id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.329 Rolnummer: A. 235101/XIV-39206 Zaak: Arrest 252329 - Politie - 06/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-15 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-12 15:00 Fiche Arrest nr 252.329 van 6 december 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.329 van 6 december 2021 in de zaak A. 235.101/XIV-38.883 In zake: Katrien DE MUNTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing en eveneens vertegenwoordigd door de Vice-eersteminister en minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Margaux De Greef kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 26 november 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : 1) “[h]et ministerieel bevel tot voortzetting/hervatting van het werk, van onbekende datum, n.a.v. een stakingsaanzegging in die zin dat de opdrachten door de minister bepaald moeten worden uitgevoerd door de personeelsleden van de geïntegreerde politie die onder de algemene directie gerechtelijke politie vallen en tewerkgesteld zijn bij de federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen in dit XIV-38.883-1/17 geval, meer bepaald de diensten TWP-CSO O-Vl, dit voor de periode van 19-11-2021 om 00u01 tot en met 31-01-22 om 23u59”; 2) ‘[d]e nominatieve aanduiding van verzoeker bij de vordering uitgevaardigd door beweerdelijk de directeur - generaal van de algemene directie gerechtelijke politie, dit luidens document ter kennis gebracht op 16-11-21, de nominatieve aanduiding zelve van onbekende datum zijnde’; 3) [d]e individuele kennisgeving door verzoeker ontvangen met kennisgeving van de beide voorgaande bestreden beslissingen en aanduiding dat zij zich ernaar te voegen heeft in overeenstemming met de dienstplanning, document ontvangen op 16-11-21”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 december 2021, om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster en advocaat David D’Hooghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-38.883-2/17 III. Feiten 3.1. Verzoekster is inspecteur van politie bij de federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen, TWP-CSI (technisch wetenschappelijke politie - forensisch onderzoek). 3.2. Op 6 november 2021 dient het gemeenschappelijk vakbondsfront van de politievakbonden bij de minister van Binnenlandse Zaken een stakingsaanzegging in, die zal aanvangen op 19 november 2021, vanaf 00:01 u en zal lopen tot 31 januari 2022 om 23:59 u. 3.3. Ingevolge deze stakingsaanzegging schrijft de minister van Binnenlandse Zaken op 10 november 2021 haar collega, minister van Justitie, aan overeenkomstig artikel 126, § 2, van de WGP en de artikelen 2 tot 5 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 ‘tot bepaling van de opdrachten door de federale politie uit te voeren met toepassing van artikel 126, § 2, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus’. In deze brief maakt zij haar voornemen kenbaar om met het oog op het garanderen aan de bevolking van een minimale dienstverlening het bevel te geven dat de opdrachten, vermeld in de bijlagen 1, 2, 3 en 4, moeten worden uitgevoerd om de minimale dienstverlening te verzekeren. De bijlagen betreffen respectievelijk het Commissariaat-generaal, de Algemene directie bestuurlijke politie, de Algemene directie gerechtelijke politie en de Algemene Directie middelenbeheer en informatie. Zij deelt tevens mij dat ze vervolgens de Commissaris-generaal en respectievelijke Directeuren-generaal de opdracht wil geven om de personeelsleden die belast worden met het uitvoeren van deze opdrachten aan te wijzen. Zij vraagt ten slotte aan de Minister van Justitie, gelet op de verplichting tot overleg overeenkomstig artikel 126, § 2 WGP, voor zover deze haar mening deelt, om deze brief te ondertekenen en dagtekenen om te bevestigen