id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.337 Rolnummer: A. 234530/IX-9941 Zaak: Arrest 252337 - Examens (onderwijs) - 07/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-15 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-12 15:06 Fiche Arrest nr 252.337 van 7 december 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 252.337 van 7 december 2021 in de zaak A. 234.530/IX-9941 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte Lerat kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Grote Markt 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS VILVOORDE-MACHELEN-DIEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieterjan Osaer kantoor houdend te 3010 Leuven Diestsesteenweg 52/0302 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 september 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Vilvoorde-Machelen-Diegem van 25 augustus 2021 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt gegeven. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. IX-9941-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fabian Hermans, die loco advocaat Charlotte Lerat verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Pieterjan Osaer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2020-2021 leerling in Virgo Plus, waar hij het eerste jaar van de derde graad TSO volgt, richting boekhouden-informatica. Hij beëindigt het schooljaar met één jaartekort voor bedrijfseconomie (42%). De delibererende klassenraad beslist om verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. Hij motiveert: “Er is een groot tekort voor bedrijfseconomie, dit is een bepalend vak in deze studierichting; Zowel in het 1e als het 2e semestere behaalde je hiervoor slechts 42%. Ondanks de remediëring waarvoor je je best deed is er geen voortuitgang geboekt. In het 2e semester behaal je zwakke tot zeer IX-9941-2/16 zwakke resultaten voor je examens. Voor wiskunde behaal je slechts 52% op jaarbasis. Je hebt de leerplandoelen van Beco in onvoldoende mate bereikt. Voor boekhouden ontbreekt het je aan de nodige basis.” Nadat overleg niet resulteert in een nieuwe samenkomst van de klassenraad, stelt verzoeker op 5 juli 2021 een beroep in bij het schoolbestuur. Op 25 augustus 2021 beslist de beroepscommissie, verzoeker gehoord, om het C-attest te handhaven. Zij motiveert: “De Interne Beroepscommissie gaat unaniem akkoord om de door de klassenraad genomen beslissing te bekrachtigen. Het C-attest blijft dus gehandhaafd. Het afgelopen schooljaar was voor alle leerlingen een moeilijk schooljaar. Tegelijkertijd was er voldoende afwisseling van afstandsonderwijs en onderwijs op de school, om er zeker van te zijn dat alle leerlingen goed konden worden opgevolgd door de leerkrachten. Voor leerlingen die niet altijd over een computer met internet konden beschikken, bood de school oplossingen aan. Alle klassenraden hebben met deze uitzonderlijke situatie al rekening gehouden. Uit de rapportcijfers van de leerling blijkt dat er een tekort is voor Bedrijfseconomie (42%) en een erg laag cijfer voor Wiskunde (52%) met een tekort van 47% in het tweede semester. Deze punten tonen aan dat de leerplandoelstellingen in onvoldoende mate behaald zijn om het hogere jaar te kunnen aanvangen. Bedrijfseconomie is één van de twee hoofdvakken in deze richting en Wiskunde is ook een belangrijk vak. Grotere hoeveelheden verwerken is moeilijk voor de leerling. Het gemiddelde van zijn examens in het tweede semester is slechts 49%. Ondanks de aangeboden remediëring slaagde de leerling er niet in om zijn achterstand voor boekhouden, hij komt van ASO, in die mate weg te werken dat zijn basis voldoende sterk zou zijn om volgend schooljaar te kunnen slagen in een hoger jaar. De nodige basiskennis ontbreekt nog steeds en dat zou een hinderpaal zijn om te kunnen slagen in het tweede jaar van de derde graad Boekhouden-Informatica. Gezien de leerling al het volledige jaar ondersteund is geweest door de aangeboden remediëring voor het vak Bedrijfseconomie, gezien de leerling een volledig schooljaar mee heeft kunnen doen met de lessen op school en via afstandsonderwijs, is er onvoldoende grond om een bijkomende proef toe te staan. De commissie volgt de klassenraad in de redenering dat zijn slaagkansen in het hogere jaar uiterst klein zijn omdat de leerplandoelstellingen onvoldoende gehaald zijn voor boekhouden. De richting M&M (Handel) heeft een kleiner pakket boekhouden en is dus mogelijks een betere richting.” IX-9941-3/16 IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
- Verzoeker betoogt met betrekking tot de spoedeisendheid dat het schooljaar reeds begonnen is en dat hij “dit heeft moeten aanvangen in een ander leerjaar dan hetgeen hij bij toekenning van een A-attest zou hebben aangevangen”. Bij een uitvoering van de beslissing tot het moment van uitspraak ten gronde zal “een oplopende leerachterstand ontstaan, dewelke niet evident weg te werken zal zijn”, “wat nefaste gevolgen kan meebrengen met betrekking tot zijn verdere resultaten”.
