← België

Arrest 252366 - Dierenwelzijn - 09/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.366 Rolnummer: A. 234195/VII-41177 Zaak: Arrest 252366 - Dierenwelzijn - 09/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-20 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-12 15:25 Fiche Arrest nr 252.366 van 9 december 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 252.366 van 9 december 2021 in de zaak A. 234.195/VII-41.177 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kilian Stulens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 22 september 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de “bestemmingsbeslissing genomen op 22 juli 2021 door het Afdelingshoofd Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplannen en- projecten van het Vlaams Gewest, Departement Omgeving, waarbij 1 hond […], in toepassing van artikel 42, §2 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren […] op bevel van de Dienst Dierenwelzijn, definitief in volle eigendom gegeven werd aan het erkende asiel dat daarmee instemt”. De vordering strekt er eveneens toe voorlopige maatregelen te bevelen “zodat kan worden vermeden dat de hond wordt

(1)geadopteerd of
(2)geëuthanaseerd”. VII-41.177-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
  1. Bij arrest nr. 251.353 van 6 augustus 2021 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft op 29 oktober 2021 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december
  2. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip Van Der Mauten, die loco advocaat Kilian Stulens verschijnt voor verzoekster, en advocaat Maxim Lecomte, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Na een eerste controle door de politie van de zone Limburg Regio Hoofdstad op 8 juni 2021, gevolgd door drie hercontroles op verschillende datums, wordt de hond Zeyna, eigendom van verzoekster, op 25 juni 2021 in beslag genomen. VII-41.177-2/16 Met een bestemmingsbeslissing, gedateerd op 22 juli 2021 doch ondertekend op 23 juli 2021, wordt de hond Zeyna definitief in volle eigendom gegeven aan het erkend dierenasiel, dat hiermee instemt. Dit is de bestreden beslissing. Uit de motivering van deze beslissing blijkt dat de hond Zeyna die het voorwerp uitmaakt van de bestemmingsbeslissing, op één jaar tijd driemaal drachtig was van een andere hond die vertoeft bij verzoekster en telkens heeft geworpen. Verzoekster verklaart nooit op de hoogte zijn geweest van het feit dat de hond drachtig was. Een dierenasiel heeft in december 2020 negen pups opgehaald bij verzoekster. Enkele dieren waren overleden, omdat zij waren gevallen van het bed in de slaapkamer waarop de hond had geworpen. Eén pup die nog leefde, was zodanig verwond, dat zijn poot was geamputeerd. De verzoekende partij wordt door het dierenasiel verzocht om de in huis aanwezige reu te castreren en de hond Zeyna te steriliseren. Bij een controle door de politie op 8 juni 2021 worden vier honden, waaronder de reu en de hond Zeyna aangetroffen. De verzoekende partij meldt dat de castratie van de reu nog niet heeft plaatsgevonden, onder meer wegens financiële problemen. Evenmin is zij al met de pup, geboren in april 2020, naar de dierenarts kunnen gaan, net zomin als met de pup geboren in april
  5. Er wordt voorts geconstateerd dat de wijfjeshond duidelijke huidproblemen vertoont. Verzoekster verklaart dat zij nog niet naar de dierenarts is kunnen gaan. Er wordt evenwel afgesproken dat zij dat spoedig zal doen, ook om de reu te castreren. Bij een hercontrole op 18 juni 2021 laat verzoekster weten dat zij geen afspraak heeft gehad met een dierenarts. De hond vertoont nog steeds dezelfde huidproblemen. Er wordt verzoekster gevraagd dat zij onmiddellijk contact opneemt met een dierenkliniek, wat zij ook doet. Er wordt in aanwezigheid VII-41.177-3/16 van de politie-inspecteur een afspraak gemaakt voor het nazicht van de hond later op de dag en voor een castratie van de reu op 5 juli