dat het overleg heeft plaatsgevonden en om zijn akkoord te bevestigen. De minister van Justitie ondertekent deze brief. XIV-38.883-3/17 Bij de ‘lijst van essentiële taken’ (opdrachten) van de Algemene directie van de federale gerechtelijke politie wordt als ‘Algemene opmerking’ voorafgaand vermeld: “Ongeacht het onderstaande zal, gezien de grootschalig en complexe operaties die aan de gang zijn, de in de operatieorders vermelde noodzakelijke capaciteit moeten worden gewaarborgd.” Bij de gedeconcentreerde diensten van de federale gerechtelijke politie worden onder meer opdrachten vermeld die moeten verzekerd worden door de “Technische recherche” en “Speciale technieken”. 3.4. Nog dezelfde dag schrijven de ministers de voorzitters van de politievakbonden aan om dit voornemen mee te delen en vragen zij dat deze hun eventuele opmerkingen zouden meedelen, uiterlijk 13 november 2021 om 16:00 u. 3.5. Met een brief van 13 november 2021 bezorgt het VSOA de minister van Binnenlandse Zaken een brief met opmerkingen en bezwaren. 3.6. Op 14 november 2021 hebben de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie met toepassing van artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 de directeur-generaal van de Algemene directie van de gerechtelijke federale politie het bevel gegeven dat gedurende de volledige periode van de stakingsaanzegging het werk wordt voortgezet of hervat en dat de in de bijlage bij de brief genoemde opdrachten conform de artikelen 2 tot 5 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 worden uitgevoerd door de leden van de federale politie. In die brief wordt nog vermeld dat zij op grond van artikel 6 van datzelfde ministerieel besluit gelasten ervoor in te staan dat de personeelsleden die zijn vereist die taken te vervullen, nominatief worden aangeduid. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.7. Op 16 november 2021 wordt een (nominatieve) tabel ondertekend door E.S., directeur-generaal van de federale gerechtelijke politie XIV-38.883-4/17 (GDJ) bezorgd aan L.C., gerechtelijk directeur van de Federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen. Deze tabel bevat de nominatief aangeduide personeelsleden waarop de vorderingen betrekking hebben, waaronder verzoekster. In die kennisgeving wordt opgedragen de personeelsleden persoonlijk en individueel in kennis te stellen van het feit dat zij worden gevorderd. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.8. Met een individuele kennisgeving van 16 november 2021 getiteld ‘Individuele kennisgeving van het ministerieel besluit tot voortzetting/hervatting van het werk n.a.v. een stakingsaanzegging en van de vordering uitgevaardigd door de commissaris-generaal van de Federale Politie of de directeur-generaal van de algemene directie (aan te vullen)’ verneemt verzoekster dat (1.) de ministers van binnenlandse zaken en Justitie het bevel hebben gegeven dat het werk zal worden voortgezet, desgevallend hervat, van 19 november 2021, 00.01u tot en met 31 januari 2022, 23.59u met het oog op de uitvoering van de in die kennisgeving vermelde opdrachten en (2.) in uitvoering van dit bevel, de Directeur-generaal van de Gerechtelijke Federale Politie verzoekster heeft aangewezen “gedurende de periode vermeld onder punt 1, voor de uitvoering van één of meerdere van de bovenvermelde opdrachten en dit volgens de ter zake voorziene dienstplanning die u via de gebruikelijke communicatiekanalen ter kennis zal worden gebracht”. Die kennisgeving aan verzoekster wordt verricht door P.V., adjunct sectiechef TWP-CSI OVL. Dit is de derde bestreden beslissing. 