id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.321 Rolnummer: A. 230589/X-17707 Zaak: Arrest 252321 - Sluitingen van vestigingen - 03/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-10 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-17 22:46 Fiche Arrest nr 252.321 van 3 december 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.321 van 3 december 2021 in de zaak A. 230.589/X-17.707 In zake : de BVBA PRINSENHOF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nick Paeleman kantoor houdend te 2140 Antwerpen Bouwensstraat 21 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE STABROEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Vernaillen en Katrien Dams kantoor houdend te 2600 Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de burgemeester van de gemeente Stabroek van 11 maart 2020 om café Valentina, inclusief de kelderverdieping, gelegen te 2940 Stabroek, Dorpsstraat 38, te sluiten van 13 maart 2020 om 00.00 u tot en met 10 april 2020 om 24.00 u. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. X-17.707-1/13 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 juni
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Simon De Buyser, die loco advocaat Nick Paeleman verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Maarten Van den Nieuwenhuyzen, die loco advocaten Sven Vernaillen en Katrien Dams verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Café Valentina te 2940 Stabroek, Dorpsstraat 38, wordt uitgebaat door verzoekster. J. P., die wordt verzorgd door E. V., is de zaakvoerder. Tijdens een controle van het café door de algemene directie Toezicht op de sociale wetten, op 31 januari 2020, wordt aan de achterzijde van het pand, in een kelder met verlaagd plafond, A. R. aangetroffen op een vuile matras. Hij verklaart te kuisen in het café en mee te helpen met het uitvoeren van werken. Met een brief van 6 maart 2020 deelt een substituut-arbeidsauditeur van het arbeidsauditoraat te Antwerpen aan de burgemeester van de gemeente Stabroek mee dat, gelet op de gedane vaststellingen, zijn ambt van oordeel is dat er in het café feiten van mensenhandel als bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek hebben plaatsgevonden X-17.707-2/13 en dat zijn ambt er geen bezwaar tegen heeft dat het café op grond van artikel 134quinquies van de nieuwe gemeentewet bestuurlijk gesloten wordt. Bijgevoegd is een verslag van een sociaal inspecteur-diensthoofd van 5 maart 2020, waarin relaas wordt gedaan over de vaststellingen van de sociale inspecteurs op 31 januari 2020, over een navolgend verhoor van A. R. op 4 februari 2020, over een verhoor van E. V., bijgestaan door een raadsman, en een verhoor van J. P., bijgestaan door een raadsman. De zaakvoerder wordt met een schrijven van 9 maart 2020 opgeroepen om te worden gehoord op 10 maart
- Tijdens dat verhoor betwisten J. P. en E. V. dat A. R. in de zaak werkte. Op 11 maart 2021 besluit de burgemeester het café te 2940 Stabroek, Dorpsstraat 38, op grond van artikel 134quinquies te sluiten gedurende één maand, van 13 maart 2020 om 00.00 u tot en met 10 april 2020 om 24.00 u. IV. Ontvankelijkheid Exceptie
- De verwerende partij betwist dat verzoekster nog over een actueel belang bij het beroep beschikt. De termijn van de sluiting is ondertussen verstreken en verzoekster toont niet aan welk rechtstreeks voordeel een nietigverklaring haar nog bijbrengt. Beoordeling
- Verzoekster heeft de bestreden politiemaatregel en de beperkingen die hij voor haar inhield, moeten ondergaan. De morele genoegdoening die een vernietiging haar in voorkomend geval kan bezorgen, is een voldoende voordeel ter staving van haar gebleven belang bij het beroep. X-17.707-3/13 Er anders over oordelen zou er overigens op neerkomen, zoals de verwerende partij zelf opmerkt, dat de bestreden sluiting, gelet op de zeer korte termijn waarin ze haar volledige effect sorteert, “niet voor vernietiging in aanmerking komt”. Nochtans blijkt uit niets dat de wetgever een kortlopende beslissing uit het annulatiecontentieux heeft uitgesloten of heeft willen uitsluiten.