id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.332 Rolnummer: A. 231105/XIV-38400 Zaak: Arrest 252332 - Wapens - 07/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-16 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-12 15:03 Fiche Arrest nr 252.332 van 7 december 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.332 van 7 december 2021 in de zaak A. 231.105/XIV-38.400 In zake: Raymond HOUBEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eefje Claessens kantoor houdend te 3680 Maaseik Markt 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 juni 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 10 april 2020 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 17 oktober 2019. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het XIV-38.400-1/9 besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september 2021. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is houder van verschillende vergunningen voor het voorhanden hebben van vuurwapens. 3.2. Op 17 oktober 2019 trekt de gouverneur van de provincie Limburg de vergunningen in van verzoeker tot het voorhanden hebben van de in deze beslissing vermelde vuurwapens en het recht in hoofde van verzoeker tot het voorhanden houden van vuurwapens. 3.3. Op 31 oktober 2019 deelt de gouverneur van de provincie Limburg het volgende mee aan verzoeker: “Betreft intrekking wapenvergunning Hierbij deel ik u mee dat ik op 17/10/2019 heb beslist de vergunning(
- en)tot het XIV-38.400-2/9 bezit van volgend(
- e)vuurwapen(
- s)in te trekken : [volgt een opsomming van de wapens] Dít besluit zal u betekend worden door de lokale politie van de zone CARMA. Zoals bepaald in artikel 2 van dit besluit moet het wapen uiterlijk binnen één maand in bewaring gegeven worden bij een erkend wapenhandelaar of overgedragen worden aan een erkend wapenhandelaar of een persoon die houder is van een vergunning tot het voorhanden hebben van het vuurwapen. U moet mij het bijgevoegde formulier, ingevuld en ondertekend, binnen de 8 dagen na de overdracht terugsturen. Indien het wapen in beslag genomen is, moet het in bewaring gegeven of verkocht worden binnen de 15 dagen na de vrijgave. De vergunning(
- en)moeten binnen de 8 dagen na de verkoop of het in bewaring geven van de wapens gestuurd worden aan het Provinciebestuur, […] Tegen deze beslissing staat beroep open bij de minister van Justitie. Dit beroep moet worden ingesteld bij gemotiveerd verzoekschrift dat aangetekend wordt toegestuurd aan de Federale Wapendienst bij de FOD Justitie […]. Het moet worden ingesteld binnen 15 dagen na ontvangst van deze beslissing. Het verzoekschrift moet vergezeld zijn van een kopie van deze beslissing.”. Met een brief van dezelfde datum wordt een afschrift van de beslissing van 17 oktober 2019 meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie, met verzoek dit besluit aan verzoeker te betekenen. Tevens wordt aan de korpschef meegedeeld dat “betrokkene […] reeds op de hoogte [werd] gebracht van de beslissing van de gouverneur”. 3.4. Op 12 november 2019 dient verzoeker administratief beroep in “tegen het besluit van 17.10.2019 genomen door de provinciegouverneur te Limburg waarbij besloten [werd] tot het intrekken van mijn wapenvergunning”. Onder het kopje “I. Ontvankelijkheid” vermeldt verzoeker in zijn “verzoekschrift administratief hoger beroep” het volgende: “I. Ontvankelijkheid U vindt een kopie van dit besluit (hierna “het bestreden besluit”) als bijlage bij dit verzoekschrift. Het bestreden besluit vermeldt als datum 17.10.2019, doch dit werd mij per gewone post toegezonden op 01.11.2019. Bijgevolg heb ik pas op 01.11.2019 kennis kunnen nemen van deze beslissing (zie bijlage 2 foto envelop afgestempeld op 01.11.2019). Vermits dit verzoekschrift tot uw dienst gericht wordt op 12.11.2019, is het administratief beroep ontvankelijk.” De gevoegde kopie van het besluit waarvan sprake in het beroepsschrift, is de onder punt 3.3. vermelde brief. XIV-38.400-3/9 Met een brief van 14 november 2019 bevestigt de beroepsinstantie dat zij verzoekers “beroepschrift van 12/11 laatsleden, tegen het besluit d.d. 17 oktober 2019 van de gouverneur van Limburg, goed [heeft] ontvangen.” 3.5. Op 13 november 2019 verklaart verzoeker dat hij op die dag “het afschrift van het besluit van de gouverneur van de provincie Limburg dd. 17/10/2019 heeft ontvangen van [XX] 1ste inspecteur (naam politiefunctionaris) van de lokale politie.” 3.6. De gemachtigde van de minister van Justitie verwerpt op 10 april 2020 verzoekers beroep tegen de voormelde beslissing van de gouverneur. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “[…] Artikel 30 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (B.S. 9 juni 2006, voortaan afgekort als ‘de wapenwet’) voorziet een georganiseerd administratief beroep tegen beslissingen of ontbreken van beslissingen binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het gemotiveerd verzoekschrift aangetekend verzonden aan de federale wapendienst uiterlijk vijftien dagen na vaststelling dat et geen beslissing werd genomen binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen of na kennisname van de beslissing van de gouverneur vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing. De uitspraak wordt gedaan binnen zes maanden na de ontvangst van het verzoekschrift. Uw verzoekschrift tot hoger beroep werd aangetekend verzonden aan de federale wapendienst op 12 november 2019. Het vermeldt dat u het in artikel 30 van de wapenwet bedoelde administratief hoger beroep wenst in te stellen tegen een besluit van 17.10.2019 genomen door de provinciegouverneur te Limburg waarbij besloten werd tot het intrekken van uw wapenvergunning. Bij het verzoekschrift werd een kopie gevoegd van een schrijven van de Gouverneur van Limburg van 17 oktober 2019 waarin u werd meegedeeld dat hij op 17 oktober 2019 heeft beslist om uw vergunningen voor zes erin opgesomde vuurwapens in te trekken en dat dit besluit u zal worden betekend door de lokale politie van de zone CARMA. Bij uw verzoekschrift bevindt zich evenwel geen kopie van de bestreden beslissing zelf. De bijgevoegde kopie omvat louter de aankondiging dat een beslissing tot intrekking door de gouverneur werd genomen en dat deze aan u zal worden betekend. XIV-38.400-4/9 Uw verzoek tot hoger beroep is derhalve onontvankelijk.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepassing van de kortedebattenprocedure Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 4. Verzoeker voert in het enige middel de schending aan van artikel 30 van de Wapenwet, “voorwaarde niet voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid”. Hij betwist vooreerst dat de in artikel 30, tweede lid, van de Wapenwet vervatte verplichting om het gemotiveerde verzoekschrift te laten vergezellen van een kopie van de bestreden beslissing is voorgeschreven op straffe van niet-ontvankelijkheid van het administratief beroep. Voorts zet hij omstandig uiteen dat aan het normdoel van deze vormvereiste te dezen is voldaan. Tot slot doet verzoeker gelden dat het schrijven van 17 oktober 2019 van de gouverneur uitdrukkelijk het volgende stipuleert: “Tegen deze beslissing staat beroep open bij de minister van Justitie. Dit beroep moet worden ingesteld bij gemotiveerd verzoekschrift dat aangetekend wordt toegestuurd aan de Federale Wapendienst bij de FOD Justitie, Waterloolaan 115 te 1000 Brussel. Het moet worden ingesteld binnen 15 dagen na ontvangst van deze beslissing. Het verzoekschrift moet vergezeld zijn van een kopie van deze beslissing.” Verzoeker kon bijgevolg op basis van deze informatie meegedeeld in die brief, er rechtmatig van uitgaan dat het voldoende was om dit document als bijlage bij te voegen bij zijn verzoekschrift tot hoger beroep. Het document zelf verwijst immers bij de beroepsmogelijkheid meermaals naar “deze beslissing” die zou bijgevoegd dienen te worden. Tenminste is er, gelet op die omstandigheden, geen reden toe om het administratief beroep wegens gemis aan een kopie van de bestreden beslissing niet ontvankelijk te verklaren, wanneer het doel van de zogezegd op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven XIV-38.400-5/9 vormvereiste onbetwistbaar is bereikt. Het blijkt niet dat de afwezigheid van een kopie van de bestreden beslissing ook maar enige nadelige invloed heeft gehad met betrekking tot het bereiken van het doel dat door het betrokken vormvoorschrift werd beoogd. Verzoeker besluit dat, mede in het licht van wat hiervoor hoger is overwogen, er voor de verwerende partij dan ook geen reden was om verzoeker de niet-ontvankelijkheid van zijn beroep tegen te werpen. 5. De verwerende partij doet in de memorie van antwoord vooreerst gelden dat niet kan worden betwist dat de vereiste van het toevoegen van een kopie van de bestreden beslissing een ontvankelijkheidsvereiste is die de beroepsinstantie in staat moet stellen om na te gaan of het beroepsschrift tijdig, gemotiveerd en correct werd ingediend en dat het tweede lid van artikel 30 van de Wapenwet er geen twijfel over laat bestaan wat er op straffe van niet- ontvankelijkheid moet worden gedaan, zodat deze bepaling geen verdere interpretatie behoeft. Vervolgens doet de verwerende partij gelden dat uit de thans bestreden beslissing van de minister van Justitie het dossier van verzoeker niet zonder meer kon worden geïdentificeerd. Wat tot slot verzoekers argument betreft dat de brief van 17 oktober 2019 vermeldt dat er “tegen deze beslissing […] beroep open[staat] bij de minister van Justitie (…)”, betoogt de verwerende partij dat “hiermee […] uiteraard de beslissing [wordt] bedoeld die aan de verzoekende partij zal worden betekend door de lokale politiezone CARMA, zoals dit duidelijk op de eerste bladzijde van de brief van 31.10.2019 wordt vermeld.” Het is volgens haar “dan ook de omstandige beslissing van de gouverneur die door de politiezone CARMA aan verzoeker werd betekend op 13.11.2019 die bij het verzoekschrift moest worden gevoegd”. Beoordeling 6. Artikel 30, tweede lid, van de Wapenwet luidt: “Op straffe van onontvankelijkheid wordt het gemotiveerd verzoekschrift aangetekend verzonden aan de federale wapendienst uiterlijk vijftien dagen na vaststelling dat er geen beslissing werd genomen binnen de in artikel 31 XIV-38.400-6/9 bedoelde termijnen of na kennisname van de beslissing van de gouverneur vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing. De uitspraak wordt gedaan binnen zes maanden na de ontvangst van het verzoekschrift”. 