id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.347 Rolnummer: A. 213616/X-15936 Zaak: Arrest 252347 - Huisvesting - 07/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-10 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-12 15:13 Fiche Arrest nr 252.347 van 7 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Huisvesting Beslissing : Verwerping heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.347 van 7 december 2021 in de zaak A. 213.616/X-15.936 In zake :
- L’ASBL ASSOCIATION DE PROMOTION DES DROITS HUMAINS ET DES MINORITÉS (APDHM)
- Nicolas STASSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jérôme Sohier kantoor houdend te 1000 Brussel Emile De Motlaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Elke Cloots, Joos Roets en Stefan Sottiaux kantoor houdend te 2018 Antwerpen Oostenstraat 38, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 8 september 2014, strekt tot de nietigverklaring van de artikelen 6 en 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2014 ‘tot wijziging van diverse besluiten ter uitvoering van opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2014). II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-15.936-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 juni
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Manoël De Keuckelaere, die loco advocaat Jérôme Sohier verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Joos Roets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Juridisch kader
- Het decreet van 31 januari 2014 (oorspronkelijk met het opschrift) ‘betreffende de opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de Provincie Vlaams-Brabant’ (hierna: het decreet van 31 januari 2014) houdt een opdracht van bevoegdheid in aan de provincie Vlaams-Brabant en het autonoom provinciebedrijf Vlabinvest APB om een specifiek grond- en woonbeleid te voeren. X-15.936-2/13 Het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2014 strekt ertoe een aantal besluiten van de Vlaamse regering aan te passen aan het decreet van 31 januari
- Artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2014 voegt in het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 2006 ‘betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode’ (hierna: het overdrachtenbesluit) een artikel 2/2 in, luidend: “Art. 2/
- In afwijking van artikel 2/1, eerste lid, geldt de voorrang voor de overdracht van woningen en kavels die deel uitmaken van een woonproject dat gedeeltelijk gefinancierd is met middelen van het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht bij artikel 16 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992, of van Vlabinvest APB, en die niet gefinancierd zijn met middelen van voormeld Investeringsfonds of van Vlabinvest APB, pas na de toepassing van de voorrang, vermeld in artikel 2, § 2 van het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest APB, werkwijze van het beoordelingscomité en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest APB, goedgekeurd bij besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 25 februari 2014, voor de woonbehoeftige particuliere personen die een sterke maatschappelijke, economische of socio-culturele binding hebben met het werkgebied van Vlabinvest APB. Deze voorrangsregeling is erop gericht om tegemoet te komen aan de woonbehoeften van de minst kapitaalkrachtige endogene bevolking binnen een regio met specifieke problemen op de woonmarkt. Het beoordelingscomité van Vlabinvest APB, opgericht bij artikel 5 van het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest APB, werkwijze van het beoordelingscomité en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest APB, goedgekeurd bij besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 25 februari, beoordeelt of de voorrangsregeling op basis van een sterke binding met het werkgebied van Vlabinvest APB, van toepassing is. Een woonbehoeftige particuliere persoon beschikt over een maatschappelijke binding met het werkgebied van Vlabinvest APB als hij voldoet aan één of meer van de volgende voorwaarden: 1° hij woont sinds zijn geboorte in het werkgebied van Vlabinvest APB; 2° hij woonde tot vóór de leeftijd van 18 jaar minimaal 10 jaar in het werkgebied van Vlabinvest APB; 3° hij heeft 10 jaar in het werkgebied van Vlabinvest APB gewoond. Een woonbehoeftige particuliere persoon beschikt over een economische binding met het werkgebied van Vlabinvest APB als zijn beroepsinkomen X-15.936-3/13 voortvloeit uit een hoofdzakelijk en langdurig ter plaatse uitgeoefende betrekking. Een woonbehoeftige particuliere persoon beschikt over een socio-culturele binding met het werkgebied van Vlabinvest APB als hij voldoet aan één of meer van de volgende voorwaarden: 1° hij of zijn kinderen volgen onderwijs in een school erkend door de Vlaamse overheid; 2° hij is in het werkgebied van Vlabinvest APB lid van een socio-culturele instelling of vereniging die erkend is door de Vlaamse overheid.” Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2014 voegt aan artikel 17 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2007 ‘tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode’ (hierna: het socialehuurbesluit) de volgende bepalingen toe: “In afwijking van de toewijzingssystemen, vermeld in het eerste lid, geldt de rangorde voor de verhuring van woningen die deel uitmaken van een woonproject dat gedeeltelijk gefinancierd is met middelen van het Investeringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant, opgericht bij artikel 16 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992, of van Vlabinvest APB, opgericht bij het besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant van 22 oktober 2013, en die niet gefinancierd zijn met middelen van voormeld Investeringsfonds of van Vlabinvest APB, pas na de toepassing van de voorrang, vermeld in artikel 2, § 2 van het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest APB, werkwijze van het beoordelingscomité en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest APB, goedgekeurd bij besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 25 februari 2014, voor de kandidaat-huurders die een sterke maatschappelijke, economische of socio-culturele binding hebben met het werkgebied van Vlabinvest APB. Deze voorrangsregeling is erop gericht om tegemoet te komen aan de woonbehoeften van de minst kapitaalkrachtige endogene bevolking binnen een regio met specifieke problemen op de woonmarkt. Het beoordelingscomité van Vlabinvest APB, opgericht bij artikel 5 van het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant - Vlabinvest APB, werkwijze van het beoordelingscomité en de samenstelling en werkwijze van het beroepscomité van Vlabinvest APB, goedgekeurd bij besluit van de Provincieraad van Vlaams-Brabant op 25 februari 2014, beoordeelt of de voorrangsregeling op basis van een sterke binding met het werkgebied van Vlabinvest APB van toepassing is. Een woonbehoeftige particuliere persoon beschikt over een maatschappelijke binding met het werkgebied van Vlabinvest APB als hij voldoet aan één of meer van de volgende voorwaarden: X-15.936-4/13 1° hij woont sinds zijn geboorte in het werkgebied van Vlabinvest APB; 2° hij woonde tot vóór de leeftijd van 18 jaar minimaal 10 jaar in het werkgebied van Vlabinvest APB; 3° hij heeft 10 jaar in het werkgebied van Vlabinvest APB gewoond. Een woonbehoeftige particuliere persoon beschikt over een economische binding met het werkgebied van Vlabinvest APB als zijn beroepsinkomen voortvloeit uit een hoofdzakelijk en langdurig ter plaatse uitgeoefende betrekking. Een woonbehoeftige particuliere persoon beschikt over een socio-culturele binding met het werkgebied van Vlabinvest APB als hij voldoet aan één of meer van de volgende voorwaarden: 1° hij of zijn kinderen volgen onderwijs in een school erkend door de Vlaamse overheid; 2° hij is in het werkgebied van Vlabinvest APB lid van een socio-culturele instelling of vereniging die erkend is door de Vlaamse overheid.” IV. Samenvoeging en regelmatigheid van de rechtspleging Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen vestigen in het verzoekschrift de aandacht erop dat Nathalie Leclaire een beroep met eenzelfde voorwerp heeft ingesteld en heeft verzocht dat de zaak overeenkomstig artikel 93, § 1, van de Raad van State-wet door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak wordt behandeld. Het is volgens hen in het belang van een goede rechtsbedeling om hun beroep met de zaak bij de algemene vergadering samen te voegen.
- De verzoekende partijen herhalen dit verzoek in de memorie van wederantwoord. Minstens vragen zij dat de zaak naar de tweetalige Vde kamer wordt verwezen.
