id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.363 Rolnummer: A. 233386/VII-41081 Zaak: Arrest 252363 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-23 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-12 15:23 Fiche Arrest nr 252.363 van 9 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.363 van 9 december 2021 in de zaak A. é.386/VII-41.081 In zake : Nicolas DE SCHUTTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 8 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0681 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 25 februari 2021 in de zaak 1920-RvVb-0108-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 10 mei 2021. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 22 september 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. VII-41.081-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 november 2021. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 8 augustus 2019 verleent de provincie Antwerpen aan Julie Boschmans een omgevingsvergunning voor het verplaatsen en regulariseren van een skateramp en de afbraak van een niet-vergunde fietsenstalling op een perceel dat lot 1 vormt “binnen de omschrijving van een vergunde niet-vervallen verkaveling ‘1972/6’ van 15 februari 1972” (hierna: de verkaveling) en “op grond van artikel 2 bestemd wordt voor alleenstaande bebouwing”. 4. Het bestreden arrest verwerpt de vier middelen en bijgevolg het beroep van verzoeker. VII-41.081-2/11 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt verzoeker 5. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 1.02 en 2.01, 1° en 4°, van de voorschriften van de verkaveling (hierna: ‘verkavelingsvoorschriften’) omdat in het bestreden arrest “wordt vastgesteld dat de vergunningsaanvraag rechtstreeks aan de verkavelingsvoorschriften wordt getoetst” en de door hem “aangevoerde strijdigheid met de verkavelingsvoorschriften […] volgens de RvVb uit[gaat] van een foute interpretatie van het voorschrift omtrent de bouwdiepte, waarbij wordt besloten dat deze niet zijn geschonden, en het middelonderdeel ongegrond is”. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de verkavelingsvoorschriften uitsluitend de oprichting van een eengezinswoning toelaten, en dus niet enige andere bebouwing die niet voor bewoning is bestemd. “Een skateramp is geen woning, laat staan een eengezinshuis. Hoewel in het bestreden arrest uitdrukkelijk wordt erkend dat de kavel bestemd is voor ‘alleenstaande bebouwing’, oordeelt de [RvVb] ten onrechte dat een skateramp ‘binnen de bouwstrook vrij geplaatst [kan] worden’”. Daarnaast betoogt verzoeker dat de skateramp in kwestie niet als een ‘gebouw’ kan worden beschouwd en dit noch in de zin van de verkavelingsvoorschriften noch in de spraakgebruikelijke betekenis van het woord. In het tweede middelonderdeel betoogt verzoeker dat zelfs indien een skateramp als gebouw in de zin van de verkavelingsvoorschriften kan worden beschouwd, de RvVb de verkavelingsvoorschriften schendt door een onjuiste lezing te geven aan het voorschrift inzake bouwdiepte door te oordelen dat in dit voorschrift “afmetingen van het gebouw zelf worden gelimiteerd en niet de inplantingswijze op het perceel” omdat de inplanting geregeld wordt door het VII-41.081-3/11 vastleggen van de bouwvrije stroken op het perceel. De toegelaten bouwdiepte moet immers worden gemeten “op de voorgevelbouwlijn”. In het derde middelonderdeel voert verzoeker ‘in meer ondergeschikte orde’ aan, “in de hypothese dat artikel 2.01, 4° van de verkavelingsvoorschriften geïnterpreteerd moet worden op de wijze die de RvVb onderschrijft”. Verzoeker betoogt dat de RvVb op onwettige wijze besluit dat de bouwdiepte verenigbaar is met de verkavelingsvoorschriften. De door de RvVb vastgestelde bouwdiepte van 6,02 meter voldoet immers niet aan de volgens de verkavelingsvoorschriften vereiste bouwdiepte van 8 meter. Beoordeling Eerste middelonderdeel 6. Het onderdeel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het tweede onderdeel van het eerste middel waarin verzoeker ondergeschikt heeft aangevoerd dat de bestreden vergunningsbeslissing “wordt genomen in strijd met de