← België

Arrest 252334 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.334 Rolnummer: Zaak: Arrest 252334 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-15 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-12 15:04 Fiche Arrest nr 252.334 van 7 december 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 252.334 van 7 december 2021 in de zaken A. 228.252/IX-9553 (I) A. 228.255/IX-9556 (II) In zake : I.+II. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I.+II. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joos Roets en Stefan Sottiaux kantoor houdend te 2018 Antwerpen Oostenstraat 38 bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen 1.1. Het beroep in de zaak A. 228.252/IX-9553, ingesteld op 29 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de “[e]valuatie na beroep van [...] XXXX, bestuurlijk attaché toegewezen aan de diensten van het Auditoraat van de Raad van State d.d. 29.03.2019 waarbij de commissie bestaande uit onder meer [W.W.] eerste auditeur-afdelingshoofd aan [XXXX] betreffende de evaluatie een ‘onvoldoende’ heeft toegekend”. 1.2. Het beroep in de zaak A. 228.255/IX-9556, ingesteld op 29 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de “[e]valuatie na beroep van […] XXXX, bestuurlijk attaché toegewezen aan de diensten van het Auditoraat van de Raad van IX-9553-1/26 State d.d. 29.03.2019 waarbij de commissie bestaande uit onder meer [A.E.], Eerste Auditeur-afdelingshoofd aan [XXXX] betreffende de evaluatie een ‘onvoldoende’ heeft toegekend”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft in de beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft in de beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft in de beide zaken een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben in de beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn in de beide zaken opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september 2021. Staatsraad Bruno Seutin heeft in de beide zaken verslag uitgebracht. Advocaat Bryan Geerts, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Timothy Roes, die loco advocaat Joos Roets verschijnt voor de verwerende partij, zijn in de beide zaken gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft in de beide zaken een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. IX-9553-2/26 III. Feiten a. algemeen 3.1. Verzoekster is in december 2001 bij de Raad van State in dienst getreden als bestuurlijk attaché-jurist, eerst als contractueel personeelslid en vanaf november 2005 als statutair personeelslid. Van 1 november 2005 tot 31 augustus 2009 geniet zij een voltijdse loopbaanonderbreking. Daarna werkt zij vier vijfde. Vanaf 1 april 2016 wordt verzoekster tewerkgesteld in afdeling IV van het auditoraat. 3.2. Op 10 november 2016 wordt verzoekster gunstig geëvalueerd door de eerste auditeur-afdelingshoofd van afdeling IV van het auditoraat. In de evaluatiefiche worden geen ‘te ontwikkelen aspecten’ opgesomd. De hoofdsecretaris en diensthoofd sluit zich op 10 november 2016 aan bij de inhoud van deze evaluatie. 3.3. Op 15 juni 2017 krijgt verzoekster de tussentijdse beoordeling ‘onvoldoende’ voor haar werkzaamheden verricht in afdeling IV van het auditoraat voor de periode van 1 april 2016 tot 30 mei 2017. Dit evaluatieresultaat wordt op 9 oktober 2017, na beroep, definitief toegekend door de evaluatiecommissie. Verzoekster stelt tegen dit evaluatieresultaat geen beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. IX-9553-3/26 3.4. Vervolgens vinden er een aantal gesprekken plaats tussen verzoekster en haar leidinggevenden, waarbij er verschillende opties worden onderzocht. Verzoekster benadrukt tijdens deze gesprekken dat het voor haar moeilijk is om nog samen te werken met drie auditeurs van afdeling IV. Zij vraagt om naar een andere afdeling te worden overgeplaatst of om haar andere taken toe te wijzen zodat zij niet meer met de betrokken auditeurs hoeft samen te werken. 3.5. Op 30 januari 2018 wordt verzoekster overgeplaatst naar afdeling VI van het auditoraat. Naar aanleiding van deze overplaatsing wordt een afsprakennota opgesteld. Die nota bevat verschillende richtlijnen over het functioneren van verzoekster binnen afdeling VI, evenals afspraken omtrent de resterende te verwerken arresten voor afdeling IV. De nota stelt dienaangaande onder meer het volgende: “1.3. Daarbij benadrukte bestuurlijk attaché XXXX onder meer dat het voor haar moeilijk is om nog samen te werken met drie leden van afdeling IV en vroeg zij om een overplaatsing naar een andere afdeling van het Auditoraat (N) of om haar andere taken toe te wijzen zodat zij niet meer met deze auditeurs diende samen te werken. De auditeur-generaal had over deze mogelijkheid tot samenwerking onder meer ook een telefonisch gesprek met de externe preventie-adviseur (Arista). 1.4. Gelet op de volgens bestuurlijk attaché XXXX verstoorde communicatie die haar samenwerking met drie leden van afdeling IV zou beletten en die volgens haar zou verklaren waarom zij eerdere doelstellingen niet haalde, en aangezien het organisatorisch en ook op menselijk vlak voor alle betrokkenen belangrijk is tot een definitieve oplossing te komen, wordt niet gekozen om de externe preventieadviseur eerst nog een informele bemiddeling te laten opstarten inzake de volgens bestuurlijk attaché XXXX verstoorde communicatie met leden van afdeling IV, maar wordt onmiddellijk gekozen voor een affectatie aan een andere afdeling, trouwens één van de door haar zelf voorgestelde oplossingen. De affectatie aan afdeling VI van het Auditoraat (N) is dan om organisatorische en beleidsmatige redenen het meest opportuun. Het gaat weliswaar om een grotere afdeling maar bestuurlijk attaché XXXX voerde voor deze afdeling reeds arresten in. Deze affectatie naar afdeling VI kan geen afbreuk aan de bestaande tussentijdse evaluatie ‘onvoldoende’ vermeld sub punt 1.1 supra en de vaststellingen daarin, die onverminderd gelden. 1.5. Dit alles werd op 11 januari 2018 door de auditeur-generaal omstandig besproken met bestuurlijk attaché XXXX en waarnemend afdelingshoofd [A.E.] en, nogmaals, op 17 januari 2018 in een gesprek met XXXX en Arista. 2. Affectatie naar afdeling VI 2.1. Vanaf 30 januari 2018 wordt bestuurlijk attaché XXXX toegewezen aan afdeling VI. 2.2. Zij zal wel, inzake de arresten van afdeling IV, de invoer en samenvatting afwerken van de arresten die zij reeds invoerde en die voor nazicht bij de auditeurs van die afdeling zijn of nog voor nazicht moeten IX-9553-4/26 worden verzonden, alsook van de arresten die besproken werden tijdens de vergadering van 14 september 2017 en van de arresten waarop zij reeds de volgens haar in te voeren rechtspunten aanduidde. Aan bestuurlijk attaché XXXX wordt gevraagd om wekelijks de door haar behandelde arresten aan de betrokken magistraten toe te sturen. Aan de betrokken magistraten wordt gevraagd zo snel mogelijk de (eerste) controle uit te voeren zodat ofwel de samenvatting van het arrest nog binnen het afgesproken tijdsbestek kan worden gemaakt en toegestuurd aan de betrokken magistraat ofwel de ingevoerde samenvatting op gecontroleerd kan worden gezet. [...] 