de beperking tot natuurlijke personen waarin het koninklijk besluit voorziet, te dezen buiten toepassing moet worden gelaten. VII. Kosten
- Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in X-17.566-41/43 artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 “tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand”, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
- Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden elk voor een vijfde verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1000 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van vierde en vijfde verzoeker niet bekendgemaakt.
- De door de verzoekende partijen onterecht betaalde bijdrage ten belope van 80 euro wordt aan hen terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter X-17.566-42/43 Silvan De Clercq Johan Lust X-17.566-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div