3.9. Uit een e-communicatie ‘Stakingsrecht en vorderingen’ van 18 november 2018 van L.C., gerechtelijk directeur van de Federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen en gedeeld met de personeelsleden via SharePoint blijkt dat de vorderingen volgens de dienstplanning per twee weken worden gepland. Deze vorderingen volgens dienstplanning zijn eveneens gedeeld en raadpleegbaar XIV-38.883-5/17 via SharePoint. Het administratief dossier omvat de vordering en planning voor de periode van 20 november 2021 tot 5 december 2021. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging – Voorwerp van de vordering 4. Met een e-mail van 25 november 2021 gericht aan de griffie informeert de raadsman van verzoekster of al een zittingsdatum en deelt hij mee dat hij op 20 november “een UDN [heeft] uitgestuurd.” Daarover door de griffie bevraagd, deelt de raadsman van verzoekster met een tweede e-mail van 25 november 2021 de Raad van State mee dat hij zijn verzoekschrift per aangetekende zending had verstuurd en hij voegt als bijlage bij die e-mail het bewijs van aangetekende zending met een poststempel afgeleverd door het postpunt in de Carrefour van Mariakerke van 20 november 2021. Omdat die zending de Raad van State op 25 november nog steeds niet had bereikt, dient hij met een nieuwe aangetekende zending van 26 november 2021 een tweede maal zijn verzoekschrift in dat identiek is aan het eerste met dien verstande dat op pagina 5 ervan deze gang van zaken wordt uiteengezet. Dit laatste verzoekschrift wordt door de Raad van State ontvangen op 29 november 2021. Het is dat laatste verzoekschrift dat hierna wordt behandeld. V. Ontvankelijkheid van de vordering 5. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XIV-38.883-6/17 VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het enige middel 7. In haar verzoekschrift voert verzoekster in een enig middel, dat zij opsplitst in drie middelonderdelen, een schending aan van artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 en van artikel 126, § 1, van de WGP. In een eerste middelonderdeel zet verzoekster uiteen dat conform artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 de nominatieve aanduiding van de personeelsleden die worden opgevorderd moet gebeuren door de directeur-generaal doch deze beslissing ligt niet voor. Behoudens indien de verwerende partij alsnog een rechtsgeldige nominatieve aanduiding voorlegt, hetgeen “een essentieel bestanddeel is alvorens verzoek[st]er kan worden aangetast in haar basisrecht op staken”, moet volgens verzoekster worden vastgesteld dat een rechtsgeldige aanwijzing niet bestaat, wat noodzakelijk de vernietiging van de individuele kennisgeving tot gevolg heeft. In een tweede middelonderdeel wijst verzoekster op de “dynamiek” van artikel 126 van de WGP en artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002. Die dynamiek bestaat erin dat de minister(
- s)de opdrachten bepalen waarvoor de inzet noodzakelijk is en de directeur-generaal de XIV-38.883-7/17 personeelsleden nominatief aanwijst die worden gevorderd ter uitvoering van die opdrachten. Zij stelt dat de ministers dit weliswaar hebben gedaan maar “onvolkomen en gebrekkig”, met “hier en daar aanduiding van de daartoe nodige effectieven voor omschreven opdrachten”. Vervolgens moet de directeur-generaal de personeelsleden nominatief aanduiden opdat het zou weten wanneer en voor welke opdracht het gevorderd is opdat duidelijk is wanneer het stakingsrecht kan worden uitgeoefend en wanneer - op straffe van, onder andere, strafsancties -, niet. De voorwaarden en inperkingen van het stakingsrecht zijn restrictief op te vatten en moeten volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (GwH, 6 april 2000, nr. 42/2000) beperkt zijn tot de periode en de opdrachten waarvoor de inzet van het politiepersoneel noodzakelijk is, hetgeen ook bevestigd is in de omzendbrief GPI 80 van 17 maart 2014. Te dezen echter is verzoekster nominatief opgevorderd voor een of meerdere van de opdrachten zoals door de minister bepaald en dit volgens de dienstplanning. Dat volstaat niet omdat (