- De verwerende partij verwijt verzoeker dat hij heeft nagelaten een behandeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen. Verzoeker geeft hiervoor geen aanvaardbare verantwoording. De Raad van State en het schoolbestuur zullen pas uitspraak kunnen doen op een ogenblik dat het schooljaar reeds verschillende maanden gevorderd is. Een mogelijke schorsing kan bezwaarlijk nog nuttig effect hebben voor verzoeker. Beoordeling IX-9941-4/16
- De schorsingsprocedure “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” zou inderdaad verzoeker sneller uitzicht hebben gegeven op zijn situatie. Of de “gewone” schorsingsprocedure nog nuttig effect kan hebben, moet in concreto worden onderzocht. In de voorliggende zaak is de vordering ingesteld op 10 september
- Het auditoraatsverslag is neergelegd op 14 oktober 2021 en de partijen zijn opgeroepen voor een terechtzitting die plaatsvond op 8 november
- Na een eventuele schorsing mag van een beroepscommissie worden verwacht dat zij onverwijld haar beslissing heroverweegt in het licht van het eventueel ernstig bevonden middel. Een uitspraak kan volgen vóór de kerstvakantie. Verzoeker is een leerling in de derde graad van het secundair onderwijs. De verwerende partij toont in die omstandigheden niet aan dat een schorsing te laat komt om verzoeker nog ervoor te kunnen behoeden dat hij zijn schooljaar verliest.
- Aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht en “een impliciete schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”. Uit de toelichting bij het middel mag worden begrepen dat verzoeker ook de formelemotiveringsplicht geschonden acht. In een eerste middelonderdeel laat verzoeker gelden dat de formele motivering te wensen overlaat aangezien ze niet alleen zeer summier is, gelet op de uitgebreide grieven, maar ook steunt op een foutieve grond, zijnde het gemiddelde van 49% op de examens van het tweede semester. IX-9941-5/16 De beroepscommissie moet alle feitelijke gegevens in acht nemen en niet enkel kijken naar de resultaten voor één vak maar naar meerdere factoren die van invloed kunnen zijn op de beslissing. In het geval waarbij een leerling maar één jaartekort heeft, rust op de beroepscommissie een versterkte motiveringsplicht en moet zij extra zorgvuldig te werk gaan. Gelet op het feit dat verzoeker slechts één jaartekort had en bovendien een gewogen gemiddelde van 62% op zijn jaartotalen is de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd. Voorts moet de motivering in evenwicht zijn met het gewicht van de beslissing. Gelet op het feit dat een C-attest zeer zwaarwichtige gevolgen met zich meebrengt, namelijk de uitsluiting van verzoeker van het zesde middelbaar, is de motivering niet afdoende, waardoor ook het evenredigheidsbeginsel wordt geschonden. In een tweede middelonderdeel betoogt verzoeker dat het materiëlemotiveringsbeginsel is geschonden aangezien de motivering steunt op een foutief gemiddelde van 49% van de examens in het tweede semester. Verzoekers berekening van het gemiddelde komt uit op 52,625%. Verzoeker wijst er ook op dat 50% een slaagcijfer is, zodat de verantwoording door het vak wiskunde (52%) dan ook enkel als ondersteunend gezien kan worden. Daarnaast wenst hij er ook op te wijzen dat het feit dat hij van een