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster leidt een eerste middel af uit de “Schending van artikel 134quinquies Nieuwe Gemeentewet en artikel 433quinquies Strafwetboek, schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juni 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur inzonderheid de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel”. Verzoekster bekritiseert in de eerste plaats dat er ernstige aanwijzingen zouden zijn van het verlenen van onderdak met het oog op het verrichten van werk in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid. Het optreden van de burgemeester berust niet op voldoende formele en concrete elementen van mensenhandel. Er is hoogstens sprake van vermoedens. Op geen enkele manier is aangetoond dat verzoekster A. R. aan het werk heeft gezet, laat staan nog in omstandigheden in strijd met de menselijke waardigheid. De omstandigheid “dat iemand een slaapplaats wordt aangeboden omdat deze persoon naar eigen zeggen niet naar zijn eigen woning durft te gaan kan onmogelijk zo worden gelezen als zou sprake zijn van mensenhandel”. Volgens verzoekster haalt de verwerende partij de ernstige aanwijzingen waarop zij zich beroept, louter uit de eenzijdige beweringen van X-17.707-4/13 A. R. De betrokkene beschikt evenwel slechts over een beperkt geestelijk vermogen. Ten slotte is volgens verzoekster de opgelegde maatregel “kennelijk disproportioneel met de feiten”. Tijdens de controle van 21 januari 2020 is in het café geen enkele effectieve inbreuk inzake ontoelaatbare tewerkstelling vastgesteld. Er blijkt geen enkel nader onderzoek naar de waarachtigheid van de gezegdes van A. R. ondernomen. Er is, voorts, geen sprake van “enige voorgaande problematiek inzake mensenhandel in [de] exploitatie” en A. R. kon “meteen terecht […] in de sociale opvang”, zodat er ook geen acute dreiging van herhaling van de vaststellingen was. Beoordeling
- Gelet op artikel 134quinquies van de nieuwe gemeentewet kan de burgemeester, na voorafgaand overleg met de gerechtelijke instanties en na de middelen van verdediging van de verantwoordelijke te hebben gehoord, een inrichting sluiten indien er “ernstige aanwijzingen” zijn dat er (onder andere) feiten in plaatsvinden van mensenhandel als bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek. Onder “ernstige aanwijzingen” is te verstaan: voldoende concrete en sterke indicaties, niet een exhaustief en sluitend bewijs.
- Te dezen heeft de verwerende partij voor de bestreden beslissing en voor haar oordeel daarin dat er ernstige indicaties voorhanden zijn van mensenhandel met het oog op economische uitbuiting in verzoeksters inrichting, in de eerste plaats steun gezocht in de administratieve akte van de algemene directie Toezicht op de sociale wetten die haar door een substituut-arbeidsauditeur van het arbeidsauditoraat te Antwerpen met een brief van 6 maart 2020 werd bezorgd. Dat verslag bevat een relaas van de vaststellingen die sociaal inspecteurs deden op 31 januari 2020, om 22.31 u, bij een onaangekondigde controle in verzoeksters inrichting en van de verklaringen die ter zake werden X-17.707-5/13 afgelegd door onder anderen “het slachtoffer” en de zaakvoerder. In het verslag wordt geconcludeerd dat er met betrekking tot verzoeksters inrichting “ernstige aanwijzingen zijn van mensenhandel door betrokkene te werk te stellen, te huisvesten en de controle over hem te nemen met het oog op economische uitbuiting in strijd met de menselijke waardigheid met als verzwarend element de mentale toestand van het slachtoffer”. Inzonderheid wordt gewezen op wat volgt: “- het slachtoffer diende zware arbeidsprestaties te verrichten zonder hiervoor (redelijk) verloond te worden; - beide daders zijn zich ten volle bewust van de beperkte mentale toestand en analfabetisme van het slachtoffer; - beide daders zijn zich tevens ten volle bewust van de vroegere leef- en familiale omstandigheden van het slachtoffer; - het slachtoffer werd bewust afgesneden van de weinige contacten die hij nog had met de buitenwereld door hem zijn simkaart met telefoonnummers af te nemen; - het