- i)te dezen niet blijkt dat de aanduiding is gebeurd door de directeur-generaal, hoewel het een strikt toegewezen bevoegdheid is en (sub)delegatie niet is toegestaan. De nominatieve aanwijzing is gekoppeld aan de dienstplanning en die laatste is niet opgesteld door de directeur-generaal maar door een derde (dienstplanner); (
- ii)de dienstplanning op grond waarvan verzoekster zou kunnen afleiden voor welke opdrachten zij nominatief zou zijn aangeduid en dus opgevorderd, ligt actueel nog niet voor zodat ook de noodzakelijkheid niet kan worden beoordeeld. Verzoekster stelt dat dit “[u]it een dienstplanning niet kan worden begrepen, tenzij de volledige dienstplanning moet worden aanzien als opgevorderde diensten maar zulks is dusdanig exuberant dat dit dan voorzeker ingaat tegen het ‘noodzakelijk’ karakter” (…) “[a]ldus is verzoek[st]er opgevorderd voor de gehele periode van stakingsaanzegging en dit niet bepaald doch onbepaald, waarbij de overheid zich het recht voorbehoud om via de dienstplanning verzoek[st]er willekeurig in te zetten”. Luidens de individuele kennisgeving is zij immers nominatief aangeduid “voor de uitvoering van één of meerdere van de bovenvermelde opdrachten…”, wat te algemeen is en geen nominatieve aanduiding voor een welbepaalde taak, al zeker ook niet op welbepaalde data, maar geheel in het algemeen voor alles tijdens de volledige periode, naar willekeur van de overheid verder te concretiseren. XIV-38.883-8/17 Dergelijke methodiek beantwoordt niet aan de vereiste noodzakelijkheid en verhindert elke controle. In een derde middelonderdeel tot slot voert verzoekster aan dat blijkens de individuele kennisgeving de ministers bevel hebben gegeven omtrent een welbepaald aantal opdrachten die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 126 van de WGP. Luidens artikel 126, § 2 van de WGP volgens de strikte interpretatie die eraan moet worden verleend, moeten de inperkingen aan het stakingsrecht worden beperkt tot de periode en de opdrachten waarvoor de inzet van het politiepersoneel noodzakelijk is. Overeenkomstig artikel 126 van de WGP is de overheid ertoe gehouden de opdrachten waarvoor zij een bevel noodzakelijk acht vooraf mee te delen aan de syndicale representatieve organisaties, hetgeen een substantiële vormvereiste is. Daardoor krijgen de vakbonden - verzoekster kan haar grondrecht op staken immers enkel uitoefenen binnen een geregeld kader en mits initiatief van de vakbonden - luidens rechtspraak van de Raad van State “de mogelijkheid […] om te beoordelen of de geplande maatregelen het nodige evenwicht houden tussen de rechten van het personeel - het stakingsrecht is een door het Europees Sociaal Handvest erkend recht - en het belang van de openbare dienstverlening, die “grote beschikbaarheid van de politieambtenaren vereist” (Parl. Doc. Kamer, 1997-1998, stuk 1676/1, p. 76)”. De mededeling moet om nut te kunnen hebben, gebeuren alvorens het voornemen in een beslissing wordt omgezet. Dit moet de vakbonden toelaten hun aanmerkingen over te maken binnen het tijdsbestek dat de minister(
- s)hen, rekening houdend met de spoed waarbinnen zij zelf moeten handelen, geven. Te dezen, heeft de verwerende partij een voorafgaande mededeling gedaan aan de vakbonden, maar opdat zij kunnen beoordelen of de geplande maatregelen evenwichtig zijn, is vereist dat ook de nodige aantallen effectieve personeelsleden (per opdracht) worden vermeld, zo niet is een daadwerkelijke controle onmogelijk. Dit werd zo in het antwoordschrijven van de vakbond van verzoekster aan de minister van Binnenlandse Zaken meegedeeld, die dit blijkbaar simpelweg naast zich neerlegt. Dit klemt hier des te meer omdat binnen de FGP Oost-Vlaanderen geen onderhandelde minimumbezetting blijkt te bestaan in het licht van artikel 2 van het