ASO-richting komt, losstaat van het al dan niet vlotter wegwerken van een achterstand. Het kan gezien worden als een overhaaste generalisatie, zijnde dat iedere ex-ASO-leerling minder moeite zou hebben met het wegwerken van een leerachterstand. Hij is bovendien in het verleden nooit in aanraking gekomen met economie boekhouden en hij heeft dan ook geen enkele voorkennis hieromtrent. Dergelijke achterstand kan worden weggewerkt mits correcte ondersteuning, die niet afdoende werd geboden. IX-9941-6/16 Voorts beantwoordt de beroepscommissie zijn verzoek naar remediërende maatregelen, zijnde een vakantietaak of herexamen, slechts zeer summier door te stellen dat hij gedurende het ganse jaar ondersteund is geweest en er afstandsonderwijs is aangeboden. Bovendien kan de vraag gesteld worden wat de correlatie is tussen het deelnemen aan lessen via afstandsonderwijs en het toekennen van een bijkomende proef. Overigens blijkt uit herhaaldelijk wetenschappelijk onderzoek dat online-onderwijs tot lagere resultaten en tot sneller concentratieverlies leidt, zodat deze studies eerder een gunstige beslissing met betrekking tot remediërende maatregelen verantwoorden. Beoordeling
- Verzoeker argumenteert terecht dat het niet slagen voor slechts één vak niet zonder meer volstaat als motief om een C-attest toe te kennen. Maar het kán wel reden zijn om een leerling niet geslaagd te verklaren, mits de beroepscommissie haar beslissing afdoende toelicht in overeenstemming met de versterkte motiveringsplicht die in zo een geval geldt. Een reden kan te vinden zijn in de aard van het vak zelf, bijvoorbeeld wegens zijn aandeel in de totale studie, omwille van zijn belang voor de gekozen richting of omwille van de specifieke kunde die het bedoelde opleidingsonderdeel wil en moet uittesten.
- Aannemen dat een evaluatiebeslissing negatief mag uitvallen zelfs bij één enkel tekort mits dit extra zorgvuldig en specifiek wordt gemotiveerd, sluit in dat die motivering niet altijd eigen moet zijn aan de aard van het bedoelde vak, maar mogelijk mede gezocht wordt bij de prestaties voor andere, bij definitie met slaagcijfers bekroonde vakken, zoals in casu de resultaten voor wiskunde of de examenresultaten voor de andere vakken. IX-9941-7/16
- De beroepscommissie motiveert haar beslissing in de eerste plaats, maar niet louter, door het vastgestelde jaartekort. Zij wijst daarenboven op de omvang van het tekort (42%) en noemt bedrijfseconomie “één van de twee hoofdvakken in deze richting”. Het vak telt zes van de 25 lesuren. Voorts lijkt de beroepscommissie daarnaast ook het volledige jaarrapport van verzoeker in ogenschouw te hebben genomen. Zijn andere resultaten leren de beroepscommissie dat verzoeker weliswaar geslaagd is voor wiskunde, ook “een belangrijk vak”, maar “met een tekort van 47% in het tweede semester”. Eenzelfde negatieve evolutie naar het jaareinde stelt de beroepscommissie ook vast aan de hand van het gemiddelde van verzoekers examens in het tweede semester (49%). De beroepscommissie concludeert op grond van dit alles dat verzoeker moeilijk grote hoeveelheden leerstof kan verwerken, dat de “nodige basiskennis ontbreekt” en dat hij de leerplandoelstellingen in onvoldoende mate heeft behaald om het hogere jaar te kunnen aanvangen.