  6. Er was nooit eerder tot castratie overgegaan wegens financiële problemen, zo verklaart verzoekster later gedurende het politieverhoor. De politie-inspecteur neemt op 19 juni 2021 contact op met de dierenkliniek die meldt dat verzoekster haar afspraak van 18 juni had geannuleerd en die had verplaatst naar 21 juni
  7. Die dag gaat verzoekster naar de dierenarts met haar hond. De dierenarts schrijft antibiotica voor, maar verzoekster laat weten dat zij die niet aanschaft wegens financiële moeilijkheden. Zij zou de geneesmiddelen later komen ophalen. Wanneer de politie op de hoogte wordt gebracht van het feit dat op 22 juni 2021 de antibiotica nog steeds niet zijn opgehaald door verzoekster, wordt uiteindelijk de dienst Dierenwelzijn ingeschakeld. Op 25 juni 2021 begeeft de politie zich naar de woning van verzoekster die erkent dat zij nog steeds de antibiotica niet is gaan ophalen. De hond wordt in beslag genomen, teneinde die de nodige diergeneeskundige verzorging te bieden en te vermijden dat die opnieuw drachtig wordt. Bij e-mailbericht van 5 juli 2021 meldt verzoekster dat de reu is binnengebracht voor castratie, maar schrijft zij eveneens dat er met de wijfjeshond “toch niks aan de hand [is,] enkel en al[l]een soor[t] huid allergie”. De dierenarts die de hond heeft behandeld, geeft te kennen dat met een consequente behandeling er resultaten kunnen worden geboekt. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  8. Op grond van artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat prima facie de vernietiging van de aangevochten akte of het VII-41.177-4/16 reglement kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van verzoekster
  9. Een eerste middel is afgeleid uit “de schending van het zorgvuldigheids-, redelijkheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel”. Verzoekster betoogt dat voormelde beginselen zijn geschonden: “- doordat de beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen aangezien er geen rekening is gehouden met de zekerheden gegeven door de verzoekende partij. - doordat verzoekende partij had mogen vertrouwen op de gedragslijn van de overheid en de toezeggingen en beloftes die de overheid heeft gedaan. - doordat de overheid alsnog een beslissing heeft genomen zonder zich te houden aan de termijn die zijzelf aan verzoekende partij heeft gegeven om zich te conformeren met de wensen van de overheid”. In het verzoekschrift wordt het middel toegelicht: “De bestreden beslissing is niet verenigbaar is met het voormelde algemeen beginsel van bestuur, doordat niet met de vereiste zorgvuldigheid werd afgewogen welke maatregel met toepassing van de dierenwelzijnswet aan de verzoekende partij zou worden opgelegd. De verwerende partij koos er integendeel voor om de meest ingrijpende maatregel op te leggen, terwijl die beslissing niet proportioneel is ten aanzien van de betrokken feiten. Zoals blijkt uit e-mailverkeer met de raadsman van verzoekende partij werden er verschillende voorstellen gedaan aan de Dienst opdat het dierenwelzijn in de toekomst kan worden gevrijwaard. […] Tegelijk heeft verzoekende partij aan de Dienst een gedetailleerd overzicht gegeven van haar financiële situatie. In die informatie werd iedere kostenpost die verzoekende partij heeft opgenomen. Al snel is duidelijk dat verzoekende partij tussen de 400,00 à 500,00 euro per maand aan haar hond kon spenderen, zonder enige schuld op te bouwen. Merk op: verzoekende partij krijgt momenteel een werkloosheidsvergoeding van +- 1.850,00 euro, hetgeen niet haar gebruikelijk inkomen is. Zoals verder uit dit verzoekschrift zal blijken werd verzoekende partij eind 2020 VII-41.177-5/16 geconfronteerd met een traumatische ervaring (verkrachting) waardoor zij emotioneel niet langer in staat was om haar gebruikelijk werk uit te oefenen. Haar