verkavelingsvoorschriften” en “De projectzone betreft perceel nr. 1 in deze verkaveling, en is bestemd voor alleenstaande bebouwing. Art. 2 van de stedenbouwkundige voorschriften (dat van toepassing is op de percelen 1-7 in de verkaveling) laat m.a.w. bebouwing toe op het perceel die qua diepte mag worden ingeplant vanaf de voorgevelbouwlijn tot aan een afstand die bestaat uit de helft van de perceelsbreedte. Het perceel waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, meet ongeveer 80 meter breedte en de bouwvrije voortuinstrook meet 15 meter. Volgens de verkavelingsvoorschriften mogen op het perceel aldus gebouwen worden opgetrokken tot 55 meter (80/2 + 15) diepte, gemeten vanaf de noordwestelijke perceelsgrens. Consultatie van de vergunde plannen leert echter dat de geregulariseerde constructie is opgetrokken in een zone waarin volgens dit verkavelingsvoorschrift niet gebouwd mag worden. Het betrokken perceel meet volgens deze plannen immers ongeveer 127.34 meter in de diepte, en de constructie wordt ingeplant op ongeveer 27 meter van de achterste perceelsgrens (de afstanden variëren tussen 26.78 m en 27.70 m omdat de constructie niet volledig evenwijdig met de perceelsgrens loopt). De VII-41.081-4/11 constructie ligt aldus op ongeveer 100 meter afstand van de noordwestelijke perceelsgrens, en strijdt met het geldend verkavelingsvoorschrift van art. 2.01, 4°, b). Verwerende partij besluit ten onrechte dat de aanvraag in overeenstemming [is] met de geldende verkavelingsvoorschriften en vermeldt in haar motivering bovendien het verkavelingsvoorschrift m.b.t. de toegelaten bouwdiepte. Verwerende partij maakt echter geen concrete noch uitdrukkelijke toepassing van dit voorschrift. Ze beperkt zich tot een afbakening van 15 meter t.o.v. de voorste perceelsgrenzen en 10 meter t.o.v. de overige perceelsgrenzen, doch zonder toepassing te maken van de regel uit 2.01, 4°,
- b)van de verkavelingsvoorschriften die de maximale bouwdiepte van de zone bepaalt waarop gebouwen kunnen worden opgericht. Zoals opgemerkt in het vorige randnummer, vindt de niet-toepassing van dit voorschrift geen steun in de (eventueel toe te passen) regel dat het voorschrift ouder is van 15 jaar. De toepassing van deze regel blijkt niet uitdrukkelijk uit de motivering van de akte én de uitdrukkelijke toetsing aan andere voorschriften van de verkaveling laat precies besluiten dat verwerende partij géén toepassing van deze regel heeft willen maken. Dergelijke motivering, waarin besloten wordt dat een aanvraag niet van de geldende voorschriften afwijkt door abstractie te maken van één van de pertinente voorschriften, is niet afdoende, vormt niet het resultaat van een zorgvuldig onderzoek van het juridisch kader waarin de aanvraag moet worden ingepast en is onverenigbaar met de materiële motiveringsplicht die op verwerende partij rust”. 7. Het bestreden arrest verwerpt dat middelonderdeel van verzoeker om volgende relevante redenen: - verzoeker voert aan dat de omgevingsvergunning strijdt met de maximaal toegelaten bouwdiepte uit artikel 2.01 van de verkavelingsvoorschriften en dat de provincie deze bepaling wel citeert maar onterecht aan de toetsing hiervan voorbij is gegaan, - verzoeker gaat uit van een verkeerde lezing van dit verkavelingsvoorschrift, - het wordt niet betwist dat de skateramp een diepte heeft van 6,02 meter zodat de toegestane bouwdiepte kennelijk niet wordt overschreden, - verzoeker slaagt er niet in om aan te tonen dat de beoordeling op grond waarvan besloten wordt dat het aangevraagde verenigbaar is met de toegestane afmetingen in de verkavelingsvoorschriften, ondeugdelijk is. VII-41.081-5/11 8. Het middelonderdeel dat voor het eerst in cassatie aanvoert dat de verkavelingsvoorschriften uitsluitend de oprichting van een eengezinswoning en dus niet enige andere bebouwing die niet voor bewoning is bestemd, toelaten en dat de skateramp niet als een gebouw bedoeld in de toepasselijke verkavelingsvoorschriften kan worden beschouwd, is onontvankelijk. Tweede middelonderdeel 9. Artikel 2.01 van de toegepaste verkavelingsvoorschriften luidt: “2.01 Bouwstrook [...] 4° Afmetingen van de gebouwen [...]