6. Nieuwe tussentijdse evaluatie Het is de bedoeling dat wordt overgegaan tot een nieuwe tussentijdse evaluatie in juni 2018 zowel wat betreft het werk voor afdeling VI als wat betreft de invoer van arresten van afdeling IV sinds de eerste tussentijdse evaluatie en deze bedoeld sub 2.2 supra. Deze evaluatie zal, voor het werk voor afdeling IV, gebeuren door het diensthoofd en de functioneel bevoegde ambtsdrager van afdeling IV, en, voor het werk voor afdeling VI, door het diensthoofd en de functioneel bevoegde ambtsdrager van afdeling VI. Zij zullen, indien nodig, vervolgens tot een gezamenlijke conclusie komen.” b. feiten van belang voor de zaak A. 228.255/IX-9556 3.6. In juni 2018 heeft een nieuwe tussentijdse evaluatie plaats over de werkzaamheden van verzoekster binnen afdeling VI van het auditoraat. Omdat de periode tussen het toetreden van de geëvalueerde tot afdeling VI – namelijk op 30 januari 2018 – en juni 2018, evenals het beschikbare te evalueren materiaal, ontoereikend worden geacht om een evaluatie te verantwoorden, in het bijzonder wat betreft de zelfstandige verwerking van arresten – dit is zonder dat de behandelende auditeur de rechtspunten al heeft aangeduid – en de verwerking van de arresten inzake overheidsopdrachten die toepassing maken van de nieuwe reglementering en waarvan de verwerking prioritaire behandeling vraagt, wordt besloten om de evaluatie later dat jaar te laten plaatsvinden. Er wordt voorts nog gesteld dat “[o]m die reden is geopteerd voor een tussentijdse evaluatie die een aantal positieve en een aantal verder te ontwikkelen aspecten oplijst. Doel is de geëvalueerde te begeleiden in het versterken van de positieve elementen en het tegemoet komen aan de aandachtspunten met het oog op de definitieve evaluatie. Deze definitieve evaluatie zal medio oktober 2018 plaatsvinden”. Deze “oplijsting” luidt als volgt: Verzoeksters sterke punten zijn: IX-9553-5/26 - Algemene competenties - 1. Kennis en expertise - Heeft zich bereid getoond kennis reglementering te ontplooien wat ten goede kan komen bij verwerking arresten. - Algemene competenties - 3. Resultaatgericht en efficiënt werken - Termijnen stappenplan worden gerespecteerd. - Algemene competenties - 5. Teamwork - Neemt initiatieven om resultaten voor te leggen en staat open voor overleg. Verzoeksters te ontwikkelen aspecten zijn: - Algemene competenties - 3. Resultaatgericht en efficiënt werken - Arresten moeten in aansluiting op invoering zonder verwijl ter controle aan behandelende auditeur worden bezorgd. - Algemene competenties - 4. Analyse en synthese - Leesbaarheid syntheses (verwijzingen naar niet nader geduide bepalingen/middel(en)(onderdelen) ... achterwege laten) → zelfstandige verwerking van passages en trefwoorden, ook indien reeds aangebracht door behandelende auditeur. 3.7. Op 5 november 2018 stelt de eerste auditeur-afdelingshoofd van afdeling VI een ontwerp van evaluatiefiche op met betrekking tot de door verzoekster binnen de afdeling geleverde prestaties. Uit deze fiche blijkt dat de prestaties van verzoekster met betrekking tot de invoer van de arresten voor de periode 30 januari 2018 - 5 november 2018 ‘onvoldoende’ worden bevonden. Verzoekster formuleert haar opmerkingen met betrekking tot dit ontwerp van evaluatiefiche in een schriftelijke nota. 3.8. Op 26 november 2018 wordt aan verzoekster de definitieve tussentijdse beoordeling ‘onvoldoende’ toegekend door A.E. en V.D.B. De bezwaren van verzoekster worden daarin weerlegd. IX-9553-6/26 3.9. Op 18 december 2018 dient verzoekster een bezwaarschrift in tegen de definitieve beoordeling van 26 november 2018. 3.10. Op 19 februari 2019 vindt de hoorzitting plaats. 3.11. Op 29 maart 2019 beslist de evaluatiecommissie om aan verzoekster definitief de beoordeling ‘onvoldoende’ toe te kennen. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “III.2. Ten gronde A. Het verweerschrift Voorafgaande opmerking De geëvalueerde heeft zich in haar bezwaarschrift van 18 december 2018 weliswaar het recht voorbehouden haar verweer op een later tijdstip verder aan te vullen, maar de handelwijze om, ondanks de tijdige uitnodiging van 5 februari 2019 voor de hoorzitting van 19 februari 2019, voor het eerst op de hoorzitting zelf een aantal fundamentele kritieken te uiten, bijkomend aangevuld met stukken neergelegd na de hoorzitting, heeft de leden van de commissie verhinderd tijdig kennis te nemen van de integrale inhoud van het verweerschrift en vandaar, belemmerd in de mogelijkheid om, indien gewenst, gerichte vragen te kunnen stellen aan de geëvalueerde. Deze handelwijze heeft voorts de termijn voor de totstandkoming van de genomen beslissing beïnvloed. Procedurele opmerkingen 1. Zoals terecht opgemerkt in het verweerschrift heeft de Raad van State een eigen statuut inbegrepen een specifiek evaluatiesysteem, uitgewerkt in artikel 17 van het Personeelsstatuut. Elke argumentatie geput uit het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ kan derhalve niet dienstig worden ingeroepen (bv. minimale duur evaluatieperiode). Louter volledigheidshalve voorziet voormeld koninklijk besluit ook niet dat de evaluatoren een verplichte opleiding dienen te volgen. Artikel 4 ervan verplicht enkel de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie in opleidingen te voorzien wanneer de evaluatoren erom vragen. 2. Het gegeven dat de geëvalueerde of haar collega’s in een bepaalde periode al dan niet geëvalueerd zouden zijn geweest, staat de toepassing van artikel 17 van het Personeelsstatuut overeenkomstig welk artikel op elke ogenblik op initiatief van het diensthoofd en/of de functioneel bevoegde ambtsdrager ‘ongunstige feiten’ op de individuele fiche van het personeelslid kunnen worden genoteerd, niet in de weg. Zulks is gebeurd gebruik makend van een evaluatiefiche functiegroep C met het oog op de inschrijving op de individuele fiche. Uit het feit dat in het verleden geen jaarlijkse evaluaties werden doorgevoerd, of dat de geëvalueerde ‘gunstig’ werd geëvalueerd, kunnen geen rechten worden geput in de zin dat wanneer de collega’s van de geëvalueerde geen evaluatie kregen, zij er dan ook geen kon krijgen, of nog dat zij naar de toekomst toe steeds ‘gunstig’ geëvalueerd zou moeten worden. De eindvermeldingen voor de evaluatiefiches van 2018 kunnen derhalve los worden gezien van vorige evaluaties. 3. Anders dan de geëvalueerde het ziet, verzet artikel 17 van het Personeelsstatuut zich niet tegen de toekenning van de beoordeling ‘onvoldoende’, beide op 26 november 2018, door, eensdeels, [W.W.] en IX-9553-7/26 [V.D.B.] en, anderdeels, [A.E.] en [V.D.B.]. In de periode september-december 2017, voorwerp van de eerste evaluatiefiche, was de geëvalueerde toegewezen aan afdeling IV. In de periode vanaf 30 januari 2018, voorwerp van de tweede evaluatiefiche, was de geëvalueerde toegewezen aan afdeling VI. De werkzaamheden van de geëvalueerde voor afdeling IV na 30 januari 2018 behelzen het finaliseren, na controle, van ontwerpen van invoer in Audidoc, zoals door de geëvalueerde voorgesteld in de periode september-december 2017 en bevatten derhalve geen nieuwe opdrachten. De omstandigheid dat de geëvalueerde na 30 januari 2018 nog werkzaamheden voor de afdeling IV heeft verricht, staat er derhalve niet aan in de weg dat de periode waarop deze betrekking hebben, onderscheiden is van de opdrachten voor afdeling VI. 4. Het verweer dat voor de periode na 30 januari 2018 het precieze aandeel van de werkzaamheden voor afdeling IV niet zou zijn gerespecteerd in de beoordelingen, vertrekt van hetzelfde foutieve uitgangspunt dat de beide evaluatiefiches eenzelfde evaluatieperiode als voorwerp hebben en kan derhalve evenmin worden aangenomen. 5. De vaststelling dat de geëvalueerde ook nog na 30 januari 2018 de reeds aangevangen werkzaamheden voor afdeling IV verder diende te finaliseren, ontkracht voorts het verweer dat een onredelijke termijn zou zijn verlopen tussen de evaluatieperiode, het evaluatiegesprek en de opmaak van de evaluatiefiche door [W.W.] en [V.D.B.]. Zoals in het verweer terecht aangestipt, vergt een correcte evaluatie de kennis van accurate gegevens. De accuraatheid van gegevens veronderstelt het volledig doorlopen zijn van het invoerproces in Audidoc. 6. In overeenstemming met de nota ‘Toewijzing aan afdeling VI’ van 30 januari 2018 is voor afdeling IV op 26 juni 2018 een tussentijdse evaluatiefiche opgemaakt die de volgende opmerkingen bevat: ‘Deze tussentijdse evaluatie heeft betrekking op de werkzaamheden van de geëvalueerde binnen de afdeling VI. Algemeen wordt opgemerkt dat de periode tussen het toetreden van de geëvalueerde tot de afdeling VI en heden evenals het beschikbare te evalueren materiaal ontoereikend zijn om een definitieve evaluatie mogelijk te maken. In het bijzonder betreft de zelfstandige verwerking van arresten, d.i. zonder dat de behandelende auditeur de rechtspunten al heeft aangeduid, heden slechts de maanden januari en februari 2018 en kan de verwerking van die arresten inzake overheidsopdrachten die toepassing maken van de nieuwe reglementering – en waarvan de verwerking prioritaire behandeling vraagt – nog niet worden geëvalueerd. Om die reden is geopteerd voor een tussentijdse evaluatie die een aantal positieve en een aantal verder te ontwikkelen aspecten oplijst. Doel is de geëvalueerde te begeleiden in het versterken van de positieve elementen en het tegemoet komen aan de aandachtspunten met het oog op de definitieve evaluatie. Deze definitieve evaluatie zal medio oktober 2018 plaatsvinden.’ In de aanloop tot deze tussentijdse evaluatie en de tussentijdse evaluatiefiche ‘onvoldoende’ van 26 november 2018 hebben op geregelde tijdstippen gesprekken plaats gevonden tussen het afdelingshoofd van afdeling VI en de geëvalueerde, waaraan de geëvalueerde overigens zelf refereert in haar bezwaarschrift. De gevolgtrekking van de geëvalueerde dat ‘het feit dat er geen formele gesprekken werden gevoerd (...) er ook (kan) op wijzen dat er blijkbaar geen problemen waren met het functioneren van de geëvalueerde’, wordt aldus niet in de feiten gesteund. 7. De ingeroepen schending van de algemene beginselen, onpartijdigheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel (punt 2.8 verweerschrift neergelegd ter zitting) heeft geen betrekking op de evaluatie ‘onvoldoende’ van [A.E.] en [V.D.B.]. Inhoudelijke opmerkingen IX-9553-8/26 Afsprakennota 30 januari 2018 1. De geëvalueerde betwist dat de afsprakennota van 30 januari 2018 een objectieve evaluatie op het einde van de evaluatieperiode garandeert. Tijdens een vergadering op 30 januari 2018 is de afsprakennota besproken in aanwezigheid van de Auditeur-generaal, het afdelingshoofd van de afdeling VI en de geëvalueerde. De nota is aangepast rekening houdende met een aantal opmerkingen gemaakt door de geëvalueerde tijdens deze vergadering. De geëvalueerde heeft zich vervolgens niet op enig later tijdstip uitdrukkelijk verzet tegen de inhoud van de afsprakennota van 30 januari 2018. Nog daargelaten de vraag of de geëvalueerde de inhoud van de afsprakennota van 30 januari 2018 alsnog kan betwisten naar aanleiding van de evaluatiefiche ‘ongunstig’ die steunt op de afsprakennota van 30 januari 2018, wordt het verweer niet bijgevallen. 2. De omschrijving van de evaluatiecriteria volgens het door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning gehanteerde SMART-principe is niet verplicht opgelegd. Hierna zal overigens blijken dat de door de geëvalueerde aangehaalde voorbeelden wel degelijk een objectieve evaluatie garanderen. Voorbeeld 1: streefdoel van gemiddeld 10 arresten per week Overeenkomstig punt 3.3. (

  1. c)en punt 3.4. (
  2. b)van de afsprakennota van 30 januari 2018 is het streefdoel dat gemiddeld 10 arresten per week worden ingevoerd. Zoals terecht opgemerkt in het verweerschrift zijn niet alle arresten gelijk en kunnen ze niet allemaal in dezelfde tijd worden afgewerkt. Precies om die reden worden gemiddelden als streefdoel opgelegd. Deze gemiddelden zijn afgetoetst op hun haalbaarheid rekening houdende met de gemiddelde productie van medewerkers in het verleden en op heden en zijn voorgelegd aan het lid van het Auditoraat dat verantwoordelijk is voor de coördinatie van Audidoc. Het streefdoel van gemiddeld 10 arresten per week is persoonlijk en individueel opgesteld voor de geëvalueerde, wetende dat zij sedert meerdere jaren volgens een 4/5 regime werkt. De vergelijking in de evaluatie met andere medewerkers aan Audidoc, daarbij telkens rekening houdende met de diverse werkregimes, dient mede in dit licht te worden begrepen. Punt 5 van de afsprakennota van 30 januari 2018 bepaalt voorts dat de evaluatie rekening houdt met vakantiedagen en afwezigheden wegens ziekte of andere wettige redenen. De geëvalueerde is voorts zelf verantwoordelijk voor de uitwisseling van de correcte statistische gegevens en dit in elke fase van het invoerproces zodat zij op eender welk tijdstip het door haar behaalde rendement heeft kunnen opvolgen en de nodige correcties heeft kunnen doorvoeren. Voorbeeld 2: richtlijnen voor de termijn van de invoer van arresten In de lijn van de afsprakennota van 30 januari 2018 zou een termijn moeten kunnen worden gerespecteerd van ongeveer 2 maanden tussen de uitspraak van de arresten en een voorstel van opname in de databank. Mede gelet op de tijdspanne die verstrijkt tussen het voorleggen voor nazicht en eventuele verbetering stemt deze termijn overeen met de termijn bepaald in het Vademecum, dat met betrekking tot de ‘Databank arresten’ algemene richtlijnen bevat en een termijn van 3 maanden tussen de uitspraak van een arrest en de opname in de databank als richtlijn vooropstelt en waarnaar de geëvalueerde verwijst. Voorbeeld 3: kwalitatieve doelstellingen Door te stellen dat vooraf geen afspraken zijn gemaakt of doelstellingen zijn geformuleerd over de kwaliteit van het werk, gaat de geëvalueerde er aan voorbij dat de afsprakennota van 30 januari 2018 melding maakt van een chronologische invoer waarbij alle relevante rechtspunten van de samen te vatten arresten worden behandeld en dit op een coherente, duidelijke en correcte manier, uitgaande van de vraag waarom de Raad van State het beroep verwerpt of overgaat tot vernietiging c.q. schorsing. De nota voegt toe dat door de betrokken magistraat gemaakte opmerkingen, suggesties IX-9553-9/26 en tips zo snel mogelijk moeten worden opgevolgd. De inhoudelijke controle komt toe aan de betrokken auditeur. Luidens artikel 76, §2 RvS-Wet worden de leden van het Auditoraat ermee belast de documentatie betreffende de rechtspraak en de adviezen van de Raad van State in de vorm van geautomatiseerde bestanden bij te houden, te bewaren en ter beschikking te stellen. Op grond van dit wetsartikel komt het aan de leden van het Auditoraat, en aan hen alleen, toe om te oordelen of een gemaakte samenvatting van die aard is dat zij kan worden opgenomen in de databank. Dit is een taak die onder de volle verantwoordelijkheid valt van de betrokken magistraat. Door het feit dat de betrokken magistraat oordeelt dat de samenvatting niet naar behoren is, geeft hij/zij gevolg aan de wettelijke opdracht die hem/haar is toevertrouwd. Wat betreft de opwerping dat niet duidelijk zou zijn welke afgewerkte samenvattingen van arresten als correct worden beschouwd en welke als fout worden genoteerd, staat de beweerde onduidelijkheid in de eerste plaats haaks op de eigen interpretatie van de geëvalueerde in het bijkomend stuk van 25 februari 2019 dat zij minstens 90% van de arresten correct heeft afgewerkt. Voorts komt het, zoals gezegd, toe aan de betrokken auditeur om de inhoudelijke controle uit te voeren. Het aangeklaagde gemis aan het vooraf definiëren van een te behalen percentage aan correct afgewerkte arresten is niet pertinent. Het is evident dat alle arresten op correcte wijze moeten worden ingevoerd in Audidoc. Ten overvloede wordt verwezen naar het Vademecum. Bezwaarschrift Kennis en expertise 1. De geëvalueerde verklaart in essentie dat het naast elkaar bestaan van een nieuwe en oude trefwoordenstructuur inzake de materie van de overheidsopdrachten de werkzaamheden heeft bemoeilijkt en dat de in de materie van de overheidsopdrachten prioritair in te voeren arresten de zelfstandige verwerking van de arresten over maart tot mei heeft beïnvloed. 2. Het verweer geeft de redenen aan waarom de zelfstandige invoer van arresten volgens de geëvalueerde is beperkt gebleven tot de gedeeltelijke invoer van de arresten over de maand maart maar weerlegt in essentie de beoordeling van de ontoereikende kennis niet. Resultaatgericht en efficiënt werken 1. De geëvalueerde herhaalt in essentie haar bezwaren met betrekking tot de termijnen om arresten in te voeren in de databank en het streefdoel van 10 arresten/week. Zij voegt toe dat de betwiste evaluatiefiche de prestaties verkeerdelijk berekent en stelt zelf een gemiddelde van 8,5 arresten/week voor. Het saldo van nog in te voeren zou gestegen zijn door de werkzaamheden voor afdeling IV, de invoer van prioritaire arresten voor afdeling VI, het feit dat afdeling VI de grootste afdeling is en het klein aantal effectieve aanwezigheidsdagen. De achterstand zou zijn opgelopen door het nemen van gerechtvaardigd verlof. Met sterke punten zoals het inkorten van de termijnen tussen het invoeren van de arresten en het voorleggen ter controle, is geen rekening gehouden. 