gebruikelijk werk bestond uit vaste nachtposten bij de Nikefabriek te Meerhout. (dit blijkt o.a. uit het proces-verbaal van de politie n.a.v. de traumatische gebeurtenis: […]). Haar inkomen was destijds + 2.200,00 euro. Zelfs met haar werkloosheidsvergoeding heeft ze nog steeds voldoende financiële middelen om de toekomst van haar hond te verzekeren. Ondanks verschillende zekerheden die aan de Dienst Dierenwelzijn werden gegeven is men, zonder enige nadere toelichting, overgaan tot overdracht van de eigendom van de hond. Nochtans bleek uit alle aangeleverde informatie (en telefonische contacten met mevr. Carine Vernaillen, bevoegde inspecteur van de Dienst) dat verzoekende partij alle nodige stappen wenste te ondernemen zodat er zich in de toekomst geen problemen meer zouden voordoen. Verzoekende partij voegt hieronder een deel van de e-mail die haar raadsman op 23.07.2021 aan de Dienst […] toestuurde n.a.v. telefonische contacten (en door verzoekende partij werd bevestigd via een aparte e-mail: […]): ‘Intussen heeft mijn cliënte (ze leest mee in CC) mij laten weten dat zij financieel in staat is om de behandeling voor Zeyna verder te kunnen verzekeren. Los van de andere kosten kan ze voor de huidproblematiek minstens 100,00 euro per maand vrijmaken. Zij stelde mij voor om u (of inspecteur Della Volpe) maandelijks op de hoogte te houden van
(1)de opvolging door de dierenarts
(2)bewijs van betaling en afhalen nodige medicatie
(3)toesturen van foto's. Uiteraard bent u er ook steeds welkom voor een bezoek ter plaatse. Ik meen dat bovenstaande elementen u moeten kunnen overtuigen om Zeyna aan cliënte terug te geven, met de nodige zekerheden naar de toekomst toe. Zij weet wat de gevolgen zijn indien zij niet het nodige doet voor het naleven van de eventuele voorwaarden die u wenst op te leggen. Alvast een goed weekend!’ De raadsman van concluant heeft op 19.07.2021 (35 minuten) alsook op 22.07.2021 (8 minuten) rechtstreeks telefonisch contact gehad met inspecteur Vernaillen. […] De uitkomst van deze telefonische contacten werd steevast met verzoekende partij gedeeld. […] Er werd bijvoorbeeld afgesproken dat verzoekende partij duidelijkheid moest scheppen over haar financiële situatie, hetgeen zij heeft gedaan. Tegelijk heeft zij haar mannelijke hond laten castreren zodat er in de toekomst geen pups meer geboren konden worden. (zie PV van de politie d.d. 07.06.2021) Dit waren steevast voorwaarden die enerzijds door de politie-inspecteur en anderzijds door de inspecteur van de Dienst Dierenwelzijn aan verzoekende partij werden voorgesteld opdat zij haar hond zou terugkrijgen. Ondanks het gegeven dat zij alle voorwaarden heeft nageleefd en alle zekerheden naar de toekomst toe heeft gegeven werd er een bestemmingsbeslissing (eigendomsoverdracht) genomen. Verwerende partij heeft in de UDN-procedure bij Uw Raad opgeworpen dat zij, op het moment dat zij de bestreden beslissing heeft genomen, niet beschikte over de informatie aangezien (citaat uit de nota met opmerkingen van verwerende partij bij de UDN: VII-41.177-6/16 ‘De mails van 23 juli 2021 van 12u27 en van 15u49 van de raadsman van verzoekende partij […] respectievelijk net vóór en net na de bestemmingsbeslissing van diezelfde dag om 13u47 kunnen vanzelfsprekend niet in aanmerking worden genomen, aangezien de beslissing respectievelijk in volle voorbereiding was (men kan niet verwachten dat ‘last minute’ mails onmiddellijk worden gelezen en onmiddellijk aan de bevoegde persoon worden overgemaakt) of reeds genomen was. Verzoekende partij staat al sinds 8 juni 2021 in contact met de overheid en het is slechts voor het eerst op 23 juli 2021 dat zij aangeeft financieel in staat te kunnen zijn de medicatie te kunnen betalen (en dit blijkbaar na aangeven van haar raadsman […]). Zij heeft nooit zelf het initiatief genomen het nodige te doen noch om te bewijzen dat zij hiertoe in staat zou zijn, terwijl zij voldoende de tijd heeft gehad om dit te doen.’ Net daar wringt het schoentje in deze zaak. Aan verzoekende partij werd, in de week van 19 tot en met 25 juli de mogelijkheid gegeven om de nodige bewijsstukken aan de Dienst te bezorgen. Mevrouw Vernaillen diende aanwezig te zijn op de slachtbanken tijdens het Offerfeest (dat dit jaar doorging van maandag 19 juli (avond) tot en met vrijdag 23 juli (avond)) en kon haar documenten nog niet overmaken aan ‘Brussel’. Het dossier kon pas ten vroegste op 26 juli 2021 aan ‘Brussel’ worden toegestuurd. Een beslissing zou aldus onmogelijk worden genomen in de week van 19-25 juli. Aan de raadsman van verzoekende partij werd medegedeeld dat verzoekende partij moet aantonen dat zij 60-70 euro per maand opzij kan zetten voor de medische zorgen van de hond. Verzoekende partij kan verwijzen naar stuk 5 (e-mail van de raadsman van verzoekende partij aan verzoekende partij n.a.v. een telefonisch contact met mevr. Vernaillen): lk heb een zeer uitvoerig gesprek gehad met de inspecteur van de Dienst Dierenwelzijn (mevr. Vernaillen). Voor de inspecteur is de situatie niet uitzichtloos maar zij wenst een aantal zekerheden. Mevr. Vernaillen denkt aan de toekomst van Zeyna en deelde mij mee dat haar behandeling minimaal 2 euro per dag (60 euro per maand) zal kosten. Zij is op de hoogte van uw financiële situatie en maakt zich hierover zorgen... Kan u enige zekerheid geven dat u financieel voldoende slagkracht heeft om in de toekomst minstens 60 euro per maand te betalen voor haar behandeling? lk vrees dat we zonder meer duidelijkheid/zekerheid te geven over uw financiële situatie Zeyna moeilijk gaan terugkrijgen. Laat maar weten. Ik heb mevr. Vernaillen gezegd dit met u te bespreken. Zij heeft momenteel 3 dagen dienst voor controle bij het Offerfeest dus zal in ieder geval deze week geen beslissing nemen. Indien verwerende partij zou ontkennen dat mevr. Vernaillen dit aan de raadsman van verzoekende partij zou hebben medegedeeld kan verzoekende partij niet anders dan vragen om mevr. Vernaillen te laten oproepen voor Uw Raad. Zij zal als getuige moeten worden gehoord. Verzoekende partij moet kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concreet VII-41.177-7/16 geval heeft gedaan. Het vertrouwensbeginsel is geschonden. De overheid heeft een vergissing begaan door alsnog te oordelen voor de termijn waarbinnen verzoekende partij stukken kon bijbrengen die moesten verhinderen dat er een bestemmingsbeslissing werd genomen. Tegelijk werd er aan verzoekende partij een voordeel gegeven aangezien zij een termijn kreeg om stukken bij te brengen waaruit bleek dat zij wel degelijk de nodige financiële middelen heeft om voor de behandeling van de hond in te staan. De overheid had geen gewichtige redenen om het voordeel, dat aan verzoekende partij werd toegekend, terug te vorderen. Een burger mag vertrouwen in beloftes of toezeggingen die een zorgvuldig handelende overheid doet. In deze zaak werd dat vertrouwen geschonden aangezien de overheid zich niet aan haar beloftes/toezeggingen heeft gehouden. De overheid heeft, althans volgens de gevoerde UDN-procedure en het daarin behandelde eerste middel, een redelijke beslissing genomen op grond van juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens. Wat in casu evenwel is gebeurd is een overheid die aan verzoekende partij de mogelijkheid geeft om gegevens bij te brengen (toezegging/belofte) die in het voordeel van verzoekende partij spelen maar haar niet de kans geven om die bij te brengen (door een termijn te geven maar zich daar niet zelf aan te houden). De overheid heeft een beslissing genomen zonder rekening te houden met gegevens die verzoekende partij tot en met 25 juli 2021 kon bijbrengen door op 23 juli 2021 een bestemmingsbeslissing te nemen. Van een overheid mag een andere houding worden verwacht. Tot