XIV-38.883-9/17 ministerieel besluit van 4 januari 2002. Te dezen zijn blijkens het bevel van de ministers wel opdrachten bepaald, “met hier en daar een begin van aantallen, maar dit heel vaag en met niet limitatieve opsomming van taken, zodat het een open vraag is hoeveel personeelsleden nu eigenlijk noodzakelijk [worden] geacht voor wat”, wat voor verzoekster niet ad hoc controleerbaar is in het licht van de methodiek der dienststaten. Zelfs indien deze duidelijk zouden maken (op een legale wijze, wat verzoeker betwist en welke dienststaat zelfs nog niet voorligt) dat voor een welbepaalde taak op een welbepaald moment zij is opgevorderd, dan nog kan zij niet weten en beoordelen - de vakbonden al zeker niet - of haar opvordering wel past binnen het concept van wat noodzakelijk is. Beoordeling a. Eerste middelonderdeel 8. In zoverre verzoekster er in het eerste onderdeel van haar enige middel van uitgaat dat de individuele kennisgeving van 16 november 2021 niet berust op een overeenstemmende beslissing van de directeur-generaal waarbij zij met toepassing van artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 nominatief wordt aangeduid voor opvordering, mist het feitelijke grondslag. De verwerende partij brengt de beslissing tot nominatieve aanwijzing bij als stuk 6 van het administratief dossier waaruit blijkt dat E. S., directeur-generaal van de Algemene directie van de gerechtelijke politie, wel degelijk uitvoering heeft gegeven aan het hem op 14 november 2021 gegeven bevel door bij naam de personeelsleden aan te wijzen die onder zijn gezag staan binnen de FGP Oost-Vlaanderen en die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie bedoelde opdrachten (cfr. supra punt 3.7.). 9. Ter terechtzitting voert verzoekster wat dit middelonderdeel betreft nog aan dat dit document niet beantwoordt aan een nominatieve aanwijzing XIV-38.883-10/17 zoals de regelgeving vereist. Immers, met het betrokken document ligt geen nominatieve aanwijzing voor door de directeur-generaal omdat erin slechts gewag wordt gemaakt van “te vorderen personeelsleden”, wat nog iets anders is als een personeelslid dat effectief door de directeur-generaal opgevorderd is en voorts, indien het wel zou gaan om opgevorderde personeelsleden, het bedoelde stuk dan voor de ganse stakingsaanzeggingsperiode 321 personeelsleden viseert wat in elk een inperking van het stakingsrecht betreft die de noodzakelijkheid ver overschrijdt. In zoverre de verwerende partij repliceert dat het een nieuw middel(onderdeel) betreft, kan haar betoog in de huidige stand van de rechtspleging niet slagen. Niet blijkt immers in deze fase van de procedure dat verzoekster dit argument eerder kon ontwikkelen nu zij op het eerste gezicht pas kennis heeft gekregen van het genoemde stuk 6 naar aanleiding van de neerlegging van het administratief dossier. Dat de lijst van 321 personeelsleden wat de Algemene directie van de federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen betreft, wordt voorafgegaan door de woorden “te vorderen personeelsleden”, lijkt vooral een semantische discussie, te meer nu uit de begeleidende e-mail bij dat stuk dat door de verwerende partij wordt bijgebracht, blijkt dat het lijsten betreft “van de personeelsleden van uw directie waarop de vorderingen betrekking hebben”. Het betreft met andere woorden daadwerkelijk (nominatief) door de directeur-generaal aangewezen personeelsleden die in de stakingsaanzeggingsperiode evenwel pas effectief als opgevorderde zullen moeten presteren “volgens een dienstplanning” die het personeelslid overigens (ook) in staat moet stellen zijn eventuele deelname aan de staking te organiseren. 