2. De bezwaren omtrent de evaluatiecriteria (termijnen invoer en streefdoel van 10 arresten/week) zijn hoger beantwoord. 3. Wat betreft de in de evaluatiefiche van 26 november 2018 ten titel van voorbeeld beschouwde periode van week 36 t/m 44 volhardt de geëvalueerde in haar bezwaarschrift in een rendement van 8,5 arresten/week. Volgens een stuk door de geëvalueerde neergelegd op 25 februari 2019, d.i. na de hoorzitting van 19 februari 2019, zou een nieuwe berekening een gemiddelde opleveren van 9,64 arresten/week. Het verschil met het rendement van 6,6 arresten/week volgens de evaluatiefiche zou te wijten zijn aan het ten onrechte niet in aanmerking nemen van afwezigheidsdagen en de werkzaamheden voor de afdeling IV en – niet nader omschreven – ‘andere taken’. Anders dan door de geëvalueerde oorspronkelijk verklaard, zouden de werkzaamheden voor afdeling IV immers niet zijn afgerond op 12 september 2018 maar nog 3 bijkomende werkdagen in de tweede helft van oktober 2018 in beslag hebben genomen om een totaal op te leveren van 6 werkdagen. IX-9553-10/26 De beschouwde periode loopt van 3 september 2018 tot en met 2 november 2018, zijnde 9 weken oftewel een verwachte invoer van 90 arresten overeenkomstig de afsprakennota. 6 verlofdagen (waarvan 4 om dwingende redenen) en 1 feestdag dienen in mindering te worden gebracht. Nog aangenomen dat 6 extra werkdagen in mindering moeten worden gebracht omwille van werkzaamheden voor afdeling IV en ‘andere taken’, geldt zulks alleszins niet voor de overige door de geëvalueerde in mindering gebrachte 9 dagen op grond van het 4/5 werkregime. De afsprakennota is persoonlijk en individueel opgesteld voor de geëvalueerde, wetende dat zij sedert meerdere jaren volgens een 4/5 regime werkt. De geëvalueerde betwist niet dat voor de beschouwde periode 53 arresten werden ingevoerd, waarvan 31 door het afdelingshoofd of een ander lid van afdeling VI werden voorbereid qua aanduiding van relevante passages en trefwoorden. Het vermelde streefdoel van gemiddeld 10 arresten betreft in wezen volledig zelfstandig verwerkte arresten en niet zozeer door het afdelingshoofd of een ander lid van afdeling VI reeds met het oog op opname in Audidoc voorbereide arresten. Derhalve en los van het gegeven dat zelfs in de voor de geëvalueerde meest gunstige berekening het streefdoel van gemiddeld 10 arresten/week niet wordt gehaald, weegt het tekort des te zwaarder aangezien de voorbereiding door het afdelingshoofd of een ander lid van afdeling VI van een groot aantal arresten, de werklast voor de geëvalueerde aanzienlijk heeft verminderd. 4. De invloed van de prioritaire invoer van de aldus aangeduide arresten inzake overheidsopdrachten op de achterstand is relatief. Precies om aan de bezorgdheid van een niet-toenemende achterstand tegemoet te komen en de problematiek van de inwerkingtreding van een nieuwe regelgeving overheidsopdrachten indachtig, werd op initiatief van het afdelingshoofd van afdeling VI beslist om tijdelijk de relevante passages en bijbehorende trefwoorden aan te duiden door het afdelingshoofd of een ander lid van de afdeling VI. De verwerking door de geëvalueerde is in zoverre dan ook in wezen uitvoerend en vermag qua tijdsinname niet worden vergeleken met een volledig zelfstandige verwerking van arresten. Hetzelfde geldt voor wat betreft de op datum van de affectatie van de geëvalueerde naar afdeling VI hangende voorraad aan arresten van afdeling VI over de maanden september-december 2017. Het betreft arresten waarop de auditeur doorgaans reeds aanduidde welke rechtspunten in Audidoc moeten worden ingevoerd en samengevat, desgevallend met aanduiding van het te gebruiken trefwoord. Om die redenen, en gelet op het minder vragen van samenvattingen in afdeling VI (zie verder), kan veeleer een hoger rendement worden verwacht dan dat van andere attachés, ook al gaat het om een grote afdeling. Een vergelijking met het behaalde rendement over dezelfde periode (werkweek 36-44) door de andere attachés toont evenwel aan dat, nog los van andere opdrachten dan Audidoc, het aantal zelfstandig verwerkte arresten en het aantal verwerkte rechtspunten aanzienlijk hoger ligt, ook wat die attachés betreft die werken in een vergelijkbaar deeltijds regime en in een afdeling met veel variabiliteit. 5. De werkzaamheden voor de afdeling IV hadden overeenkomstig de afsprakennota van 30 januari 2018 betrekking op de afwerking van arresten die op datum van de affectatie van de geëvalueerde naar afdeling VI, reeds waren ingevoerd en voor nazicht bij de betrokken auditeurs waren of nog voor nazicht moesten worden verzonden. In vele gevallen gaven de auditeurs daarbij zelf aan wat moest worden verbeterd of aangevuld en hoe. 6. Afdeling VI is de grootste afdeling. Hier staat tegenover dat de geëvalueerde voor deze afdeling in het verleden reeds arresten invoerde en derhalve niet zonder ervaring was. Verder is er opnieuw de vaststelling dat in vele gevallen de relevante passages en bijbehorende trefwoorden reeds door de auditeur zijn aangeduid en dat de afdeling VI minder vaak samenvattingen vraagt. 7. Naar aanleiding van de maandelijkse gesprekken is de geëvalueerde IX-9553-11/26 er op gewezen dat de naleving van de termijnen qua voorstel voor opname één zaak is en het voorleggen voor nazicht een andere. Naar aanleiding van de tussentijdse evaluatie van 26 juni 2018 is opgemerkt dat de arresten in aansluiting op de invoering zonder verwijl ter controle aan de behandelende auditeur moeten worden bezorgd. De evaluatiefiche van 26 november 2018 merkt op dat het tijdsverloop tussen de invoeren van de arresten en het voorleggen ter controle aan de behandelende auditeur is ingekort. 8. De beoordeling brengt alle genoemde elementen mee in rekening, net als de opgenomen verloven. 9. In het licht van de voorgaanden, kan de achterstand niet eenvoudig worden verklaard vanuit de instructies met betrekking tot de arresten september-december 2017, de prioritaire invoer van aldus aangeduide arresten, de taken van de geëvalueerde voor afdeling IV en het feit dat afdeling VI de grootste afdeling is. Analyse en synthese 1. De geëvalueerde betwist de beoordeling in verband met de leesbaarheid van passages, het ‘plukken’ van passages zonder de context te vermelden en verwijzingen naar niet nader omschreven teksten. Globaal zouden volgens haar de auditeurs de samenvattingen goedkeuren zonder opmerkingen. De geëvalueerde voegt toe dat bemerkingen met betrekking tot de werkzaamheden voor de afdeling IV niet op hun plaats zijn in de beoordeling ‘analyse en synthese’ voor afdeling VI. 2. Binnen de afdeling VI ligt de nadruk minder op het synthetiseren van als wel op het ontwaren van relevante rechtspunten en het toepassen erop van de correcte trefwoorden. Hieruit volgt dat de synthese niet zelden een woordelijke weergave van het rechtspunt zoals verwoord in het arrest kan zijn, mits de nodige aanpassingen naar de leesbaarheid toe. Bovendien zijn met ingang van eind mei 2018 de arresten overheidsopdrachten, qua aanduiding rechtspunten en trefwoorden, voorbereid door het afdelingshoofd of een ander lid van afdeling VI. Deze elementen indachtig, wegen onzorgvuldigheden zwaarder en zijn ze moeilijker af te doen als kleine vergetelheden. 3. De bijlage waarnaar de geëvalueerde in haar bijkomend stuk van 25 februari 2019 verwijst om aan te tonen dat 90% van de in de periode 1 februari 2018 tot 22 november 2018 voor afdeling VI nageziene samenvattingen van arresten zonder meer zijn goedgekeurd, betreft voorts een eenzijdig stuk dat bovendien geen onderscheid maakt tussen qua aanduiding van relevante passages en trefwoorden reeds voorbereide arresten en zelfstandig verwerkte arresten. Deze bijlage weerlegt alleszins niet de beoordeling dat opmerkingen kunnen worden geplaatst bij het analytisch en synthetisch vermogen van de geëvalueerde en waarvan voorbeelden zijn gevoegd bij de betwiste evaluatiefiche. 