- b)Bouwdiepte Minimum 8 m en maximum de helft van de perceelbreedte, gemeten op de voorgevelbouwlijn. [...]”. 10. Het bestreden arrest verwerpt het middelonderdeel waarin verzoeker heeft aangevoerd dat de bestreden vergunningsbeslissing “strijdt met de maximaal toegelaten bouwdiepte uit artikel 2.01 van de voorschriften van de verkavelingsvergunning” en dat de provincie “aan de toetsing hiervan voorbij is gegaan” om volgende redenen: “De verzoekende partij, hierbij gevolgd door de tussenkomende partijen, gaat in dit middelonderdeel uit van een verkeerde lezing van dit voorschrift waar ze stelt dat de bouwdiepte overschreden wordt. Ze gaat er in haar argumentatie immers van uit dat de aangehaalde bepaling de maximale diepte bepaalt tot waar op perceel bebouwing kan voorkomen. Echter blijkt uit de bepaling dat hierin afmetingen van het gebouw zelf worden gelimiteerd en niet de inplantingswijze op het perceel. De inplanting wordt immers geregeld door het vastleggen van de bouwvrije stroken op het perceel. Uit de gegevens van de aanvraag blijkt dat het perceel een bouwvrije voortuinstrook heeft van 15 meter. Ook blijkt dat het perceel een totale diepte heeft van 127,34 meter, en een breedte van 82,01 meter gemeten op de voorste perceelgrens, en 77,83 op de achterste perceelgrens. Het perceel versmalt aldus naar achter toe. De verzoekende partij stelt dat de breedte van het perceel ter hoogte van de voorgevellijn van de woning VII-41.081-6/11 ongeveer 80 meter bedraagt. De skateramp heeft, zoals in de bestreden beslissing omschreven en blijkt uit de aanvraag, een breedte van 20,24 meter en diepte van 6,02 meter. Nu artikel 2.01, 4° van de verkavelingsvoorschriften bepaalt dat de diepte van een gebouw maximum de helft van de perceelbreedte, gemeten op de voorgevelbouwlijn, mag bedragen, en niet wordt betwist dat de skateramp een diepte heeft van 6,02 meter, wordt de toegestane bouwdiepte kennelijk niet overschreden”. 11. Het middelonderdeel, in zoverre het voor het eerst in cassatie aanvoert dat de door de verkavelingsvoorschriften toegelaten bouwdiepte wordt “gemeten op de voorgevelbouwlijn”, is niet ontvankelijk. Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat ervan uitgaat dat het verkavelingsvoorschrift in artikel 2.01, 4° de inplantingswijze op het perceel en niet de afmetingen van het gebouw limiteert, faalt naar recht en kan derhalve niet tot cassatie leiden. Derde middelonderdeel 12. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. 13. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest op onwettige wijze besluit dat de bouwdiepte van de skateramp verenigbaar is met het verkavelingsvoorschrift omdat de bouwdiepte van 6,02 meter voldoet aan dat voorschrift, noopt de Raad van State tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb van het door verzoeker aangevoerde tweede onderdeel van het eerste middel van verzoeker. VII-41.081-7/11 Het middelonderdeel is bijgevolg niet ontvankelijk. 14. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt verzoeker 15. Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, het algemeen beginsel van de motiveringsverplichting van de rechter, en artikel 6,1.2.1.1, (lees 6.1.2.1.4) van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ omdat in het bestreden arrest - “ter beantwoording van het eerste onderdeel van het eerste middel wordt gesteld dat de toets aan de gewestplanvoorschriften niet relevant is, zodat de vergunningsbeslissing ook niet op tegenstrijdige motieven steunt”, - “ter beantwoording van het derde onderdeel van het eerste middel […] evenwel uitgebreid [wordt] onderzocht of de vergunningverlenende overheid wettig kon besluiten dat de vergunde skateramp verenigbaar is met de gewestplanbestemming, zonder evenwel uitdrukkelijk en op ondubbelzinnige wijze aan te geven dat het een irrelevant of overtollig motief betreft waarvan de onwettigheid niet zou leiden tot de vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing”. In een eerste middelonderdeel betoogt verzoeker dat deze motieven tegenstrijdig zijn en dus “elkaar op[heffen], zodat de beantwoording van het eerste middel met een motiveringsgebrek is behept”. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat een skateramp voor professioneel gebruik en met de afmetingen zoals aangevraagd, uit zijn aard niet verenigbaar is met een woongebied van louter residentiële aard dat bestemd is voor ‘rustig verblijf’. VII-41.081-8/11 Beoordeling Eerste middelonderdeel 16. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 17. Het bestreden arrest oordeelt in het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel van verzoeker dat de toetsing aan de voorschriften van het gewestplan op zich niet relevant is aangezien de provincie de aanvraag uitdrukkelijk heeft getoetst aan de verkavelingsvoorschriften. Derhalve is de vaststelling van de RvVb bij de bespreking van het derde onderdeel van het eerste middel van verzoeker dat “[w]aar de [provincie] dit wel doet, […] de betrokken beoordeling afdoende is en dat [verzoeker] faalt om het tegendeel aan te tonen”, niet tegenstrijdig met zijn oordeel over het eerste onderdeel van het eerste middel van verzoeker. VII-41.081-9/11 18. Het middelonderdeel wordt verworpen. Tweede middelonderdeel 19. Het middelonderdeel dat aanvoert dat de skateramp met de weergegeven eigenschappen en bestemd voor professioneel gebruik uit zijn aard onverenigbaar is met de bestemming woonpark, is niet gericht tegen het bestreden arrest en noopt de Raad van State tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb van het door verzoeker aangevoerde derde onderdeel van het eerste middel van verzoeker. Het middelonderdeel is bijgevolg niet ontvankelijk. 20. Het middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-41.081-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-41.081-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.363 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div