- Verzoeker betwist de hem toegekende punten niet. Hij weerspreekt van dit alles slechts één aspect, namelijk de vaststelling van het gemiddelde van zijn examens. Hierover schrijft de verwerende partij in de nota met opmerkingen: “Het gemiddelde van 49% op de examens van het tweede semester waarvan de beroepscommissie melding maakt; betreft het ‘gewogen gemiddelde’, met als gewicht het aantal lesuren dat aan elk vak [is] toegewezen per week. Verzoekende partij spreekt in zijn verzoekschrift voor Uw Raad zelf van zijn ‘gewogen gemiddelde jaartotaal’ van 62%. Verzoekende partij weet dus zeer goed dat de term ‘gemiddelde’ in de bestreden beslissing moet verstaan worden als ‘gewogen gemiddelde’. Ook in het schoolreglement wordt op p. 29 het principe van het ‘gewogen gemiddelde’ toegelicht. Verzoekende partij zal niet ontkennen dat het gewogen gemiddelde van zijn examens in het 2e semester 49% bedraagt.” IX-9941-8/16 In de huidige stand van de rechtspleging valt de Raad deze toelichting bij. Het lijkt voorts niet onredelijk om rekening te houden met een gewogen gemiddelde, dat rekening houdt met de omvang in jaaruren van elk vak, om te concluderen omtrent het beheersen van grotere leerinhouden – minstens toont verzoeker het tegendeel niet aan.
- Naar het voorlopig oordeel van de Raad van State heeft de beroepscommissie aldus afdoende aangegeven welke specifieke redenen zij in het dossier van verzoeker vindt om een C-attest te verantwoorden.
- Verzoeker stelt dat de beroepscommissie niet antwoordt op zijn “uitgebreide grieven”. Hij verzuimt evenwel om precies aan te geven wélke van zijn “uitgebreide grieven” in zijn één bladzijde tellend bezwaarschrift zonder antwoord zijn gebleven.
- Met de vermelding in de bestreden beslissing “hij komt van ASO” lijkt de beroepscommissie enkel te willen aangeven waarom verzoeker achterstand voor boekhouden heeft – het is een vak dat in ASO niet wordt gegeven. Of “komen van ASO” een leerling méér of minder moeite oplevert om die achterstand weg te werken is een stelling van verzoeker, die in de bestreden beslissing niet is te lezen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Verzoeker noemt voorts het wegwerken van zijn leerachterstand “geen sinecure” omdat hij “geen enkele voorkennis” van economie boekhouden heeft. Hij bevestigt aldus veeleer het oordeel van de beroepscommissie dan het te weerleggen. Voor zover verzoeker erover klaagt dat “correcte ondersteuning […] niet afdoende werd geboden”, is zijn grief onontvankelijk. Daargelaten IX-9941-9/16 immers of deze grief in feite juist is, faalt ze in rechte: ze kan niet verhinderen dat zijn resultaten thans zijn wat ze zijn.
- De beroepscommissie heeft op gemotiveerde wijze negatief geantwoord op de vraag van verzoeker om een bijkomende proef: hij heeft de lessen gedurende het gehele schooljaar kunnen volgen en kreeg remediëring aangeboden. De beroepscommissie geeft hiermee aan over voldoende gegevens te beschikken om zich een oordeel te kunnen vormen over het behalen van de leerplandoelstellingen en het bijgevolg niet nodig te achten om nog extra informatie in te winnen. Verzoeker is het hiermee niet eens, maar hij toont niet aan dat de beroepscommissie over onvolledige gegevens beschikte om met kennis van zaken een evaluatiebeslissing te nemen. Op het eerste gezicht heeft hij de beroepscommissie ook geen specifieke argumenten voorgelegd om de vraag voor bijkomende proeven te onderbouwen – argumenten waarop de beroepscommissie dan ook niet heeft kunnen antwoorden. Verzoeker merkt in zijn bezwaarschrift voor de beroepscommissie enkel op dat hij één keer om de twee weken één uur remediëringsles heeft gekregen, maar houdt het bij die feitelijke vaststelling zonder uit te werken waarom dit moet leiden tot een bijkomende proef. Hij lijkt voorts een bijkomende proef met een herexamen te verwarren.