4. De beoordeling bevat geen inhoudelijke beoordeling van de werkzaamheden voor de afdeling IV. Teamwork 1. De geëvalueerde meent dat geen rekening is gehouden met haar initiatieven om resultaten voor te leggen en benadrukt dat tot de maand mei [A.E.] tevreden was over haar prestaties en de samenwerking. 2. De beoordeling heeft alle relevante elementen in overweging genomen. Deze elementen doen geen afbreuk aan de conclusie dat de geëvalueerde kritiek moeilijk kan plaatsen en zich in conflictsituaties weinig constructief maar verdedigend opstelt. Wat betreft de kennis en expertise 1. Anders dan de geëvalueerde het ziet, is de beoordeling met betrekking tot de kennis van de vakgebieden noch intern tegenstrijdig, noch onverenigbaar met de evaluatiefiche van 17 oktober 2016, opgesteld voor de bevordering door verhoging in weddeschaal. 2. De omstandigheid dat het te lage aantal zelfstandig verwerkte arresten op zich niet toelaat uit te maken of de kennis van de vakgebieden toereikend is om toe te laten op een vlotte en volledige wijze alle relevante IX-9553-12/26 rechtspunten in een arrest aan te duiden, neemt niet weg dat mede rekening houdende met de tijdsspanne tussen de toewijzing van de geëvalueerde aan de afdeling VI en de betwiste evaluatiefiche, de conclusie dat de kennis van de vakgebieden ontoereikend is, verantwoord is. 3. De afgifte van andersluidende evaluatiefiches in het verleden, vormt geen belet voor de evaluatie ‘onvoldoende’ van 26 november 2018. De omstandigheid dat de basistaken onveranderd zijn gebleven, doet niets af aan het gegeven dat op grond van artikel 17 van het Personeelsstatuut op elke ogenblik ‘ongunstige (of gunstige) feiten’ op de individuele fiche kunnen worden ingeschreven. Behalen doelstellingen 1. In haar verweerschrift stelt de geëvalueerde te beschikken over gegevens blijkens welke 90% van de door haar ingevoerde arresten na controle zonder meer worden goedgekeurd. Bij haar bijkomend stuk van 25 februari 2019 voegt de geëvalueerde een bijlage om zulks te staven. Deze bijlage betreft een eenzijdig document dat bovendien geen onderscheid maakt tussen qua aanduiding van relevante passages en trefwoorden reeds voorbereide arresten en zelfstandig verwerkte arresten. De waarde van deze bijlage moet worden gerelativeerd. 2. Bovendien kan de geëvalueerde met betrekking tot percentages van prestatiedoelstellingen niet dienstig verwijzen naar het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘inzake evaluatie bij de federale overheid’ en een ontwerp van Statuut van het administratief personeel van de Raad van State, die niet van toepassing zijn. Afwezigheidsperiodes De evaluatiefiche stelt objectief vast dat de achterstand mede te wijten is aan de afwezigheden van de geëvalueerde, zonder het gerechtvaardigd karakter van de afwezigheden in twijfel te trekken of deze aan te wenden als een negatief beoordelingselement.” Dat is de bestreden beslissing in de zaak A. 228.255/IX-9556. c. feiten van belang voor de zaak A. 228.252/IX-9553 3.12. Op 5 oktober 2018 stelt de eerste auditeur-afdelingshoofd van afdeling IV een ontwerp van evaluatiefiche op met betrekking tot de door verzoekster binnen de afdeling geleverde prestaties. Uit deze fiche blijkt dat de prestaties van verzoekster met betrekking tot de invoer van de arresten voor de periode september 2017 - december 2017 ‘onvoldoende’ worden bevonden. Verzoekster formuleert haar opmerkingen met betrekking tot dit ontwerp van evaluatiefiche in een schriftelijke nota. 3.13. Op 26 november 2018 wordt aan verzoekster de definitieve tussentijdse beoordeling ‘onvoldoende’ toegekend door W.W. en V.D.B. De bezwaren van verzoekster worden daarin weerlegd. IX-9553-13/26 3.14. Op 18 december 2018 dient verzoekster een bezwaarschrift in tegen de definitieve beoordeling van 26 november 2018. 3.15. Op 19 februari 2019 vindt de hoorzitting plaats. 3.16. Op 29 maart 2019 beslist de evaluatiecommissie om aan verzoekster definitief de beoordeling ‘onvoldoende’ toe te kennen. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “III.2. Ten gronde A. Het verweerschrift Voorafgaande opmerking De geëvalueerde heeft zich in haar bezwaarschrift van 18 december 2018 weliswaar het recht voorbehouden haar verweer op een later tijdstip verder aan te vullen, maar de handelwijze om, ondanks de tijdige uitnodiging van 5 februari 2019 voor de hoorzitting van 19 februari 2019, voor het eerst op de hoorzitting zelf een aantal fundamentele kritieken te uiten, bijkomend aangevuld met stukken neergelegd na de hoorzitting, heeft de leden van de commissie verhinderd tijdig kennis te nemen van de integrale inhoud van het verweerschrift en vandaar, belemmerd in de mogelijkheid om, indien gewenst, gerichte vragen te kunnen stellen aan de geëvalueerde. Deze handelwijze heeft voorts de termijn voor de totstandkoming van de genomen beslissing beïnvloed. Procedurele opmerkingen 1. Zoals terecht opgemerkt in het verweerschrift heeft de Raad van State een eigen statuut inbegrepen een specifiek evaluatiesysteem, uitgewerkt in artikel 17 van het Personeelsstatuut. Elke argumentatie geput uit het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ kan derhalve niet dienstig worden ingeroepen (bv. minimale duur evaluatieperiode). Louter volledigheidshalve voorziet voormeld koninklijk besluit ook niet dat de evaluatoren een verplichte opleiding dienen te volgen. Artikel 4 ervan verplicht enkel de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie in opleidingen te voorzien wanneer de evaluatoren erom vragen. 2. Het gegeven dat de geëvalueerde of haar collega’s in een bepaalde periode al dan niet geëvalueerd zouden zijn geweest, staat de toepassing van artikel 17 van het Personeelsstatuut overeenkomstig welk artikel op elk ogenblik op initiatief van het diensthoofd en/of de functioneel bevoegde ambtsdrager ‘ongunstige feiten’ op de individuele fiche van het personeelslid kunnen worden genoteerd, niet in de weg. Zulks is gebeurd gebruik makend van een evaluatiefiche functiegroep C met het oog op de inschrijving op de individuele fiche. Uit het feit dat in het verleden geen jaarlijkse evaluaties werden doorgevoerd, of dat de geëvalueerde ‘gunstig’ werd geëvalueerd, kunnen geen rechten worden geput in de zin dat wanneer de collega’s van de geëvalueerde geen evaluatie kregen, zij er dan ook geen kon krijgen, of nog dat zij naar de toekomst toe steeds ‘gunstig’ geëvalueerd zou moeten worden. De eindvermeldingen voor de evaluatiefiches van 2018 kunnen derhalve wel los gezien worden van vorige evaluaties. 3. Anders dan de geëvalueerde het ziet, verzet artikel 17 van het Personeelsstatuut zich niet tegen de toekenning van de beoordeling IX-9553-14/26 ‘onvoldoende’, beide op 26 november 2018, door, eensdeels, [W.W.] en [V.D.B.] en, anderdeels, [A.E.] en [V.D.B.]. In de periode september-december 2017, voorwerp van de eerste evaluatiefiche, was de geëvalueerde toegewezen aan afdeling IV. In de periode vanaf 30 januari 2018, voorwerp van de tweede evaluatiefiche, was de geëvalueerde toegewezen aan afdeling VI. De werkzaamheden van de geëvalueerde voor afdeling IV na 30 januari 2018 behelzen het finaliseren, na controle, van ontwerpen van invoer in Audidoc, zoals door de geëvalueerde voorgesteld in de periode september-december 2017 en bevatten derhalve geen nieuwe opdrachten. De omstandigheid dat de geëvalueerde na 30 januari 2018 nog werkzaamheden voor de afdeling IV heeft verricht, staat er derhalve niet aan in de weg dat de periode waarop deze betrekking hebben, onderscheiden is van de opdrachten voor afdeling VI. 4. Het verweer dat voor de periode na 30 januari 2018 het precieze aandeel van de werkzaamheden voor afdeling IV niet zou zijn gerespecteerd in de beoordelingen, vertrekt van hetzelfde foutieve uitgangspunt dat beide evaluatiefiches eenzelfde evaluatieperiode als voorwerp hebben en kan derhalve evenmin worden aangenomen. 5. De vaststelling dat de geëvalueerde ook nog na 30 januari 2018 de reeds aangevangen werkzaamheden voor afdeling IV verder diende te finaliseren, ontkracht voorts het verweer dat een onredelijke termijn zou zijn verlopen tussen de evaluatieperiode, het evaluatiegesprek en de opmaak van de evaluatiefiche door [W.W.] en [V.D.B.]