- In de laatste memorie vragen de verzoekende partijen dat, zo de zaak niet wordt samengevoegd met de zaak ingeleid door Nathalie Leclaire, ze naar een Franstalige kamer wordt verzonden, minstens naar de tweetalige Vde kamer. Het zou volgens hen waarborgen dat zij het debat goed begrijpen en dat zij begrepen worden. Uiterst ondergeschikt menen zij dat, ingeval wordt aangenomen dat artikel 61 van de Raad van State-wet geen verwijzing naar de tweetalige kamer toelaat, er reden is om het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: X-15.936-5/13 Is artikel 61 van de Raad van State-wet verenigbaar, of niet, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van de rechten van de verdediging, in zoverre het een verschil in behandeling instelt, wat het regime van het gebruik van de talen bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft, tussen een tussenkomende partij en een verzoekende partij, door, eensdeels, erin te voorzien dat ‘de zaken bedoeld in artikel 60, wanneer de titularis wiens rechtstoestand geregeld wordt, op regelmatige wijze tussenkomt, waardoor de toepassing in zijnen hoofde van de in de artikelen 54 tot 59 vermelde criteria het verplicht gebruik van een andere taal dan die waarin de zaak met toepassing van artikel 60 zou moeten behandeld worden, tot gevolg heeft’ (artikel 61, 4°), op die manier toelatend aan een tussenkomende partij die heeft gewenst (‘ayant souhaité’) tussen te komen in een andere taal dan de taal die de hoofdpartijen gebruiken om haar eigen taal te gebruiken, en door, anderdeels, niet in dezelfde mogelijkheid te voorzien ten behoeve van een verzoekende partij die regelmatig een andere taal gebruikt dan de taal die artikel 53 van de Raad van State-wet voorschrijft en die aldus verhinderd wordt om de behandeling van haar zaak in haar eigen taal te volgen? Beoordeling
- Over het beroep van Nathalie Leclaire, in de zaak A. 213.618/Abis-7, is door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak gedaan bij arrest nr. 247.589 van 19 mei
- Het brengt mee dat de vraag tot samenvoeging achterhaald is en niet kan worden ingewilligd.
- Mogen de verzoekende partijen, gelet op artikel 66 van de Raad van State-wet, voor hun akten en verklaringen de taal gebruiken die zij verkiezen, het gebruik van de talen door de Raad van State zelf is strikt geregeld. X-15.936-6/13
- Het is terecht niet betwist dat de taal waarin de voorliggende zaak overeenkomstig artikel 53 van de Raad van State-wet behandeld moet worden, het Nederlands is. Op grond van welk voorschrift de zaak niettemin aan een Franstalige kamer zou moeten worden toebedeeld, wordt niet uiteengezet en is evenmin spontaan duidelijk.
- Voorts blijkt niet dat de voorliggende zaak zich laat inpassen in de gevallen die met toepassing van artikel 61 van de Raad van State-wet naar de tweetalige kamer verwezen moeten worden. Dat, restrictief te interpreteren, artikel betreft alleen beroepen met betrekking tot een beslissing tot regeling van de individuele rechtstoestand van de titularis van een openbaar ambt.
- De prejudiciële vraag die de verzoekende partijen in dit verband aan het Grondwettelijk Hof gesteld willen zien, berust op een misvatting. De vraag gaat ervan uit dat artikel 61, 4°, van de Raad van State-wet het geval betreft van een tussenkomende partij die – net zoals de verzoekende partijen –“gewenst heeft” (“ayant souhaité”) een andere taal te gebruiken dan die waarin de zaak zou moeten worden behandeld. Het voorschrift regelt daarentegen het geval van iemand die verplícht is een andere taal te gebruiken dan die waarin de zaak normaal zou moeten worden behandeld. Met andere woorden vergissen de verzoekende partijen zich wanneer zij menen twee categorieën van personen met mekaar te vergelijken die er elk voor kózen een andere taal te gebruiken dan die waarin de zaak normaal zou moeten worden behandeld. De geopperde prejudiciële vraag steunt op een foutieve aanname en wordt niet gesteld.
- Er is geen reden om de zaak naar een andere kamer te verwijzen. X-15.936-7/13 V. Belang Standpunt van de partijen
- De eerste verzoekende partij zet in het verzoekschrift, onder verwijzing naar artikel 3 van haar statuten, uiteen over een belang bij het beroep te beschikken doordat de artikelen 6 en 8 van het bestreden besluit, gelet op de criteria van een sterke binding met het werkgebied van Vlabinvest APB, discriminaties op basis van de taal inhouden tussen particulieren die in de provincie Vlaams-Brabant (onroerende) goederen zouden willen afstaan of (ver)huren (“céder ou louer”). De tweede verzoekende partij verklaart in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te wonen en een onroerend goed te willen verwerven of huren in een aangrenzende gemeente, die in het Vlaamse Gewest ligt. De bestreden bepalingen verhinderen of, minstens, belemmeren dat vermits zij niet beschikt over een maatschappelijke, economische of socio-culturele binding met het werkgebied van Vlabinvest APB. De bepalingen schenden haar recht op vrije woonstkeuze.