- Aangezien de beroepscommissie prima facie op afdoende wijze heeft gemotiveerd waarom verzoeker niet geslaagd is en dus een C-attest krijgt, lijkt evenzeer gemotiveerd waarom zij een A-attest met vakantietaak weigert.
- Verzoeker toont op het eerste gezicht niet aan dat de in het middel aangevoerde beginselen geschonden zijn. Het middel is niet ernstig. IX-9941-10/16 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van het “formeel zorgvuldigheidsbeginsel” doordat de beslissing van de beroepscommissie steunt op foutieve gegevens. Verzoeker stelt dat het gemiddelde op de examens van het tweede semester 52,625% bedraagt en dus substantieel hoger is dan het door de beroepscommissie gehanteerde percentage van 49%. Deze materiële vergissing toont aan dat de beroepscommissie met onvoldoende kennis van zaken en op onzorgvuldige wijze tot haar besluit is gekomen. De beslissing schendt “het formeel rechtszekerheidsbeginsel”. Beoordeling
- Het middel bevat niets nieuws in vergelijking met het eerste middel. Verwezen wordt naar de beoordeling van het eerste middel.
- Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is genomen uit een schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. IX-9941-11/16 In een eerste middelonderdeel zet verzoeker uiteen dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden doordat artikel 2.3.9.3 van het schoolreglement, dat aangeeft dat de klassenraad in de mogelijkheid verkeert om concrete suggesties te doen om bepaalde tekorten weg te werken, al dan niet ondersteund door een vakantietaak, zeer vaag is en nergens een omschrijving geeft van de voorwaarden of vereisten om voor dergelijke maatregel in aanmerking te komen. Verzoeker kan bijgevolg onmogelijk zijn gedrag afstemmen op deze regeling en de klassenraad bezit een enorme discretionaire bevoegdheid om naar eigen goeddunken deze maatregel toe te passen. Bovendien is er in het schoolreglement nergens sprake van de mogelijkheid tot toekennen van een herexamen. Daar dit een maatregel is die sporadisch wordt toegepast bij andere leerlingen, stelt verzoeker de vraag waarom dit nergens is opgenomen in het schoolreglement. De school bezit ook hier een grenzeloze bevoegdheid die zij naar willekeur kan invullen. In een tweede middelonderdeel betoogt verzoeker dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat de klassenraad, hierin gevolgd door de beroepscommissie, verschillende maatregelen toepast op situaties die met elkaar vergelijkbaar zijn en waarbij het handelen gesteund kan worden op een objectief criterium, namelijk de behaalde resultaten aan het einde van het schooljaar. In vergelijkbare situaties heeft de delibererende klassenraad beslist om toch remediërende maatregelen te treffen en een herexamen toe te kennen. Door het ontbreken van objectieve en pertinente criteria waarmee de beslissing kan worden genomen, stelt de beroepscommissie zich bloot aan mogelijke willekeur. Gelet op de impact van de beslissing die de beroepscommissie moest nemen, is de toekenning van een remediërende maatregel een middel dat in verhouding staat tot het nagestreefde doel. Door dit te miskennen, schendt de beroepscommissie het verbod op willekeur en bijgevolg het gelijkheidsbeginsel. IX-9941-12/16 Beoordeling
- Verzoeker kan de verwerende partij bezwaarlijk verwijten in haar schoolreglement niet te regelen wat niet bestaat – namelijk de toekenning van herexamens. Verzoeker verwart, als gezien, het herexamen van weleer met de bijkomende proeven die opgelegd kunnen worden als de klassenraad of de beroepscommissie vaststelt niet over voldoende gegevens te beschikken om al tot een gedegen evaluatiebeslissing te kunnen komen. Voorts stelt verzoeker terecht vast dat de “school” – versta de klassenraad of de beroepscommissie – over een discretionaire bevoegdheid beschikt om voor een individuele leerling te beslissen of een bijkomende proef nodig is en in dat geval de inhoud ervan te bepalen. Dat is nu eenmaal hoe de decreetgever de autonomie van de evaluatoren in het secundair onderwijs heeft opgevat. Autonomie staat echter, anders dan verzoeker het meent, niet gelijk met “willekeur en goeddunken”. Een beroepscommissie die toch haar beslissing zou nemen uit willekeur, staat onder de controle van de rechter. Verzoeker formuleert algemene beschouwingen, maar concretiseert in de toelichting bij het middel nergens waarom de over hem genomen evaluatiebeslissing willekeurig zou zijn. De beoordeling van het eerste middel wijst alleszins op het eerste gezicht het tegendeel uit.