. Zoals in het verweer terecht aangestipt, vergt een correcte evaluatie de kennis van accurate gegevens. De accuraatheid van gegevens veronderstelt het volledig doorlopen zijn van het invoerproces in Audidoc. Ten overvloede kan er nog worden op gewezen dat op 13 november 2018 (datum van de hoorzitting naar aanleiding van het ontwerp van evaluatie) de voor afdeling IV in te voeren arresten nog steeds niet definitief waren afgehandeld. Uit een mail van de Auditeur-generaal blijkt dat het zelfs nog om een 15tal arresten ging. In zijn mail schrijft de korpsoverste dat het ‘niet de eerste controle betreft -vaak zelfs de derde’ en dat ‘er nog heel wat te verbeteren punten’ zijn. 6. Zoals reeds eerder werd aangegeven, is het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ in casu niet van toepassing. Dat daarin wordt bepaald dat een evaluatieperiode zes maanden duurt kan derhalve niet dienstig worden aangevoerd. Bovendien ligt de geëvalueerde zelf aan de basis van het feit dat de evaluatieperiode voor de werkzaamheden van afdeling IV minder dan zes maanden (september-december 2017) bedraagt, daar zij zelf niet langer wilde samenwerken met de leden van afdeling IV en zij op haar vraag door de Auditeur-generaal werd toegewezen aan een andere afdeling. 7. In tegenstelling tot hetgeen de geëvalueerde aanvoert, is er door haar nooit enige officiële klacht van ‘pesten op het werk’ ingediend. Dat de preventiedienst Arista dit zou hebben aanvaard, mist derhalve feitelijke grondslag. Uit de feitelijke antecedenten, in het bijzonder de afsprakennota van 30 januari 2018, blijkt duidelijk dat de geëvalueerde niet langer wenste samen te werken met de leden van afdeling IV en zij op haar vraag werd overgeplaatst naar afdeling VI. De communicatie betreffende het samenvatten en het invoeren van arresten van afdeling IV verliep uitsluitend via de korpsoverste. De nodige maatregelen werden dan ook genomen om elke schijn van vooringenomenheid en partijdigheid in hoofde van [W.W.] tegen te gaan. Dat hij nog als evaluator diende op te treden, heeft te maken met de korte periode dat de geëvalueerde nog in zijn afdeling werkzaam was. De geëvalueerde brengt trouwens geen enkel concreet gegeven aan waaruit zou kunnen afgeleid worden dat er in hoofde van [W.W.] sprake zou zijn van vooringenomenheid of partijdigheid. Inhoudelijke opmerkingen IX-9553-15/26 De omschrijving van de evaluatiecriteria volgens het door de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning gehanteerde SMART-principe is niet verplicht opgelegd. De geëvalueerde is slechts nog effectief toegewezen geweest aan afdeling IV van september 2017 tot eind december 2017. Vanaf 30 januari 2018 wordt zij toegewezen aan afdeling VI. Zij zal wel, wat de arresten betreft die betrekking hebben op de bevoegdheden van afdeling IV, de invoer en de samenvatting afwerken van: de arresten die zij reeds invoerde en die voor nazicht bij de auditeurs van die afdeling zijn of nog voor nazicht moeten worden verzonden, de arresten die besproken werden tijdens een vergadering van 14 september 2017 en de arresten waarop zij reeds de volgens haar in te voeren rechtspunten aanduidde (zie afsprakennota van 30 januari 2018, punt 2.2). Er wordt haar gevraagd om wekelijks de door haar behandelde arresten aan de betrokken magistraten toe te sturen. Hieruit kan duidelijk worden afgeleid om welke arresten het precies ging. Zij heeft gedurende de beschouwde periode ook nooit enige opmerking als dusdanig gemaakt, noch naar de leden van afdeling IV – zij had immers elke rechtstreekse communicatie verbroken –, noch naar de Auditeur-generaal, die de communicatie voor zich nam. Zoals terecht opgemerkt in het verweerschrift zijn niet alle arresten gelijk en kunnen ze niet allemaal in dezelfde tijd worden afgewerkt. Precies om die reden worden gemiddelden als streefdoel opgelegd. Deze gemiddelden zijn afgetoetst op hun haalbaarheid rekening houdende met de gemiddelde productie van medewerkers in het verleden en op heden en zijn voorgelegd aan het lid van het Auditoraat dat verantwoordelijk is voor de coördinatie van Audidoc. Die werkwijze werd reeds begin 2017 toegepast in een ‘stappenplan’ - per mail van 26 januari 2017 aan de geëvalueerde toegestuurd en door haar geïnterpreteerd als een verstoorde communicatie - waarin duidelijk werd aangegeven welke arresten op welk tijdstip dienden te worden afgewerkt. De geëvalueerde is voorts zelf verantwoordelijk voor de uitwisseling van de correcte statistische gegevens en dit in elke fase van het invoerproces zodat zij op eender welk tijdstip het door haar behaalde rendement heeft kunnen opvolgen en de nodige correcties heeft kunnen doorvoeren. Door te stellen dat vooraf geen afspraken zijn gemaakt of doelstellingen zijn geformuleerd over de kwaliteit van het werk, gaat de geëvalueerde er aan voorbij dat de inhoudelijke controle toekomt aan de betrokken auditeur. Luidens artikel 76, §2 RvS-Wet worden de leden van het Auditoraat ermee belast de documentatie betreffende de rechtspraak en de adviezen van de Raad van State in de vorm van geautomatiseerde bestanden bij te houden, te bewaren en ter beschikking te stellen. Op grond van dit wetsartikel komt aan de leden van het Auditoraat, en aan hen alleen, toe om te oordelen of een gemaakte samenvatting van die aard is dat zij kan worden opgenomen in de databank. Dit is een taak die onder de volle verantwoordelijkheid valt van de betrokken magistraat. Door het feit dat de betrokken magistraat oordeelt dat de samenvatting niet naar behoren is, geeft hij/zij gevolg aan de wettelijke opdracht die hem/haar is toevertrouwd. Dit is ook zo wanneer geoordeeld wordt dat een samenvatting moet worden gemaakt en niet het letterlijk overnemen van passages uit een arrest. De door de betrokken magistraat gemaakte opmerkingen, suggesties en tips moeten zo snel mogelijk worden opgevolgd. Desbetreffend volstaat het vast te stellen dat de geëvalueerde schromelijk tekortschoot aan die opdracht. Daartoe kan verwezen worden naar de mail van de Auditeur-generaal van 12 november 2018 waarin men leest dat meerdere samenvattingen van arresten tot zelfs driemaal toe aan de betrokken magistraten moesten worden voorgelegd en dat er dan nog ‘heel wat te verbeteren punten’ waren. De bewering dat het vooral de handelswijze van de auditeurs is (veelvuldige, herhaaldelijke en aanhoudende, dikwijls nieuwe opmerkingen) wordt tegengesproken door voormeld mailverkeer IX-9553-16/26 tussen de Auditeur-generaal en de geëvalueerde. Dat zij naar best vermogen gevolg zou hebben gegeven aan de gemaakte opmerkingen houdt geen steek. Het is eerder door het niet onmiddellijk correct en volledig gevolg geven aan de opmerkingen van de betrokken magistraten dat veel tijd verloren gaat. Niet omgekeerd. Van iemand met een ruime ervaring, zoals zijzelf stelt, mocht worden verwacht dat zij onmiddellijk gevolg gaf aan de opmerkingen die werden gemaakt. De leden van de commissie kunnen zich niet van de indruk ontdoen dat de geëvalueerde vooral een eigen interpretatie geeft van de feiten zonder concrete weerlegging van de vastgestelde tekortkomingen. In de voorafgaande opmerking (pt. 3.2. uit het verweerschrift) stelt de geëvalueerde dat de situatie van ‘pesten op het werk’ nooit is opgelost. Zoals hierboven aangegeven en in tegenstelling tot hetgeen zij aanvoert, is er door haar nooit enige officiële klacht van ‘pesten op het werk’ ingediend. Dat de preventiedienst Arista dit zou hebben aanvaard, mist derhalve feitelijke grondslag. Voor zover dit al ooit het geval zou zijn geweest, quod non, kunnen in de tweede evaluatieperiode nooit vernederende uitspraken, aanhoudende opmerkingen en verwijten en pesterijen van magistraten van afdeling IV aan het adres van de geëvalueerde zijn gericht. Zij heeft immers zelf elke communicatie geweigerd en gevraagd over te gaan naar een andere afdeling. De communicatie tussen de leden van de afdeling en de geëvalueerde verliep uitsluitend nog via de Auditeur-generaal. De beweringen die zij