10. In zoverre verzoekster met deze grief nog voorhoudt dat het in dat geval gaat om een inperking van het stakingsrecht die de noodzakelijkheid overschrijdt, begrijpt de Raad van State de aangevoerde grief als samenvallend met het tweede middelonderdeel dat hierna wordt beoordeeld. XIV-38.883-11/17 11. Het eerste middelonderdeel ontbeert in de aangegeven mate de vereiste ernst opdat de schorsingsvordering zou kunnen slagen. b. Tweede middelonderdeel 12. In zoverre verzoekster een nominatieve aanwijzing volgens de dienstplanning ontoelaatbaar acht omdat overeenkomstig artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 de nominatieve aanwijzing door de directeur-generaal dient te gebeuren, terwijl de nominatieve aanwijzing hier gekoppeld is aan een dienstplanning die niet door de directeur-generaal maar door een derde wordt opgesteld - zijnde volgens verzoekster een methodiek die niet spoort met “de dynamiek van artikel 126 van de WGP en artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 -, wordt zij niet bijgevallen. Er ligt zoals hiervoor in de punten 8 en 9 is gebleken, een beslissing voor tot nominatieve aanwijzing door E.S., de directeur-generaal van de Algemene directie van de federale gerechtelijke politie door bij naam de personeelsleden aan te wijzen die onder zijn gezag staan (met name binnen de FGP Oost-Vlaanderen). Verzoekster kan niet overtuigen waar zij stelt dat er slechts een rechtsgeldige nominatieve aanwijzing zou zijn als tevens voor die ganse periode wordt vermeld voor welke opdracht en concrete data men opgevorderd wordt. Zulks kan immers prima facie niet worden afgeleid uit het genoemde artikel 6 dat aan de directeur-generaal enkel opdraagt de personeelsleden aan te wijzen “ter uitvoering van de in het ministerieel bevel bepaalde opdrachten”. Artikel 6 van het ministerieel besluit van 4 januari 2002 bepaalt immers dat “[w]anneer een bevel wordt gegeven met toepassing van artikel 126, § 2, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de nominatieve aanwijzing van de personeelsleden van de federale politie ter uitvoering van de in het bevel bepaalde opdrachten [gebeurt] door de commissaris-generaal en door de directeurs-generaal, elk voor het personeel dat onder zijn leiding staat”. Verzoekster kan prima facie evenmin worden bijgevallen waar zij in haar verzoekschrift (nog) stelt dat uit de dienstplanning “die actueel nog niet XIV-38.883-12/17 voorligt” niet kan worden afgeleid voor welke concrete opdrachten en wanneer zij opgevorderd is, zodat de vereiste nominatieve aanwijzing uiteindelijk “onbepaald” is, “wat willekeur mogelijk maakt door verzoekster voor de gehele periode van de stakingsaanzegging het recht op staken te ontzeggen”, terwijl de inperking van het stakingsrecht conform artikel 126 van de WGP restrictief moet beperkt worden tot die opdrachten die noodzakelijk zijn. Wat deze grief betreft, moet vooreerst worden opgemerkt dat verzoekster volstrekt onduidelijk is inzake het al dan niet reeds kennis hebben van een dienstplanning. Zo stelt zij eensdeels dat zij actueel nog geen dienstplanning heeft ontvangen (p. 3), terwijl zij anderdeels laat uitschijnen dat er wel reeds een dienstplanning is waar zij verwijst naar “de dienstplanning die voorligt en die onbegrijpelijk voorkomt” (p. 4). In de mate verzoekster daarmee bedoelt dat nog geen concrete dienstplanning voorligt, verduidelijkt de verwerende partij dat dergelijke, concrete planning telkens voor twee weken wordt opgesteld en wat het personeel betreft, raadpleegbaar is via ‘Sharepoint’. Deze toelichting van de verwerende partij vindt steun, zoals uit de feitelijke uiteenzetting is gebleken (cfr. punt 3.9), in een e-communicatie van 18 november 2021 die uitgaat van de federale gerechtelijke politie van Oost-Vlaanderen waarin is uiteengezet dat de dienstplanning op SharePoint wordt gedeeld met dien verstande dat de vorderingen voor de concreet uit te voeren prestaties volgens dienstplanning per twee weken zijn gepland. De (eerste) dienstplanning voor de periode van 20 november tot 5 december 2021 werd overigens met het administratief dossier bijgebracht. In zoverre verzoekster die concrete dienstplanning voor de periode van 20 november tot 5 december 2021 wel degelijk heeft ontvangen of, minstens, daarin inzage kon hebben via SharePoint, verduidelijkt zij niet, noch maakt ze aannemelijk waarom die “onbegrijpelijk voorkomt” of waarom deze dienstplanning disproportioneel zou zijn of, nog, een schending zou inhouden van het noodzakelijkheidsvereiste. In de hypothese dat zij daarentegen geen dienstplanning heeft ontvangen of daarin inzage heeft kunnen krijgen, kan zij actueel ook niet worden opgeroepen vermits uit de individuele kennisgeving blijkt dat de opdrachten waarvoor zij opgevorderd wordt uit de dienstplanning zullen - en dus ook moeten - blijken. Hetzelfde geldt in XIV-38.883-13/17 de hypothese verzoekster niet zou zijn opgenomen in de concrete dienstplanning voor de voormelde (eerste) periode. Tot slot, in de mate dit middelonderdeel zo zou moeten worden begrepen dat “de dienstplanning die voorligt en die onbegrijpelijk voorkomt” of “algemeen en onbepaald” is en, zodoende, willekeur inhoudt en niet beantwoordt aan het noodzakelijkheidsvereiste omdat volgens verzoekster de nominatieve aanwijzing en de individuele kennisgeving reeds concreet moeten aangeven voor welke opdrachten men op welke dag opgevorderd is (dus zonder de dienstplanning af te wachten), kan verzoekster evenmin worden bijgevallen. Immers, wanneer zoals te dezen een algemene stakingsaanzegging wordt gedaan voor de personeelsleden van de federale politie voor een periode die loopt over een periode van niet minder dan twee en een halve maand tijdens dewelke “de staking allerhande vormen kan aannemen” en er, dus, tijdens de gehele duur van die periode kan worden gestaakt, lijkt het prima facie niet onredelijk dat de te verzekeren opdrachten die door de ministers worden aangeduid voor de gehele periode van aanzegging gelden. Of en wanneer er dan juist tijdens die periode gestaakt wordt, kan niet worden voorspeld en net daarin ligt de reden waarom de operationele uitvoering van de opvordering via de dienstplanning gebeurt en ook enkel via dergelijke dienstplanning lijkt te kunnen gebeuren. De overheid verleent zichzelf zo geen willekeurige mogelijkheid om verzoekster het staken te beletten. De directeur-generaal van de Algemene directie van de gerechtelijke politie bevindt zich, op het moment dat hij het vorderingsbevel uitvoert door de nominatieve lijst van gevorderde personeelsleden vast te stellen, in een vergelijkbare situatie als de ministers. Alleen de directeur van de federale gerechtelijke politie Oost-Vlaanderen is in staat om, via de dienstplanning (zie punt 3.9), rekening houdend met diverse factoren zoals de aan- of afwezigheid van personeelsleden binnen zijn diensten, rekening houdende met langdurige afwezigheid, ziekteverlof, vakantieverlof, opleiding, enz., concreet te bepalen welke personeelsleden wanneer dienen te worden gevorderd. Evenmin wordt in deze fase van de procedure aannemelijk gemaakt dat een planningsperiode van twee weken onredelijk zou zijn, rekening houdende met de aard van de politionele XIV-38.883-14/17 dienstverlening daarin begrepen een zekere mate van onvoorspelbaarheid van gebeurtenissen. 13. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. c. Derde middelonderdeel 14. Wat tot slot het derde middelonderdeel betreft, dient vooraf vastgesteld dat de ministers hun voornemen met aanduiding van de opdrachten die volgens hen moeten worden verzekerd op 10 november 2021 aan de vakbonden hebben overgemaakt en dat de vakbond van verzoekster heeft gereageerd op 13 november 2021 zodat de eerste bestreden beslissing die dateert van 14 november 2021, pas nadien is genomen zodat in die mate is tegemoetgekomen aan hetgeen artikel 126, § 2, tweede lid van de WGP vereist. In zoverre verzoekster in het derde middelonderdeel nog aanvoert dat de ministers niet zijn ingegaan op de opmerkingen en bezwaren van de vakbond van verzoekster, dient opgemerkt dat artikel 126, § 2, eerste lid, bepaalt dat de minister van Binnenlandse Zaken, na overleg met de minister van Justitie, de politieambtenaren die gebruik maken of wensen te maken van het stakingsrecht, kan bevelen het werk voort te zetten of te hervatten gedurende de periode en voor die opdrachten waarvoor hun inzet noodzakelijk is en die hij aanwijst. Indien de politieambtenaren - zoals verzoekster - deel uitmaken van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, gaat het bevel gezamenlijk uit van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. De minister(
- s)die het in artikel 126, § 2, eerste lid, bedoelde bevel wensen te geven zijn ertoe gehouden “de opdrachten waarvoor zij dat bevel noodzakelijk acht[en], vooraf mee te delen aan de representatieve syndicale organisaties van het personeel voor de politiediensten alsook, in voorkomend geval, aan de erkende syndicale organisatie die de stakingsaanzegging heeft ingediend”, wat te dezen is gebeurd. Artikel 126, § 2, tweede lid, schrijft enkel voor dat de opdrachten vooraf moeten worden meegedeeld. Uit dit voorschrift vloeit op het eerste gezicht niet voort dat XIV-38.883-15/17 de minister uitdrukkelijk zou moeten argumenteren waarom hij de bezwaren van de vakbondsorganisaties niet bijvalt. In zoverre verzoekster stelt dat uit niets blijkt dat de minister de bemerkingen bij de besluitvorming heeft betrokken, moet worden vastgesteld dat de minister(
- s)de bemerkingen heeft/hebben ontvangen, en dat uit de eerste bestreden beslissing impliciet blijkt dat zij hebben gemeend de bemerkingen van de vakbondsorganisaties niet te moeten bijvallen. Artikel 126, § 2, van de WGP schrijft evenmin voor dat de minister(
- s)moet(
- en)motiveren waarom zij de bezwaren van de vakbondsorganisaties niet bijtreden en aangezien de plicht tot voorafgaande mededeling al evenmin kan worden gelijkgesteld met de plicht tot overleg over de aan te duiden opdrachten waarin noodzakelijk moet worden voorzien, ontbeert dit middelonderdeel in de aangegeven mate de voor schorsing vereiste ernst. Verder vereist artikel 126 § 2, van de WGP prima facie evenmin dat in de kennisgeving aan de representatieve syndicale organisaties de ter zake bevoegde ministers in hun vorderingsbevel het aantal personeelsleden zouden moeten vermelden dat volgens hen voor de noodzakelijke opdrachten is vereist. Zoals in punt 12 werd uiteengezet, kan niet worden voorspeld of en wanneer er tijdens de aanzeggingsperiode van twee en een halve maand wordt gestaakt, reden waarom de operationele uitvoering van de opvordering via de tweewekelijkse dienstplanning gebeurt zodat de personeelsleden (ook) gelegenheid krijgen hun stakingsrecht uit te oefenen. In die omstandigheden kan van de ministers niet worden verwacht dat zij van tevoren in abstracto het aantal gevorderde personeelsleden zouden kunnen vaststellen en lijkt het ontbreken van de aantallen in de voorafgaande mededeling aan de vakbonden prima facie evenmin vereist. 15. Er is in deze fase van de procedure niet redelijkerwijs aannemelijk gemaakt, noch aangetoond dat het substantiële vormvereiste, vervat in artikel 126, § 2 WGP, werd miskend. Het derde middelonderdeel is niet ernstig. 16. Het enig middel is in geen van zijn onderdelen ernstig gebleken. XIV-38.883-16/17 17. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VIII. Kosten 18. Wat de vraag van verzoekster tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.883-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.329 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div