slachtoffer werd constant onder druk gezet door hem een gsm toestel te geven waarop hij altijd onmiddellijk bereikbaar diende te zijn en waarvan zowel de politie als het slachtoffer vermoeden dat dit toestel gebruikt werd om de whereabouts van het slachtoffer te monitoren; - het slachtoffer mocht niet gaan en staan waar hij wilde of hoe lang hij dit wilde; - het slachtoffer diende in zeer precaire omstandigheden op een vuile matras in de bierkelder van het café te slapen terwijl er op zowel de gelijkvloerse verdieping als de bovenverdieping ruimte in overvloed is om hem een menswaardige slaapplaats te bieden; - het slachtoffer had geen elektriciteit in zijn leef- / slaapomgeving; - het slachtoffer had geen vrije toegang tot sanitair om zich te wassen, tanden te poetsen, etc; - het slachtoffer mocht niet eten wanneer hij dit zelf wilde en er tevens om vroeg; - het slachtoffer werd onder een constante mentale en fysieke druk gezet waarbij een milde doch vorm van agressie werd toegepast.”
- Dat A. R. een mentale beperking heeft en “niet altijd het volle besef van tijd”, houdt niet in dat geen enkel geloof en geen enkele waarde kan worden gehecht aan zijn verklaringen: “Betrokkene [A. R.] werd een tweede keer verhoord op 4 februari 2020 samen met zijn begeleider welke eerder meldde dat er na een gesprek met een psychosociaal begeleider enkele opmerkelijke zaken naar boven waren gekomen. Betrokkene verklaart dat hij soms schrik had van [E. V.] en van [de zaakvoerder]. Hij haalt hiervoor een anekdote aan waarbij [E. V.] dreigde in zijn vingers te knippen met een grote schaar. X-17.707-6/13 Betrokkene zegt dat [J. P.] baas is in het café en opdrachten geeft aan [E. V.] die deze dan doorgeeft aan hem. Betrokkene verklaart dat [E. V.] hem vroeg om allerlei klusjes uit te voeren en hierbij kortaf was tegen hem en hem hierbij fysiek en mentaal pushte. Betrokkene verklaart dat hij soms zelf eten kocht of soms mee at en dronk in het café maar daarvoor diende te betalen. [E. V.] en [J. P.] trokken dit dan van zijn loon af waardoor hij eigenlijk niets overhield tijdens de periode dat hij er werkte. Betrokkene verklaart dat hij van [E. V.] niet naar huis mocht gaan. Hij moest in café Valentina blijven. Hij verklaart tevens dat hij van [E. V.] niet naar de vakbond mocht om zijn stempelkaart in te dienen. Betrokkene verklaart tevens dat hij slechts 10 minuten kreeg om naar de winkel te gaan voor zichzelf of wanneer hij inkopen voor het café moest doen omdat hij anders niet meer binnen mocht. Hij mocht tevens enkel in het café zijn als er geen klanten aanwezig waren, anders moest hij de kelder in. Betrokkene verklaart dat hij altijd moest doen wat [E. V.] hem opdroeg. Hij had geen keuze, hij verklaart dat [E. V.] te keer kon gaan als een beest en heel luid riep. Het slachtoffer verklaart dat [E. V.] met een dartspijltje naar [A. R.] gooide omdat hij een stuk vloer in het café niet goed genoeg had gedweild. Betrokkene verklaart dat hij allerlei klusjes uitvoerde in het café, de boodschappen deed, samen met ‘Jeanneke’ schoonmaakte, etc. [E. V.] werkte soms ook in het café. We vroegen het slachtoffer waarom hij sinds september geen contact meer had met zijn bewindvoerder. Hij verklaarde dat [E. V.] zijn gsm afpakte, zijn simkaart er uit haalde en kapot maakte. Op die manier verloor betrokkene al zijn telefoonnummers en werd het slachtoffer afgesloten van alle persoonlijke contacten. Betrokkene verklaart tevens dat [E. V.] hem ’s ochtends wakker riep in de kelder met ‘zijde wakker? Ge moogt fleskes sorteren’. Hij kreeg na het ontwaken geen ontbijt, noch drinken. Betrokkene verklaart dat hij pas ’s middags voor het eerst eten en drinken kreeg. Betrokkene geeft aan dat hij toen honger had. Hij vroeg om eten, maar kreeg dit niet. Betrokkene haalde toen zelf zijn brood en bracht dan voor [E. V.] en [J. P.] ook mee, soms vergat deze laatste terug te betalen. Betrokkene verklaart dat hij soms ook beleg mocht halen voor zijn boterhammen. Het slachtoffer verklaart dat hij zich in het café 1x per week mocht wassen, zijn tanden mocht poetsen, scheren, etc.”