slot ontbreekt enige concrete motivering waarom verwerende partij niet op dit gegeven zekerheden van verzoekende partij is ingegaan. Elke beslissing van het bestuur dient op motieven te berusten die in feite en in rechte aanwezig zijn. Zij moeten pertinent zijn en de beslissing kunnen verantwoorden. In het andere geval staat een schending van het motiveringsbeginsel vast. Minstens had verwerende partij nog, na de ontvangst van de nieuwe informatie, aan verzoekende partij moeten laten weten waarom die informatie niet zou volstaan om de bestreden beslissing in te trekken”. Beoordeling
  1. De sanitaire toestand waarin de hond verkeerde, zoals vastgesteld door de lokale politie en een dierenarts, en zoals blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing, laat niet toe aan te nemen dat de gevolgtrekking die de verwerende partij heeft gemaakt - namelijk dat geen gepaste verzorging werd verschaft - onzorgvuldig tot stand is gekomen. De gegevens van de zaak tonen aan dat verzoekster niet de nodige maatregelen heeft genomen om de hond in overeenstemming met haar gezondheidstoestand aangepaste verzorging te verschaffen, zoals nochtans opgelegd door artikel 4, § 1, van de wet van VII-41.177-8/16 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’(hierna: dierenwelzijnswet). Uit het feitenrelaas blijkt dat verzoekster meermaals haar hond de nodige diergeneeskundige verzorging heeft ontzegd wegens financiële moeilijkheden. De verwerende partij heeft niet onzorgvuldig gehandeld door, op grond van de historiek en de vaststellingen waaronder de sanitaire toestand van de hond, tot het oordeel te komen dat die geen gepaste verzorging kreeg. De kritiek dat in de bestreden beslissing geen rekening werd gehouden met de garanties die verzoekster ondertussen zou bieden voor de verbetering van het dierenwelzijn, is niet van aard om de feitenvinding die is verricht en waarop de bestreden beslissing steunt, te weerleggen. Daarenboven komt het, ondanks de zekerheden die verzoekster zou hebben geboden aan de inspecteur-dierenarts, niet aan die ambtenaar toe om te beslissen over de bestemming van het dier. Enkel de hiertoe bevoegd gemaakte ambtenaar kan beslissen over de bestemming van het dier en hiervoor één van de bestemmingsmogelijkheden kiezen, waarna de Raad van State, indien hij hiertoe wordt geroepen, zijn wettigheidscontrole uitoefent. De omstandigheid dat mogelijks een inspecteur-dierenarts een andere bestemmingsbeslissing mogelijk achtte, doet geen afbreuk aan de beslissingsbevoegdheid van de ambtenaar die is gemachtigd om de uiteindelijke bestemming te bepalen, in het licht van alle kenmerken van het hem voorgelegde dossier. Uit de houding van een inspecteur-dierenarts die overtredingen op de dierenwelzijnswet opspoort en vaststelt maar niet bevoegd is om een bestemmingsbeslissing te nemen – onterecht spreekt de raadsman van verzoekster in een e-mailbericht van 19 juli 2021 over “de mogelijke beslissingen die de inspecteur kan nemen” – volgt niet dat verzoekster erop mocht vertrouwen dat de bevoegde ambtenaar zou beslissen zoals gewenst door die inspecteur-dierenarts, daargelaten de vraag of de inspecteur-dierenarts uiteindelijk de zaak anders zou hebben bekeken dan de bevoegde ambtenaar. Er rust daarbij geen enkele verplichting op de bevoegde ambtenaar om te motiveren waarom hij anders zou oordelen dan een niet-bevoegde ambtenaar. Enige schending van het ingeroepen rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel kan dan ook niet worden aangenomen. VII-41.177-9/16