- Volgens de verwerende partij beschikken de verzoekende partijen niet over het vereiste belang bij het beroep. Het belang van de eerste verzoekende partij “komt in feite neer op het herstel van de wettigheid”, wat niet verschilt van het belang dat elke burger heeft bij de naleving van het recht. Dit volstaat niet, de Raad van State aanvaardt geen ‘actio popularis’. Het in het gedrang komen van de verwezenlijking van het statutair doel van de eerste verzoekende partij “kan op zich niet worden geacht haar het belang te verlenen om in rechte op te treden”. Ook wat de tweede verzoekende partij betreft is de verwerende partij van mening dat niet is aangetoond dat de bestreden bepalingen haar een persoonlijk, direct en zeker nadeel berokkenen. Onder meer wordt betoogd dat de tweede verzoekende partij op geen enkele manier hard maakt effectief een sociale woning te willen huren of kopen in het werkgebied van Vlabinvest APB en dat zij helemaal niet aannemelijk maakt in voorkomend geval aan de X-15.936-8/13 toelatingsvoorwaarden inzake inkomen en onroerend bezit te voldoen om voor een sociale woning in aanmerking te komen.
- In de memorie van wederantwoord betoogt de eerste verzoekende partij dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en zich van het algemeen belang onderscheidt. Zij meent wel degelijk over het vereiste belang te beschikken in de mate waarin het beroep steunt op middelen die de schending aanvoeren van de rechten en vrijheden die zijn verankerd in de internrechtelijke of internationaalrechtelijke normen, in het bijzonder wanneer die schending ten nadele van bepaalde minderheden gaat. Met betrekking tot de tweede verzoekende partij wordt in de memorie van wederantwoord nog geargumenteerd dat de bestreden reglementaire bepalingen roeping hebben om op haar te worden toegepast en wijst zij erop dat de woningen bedoeld in bijlage IV van het overdrachtenbesluit middelgrote koopwoningen zijn, waarvoor in principe als enige voorwaarde geldt dat men op het moment van de aanvraag geen eigenaar is van een onroerend goed. Het is een voorwaarde, aldus de tweede verzoekende partij, die op elk moment door om het even wie kan worden vervuld, namelijk door het onroerend goed waarvan men eventueel eigenaar is te verkopen.
- In de laatste memorie herhaalt en benadrukt de eerste verzoekende partij dat het de discriminatie op grond van taal is die zij viseert, en die ertoe strekt om op een min of meer stelselmatige wijze iedereen opzij te schuiven die niet aan de meer vermelde voorrangscriteria voldoet. De aangevochten regeling begunstigt een minder kapitaalkrachtige minderheidsgroep op de woonmarkt ten nadele van de Franstalige inwoners in het betrokken gebied, die duidelijk het slachtoffer zijn van een discriminatoire reglementering – zoals dat het geval is met de tweede verzoekende partij. Beoordeling
- Het overdrachtenbesluit voorziet in een regeling ten gunste van wie woonbehoeftig is en daartoe aan de voorwaarden qua inkomen en onroerend X-15.936-9/13 bezit voldoet. Ook om in het kader van het socialehuurbesluit te worden toegelaten als kandidaat-huurder moet de kandidaat voldoen aan voorwaarden qua inkomen en onroerend bezit. De bestreden beslissing doet aan een en ander niet af, maar bepaalt – bijkomend – dat de bestaande voorrang voor de overdracht van woningen en kavels, of de systemen voor de toewijzing van een sociale huurwoning, “pas” gelden nadat eerst toepassing is gemaakt van een bijzondere voorrang voor overdracht of huur ten voordele van de woonbehoeftige die een sterke maatschappelijke, economische of socio-culturele binding heeft met het werkgebied van Vlabinvest APB.