uit in datzelfde punt, zijn beweringen die zij naar voor bracht naar aanleiding van de eerste negatieve en definitief geworden evaluatie en zijn thans derhalve irrelevant. In zoverre de geëvalueerde nogmaals beweert dat de evaluatie van november 2018 laattijdig zou zijn, kan verwezen worden naar de weerlegging ervan supra. In punt 3.3 van het verweerschrift stelt de geëvalueerde dat de beoordeling mee bepaald werd door andere leden van afdeling IV en de eindconclusie reeds genomen was voor het evaluatiegesprek. Dat de eindevaluatie al zou zijn genomen voor het evaluatiegesprek is een blote bewering die niet onderbouwd wordt. Er werd enkel een ontwerp van evaluatie opgemaakt, aan de betrokkene bezorgd en dit met de enkele bedoeling om haar recht om gehoord te worden ten volle te respecteren. In de uiteindelijke evaluatie werden haar argumenten betrokken, doch weerlegd. Aangezien elke auditeur van de afdeling zijn of haar specifieke materie heeft en de daarop betrekking hebbende arresten ook aan hem of haar worden toegezonden, kan men niet anders dan navraag doen bij die collega’s teneinde te weten te komen hoe zij het werk van de geëvalueerde beoordelen.” Dat is de bestreden beslissing in de zaak A. 228.252/IX-9553. IV. Samenvoeging 4. Met het oog op de goede rechtsbedeling is er grond om de beide zaken samen te voegen zodat er in één arrest uitspraak over kan worden gedaan. IX-9553-17/26 V. Onderzoek van het derde middel in de zaak A. 228.255/IX-9556 Standpunt van de partijen 5. In het derde middel in de zaak A. 228.255/IX-9556 voert verzoekster de schending aan van de artikelen 17 en 46 van het statuut van het administratief personeel van de Raad van State (hierna: het Personeelsstatuut) en van artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ (hierna: het koninklijk besluit van 24 september 2013). Verzoekster stelt vooreerst dat er enkel een ‘tussentijdse evaluatie’ heeft plaatsgevonden maar geen jaarlijkse evaluatie voor de jaren 2017 en 2018, zodat artikel 17 van het Personeelsstatuut is geschonden. Zij benadrukt dat een ‘tussentijdse evaluatie’ geen jaarlijkse evaluatie is. Artikel 17 bepaalt dat op de individuele evaluatiefiche ten minste eenmaal per jaar de gunstige of ongunstige feiten worden genoteerd die op initiatief van het diensthoofd, in voorkomend geval van de functioneel bevoegde ambtsdrager of van het personeelslid zelf, vermeld worden. Daarnaast dient deze fiche tevens een jaarlijkse beoordeling door het diensthoofd en in voorkomend geval de functioneel bevoegde ambtsdrager te bevatten over de wijze van dienstvervulling van het personeelslid. Voorts stelt verzoekster nog dat indien er geen jaarlijkse evaluatie is gebeurd, het diensthoofd en de functioneel bevoegde ambtsdrager van verzoekster in gebreke zijn gebleven. Men kan bezwaarlijk aanvaarden dat voormeld artikel 17 te pas en te onpas wordt toegepast om enkel een ‘tussentijdse evaluatie’ te doen, terwijl de jaarlijkse evaluaties volledig achterwege worden gelaten. Verzoekster benadrukt daarbij dat er evenmin jaarlijkse evaluaties gebeurden van de andere bestuurlijk attachés-juristen in het auditoraat en dus ook niet voor de jaren 2017 of 2018. IX-9553-18/26 6.1. In hoofdorde stelt de verwerende partij dat artikel 17 van het Personeelsstatuut geen substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen bevat. Enerzijds is het houden van een jaarlijkse evaluatie niet op straffe van nietigheid voorgeschreven en anderzijds bevat artikel 17 geen substantiële vormen. Maar zelfs indien artikel 17 van het Personeelsstatuut substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zou bevatten, kan verzoekster dit niet met goed gevolg inroepen, omdat het niet-nakomen van die vormen – te weten het houden van een jaarlijkse evaluatie – haar niet in haar belangen heeft geschaad. Minstens zet verzoekster niet uiteen waarom de eigenlijke timing van “de bewuste evaluaties” haar belangen zou hebben geschaad. 6.2. Daarnaast wijst de verwerende partij erop dat in de bestreden beslissing het volgende wordt gesteld: “Het gegeven dat de geëvalueerde of haar collega’s in een bepaalde periode al dan niet geëvalueerd zouden zijn geweest, staat de toepassing van artikel 17 van het Personeelsstatuut overeenkomstig welk artikel op elke ogenblik op initiatief van het diensthoofd en/of de functioneel bevoegde ambtsdrager ‘ongunstige feiten’ op de individuele fiche van het personeelslid kunnen worden genoteerd, niet in de weg. Zulks is gebeurd gebruik makend van een evaluatiefiche functiegroep C met het oog op de inschrijving op de individuele fiche.” De eventuele (voorgaande) ontstentenis van een jaarlijkse evaluatie, belette volgens de verwerende partij dus geenszins dat ter zake op initiatief van het bevoegde diensthoofd of de functioneel bevoegde ambtsdrager, ‘ongunstige feiten’ werden genoteerd op de individuele evaluatiefiche van verzoekster, middels een evaluatiefiche functiegroep C. 6.3. Ten overvloede wijst de verwerende partij er nog op dat verzoekster zich niet rechtsgeldig kan beroepen op het koninklijk besluit van 24 september 2013. Hoewel artikel 46 van het Personeelsstatuut bepaalt dat op alles wat niet in het statuut van het administratief personeel van de Raad van State is geregeld het statuut van het rijkspersoneel van toepassing is, dient te worden vastgesteld dat de Raad van State in artikel 17 van het Personeelsstatuut een eigen specifiek evaluatiesysteem heeft uitgewerkt. A contrario kan elke argumentatie IX-9553-19/26 geput uit het koninklijk besluit van 24 september 2013, niet dienstig worden ingeroepen. 7. In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster in antwoord op de verwerende partij dat zij door het gebrek aan jaarlijkse evaluatie wel degelijk geschaad is in haar belangen. Een jaarlijkse evaluatie zou immers op een vooraf meegedeeld tijdstip gebeurd zijn. Van een jaarlijkse evaluatie mag men redelijkerwijze ook verwachten dat het verloop ervan volgens vooraf meegedeelde afspraken zou gebeuren. Hoewel de tussentijdse evaluatie vooraf aangekondigd was, was het voor verzoekster niet duidelijk hoe deze zou verlopen. Beoordeling 8.1. Artikel 17 van het Personeelsstatuut luidt als volgt: “Een individuele evaluatiefiche wordt bijgehouden voor ieder personeelslid. Op deze fiche worden ten minste eenmaal per jaar de gunstige of ongunstige feiten genoteerd die op initiatief van het diensthoofd, in voorkomend geval van de functioneel bevoegde ambtsdrager of van het personeelslid zelf, vermeld worden. De fiche bevat ook een jaarlijkse beoordeling door het diensthoofd en in voorkomend geval de functioneel bevoegde ambtsdrager over de wijze van dienstvervulling van het personeelslid. De fiche en de beoordeling worden ter kennis gebracht van het personeelslid dat voor gezien tekent. Binnen vijftien werkdagen na ontvangst van de beoordeling kan het personeelslid er gemotiveerd bezwaar tegen aantekenen bij een commissie die is samengesteld uit de oorspronkelijke evaluator of evaluatoren en twee andere diensthoofden. Het personeelslid wordt op zijn vraag gehoord door de commissie en kan er zich laten bijstaan door één van de personen vermeld in artikel 37, derde lid. Na het personeelslid desgevallend te hebben gehoord kent de commissie definitief de evaluatie toe.” Artikel 46 van het Personeelsstatuut luidt als volgt: “Op alles wat niet in het statuut van het administratief personeel van de Raad van State is geregeld, is het statuut van het Rijkspersoneel van toepassing.” IX-9553-20/26 Artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 luidt als volgt: “De evaluatieperiode bedraagt één jaar, vanaf 1 januari tot 31 december. De evaluatieperiode begint echter: 1° bij de benoeming van de ambtenaar na afloop van een stage of na een federale mobiliteit, een interfederale mobiliteit, een ambtshalve mobiliteit of een terbeschikkingstelling; 2° op de eerste dag van de uitvoering van de overeenkomst voor een contractueel; 3° op de dag zelf waarop het personeelslid van functie verandert. Als de evaluatieperiode vóór 1 juli begint, eindigt ze op 31 december. Als de evaluatieperiode na 30 juni begint, eindigt ze zes maanden later. De volgende periode begint de dag daarna en eindigt op 31 december. Wanneer de behoeften van de dienst een verandering van functie tijdens een evaluatieperiode voorschrijven, vangt er een nieuwe evaluatieperiode aan.” 8.2.1. Luidens artikel 17 van het Personeelsstatuut moet voor ieder personeelslid een individuele evaluatiefiche worden bijgehouden waarop twee zaken dienen te worden vermeld. 