id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.361 Rolnummer: A. 232963/VII-41026 Zaak: Arrest 252361 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-23 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-12 15:22 Fiche Arrest nr 252.361 van 9 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.361 van 9 december 2021 in de zaak A. 232.963/VII-41.026 In zake :
- Pieter GOYVAERTS
- de BV SPORTHORSES PIETER GOYVAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Pauw kantoor houdend te 2800 Mechelen Schaliënhoevedreef 20T bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Kenny ROOVERS
- Nathalie PRAATS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0525 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 14 januari 2021 in de zaak 1920-RvVb-0074-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 1 april
- VII-41.026-1/8 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 16 juli 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 november
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laura Thewis, die loco advocaat Joris De Pauw verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Maartje Jongbloet, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Pieter Goyvaerts en de bv Sporthorses Pieter Goyvaerts (hierna: Goyvaerts) hebben een laatste memorie met verzoek tot voortzetting VII-41.026-2/8 ingediend waarin zij repliceren op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet een verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van Goyvaerts. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van Goyvaerts ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. IV. Feiten
- Op 20 juni 2019 verleent de provincie Antwerpen aan Pieter Goyvaerts een omgevingsvergunning, onder de voorwaarde “zolang de effectieve bestemming van ontginning niet gerealiseerd wordt”, voor het bouwen en exploiteren van een paardenfokkerij met stallen, overdekte piste, opslag, buitenpiste, stapmolen en erfverharding, op percelen die volgens het toepasselijke gewestplan ‘Mechelen’, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, gelegen zijn in ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied.
- Het bestreden arrest verklaart het eerste middel van Kenny Roovers-Nathalie Praats wegens strijdigheid van de aanvraag met de gewestplanbestemming gegrond, onderzoekt de andere middelen niet, vernietigt de bestreden omgevingsvergunning en weigert de omgevingsvergunning. VII-41.026-3/8 V. Onderzoek van het middel Voorafgaandelijk
- Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”.
- Uit deze bepaling volgt dat over de gegrondheid van het middel dat niet in deze samenvattende memorie is opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan.
- Te dezen neemt de memorie van wederantwoord van Goyvaerts niet de vorm aan van een samenvattende memorie bedoeld in artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. De Raad van State kan voor de beoordeling van de gegrondheid van het middel enkel rekening houden met het in de memorie van wederantwoord opnieuw aangevoerde middel en de toelichting ervan. Standpunt Goyvaerts
- Goyvaerts voert in de memorie van wederantwoord de schending aan van artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 11 en artikel 17.6.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’, het gewestplan Mechelen, artikel 68, tweede lid, 7°, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, artikel 37, § 2, van het decreet van 4 april 2014 VII-41.026-4/8 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC-decreet): “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen besloot tot de vernietiging om de hierboven aangehaalde redenen en overging tot indeplaatsstelling; Terwijl het betrokken perceel is gelegen in ontginngingsgebied met nabestemming agrarisch gebied en een volwaardige professionele paardenfokkerij absoluut verenigbaar is met het nabestemmingsvoorschrift ‘agrarisch gebied’; En terwijl aan de voorschriften van de nabestemming kan worden getoetst wanneer de ontginningsactiviteiten werden stopgezet; En terwijl er in het ontginningsgebied ook activiteiten of handelingen zijn toegestaan die in functie staan van de realisatie van de oorspronkelijke of toekomstige bestemming van het plan, met name agrarisch gebied; En terwijl de Deputatie van de provincie Antwerpen wel degelijk rekening gehouden met de hoofdbestemming van het gewestplan, met name ontginningsgebied met nabestemming agrarisch; en bovendien rekening heeft gehouden met de beroepsgrieven, de adviezen van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Putte, het Departement Omgeving – Natuurlijke Rijkdommen / Ruimtelijke Ordening en het standpunt van verzoekende partijen. Zodat dient te worden besloten dat er voor het aangevraagde project geen onverenigbaarheid voorligt met de gewestplanbestemming ‘ontginningsgebied met nabestemming agrarisch’. De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft de beoordeling van de Deputatie van de provincie Antwerpen op een verkeerde wijze beoordeeld.