  2. Het redelijkheidsbeginsel is slechts geschonden wanneer de overheid een beslissing neemt, die dermate afwijkt van een normaal beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden tot die beslissing zou komen. Gelet op de historiek en de vaststellingen waarop de bestreden beslissing steunt, kan niet worden aangenomen dat de verwerende partij de perken van de redelijkheid is te buiten gegaan door de beslissing van het geven van de hond in volle eigendom aan een dierenasiel te nemen, die één van de mogelijkheden is die haar door de wetgever zijn toegekend. Daarenboven blijkt dat verzoekster meermaals de kans heeft gekregen om alle op haar rustende verplichtingen die volgen uit haar beslissing om dieren te houden thuis, na te komen. Het is pas wanneer bleek dat verzoekster in gebreke bleef om de hond de nodige verzorging te bieden, dat van overheidswege werd opgetreden, onder meer met de bestreden beslissing. Een schending van het redelijkheidsbeginsel is niet aangetoond. Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van verzoekster
  3. Een tweede middel is afgeleid uit “een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en het beginsel van het verbod van machtsafwending en machtsoverschrijding”. VII-41.177-10/16 Verzoekster betoogt dat voormelde bepalingen en beginselen werden geschonden: “doordat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de persoon die de bestemmingsbeslissing heeft genomen daartoe wel degelijk de vereiste bevoegdheid had op het moment van de beslissing”. Zij licht het middel als volgt toe: “Verzoekende partij heeft kunnen vaststellen dat de bestreden beslissing werd ondertekend door een persoon die hiertoe geen bevoegdheid heeft. Mevrouw Lina Grooten (Afdelingshoofd Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplannen en -projecten) tekende de bestreden beslissing. Dit kan niet wegens een gebrek aan bevoegdheid daartoe. […] Er dient, op basis van het administratief dossier dat ter beschikking werd gesteld aan verzoekende partij, te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing in ieder geval onwettig tot stand is gekomen. Dit middel werd n.a.v. de UDN-procedure als niet ernstig beschouwd aangezien de bestreden beslissing door het afdelingshoofd Lina Grooten werd genomen op het ogenblik dat de secretaris-generaal van het departement Omgeving met vakantie was. In het arrest (nr. 251.353) werd verwezen naar artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juli 2014 ‘tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering’. Hieraan werd het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 ‘tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen’ gekoppeld, meer bepaald de artikelen 17 en
  4. Uit de vermelding ex. art. 22 ‘voor de secretaris-generaal, afwezig’ zou de beslissingsbevoegdheid volgen. Verzoekende partij moet vaststellen dat er hier een interpretatie wordt gegeven aan het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 die strijdig is met dat besluit. Er kan wel degelijk worden verwezen naar de arresten van de Raad van 26 november 2020 (nr. 249.060) en 9 september 2021 (nrs. 251.446 en 251.447) [.] […] Die arresten treden de zienswijze van verzoekende partij dus volledig (!) bij aangezien er geen enkele bepaling van het besluit (dus ook niet met toepassing van art. 22) aan een (vervangend) afdelingshoofd de bevoegdheid wordt gegeven om een bestemmingsbeslissing inzake dieren te nemen. Dit wil niet zeggen dat er geen bevoegdheden werden gedelegeerd in het besluit maar wel het nemen van een bestemmingsbeslissing niet gedelegeerd werd! Tegelijk moet worden vastgesteld dat een afdelingshoofd enkel en alleen bevoegdheden heeft in materies die onder zijn/haar afdeling vallen. In casu is dat niet het geval aangezien Lina Grooten afdelingshoofd is van de afdeling ‘Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplannen en -projecten’ . VII-41.177-11/16 Opvallend is dat er in de UDN-procedure (en het arrest) nergens werd verwezen naar het besluit van de secretaris-generaal van het departement Omgeving van 6 november 2018 houdende delegatie van sommige bevoegdheden inzake Omgeving aan personeelsleden van het departement Omgeving, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 december