- Het schoolreglement geeft aan dat de klassenraad suggesties kan geven aan een leerling om tekorten weg te werken. Verzoeker noemt deze bepaling vaag. Vaag is echter ook zijn grief. Verzoeker zet niet uiteen hoe de mogelijkheid om suggesties te doen al dan niet is toegepast in zijn situatie en nog minder hoe dit de wettigheid van de beslissing van de beroepscommissie heeft aangetast. In die mate is het middel onontvankelijk.
- Evenmin ontvankelijk is de grief met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel. IX-9941-13/16 Leerlingen van eenzelfde klas verhouden zich tegenover elkaar niet als de concurrenten voor een voordeel dat alleen aan één of enkelen onder hen kan worden toegekend. Een schending van het gelijkheidsbeginsel kan maar aan de orde zijn wanneer verzoeker aan de hand van stukken kan aantonen dat hij zich in gelijke omstandigheden als één of meerdere andere leerlingen bevindt en dat de beoordelingsmaatstaf op die gelijke gevallen op een verschillende wijze is toegepast. Het valt aan verzoeker toe om de vergelijkbaarheid met ondubbelzinnige en overtuigende argumenten te staven. Verzoeker komt evenwel niet verder dan een algemene uitweiding over dit beginsel en een niet geconcretiseerde bewering dat de verwerende partij leerlingen in “vergelijkbare situaties” verschillend behandelt. Verzoeker houdt het bij hypothesen en schiet tekort in zijn stelplicht.
- Het middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker betoogt dat de beroepscommissie over de beleidsvrijheid beschikt om haar samenkomst te plannen en door dit in casu te doen op 25 augustus 2021 nam zij reeds een groot stuk van haar discretionaire vrijheid weg. De mogelijkheid tot een remediërende vakantietaak was immers reeds weggenomen, alsook kan zij niet redelijkerwijze besluiten tot het opleggen van een herexamen ter remediëring van het tekort op bedrijfseconomie. Door zichzelf een dergelijke beperking op te leggen kon de beroepscommissie onmogelijk een redelijk en afgewogen besluit nemen. IX-9941-14/16 Beoordeling
- De Raad van State betreurt samen met verzoeker dat een beroepscommissie niet vroeger dan eind augustus de tijd neemt om zich over een bezwaarschrift te buigen dat al begin juli bij het schoolbestuur werd ingediend. In de concrete omstandigheden van deze zaak moet echter worden vastgesteld dat verzoeker prima facie geen belang heeft bij het middel. De beroepscommissie heeft haar beslissing gemotiveerd op grond van verzoekers dossier en niet met een verwijzing naar de datum van haar beslissing. Verzoeker heeft niet kunnen aantonen dat de beroepscommissie hem ten onrechte een C-attest heeft toegekend – en dus impliciet een A-attest met vakantietaak heeft geweigerd – of ten onrechte bijkomende proeven heeft geweigerd. Bovendien kan het bijvallen van het middel noch de klok terugdraaien, noch grond zijn om de resultaten bij te stellen en verzoeker een A-attest toe te kennen.
- Het middel is niet ernstig. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9941-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9941-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.337 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.355 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.