- Weliswaar argumenteert de tweede verzoekende partij dat zij zich niet op een dergelijke binding kan beroepen, maar uit niets blijkt dat zij überhaupt aan de voorwaarden qua inkomen en onroerend bezit voldoet om voor een overdracht of huur zoals geregeld door het overdrachtenbesluit, respectievelijk het socialehuurbesluit, in aanmerking te komen. Wat overigens haar verwijzing naar bijlage IV van het overdrachtenbesluit betreft, wordt vastgesteld dat het overdrachtenbesluit en de bijlage – ten gevolge van het besluit van de Vlaamse regering van 3 februari 2017 ‘tot wijziging van diverse besluiten met betrekking tot wonen’ – al sinds 24 april 2017 geen betrekking meer hebben op middelgrote koopwoningen. Ook nog nadat de tweede verzoekende partij in het auditoraatsverslag kon lezen dat zij geacht moet worden geen persoonlijk belang bij het beroep te hebben omdat zij niet aannemelijk maakt te voldoen aan de criteria om als een woonbehoeftige particulier te worden beschouwd, kan zij er niet toe komen dat te doen aannemen en meer bepaald daartoe de nodige informatie te verschaffen.
- In de gegeven omstandigheden doet de tweede verzoekende partij niet afdoende blijken van een toereikend rechtstreeks en persoonlijk belang, maar valt haar belang in wezen samen met het belang dat elkeen erbij heeft dat de wettigheid wordt geëerbiedigd. X-15.936-10/13 Het beroep is onontvankelijk in hoofde van de tweede verzoekende partij wegens gebrek aan belang.
- Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet voor haar persoonlijk belang opkomt, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij een collectief belang verdedigt, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.
- Blijkens artikel 3 van haar statuten heeft de eerste verzoekende partij onder meer als maatschappelijk doel om de mensenrechten te bevorderen, zoals ze verankerd zijn in de Grondwet en in verschillende internationale verdragen, en om elke willekeurige aantasting van de rechten en vrijheden die verankerd zijn in de internrechtelijke of internationaalrechtelijke normen aan te klagen en te bestrijden. Zij kan, volgens het artikel, in rechte treden in alle geschillen waartoe de toepassing van de internrechtelijke of internationaalrechtelijke normen inzake mensenrechten en minderheden aanleiding kan geven. Dit maatschappelijk doel is van een voldoende bijzondere aard, opdat kan worden aangenomen dat het collectief belang waarvoor de eerste verzoekende partij opkomt, niet samenvalt met het algemeen belang. Daar doet de vaststelling niet aan af dat, wanneer men de omschrijving van het maatschappelijk doel letterlijk zou opnemen, de verkeerde indruk kan ontstaan dat de eerste verzoekende partij eender welke rechtshandeling mag aanvechten onder het voorwendsel dat elke rechtshandeling een weerslag heeft op iemands rechten. Het blijkt, voorts, niet dat de eerste verzoekende partij haar doel niet werkelijk nastreeft.
- Zoals de eerste verzoekende partij in haar procedurestukken uitlegt en beklemtoont, wil zij met haar beroep ageren tegen bepalingen die volgens haar één minoritaire groep van minder kapitaalkrachtigen op de X-15.936-11/13 woonmarkt, op een discriminatoire wijze – op basis van de taal – bevoordeelt ten nadele van een andere minderheidsgroep, te weten de Franstalige inwoners van het werkgebied van Vlabinvest APB. Het statutaire doel dat de eerste verzoekende partij nastreeft, kan geacht worden door die – beweerdelijk – discriminerende bepalingen rechtstreeks en ongunstig geraakt te worden.
- De eerste verzoekende partij doet dan ook blijken van het vereiste belang bij het beroep tegen de aangevochten bepalingen in zoverre zij het doet steunen op middelen waarin de beweerde discriminatoire bevoordeling wordt aangevoerd. VI. Conclusie
- Uit wat voorafgaat, volgt dat er reden is om het onderzoek van de zaak voort te zetten wat de eerste verzoekende partij aangaat, daarbij indachtig zijnde dat de bestreden bepalingen door het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 vanaf 1 januari 2021 zijn overgeheveld naar artikel 5.219 en artikel 6.16, § 2, van dat besluit. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep in zoverre het uitgaat van de tweede verzoekende partij.
- De Raad van State heropent het debat wat de eerste verzoekende partij betreft.
- Het auditoraat wordt ermee gelast een aanvullend verslag op te stellen.
- De tweede verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van haar beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. X-15.936-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-15.936-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.347 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.642 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div