  5. Dit besluit bepaalt nochtans op een gedetailleerde wijze de bevoegdheden van de afdelingshoofden. Verzoekende partij heeft hier in haar verzoekschrift tot schorsing bij uiterste dringende noodzakelijkheid en tot het bevelen van voorlopige maatregelen nochtans naar verwezen... De vermelde arresten kunnen aldus wel degelijk worden geprojecteerd op onderhavige zaak aangezien er geen enkele bevoegdheid bestaat (zelfs niet bij afwezigheid van de secretaris-generaal) voor Lina Grooten om de bestemmingsbeslissing te nemen. Verzoekende partij kan verder nog verwijzen naar de hoofdstukken van het besluit van 6 november 2018 (materies waarvoor er delegatie van bevoegdheden is voor afdelingshoofden): interne organisatie en personeelsmanagement - overheidsopdrachten inzake uitrusting en goede werking van de afdeling - overheidsopdrachten en opdrachten in het kader van een raamovereenkomst - ondertekenen van briefwisseling. Kortom: afdelingshoofden hebben geen bevoegdheid voor het nemen van bestemmingsbeslissingen van dieren (en al zeker niet afdelingshoofden van een andere afdeling). Tegelijk kan nog worden verwezen naar de artikelen 3 en 4 van het besluit van 6 november 2018 alwaar o.a. wordt bepaald voor welke gedelegeerde beslissingsbevoegdheden de delegatie zich uitstrekt (niet voor bestemmingsbeslissingen). Zelfs al zou Lina Grooten, op basis van de aangehaalde besluiten, over enige beslissingsbevoegdheid beschikken (quod non!) dan nog moet worden vastgesteld dat uit de stukken van het dossier blijkt dat zij enkel bevoegden heeft gedelegeerd gekregen in haar domeinen van haar afdeling (Afdelingshoofd Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplannen en -projecten). Dit blijkt genoegzaam uit stuk 4 van verwerende partij (e-mail afkomstig van BJO.omgeving@vlaanderen.be - afdeling BJO). Mevrouw Lina Grooten heeft bevoegdheden gekregen die vallen onder de afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning (BJO), niet meer — niet minder. De ‘aan-regel’ van de e-mail laat geen interpretatie toe: ‘Omgeving – afdeling BJO — distributielijst’ […] Verwerende partij zal wel willen toelichten uit welke bepalingen van welke besluiten zou blijken dat mevrouw Lina Grooten over de nodige bevoegdheden beschikte op het moment dat zij de bestreden beslissing nam (en ondertekende)”. VII-41.177-12/16 Beoordeling
  6. De bestreden beslissing is genomen gedurende de zomervakantie. De secretaris-generaal van het departement Omgeving was vanaf 22 juli met vakantie. Artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juli 2014 ‘tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering’ luidt: “De leden van de Vlaamse Regering kunnen hun bevoegdheden, gedelegeerd overeenkomstig hoofdstuk 2, delegeren aan personeelsleden van de diensten van de Vlaamse Regering en de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest. Ze kunnen die personeelsleden machtigen om, als ze daarvan kennis geven, die bevoegdheden verder te delegeren en te laten subdelegeren aan personeelsleden die onderworpen zijn aan hun hiërarchisch gezag. […] De delegaties die aan personeelsleden zijn verleend in aangelegenheden die aan de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest zijn overgedragen, blijven gelden tot ze gewijzigd of opgeheven worden, binnen de grenzen bepaald door dit besluit”. In uitvoering van voornoemde bepaling is het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 ‘tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen’ aangenomen, dat in zijn artikel 17 bepaalt: “Het hoofd van het departement of agentschap heeft delegatie om beslissingen te nemen over: […] 6° toezichts-, controle- en inspectietaken; […]”. De controle op het dierenwelzijn is sinds de zesde staatshervorming een bevoegdheid van het departement Omgeving, waarbij aan het hoofd van dat departement delegatie is verleend