← België

Arrest 252331 - Wapens - 07/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.331 Rolnummer: A. 230611/XIV-38321 Zaak: Arrest 252331 - Wapens - 07/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-16 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-12 15:02 Fiche Arrest nr 252.331 van 7 december 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.331 van 7 december 2021 in de zaak A. 230.611/XIV-38.321 In zake: Ludo VAN GESTEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 april 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 27 maart 2020 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 18 maart
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het XIV-38.321-1/13 besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september 2021, om 15u
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Canrême, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker heeft als houder van een jachtverlof verschillende vuurwapens voorhanden op basis van een model
  7. 3.
  8. Op 18 maart 2019 trekt de gouverneur van de provincie Antwerpen het recht in hoofde van verzoeker in tot het voorhanden houden van vuurwapens, in het bijzonder wat de in deze beslissing vermelde vuurwapens betreft. 3.
  9. De gemachtigde van de minister van Justitie verwerpt op 27 maart 2020 verzoekers beroep tegen de voormelde beslissing van de gouverneur. Die beslissing steunt op de volgende motieven: XIV-38.321-2/13 “[…] Uit uw dossier blijkt dat u meermaals met de politie en justitie in aanraking bent gekomen. Het betreft twee politionele veroordelingen uit 2009 en 2012 wegens respectievelijk intoxicatie aan het stuur en niet-verzekerd voeren. Zoals reeds gesteld werd u inzake de veroordeling uit 2009 de gunst van opschorting verleend, waardoor deze thans niet meer op uw strafregister vermeld staat. Tevens liep u in 2013 een veroordeling op wegens smaad tegenover het overheidsgezag. Voorts werd u als verdachte genoemd in drie onderzoeken wegens feiten van valsheid in geschriften, diefstal en slagen en verwondingen, doch deze dossiers werden geseponeerd wegens onvoldoende bewijs en opportuniteitsredenen. Het louter feit dat u inzake de voornoemde dossiers niet veroordeeld werd, betekent niet dat de overheid geen rekening mag houden met dergelijke feiten en gedragingen, op voorwaarde dat er een continuïteit in zit en dat ze actuele relevantie hebben ([…]). Uw politionele veroordelingen en de ernst van de processen-verbaal hebben de procureur des Konings ertoe gebracht herhaaldelijk ongunstig te adviseren in uw dossier. Het feit dat u meermaals als verdachte genoemd werd inzake feiten van opzettelijke slagen en/of verwondingen doet een gegrond vermoeden ontstaan dat u conflictsituaties op de spits drijft, met name in combinatie met alcoholgebruik. Dit wordt door de lokale politie bevestigd in het moraliteitsonderzoek (‘licht agressief bij alcoholgebruik’). De aanwezigheid van een conflictsituatie in combinatie met wapenbezit betekent zeer zeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Uit de opeenvolging van diverse inbreuken tijdens de periode 2009-2013 kan worden afgeleid dat u onvoldoende in staat bent zich te gedragen conform de regels en wetten die het samenleven voor iedereen veilig moeten houden. Op basis van uw strafrechtelijke veroordelingen heeft u blijk gegeven van het feit geen respect te hebben voor de regelgeving in het algemeen, en in het bijzonder voor deze die is gericht op het vrijwaren van de openbare orde en veiligheid. Dergelijke attitude biedt onvoldoende garanties voor een veilig en verantwoord wapenbezit/jachtverlof. In uw verweer stelde uw advocaat dat er geen pv’s gekend zijn voor feiten na 23 oktober 2013,waaruit volgt dat u onbesproken ben gedurende een periode van 7 jaar. Het enkele gegeven dat u sinds geruime tijd niet meer met justitie in aanraking bent gekomen doet echter geen afbreuk van het principe dat ook rekening mag worden gehouden met ouder feiten voor zover hun actuele relevantie blijkt uit recentere gegevens ([…]). Zoals uit onderzoek van uw dossier is gebleken, heeft u diverse inbreuken gepleegd op de verkeerswetgeving, al dan niet in combinatie met alcoholgebruik. Deze combinatie brengt mensenlevens in gevaar, zowel uw eigen leven als dat van anderen. Wat betreft meer bepaald de feiten van 23 oktober 2013 zijn er verschillende onafhankelijke getuigen die bevestigen dat u in dronken toestand op café in een discussie belandde met andere