- Verzoekster kan er naar het oordeel van de Raad van State niet van overtuigen dat de burgemeester niet redelijkerwijze heeft kunnen menen, op grond van de informatie waarover hij beschikte, over voldoende “ernstige aanwijzingen” te beschikken in de zin van artikel 134quinquies van de nieuwe gemeentewet. Dat de burgemeester met het oog op de sluiting niet is overgegaan tot, bijkomend, een ondervraging van de klanten en de tewerkgestelde personeelsleden, doet daar niet beslissend aan af. X-17.707-7/13
- Wat het beweerde disproportioneel karakter van de opgelegde maatregel betreft, wordt in de bestreden beslissing het volgende overwogen over het risico op herhaling en over de sluitingstermijn die noodzakelijk wordt geacht: “Afweging van de belangen BVBA Prinsenhof, [J. P.], uitbater van ‘Café Valentina’ heeft het recht om haar activiteiten uit te oefenen op de manier zoals zij dat wenst, met dien verstande dat dit gebeurt binnen het wettelijk kader. De burgemeester is op grond van artikel 134quinquies van de Nieuwe Gemeentewet bevoegd om de noodzakelijke beperkingen op te leggen aan het uitoefenen van het recht op vrijheid van handel en nijverheid. Uit de administratieve akte (nummer NV20200033141) en de hoorzitting (door de gemeente Stabroek dd. 10 maart 2020) blijkt dat er een ernstig risico bestaat dat er opnieuw feiten van mensenhandel met het oog op economische uitbuiting kunnen plaatsvinden in de uitbating van café Valentina. De zaakvoerder en zijn verzorger ontkennen en minimaliseren de feiten. Zij tonen geen enkel schuldinzicht. Het algemeen belang en het belang van de huidige en toekomstige slachtoffers van deze illegale praktijken primeert boven het privaat belang van de uitbater. Het uitoefenen van het recht op vrijheid van handel weegt niet op tegen de ernstige risico’s voor de huidige en toekomstige slachtoffers. Verantwoording van de maatregel Artikel 134quinquies van de Nieuwe Gemeentewet voorziet dat de burgemeester een sluiting van maximum zes maanden kan opleggen. De toepassingsvoorwaarden van artike1 134quinquies van de Nieuwe Gemeentewet zijn vervuld. Uit het geheel van de vaststellingen van 31 januari 2020, de verklaringen van betrokkenen tijdens de verhoren van 31 januari 2020, het strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot feiten van mensenhandel als bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek blijkt duidelijk dat er ernstige aanwijzingen zijn (i) van huisvesting van een kwetsbare werknemer, en dat controle over hem wordt uitgevoerd, (ii) met het oog op het economisch uitbuiten van de werknemer. De betrokkenheid van de BVBA Prinsenhof en [J. P.], uitbater van café Valentina blijkt onmiskenbaar uit het geheel van de elementen van het dossier. Tijdens het verhoor van 31 januari 2020, afgenomen door de inspectiediensten, gaf de [zaakvoerder] geen blijk zelf concrete en afdoende ernstige maatregelen te hebben genomen om deze illegale praktijken te doen ophouden. Integendeel, er zijn ernstige aanwijzingen dat [J. P.] deze illegale praktijken bewust in stand hield. BVBA Prinsenhof en [J. P.], zaakvoerder […] van ‘Café Valentina’ halen wel degelijk profijt uit deze illegale praktijken. Het risico op herhaling van deze illegale praktijken is zeer reëel, onder meer gelet op het feit dat er geen schuldbesef is namens de BVBA Prinsenhof en haar zaakvoerder, zoals blijkt uit de verhoren afgenomen door de inspectiediensten op 31 januari 2020 en de hoorzitting door de gemeente op 10 maart