8.2.2. Vooreerst moeten daarop worden vermeld, de gunstige of ongunstige feiten met betrekking tot het personeelslid en dit op initiatief van het diensthoofd, in voorkomend geval van de functioneel bevoegde ambtsdrager of van het personeelslid zelf. Dit dient minstens eenmaal per jaar te gebeuren. Meerdere keren per jaar is dus mogelijk. 8.2.3. Daarnaast dient op de individuele evaluatiefiche ook een ‘jaarlijkse beoordeling’ door het diensthoofd en in voorkomend geval de functioneel bevoegde ambtsdrager te worden genoteerd over de wijze van dienstvervulling van het personeelslid. Uit het gebruik van de woorden ‘jaarlijkse beoordeling’ volgt dat die ‘beoordelingsperiode’ of ‘evaluatieperiode’ (in beginsel) één jaar bedraagt. Van een tussentijdse evaluatie wordt in artikel 17 van het Personeelsstatuut geen gewag gemaakt. Een tussentijdse evaluatie is weliswaar niet verboden, maar er kunnen geen rechtsgevolgen aan worden gehecht. IX-9553-21/26 Wanneer de evaluatieperiode begint en eindigt, laat artikel 17 van het Personeelsstatuut in het midden. Artikel 46 van het Personeelsstatuut bepaalt echter dat op alles wat niet in het statuut van het administratief personeel van de Raad van State is geregeld, het statuut van het rijkspersoneel van toepassing is. Het koninklijk besluit van 24 september 2013 regelt de evaluatie in het federaal openbaar ambt. Artikel 5 van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat de evaluatieperiode één jaar bedraagt, van 1 januari tot 31 december. Bijgevolg moet worden aangenomen dat voor het administratief personeel van de Raad van State de jaarlijkse beoordelings- of evaluatieperiode loopt van 1 januari tot 31 december. 8.2.4. Wanneer het betrokken personeelslid niet akkoord gaat met de gegeven beoordeling, kan het binnen vijftien werkdagen na ontvangst van die beoordeling, hiertegen een gemotiveerd bezwaar aantekenen bij een commissie die is samengesteld uit de oorspronkelijke evaluator of evaluatoren en twee andere diensthoofden. Uit het gebruik van enkel het woord ‘beoordeling’ in artikel 17, tweede lid, van het Personeelsstatuut volgt dat alleen bezwaar kan worden aangetekend tegen de in het eerste lid bedoelde jaarlijkse beoordeling en dus niet tegen de eveneens in het eerste lid bedoelde ongunstige feiten die op initiatief van het diensthoofd of van de bevoegde ambtsdrager op de individuele evaluatiefiche worden vermeld. 8.3. In casu is door eerste auditeur-afdelingshoofd A.E. en diensthoofd V.D.B. voor de werkzaamheden van verzoekster binnen afdeling VI voor de periode van 30 januari 2018 tot 5 november 2018, op 26 november 2018 als ‘tussentijdse evaluatie’ een eindbeoordeling ‘onvoldoende’ toegekend. Omdat verzoekster hiermee niet akkoord ging, heeft zij tegen die beoordeling met toepassing van artikel 17, tweede lid, van het Personeelsstatuut op 18 december 2018 bezwaar aangetekend bij de commissie die was samengesteld uit de oorspronkelijke evaluatoren A.E. en V.D.B. en twee andere diensthoofden, namelijk I.D. en V.V. De commissie heeft, na verzoekster te hebben gehoord, “besloten definitief de evaluatie ‘onvoldoende’ te moeten toekennen”. IX-9553-22/26 Verzoekster voert terecht aan dat de beoordeling niet conform artikel 17 van het Personeelsstatuut en artikel 46 van het Personeelsstatuut, juncto artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 is verlopen. De door eerste auditeur-afdelingshoofd A.E. en diensthoofd V.D.B. voor de werkzaamheden van verzoekster binnen afdeling VI tijdens de periode van 30 januari 2018 tot 5 november 2018, op 26 november 2018 gehouden ‘tussentijdse evaluatie’ kan niet worden beschouwd als de ‘jaarlijkse beoordeling’ bedoeld in artikel 17 van het Personeelsstatuut. Die tussentijdse evaluatie lijkt veeleer als een functioneringsgesprek te moeten worden aangemerkt waaraan de verwerende partij ten onrechte rechtsgevolgen wenst te hechten. Een evaluatie waaraan rechtsgevolgen kunnen worden gehecht, kan alleen gebeuren indien dit een ‘jaarlijkse beoordeling’ betreft, dit is over een volledig jaar. 8.4. In de mate dat de verwerende partij aanvoert dat verzoekster door het niet-houden van een jaarlijkse evaluatie niet in haar belangen is geschaad, minstens niet uiteenzet waarom de eigenlijke timing van “de bewuste evaluaties” haar in haar belangen zou hebben geschaad, verliest de verwerende partij uit het oog dat zij aan “de bewuste evaluaties” rechtsgevolgen wilde hechten. Uit het administratief dossier blijkt immers dat mede gesteund op de bestreden beslissing, gevraagd is om verzoekster definitief beroepsongeschikt te verklaren. Ook heeft de beroepscommissie het beroep van verzoekster niet afgewezen omdat het zou zijn gericht tegen een niet-bindende evaluatie. 8.5. Uit wat voorafgaat volgt dat het derde middel ontvankelijk en gegrond is. VI. Overige middelen in de zaak A. 228.255/IX-9556 9. Een onderzoek van en uitspraak over de overige middelen in de zaak A. 228.255/IX-9556 kunnen niet tot een ruimere nietigverklaring leiden, zodat hiervan wordt afgezien. IX-9553-23/26 VII. Ontvankelijkheid van de zaak A. 228.252/IX-9553 10. Door de auditeur-verslaggever wordt ambtshalve een exceptie opgeworpen wegens gebrek aan belang indien het beroep in de zaak A. 228.255/IX-9556 tot een verwerpingsarrest zou leiden. 11. Uit wat voorafgaat blijkt dat de exceptie feitelijke grondslag mist. VIII. Onderzoek van het derde middel in de zaak A. 228.252/IX-9553 12. Niettegenstaande het auditoraat in de zaak A. 228.252/IX-9553 alleen de ontvankelijkheid van het beroep heeft onderzocht, mag om proceseconomische redenen het derde middel toch aan een beoordeling worden onderworpen. Ook in deze zaak immers voert verzoekster in het derde middel de schending aan van de artikelen 17 en 46 van het Personeelsstatuut en van artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 september 2013, om dezelfde redenen als zij heeft uiteengezet in de zaak A. 228.255/IX-9556. De verwerende partij heeft in de memorie van antwoord een – aan de andere zaak identiek – verweer gevoerd; hoe het auditoraat het middel beoordeelt, is gebleken uit het beredeneerd verslag dat erover is opgesteld in de andere zaak en de partijen hebben de gelegenheid gehad om op dat standpunt te repliceren in hun laatste memories in die zaak. Ingevolge de samenvoeging van de beide zaken zijn dat verslag en die laatste memories ook in de zaak A. 228.252/IX-9553 in het debat en mag de Raad deze standpunten in de beoordeling ervan betrekken. IX-9553-24/26 13. Om de redenen hiervóór uiteengezet, is het middel ontvankelijk en gegrond. BESLISSING 1. De zaken A. 228.252/IX-9553 en A. 228.255/IX-9556 worden samengevoegd. 2. De Raad van State vernietigt de beslissing van de commissie van beroep van 29 maart 2019 waarbij aan XXXX een evaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend voor haar werkzaamheden in afdeling IV van het auditoraat bij de Raad van State tijdens de periode van september 2017 tot december 2017. 3. De Raad van State vernietigt de beslissing van de commissie van beroep van 29 maart 2019 waarbij aan XXXX een evaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend voor haar werkzaamheden in afdeling VI van het auditoraat bij de Raad van State tijdens de periode van 30 januari 2018 tot 5 november 2018. 4. De verwerende partij wordt in de beide zaken verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1400 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. 5. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9553-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, Bert Thys, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9553-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.