klanten en daarbij enkele glazen stuksloeg. U stampte op een gegeven ogenblik tevens een danspaal onderuit. Als antwoord op de vraag of u Jägermeister met cola zou gedronken hebben, stelde u zich dit niet meer te herinneren. Dit kon misschien wel uw geheugenverlies en uw agressievere toestand verklaren. U bent normaal gezien helemaal niet zo. Tezamen met uw veroordeling wegens intoxicatie en de beslissing door het parket Zeeland-West Brabant wegens smaad/weerspannigheid tegenover het overheidsgezag, bestaat op grond van bovenstaande elementen een gegronde vrees dat overmatig alcoholgebruik actueel nog steeds voor mogelijke escalaties kan zorgen. Het risico dat u onder invloed van alcohol opnieuw agressief gedrag zou stellen, kan op heden niet worden uitgesloten. De onmiddellijke aanwezigheid van XIV-38.321-3/13 een vuurwapen kan in dergelijke situaties leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen, Wat betreft de relevantie van de feiten kan ook verwezen worden naar rechtspraak van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, mag rekening worden gehouden met feiten en gedragingen die op zich niets te maken hebben met het wapenbezit van verzoeker, op voorwaarde dat deze feiten en gedragingen genoegzaam vaststaan en de beslissing tot intrekking naar recht kunnen verantwoorden ([…]). Met het oog op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, en rekening houdend met het feit dat één van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe wapenwetgeving net het beschermen van de samenleving en het vermijden van ongelukken is, is de minister van Justitie van oordeel dat een maatregel ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid zich opdringt. De minister van Justitie is de mening toegedaan dat er thans onvoldoende garanties zijn. Op basis van voornoemde elementen kan worden besloten dat er zich inzake uw algemene moraliteit en persoonlijkheid problemen hebben voorgedaan die mogelijks een gevaar kunnen inhouden voor de openbare orde en veiligheid. Het uitoefenen van een hobby kan niet opwegen tegen de bescherming van de maatschappij. Het algemeen belang van de openbare orde is in zulk geval groter dan het individueel belang. De gouverneur van Antwerpen besliste dan ook terecht om uw recht tot het voorhanden hebben van uw vuurwapens in te trekken. Beslissing. Op basis van voornoemde elementen dient uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens te worden ingetrokken ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepassing van de kortedebattenprocedure Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
  10. Verzoeker voert in het enige middel de schending aan van de artikelen 11, § 1, tweede lid en 13, eerste lid, van de Wapenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’, van de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker doet vooreerst gelden, wat de verwijzing in de bestreden beslissing betreft naar “2 politionele XIV-38.321-4/13 vonnissen” van 2009 en 2012, dat beiden slaan op feiten van respectievelijk meer dan 10 en 8 jaar geleden zodanig dat de pertinentie hiervan niet kan worden ingezien, tenzij er sprake zou zijn van recentere feiten die de verwerende partij ertoe in staat zouden stellen om de relevantie aan te tonen van de niet recente feiten. Aan recentere gegevens ontbreekt het, zodat bij afwezigheid ervan de verwerende partij niet naar redelijkheid acht kan slaan op feiten van meer dan 10 en 8 jaar geleden. Inzake de verwijzing naar een “zogenaamde veroordeling van 2013 wegens smaad tegenover het overheidsgezag, zet verzoeker onder meer uiteen dat, zelfs indien er hierover wel genoegzaam vaststaande feiten zouden zijn gebleken, dan nog zouden die nog steeds niet naar redelijkheid een preventieve maatregel kunnen rechtvaardigen gelet op het lange tijdsverloop - meer dan 7 jaar geleden - mede in acht genomen de absolute afwezigheid van recentere feiten die niet-recente feiten relevant zouden kunnen maken. Inzake het motief van alcoholabusus stelt verzoeker dat in ieder geval de beweerde feiten ondertussen meer dan 7 jaar oud en dus niet langer actueel en bijgevolg niet pertinent zijn als motivering van de bestreden beslissing. Daargelaten de niet- pertinentie van de beweerde feiten, moet volgens verzoeker worden vastgesteld dat er geen proces-verbalen gekend zijn voor feiten na 23 oktober 2013, wat dus volgens hem wil zeggen dat hij getuigt van een onbesproken gedrag gedurende een periode van minstens 7 jaar.