- [J. P.] ontkent elke vorm van huisvesting en X-17.707-8/13 tewerkstelling. Het is noodzakelijk om het risico op herhaling van deze illegale praktijken uit te sluiten, minstens te beperken. Het bevelen van een tijdelijke sluiting van de inrichting Café Valentina, gelegen te 2940 Stabroek, Dorpsstraat 38, is dan ook noodzakelijk. Gelet op de ernst en de duur van de vastgestelde feiten, is een sluitingsduur van één maand aangewezen, van 13 maart tot en met 10 april. Deze termijn is noodzakelijk om betrokkenen te ontraden bij te dragen aan zulke illegale praktijken, te heroriënteren en reorganiseren en de nodige maatregelen te nemen om de illegale praktijken en hun gevolgen in de toekomst onmogelijk te maken, alsook om maatregelen te nemen voor een betere hygiëne in [de] kelder waar dranken worden opgeslagen.” Verzoekster haalt deze verantwoording niet onderuit door te wijzen op het tijdsinterval tussen de vaststellingen op 31 januari 2020 door de sociaal inspecteurs en de bestreden maatregel van 11 maart
- Dat tijdsinterval is niet buitensporig en al helemaal niet aan de verwerende partij toe te rekenen. Het blijkt niet dat de burgemeester eerder van de vaststellingen kennis krijgt dan door middel van de brief van de substituut-arbeidsauditeur van 6 maart
- Amper vijf dagen later al neemt de burgemeester het bestreden besluit.
- Het middel wordt in zijn geheel verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel wordt aangevoerd: “Schending van art. 134quinquies Nieuwe Gemeentewet, de rechten van verdediging in hoofde van verzoekende partij alsmede de beginselen van behoorlijk bestuur inzonderheid de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Toegelicht wordt dat verzoekster niet is geïnformeerd geworden over alle stukken die deel uitmaken van het administratief dossier. Zij heeft nooit kennis gekregen van de brief van de substituut-arbeidsauditeur of van de inhoud ervan. De burgemeester had zelf de bewindvoerder van A. R. om een verklaring kunnen vragen. Het is merkwaardig dat de administratieve akte uitgaat van een X-17.707-9/13 sociaal inspecteur-diensthoofd, “die geenszins enige bevoegdheid heeft in kader van administratieve politie”. Beoordeling
- Verzoekster is op 10 maart 2020 in haar middelen van verdediging gehoord. Zij kreeg met het oog hierop kennis van de administratieve akte van 5 maart 2020 van de sociaal inspecteur-diensthoofd, maar niet van de brief van 6 maart 2020 van de substituut-arbeidsauditeur waarmee die administratieve akte aan de burgemeester bezorgd werd. Het wordt niet aangenomen dat verzoekster daardoor betekenisvol is gehinderd. In de brief van 6 maart 2020 geeft de substituut-arbeidsauditeur hoofdzakelijk te kennen dat er geen bezwaar tegen bestaat dat de burgemeester een sluitingsmaatregel neemt op grond van artikel 134quinquies van de nieuwe gemeentewet. De brief past in het kader van het overleg met de gerechtelijke instanties dat overeenkomstig artikel 134quinquies van de nieuwe gemeentewet voorafgaand aan het nemen van een sluitingsmaatregel door de burgemeester plaats moet hebben. Anders dan verzoekster meent, kan de brief wel degelijk staven dat te dezen de vereiste, voorafgaande raadpleging van de gerechtelijke instanties heeft plaatsgehad.