7. Bij brief van 31 oktober 2019 deelt de gouverneur - die voorts die brief ondertekent - aan verzoeker mee dat hij op 17 oktober 2019 heeft beslist “de vergunning(
- en)tot het bezit van volgend(
- e)vuurwapen(
- s)in te trekken”. In deze brief van 31 oktober 2019 wordt verzoeker opgelegd om uiterlijk binnen één maand zijn wapen(
- s)in bewaring te geven, waarna binnen de acht dagen na de overdracht het overdrachtsformulier en de wapenvergunningen moeten worden teruggestuurd naar de gouverneur. Eveneens wordt verzoeker meegedeeld dat “tegen deze beslissing” beroep openstaat bij de minister van Justitie en dat zulks moet worden ingesteld “binnen een termijn van 15 dagen na ontvangst van deze beslissing”. Uit de concrete bewoordingen die worden gebruikt in de brief van 31 oktober 2019, met inbegrip van de instructies die die bevat en de vermeldingen inzake het indienen van een administratief beroep alsook met het feit dat die brief door de gouverneur zelf is ondertekend, mocht verzoeker te dezen redelijkerwijze afleiden dat die brief de beslissing van de gouverneur bevat, waaraan hij binnen de erin vooropgestelde termijnen en overeenkomstig de erin gestelde vormvereisten, gevolg diende te geven en waartegen hij tijdig administratief beroep moest instellen. Verzoeker heeft dat administratief beroep ingesteld en hierbij overeenkomstig wat is gesteld in die brief van 31 oktober 2019, een kopie “van deze beslissing” gevoegd. Verzoeker mocht hierbij redelijkerwijze ervan uitgaan dat de gouverneur hiermee refereerde aan de beslissing vervat in de brief van 31 oktober 2019, minstens kan hem in de voorliggende concrete omstandigheden, niet worden aangerekend dat hij op grond van de brief van 31 oktober 2019, rechtmatig hierop mocht vertrouwen. Van een normaal voorzichtige en redelijke burger, in dezelfde omstandigheden geplaatst, kan immers niet worden verwacht dat hij, na lezing van de voorliggende, van de gouverneur zelf uitgaande brief van 31 oktober 2019 en van de erin duidelijk vervatte instructies en juridische gevolgen, er moet van uitgaan XIV-38.400-7/9 dat die brief niet de beslissing omvat waartegen administratief beroep moet worden ingediend (en die aldus moet worden gevoegd bij het beroepsschrift), maar slechts, zoals de thans bestreden beslissing overweegt, “louter de aankondiging [is] dat een beslissing tot intrekking door de gouverneur werd genomen en dat deze aan [verzoeker] zal worden betekend.”. De omstandigheid dat de brief van 31 oktober 2019 stelt dat “dit besluit” verzoeker zal worden betekend door de lokale politie van de zone CARMA, doet hier geen afbreuk aan te meer dat de brief van 31 oktober 2019 niet vermeldt noch verduidelijkt dat hij geen rechtsgevolgen heeft of doet ontstaan. Integendeel, zoals hiervoor blijkt, verbindt deze brief uitdrukkelijk rechtsgevolgen eraan, minstens lijkt hij er aan te verbinden op een wijze dat verzoeker deze schijn in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze voor werkelijk mocht aannemen. Voorts moet deze schijn aan de verwerende partij worden toegerekend, aangezien zij de wijze van betekening van een voor verzoeker griefhoudende beslissing kiest en bepaalt. Er dient derhalve redelijkerwijze te worden aangenomen dat verzoeker overeenkomstig artikel 30 van de Wapenwet administratief beroep heeft ingesteld en dat hij overeenkomstig het tweede lid ervan, “deze beslissing” heeft gevoegd bij zijn beroepsschrift. Uit wat voorafgaat volgt dat - zonder dat de Raad van State de rechtsgevolgen moet onderzoeken van het verzuim een kopie van de bestreden beslissing te voegen bij het beroepschrift - de bestreden beslissing artikel 30, tweede lid, van de Wapenwet schendt door het ingediende beroep niet ontvankelijk te verklaren omdat het beroepschrift niet is vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing. 8. Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. XIV-38.400-8/9 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 10 april 2020 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 17 oktober 2019. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.400-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div