met betrekking tot die taak. De conclusie dringt zich dus op dat het toekwam aan de secretaris-generaal om, op VII-41.177-13/16 basis van vaststellingen van de inspecteur-dierenarts bij de inspectie Dierenwelzijn van het departement Omgeving, een bestemmingsbeslissing te nemen. Artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 bepaalt: “De bij dit besluit verleende delegaties worden ook verleend aan het personeelslid dat met de waarneming van de functie van hoofd van het departement of hoofd van het agentschap belast is of dat het hoofd van het departement of agentschap vervangt bij tijdelijke afwezigheid of verhindering. In geval van tijdelijke afwezigheid of verhindering plaatst het betrokken personeelslid, boven de vermelding van zijn graad en handtekening, naar gelang het geval een van de volgende formules: 1° ‘voor de secretaris-generaal, afwezig’; 2° ‘voor de administrateur-generaal, afwezig’.” De secretaris-generaal van het departement Omgeving heeft op 8 juli 2021 laten weten dat hij vakantie neemt vanaf 22 juli en dat L. G. hem in zijn afwezigheid, en meer bepaald in de periode van 22 juli tot en met 30 juli, vervangt. Het bericht is door de secretaris-generaal zelf opgesteld. De omstandigheid dat het daarna nog eens werd doorgestuurd door Omgeving, afdeling BJO, naar de distributielijst van die afdeling, leidt niet tot een beperking van de gegeven delegatie. De bestreden beslissing is op 22 juli 2021 genomen “voor de secretaris-generaal, afwezig” en ondertekend door L. G. afdelingshoofd. In weerwil tot wat verzoekster betoogt, is er wel degelijk een beslissing voorhanden die, in toepassing van artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 wegens de tijdelijke afwezigheid van de secretaris-generaal, L.G. machtigde om de bestreden beslissing te nemen. Uit de voormelding “voor de secretaris-generaal, afwezig” blijkt uitdrukkelijk dat toepassing werd gemaakt van artikel
  7. Er is geen discussie over het feit dat L. G. een personeelslid is als bedoeld in artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober VII-41.177-14/16
  8. Die bepaling legt geen andere vereiste op dan dat diegene die de secretaris-generaal vervangt tijdens zijn afwezigheid, een personeelslid is. De rechtspraak die verzoekster aanhaalt en die geen betrekking heeft op de toepassing van artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015, is niet dienstig. De Raad van State heeft inderdaad beslist dat het besluit van de secretaris-generaal van het departement Omgeving van 6 november 2018 ‘houdende delegatie van sommige bevoegdheden inzake Omgeving aan personeelsleden van het departement Omgeving’ op een gedetailleerde wijze de bevoegdheden van de afdelingshoofden bepaalt. Geen enkele bepaling van dit besluit geeft aan een (vervangend) afdelingshoofd de bevoegdheid om een bestemmingsbeslissing inzake dieren te nemen. De Raad aanvaardt derhalve niet dat een andere ambtenaar dan de secretaris-generaal een bestemmingsbeslissing neemt … in het geval hij niet verkeert in een geval van tijdelijke afwezigheid of verhindering en er dus geen toepassing is gemaakt van artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober
  9. In het onderhavige geval was de secretaris-generaal wel tijdelijk afwezig en heeft hij uitdrukkelijk artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 aangewend. De vergelijking die verzoekster maakt, gaat derhalve niet op. Het middel is niet ernstig.
  10. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen te verwerpen. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen. VII-41.177-15/16
  12. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.177-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.366 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.353 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.806 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.