- De administratieve akte van 5 maart 2020 relateert onder meer een verhoor van A. R, op 4 februari 2020, “samen met zijn begeleider”. Dat het, zoals verzoeksters argumenteert, om een “gekleurde” samenvatting van de verklaringen gaat, is niet meer dan een loutere bewering.
- Het komt allesbehalve abnormaal voor dat het relaas, in de administratieve akte van 5 maart 2020, van het onderzoek door de algemene X-17.707-10/13 directie Toezicht op de sociale wetten is opgesteld door een sociaal inspecteur-diensthoofd.
- Het tweede middel wordt in zijn geheel verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel doet verzoekster gelden dat de ratio legis van artikel 134quinquies van de nieuwe gemeentewet is geschonden, evenals de beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid het evenredigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel”. Verzoekster argumenteert dat de bestreden beslissing een bestuurlijke politiemaatregel is, wat betekent dat hij een essentieel preventief karakter heeft. Gelet op de feiten kan men echter niet anders dan vaststellen “dat de opgelegde sluiting van de exploitatie van verzoekende partij veeleer repressief van aard lijkt te zijn, niet evenredig is met het nadeel dat verzoekende partij hiermee oploopt en volstrekt disproportioneel voorkomt”. De verwerende partij had “in dialoog kunnen treden met verzoekende partij in plaats van de dag na het voor de eerste maal horen van verzoekende partij meteen overgaan tot het sluiten van de exploitatie”. De kans op toekomstige feiten is nihil. De gedane vaststellingen dateren van 31 januari 2020, de bestreden sluiting werd pas op 11 maart 2020 opgelegd. In de bestreden beslissing wordt geen melding gemaakt van nieuwe voorvallen van mogelijke mensenhandel. Nochtans was de exploitatie van verzoekster gewoon geopend. Er was dan ook geen noodzaak tot een zo ingrijpende maatregel als een sluiting. Beoordeling
- Het middel overlapt gedeeltelijk het eerste middel. X-17.707-11/13 Zoals uit de bespreking van dat middel – sub 12 – blijkt, wordt de opgelegde maatregel, inzonderheid de duur ervan, onder meer hierdoor verantwoord dat het risico op herhaling “zeer reëel” is, omdat er geen schuldbesef is en de feiten van huisvesting en tewerkstelling ontkend worden. De termijn van één maand moet strekken tot ontrading, tot heroriëntering en reorganisatie.
- Dit wordt door verzoekster niet overtuigend tegengesproken en ontkracht, zeker niet door te doen gelden dat er geen enkele melding wordt gemaakt “van eventuele nieuwe voorvallen van mogelijke mensenhandel in de exploitatie van verzoekende partij” die zich zouden hebben voorgedaan in de periode tussen 31 januari 2020 en 11 maart
- Het tegendeel zou er nog maar aan ontbreken.
- Het is voor de Raad van State niet gebleken dat er tussen, eensdeels, de ernstige aanwijzingen die in de bestreden beslissing worden aangevoerd en die verzoekster niet in het gedrang brengt, en, anderdeels, de opgelegde sluiting, geen redelijk verband van evenredigheid bestaat en dat meer bepaald de opgelegde sluiting verder zou gaan dan redelijkerwijze nodig kan worden geacht voor een passende toekomstbeveiliging. Ook het derde en laatste middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.707-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.707-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.321 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div