- Aangezien er geen planologische onverenigbaarheid voorligt, is de Raad voor Vergunningsbetwistingen ook onrechtmatig overgegaan tot indeplaatsstelling en tot weigering van de omgevingsvergunning. Artikel 37, §2 DBRC-decreet stelt: ‘§
- Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing.’ De weigering van de omgevingsvergunning, middels indeplaatsstelling van de bestreden beslissing, is dan ook gestoeld op een foutieve basis, zijnde de beweerdelijke planologische onverenigbaarheid”. Zij voegen toe: “
- De Deputatie van de provincie Antwerpen (d.i. verwerende partij in de procedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen) heeft in de bestreden en door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigde vergunningsbeslissing geoordeeld dat het aangevraagde niet in VII-41.026-5/8 overeenstemming is met de planologische bestemming van het gewestplan. De voorliggende aanvraag betreft immers een paardenfokkerij. De Deputatie ging vervolgens in op het advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Putte waarin werd gesteld dat ontginning ter plaatse weinig realistisch is gelet op de nabijheid van de twee woningen te Klein Boom 43 en
- Verder wordt aangegeven dat bebouwde percelen principieel niet in aanmerking komen voor ontginning. Verder werd aangegeven dat de zone dient te worden behouden als ontginningsgebied, gelet op de goedkeuring van de nota betreffende samenhangend oppervlaktedelfstoffengebied van de Boomse Klei dd. 29 juni
- Het Departement Omgeving gaf om deze reden tweemaal een ongunstig advies. Aangezien de aanvraag niet in overeenstemming is met de gewestplanbestemming van ontginningsgebieden maar wel met de gewestplanbestemming, thans nabestemming, agrarisch gebied, wordt in de voorwaarden van de omgevingsvergunning opgenomen dat de vergunning wordt beperkt in tijd. De vergunning is uitvoerbaar tot wanneer de ontginningen zouden aanvangen. De Deputatie oordeelde aldus dat zolang de bestemming van ontginningsgebied niet gerealiseerd wordt, er geen conflict voorligt met het gewestplan.
- De Deputatie van de provincie Antwerpen heeft aldus wel degelijk rekening gehouden met de gewestplanbestemming als ontginningsgebied, maar ook met de nabestemming agrarisch gebied waarmee de aanvraag absoluut verenigbaar is. Er werd een omgevingsvergunning voor bepaalde duur verleend, rekening houdend met de bestemming ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied.
- Er dient te worden vastgesteld dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen onterecht is overgegaan tot de vernietiging van de bestreden omgevingsvergunning onder voorwaarden. Het aangevraagde is wel degelijk in overeenstemming met de geldende gewestplanvoorschriften aangezien de ontginning geenszins wordt gehypothekeerd. De opgelegde vergunningsvoorwaarde draagt daar ontegensprekelijk toe bij”. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. VII-41.026-6/8
- In zoverre Goyvaerts omstandig argumenteert dat de provincie Antwerpen wel degelijk rekening heeft gehouden met de bestemming ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied, is het middel niet gericht tegen het bestreden arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
- Het middel dat aanvoert dat “er geen planologische onverenigbaarheid voorligt”, dat de RvVb dan “ook onrechtmatig [is] overgegaan tot indeplaatsstelling en tot weigering van de omgevingsvergunning” en dat het “aangevraagde [...] wel degelijk in overeenstemming [is] met de geldende gewestplanvoorschriften aangezien de ontginning geenszins wordt gehypothekeerd” en de “opgelegde vergunningsvoorwaarde […] daar ontegensprekelijk toe bij[draagt]”, noopt de Raad van State tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb van de door Kenny Roovers en Nathalie Praats aangevoerde schending van het aangevraagde met de gewestplanbestemming. Het middel is bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. VII-41.026-7/8
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-41.026-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.361 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div