  11. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat verzoeker niet betwist dat hij in 2009 werd veroordeeld voor alcoholintoxicatie. Verzoeker kan evenmin betwisten dat hij zich in 2013, vier jaar na die veroordeling in 2009, andermaal schuldig maakte aan zwaar alcoholmisbruik en agressief gedrag wat volgens de verwerende partij te lezen staat in een proces-verbaal van 23 oktober 2013 dat zij citeert. Daarnaast wordt verzoekers alcoholmisbruik door de lokale politie in zijn advies van 21 mei 2019 nog bevestigd door de vermelding: “Is er reeds dronkenschap (openbare of aan het stuur) vastgesteld? - niet rechtstreeks, wel meldingen aan derden”. Zij besluit dat het alcoholmisbruik, al dan niet gepaard gaande met agressief gedrag, in hoofde van verzoeker een constante is, waardoor hij een gevaar vormt voor de XIV-38.321-5/13 openbare orde en veiligheid. Inzake de feiten van 25 december 2013, zet de verwerende partij uiteen dat op die dag aan verzoeker in Nederland een boete werd opgelegd voor smaad/weerspannigheid tegenover het overheidsgezag. Zij zet het rechtskarakter uit van deze transactie naar Nederlands recht. De feiten dateren van eind 2013, maar zij zijn volgens de verwerende partij een bevestiging “van het abnormale agressieve karakter van verzoeker die hem totaal ongeschikt - gevaarlijk - maken om vuurwapens voorhanden te hebben.” Inzake de geseponeerde strafdossiers betreffende valsheid in geschriften

(2015), diefstal, slagen en verwondingen
(2014)en openbare dronkenschap en slagen en verwondingen
(2013)verwijst de verwerende partij wat de laatstgenoemde feiten betreft naar de vaststellingen van de verbalisanten en een getuigenverklaring en doet zij gelden dat op grond daarvan, blijkt dat verzoeker zich “onbetwistbaar schuldig maakte aan openbare dronkenschap, gepaard gaande met zwaar agressief gedrag en vernielzucht.” Wat de feiten betreft die leidden tot de overige processen-verbaal, citeert de verwerende partij ter zake uit de bestreden beslissing waarbij zij stelt dat verzoeker niet aantoont dat die overwegingen uit de bestreden beslissing kennelijk onredelijk, foutief of irrelevant zouden zijn. Volgens haar kan verzoeker ook niet argumenteren dat, in het licht van het potentiële gevaar voor de openbare orde, de weerhouden feiten geen verband houden met het wapenbezit en dit wel in tegendeel. Tot slot onderstreept de verwerende partij dat zij bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde kan opleveren, rekening mag houden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Beoordeling
  1. Verzoeker voert onder meer inzake het motief van alcoholabusus aan dat “in ieder geval […] die beweerde feiten ondertussen meer dan 7 jaar oud [zijn] en dus niet langer actueel en bijgevolg niet pertinent zijn] als motivering van de bestreden beslissing”. Daargelaten die niet-pertinentie van de beweerde feiten, moet volgens verzoeker “worden vastgesteld dat er geen PV’s XIV-38.321-6/13 gekend zijn voor feiten na 23 oktober, wat dus wil zeggen dat verzoeker [van] onbesproken gedrag is gedurende een periode van minsten 7 jaar.” Verzoeker betwist aldus dat de bestreden beslissing op pertinente actuele motieven steunt. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.
  2. Verzoeker voert in het middel onder meer de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Ter beoordeling van deze grief moet ook worden gewezen op artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet, dat luidt: “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.” Dit voorschrift organiseert een administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH XIV-38.321-7/13 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Aangezien op grond van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de Wapenwet, de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene, de vergunning of het recht om een wapen voorhanden te hebben, kan beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren, beschikt de minister of zijn gemachtigde aldus op grond van de devolutieve werking van het beroep, over dezelfde beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde materiëlemotiveringsbeginsel aldus dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De mogelijke verstoring van de openbare orde moet voorts nog actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, wat inhoudt dat de tijd die is verlopen sinds het feit dat volgens de beroepsinstantie erop wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, moet worden meegewogen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring. De beroepsinstantie mag in het raam van het onderzoek van het beroep, hierbij vooreerst rekening houden met minder recente feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recentere feiten die erop wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit die recentere feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. Voorts doet de loutere omstandigheid dat de beroepsinstantie zich enkel heeft gesteund op oudere of minder recente feiten om de mogelijke verstoring van de openbare orde te staven zonder nieuwe recentere feiten in aanmerking te nemen, op zich niet noodzakelijk blijken dat die oudere feiten, na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan door de XIV-38.321-8/13 beroepsinstantie, niet nog steeds kunnen doen blijken van het actueel karakter van de mogelijke verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. De eis dat de mogelijke verstoring van de openbare orde nog actueel moet zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing belet immers op zich niet dat oudere of minder recente feiten waarop de bestreden beslissing steunt, na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan door de beroepsinstantie, nog steeds kunnen doen blijken van het actueel karakter van de mogelijke verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. In dat geval zijn deze oudere feiten immers nog steeds te beschouwen als voldoende recent opdat ze een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde. Tot slot staat de beoordeling of een feit voldoende actueel is in de zin als hiervoor is gesteld om in aanmerking te worden genomen, ter beoordeling van de beroepsinstantie, waarbij deze beoordelingsvrijheid, desgevraagd, door de Raad van State wordt getoetst in de zin dat de Raad van State enkel bevoegd is om na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  3. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven. Er wordt naar verwezen (supra punt 3.3.). Hieruit blijkt dat de bestreden beslissing oordeelt dat er “een gegronde vrees [bestaat] dat overmatig alcoholgebruik actueel nog steeds voor mogelijke escalaties kan zorgen” en dat het risico op heden niet kan worden uitgesloten dat verzoeker onder invloed van alcohol opnieuw agressief gedrag zou stellen. Deze vaststelling wordt afgeleid “op grond van bovenstaande elementen”, zijnde de “opeenvolging van diverse inbreuken tijdens de periode 2009-2013”, zoals die nader worden gedetailleerd in de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.3). XIV-38.321-9/13 Deze feiten dateren al van meer dan zes jaar voor het nemen van de bestreden beslissing. Niet blijkt uit de bestreden beslissing dat de beroepsinstantie zich heeft gesteund op recentere gegevens of feiten. De verwerende partij doet in de memorie van antwoord weliswaar gelden dat het alcoholmisbruik van verzoeker door de lokale politie in haar advies van 21 mei 2019 nog is bevestigd door de vermelding “is er reeds dronkenschap (openbare of aan het stuur) vastgesteld ? - niet rechtstreeks, wel meldingen aan derden” - zodat er sprake is van een “constante”, doch niet blijkt dat het advies waarnaar de verwerende partij verwijst, refereert aan andere (recentere) objectief vastgestelde feiten of andere gegevens dan die welke (ten laatste) zijn opgenomen in de stukken betreffende de feiten van
  4. Uit wat voorafgaat volgt dat derhalve moet worden onderzocht of de verwerende partij op grond van de inbreuken gesitueerd tijdens de periode 2009-2013, op wettige wijze tot de bestreden beslissing kon komen.
  5. Los van de vraag of deze feiten uit de periode 2009-2013, gelet op het tijdsverloop van meer dan zes jaar en gelet op de aard van die feiten die op zich niets te maken hebben met het voorhanden hebben van wapens door verzoeker, nog mogen worden meegewogen in de beoordeling van het potentieel gevaar voor de openbare orde, komt het aan de verwerende partij in elk geval toe om op grond van een individueel onderzoek van de betrokken feiten uit laatstens 2013, aannemelijk te maken dat in de gegeven omstandigheden deze feiten van meer dan zes jaar geleden, nog steeds voldoende recent zijn opdat ze een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde. Zulks blijkt evenwel niet uit de bestreden beslissing zoals hierna is vastgesteld.
  6. Verzoeker voert in het verzoekschrift aan, hetgeen hij luidens de formele motivering van de bestreden beslissing ook deed tijdens de administratieve beroepsfase, dat er geen processen-verbaal zijn gekend voor XIV-38.321-10/13 feiten na 23 oktober 2103, zodat hij onbesproken is gedurende een periode van zeven jaar. Dit feitelijk gegeven wordt voorts niet tegengesproken door de verwerende partij in de bestreden beslissing. Bij de concrete afweging van de in aanmerking genomen feiten uit de periode 2009-2013, blijkt evenwel niet dat de verwerende partij met dit te dezen relevant feitelijk gegeven rekening heeft gehouden bij haar onderzoek, door de tijd die is verlopen sinds het feit dat er volgens de beroepsinstantie op wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, op afdoende wijze mee te wegen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring. Het enkel op algemene wijze poneren in de bestreden beslissing dat de in aanmerking genomen feiten het risico niet uitsluiten dat verzoeker onder invloed van alcohol opnieuw agressief gedrag zou stellen, zonder hierbij het tijdselement te betrekken en mee te wegen, steunt niet op concrete elementen uit het dossier en volstaat derhalve te dezen niet. Hetzelfde geldt wat het algemene argument in de bestreden beslissing betreft dat het feit dat verzoeker sinds geruime tijd niet meer met justitie in aanraking is gekomen geen afbreuk doet aan het beginsel dat ook rekening mag worden gehouden met oudere feiten voor zover hun actuele relevantie blijkt uit recentere gegevens, nu uit wat voorafgaat blijkt (supra, punt 8.) dat er te dezen geen recentere gegevens meer voorhanden zijn waarop de oudere gegevens kunnen worden geënt.
  7. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij niet aannemelijk maakt dat de in aanmerking genomen feiten van 2009-2013, na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, in de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak, nog steeds kunnen doen blijken van het actueel karakter van de mogelijke verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker, met andere woorden, dat ze nog steeds voldoende recent zijn opdat ze een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde. XIV-38.321-11/13 De verwerende partij maakt aldus niet aannemelijk dat zij de feiten uit 2009-2013 waarop zij steunt, op correcte wijze heeft beoordeeld en dat die feiten in rechte als recente feiten ter verantwoording van de bestreden beslissing in aanmerking mogen worden genomen, zodat zij de materiële- motiveringsplicht heeft miskend.
  8. Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
  9. De Raad van State vernietigt de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 27 maart 2020 inzake het beroep van verzoeker tegen het besluit van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 18 maart
  10. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter XIV-38.321-12/13 Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.321-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.331 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.