id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.370 Rolnummer: A. 228342/VII-40570 Zaak: Arrest 252370 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 09/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-20 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-12 15:28 Fiche Arrest nr 252.370 van 9 december 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 252.370 van 9 december 2021 in de zaak A. 228.342/VII-40.570 In zake :
- de BV GRANDVISION BENELUX
- de NV GRAND OPTICIENS BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo, Stefaan Raes en Tim Souverijns kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sébastien Depre, Grégoire Ryelandt en Tinne Wouters kantoor houdend te 1050 Brussel Flageyplein 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- de ALGEMENE PROFESSIONELE OPTICIENS- EN OPTOMETRISTENBOND VAN BELGIË
- de BELGIAN FEDERATION OF OPTOMETRISTS
- Serge Ernest Firmin BRUNINX
- Myrte GORIENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Mosselmans en Dorian Pycke kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de VZW SYNTRA LIMBURG
- de VZW SYNTRA PROVINCIES ANTWERPEN EN VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo, Stefaan Raes en Tim Souverijns kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- VII-40.570-1/8 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 juni 2019, strekt tot de nietigverklaring van “het koninklijk besluit van 27 februari 2019 betreffende het beroep van orthoptist-optometrist (BS 12 april 2019)”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De Algemene Professionele Opticiens- en Optometristenbond, de Belgian Federation of Optometrists, Serge Ernest Firmin Pierre Bruninx en Myrte Goriens hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 september
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. De vzw Syntra Limburg en de vzw Syntra Provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 september
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft op 21 oktober 2021 een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Op 26 november 2021 heeft zij een aanvullend verslag over een verzoek tot handhaving van de gevolgen opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december
- VII-40.570-2/8 Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laure Proost, die loco advocaten Frank Judo, Stefaan Raes en Tim Souverijns verschijnt voor de verzoekende partijen en de vijfde en zesde tussenkomende partij, advocaat Mateusz Rys, die loco advocaten Sébastien Depre, Grégoire Ryelandt en Tinne Wouters verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Antoine Georis, die loco advocaten Jens Mosselmans en Dorian Pycke verschijnt voor de eerste, tweede, derde en vierde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Doelloos beroep
- Het bestreden besluit is vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 251.846 van 14 oktober
- Dit arrest overweegt met betrekking tot een verzoek tot handhaving van de gevolgen geformuleerd door de eerste, tweede, derde en vierde tussenkomende partij: “Artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “Op verzoek van een verwerende of tussenkomende partij, en als de afdeling bestuursrechtspraak het nodig oordeelt, wijst ze die gevolgen van de vernietigde individuele akten of, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde reglementen aan, die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die ze vaststelt. De in het eerste lid bedoelde maatregel kan enkel worden bevolen om VII-40.570-3/8 uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden”. Deze bevoegdheid kan slechts worden gehanteerd wanneer vaststaat dat de vernietiging zonder meer van de bestreden handeling zeer zware gevolgen zou hebben op het stuk van de rechtszekerheid. Ingevolge artikel 14ter dienen “uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen” te worden aangetoond vooraleer specifieke gevolgen van een vernietigd besluit kunnen worden gehandhaafd. De verwerende of tussenkomende partijen dienen dan ook te bewijzen dat, specifiek vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid, de vernietiging onaanvaardbare gevolgen zou teweegbrengen. Gelet op het uitzonderlijk karakter van de handhaving van de gevolgen van een vernietigd besluit, komt het de verwerende of de tussenkomende partij toe om nauwgezet de gevolgen aan te duiden die moeten worden gehandhaafd en voor welke tijd. In geval van vernietiging komt het de verwerende partij toe om met het oog op de rechtszekerheid zonder onnodig uitstel een nieuw besluit te nemen en, in de mate van het mogelijke, de nadelige gevolgen voor derden te beperken. De tussenkomende partijen tonen, met hun summiere uiteenzetting in de laatste memorie, niet aan dat er niet binnen een redelijke tijdspanne een nieuw besluit kan worden genomen dat de meeste van de door hen aangevoerde gevolgen kan opvangen. Gelet op het voorgaande verzet artikel 14ter RvS-wet zich tegen het verzoek van de tussenkomende partijen om op grond van artikel 14ter RvS-wet de gevolgen van het bestreden besluit te handhaven.” Ingevolge dit arrest is het beroep doelloos geworden. IV. Verzoek tot handhaving gevolgen Standpunt van de eerste, tweede, derde en vierde tussenkomende partij
- In een “verzoek om de zaak op de terechtzitting te behandelen” overeenkomstig artikel 26 § 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State lichten de eerste, tweede, derde en vierde tussenkomende partij toe dat “de gevolgen van het arrest nr. 251.846 van 14 oktober 2021 verdere precisering behoeven en anderzijds (…) dat artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (…) dienen te worden toegepast”. VII-40.570-4/8 Samengevat zou het “voorstel” om het beroep doelloos te bevinden, niet kunnen worden bijgetreden omdat alsnog aangewezen zou zijn om de gevolgen van de vernietigde beslissing te handhaven en zich uitdrukkelijk uit te spreken over de reeds verleende erkenningen en attesten gelet op het ernstig risico van betwistingen. In fine vragen de eerste, tweede, derde en vierde tussenkomende partij “voor zover Uw Raad effectief besluit om de vernietiging van het koninklijk besluit van 27 februari 2019 betreffende het beroep van orthoptist-optometrist te bevestigen, definitief en bij wege van algemene beschikking de gevolgen te handhaven van de individuele bestuurshandelingen genomen op grond van het koninklijk besluit van 27 februari 2019 betreffende het beroep van orthoptist-optometrist, inzonderheid in zoverre het erkenningen en attesten betreft”. Beoordeling
- Het debat ten gronde evenals het verzoek van deze tussenkomende partijen om op grond van artikel 14ter RvS-wet de gevolgen van het koninklijk besluit van 27 februari 2019 te handhaven, zijn definitief beslecht bij arrest nr. 251.846 van 14 oktober
- Een verzoek zoals geformuleerd door de tussenkomende partijen kan niet worden aangewend om op oneigenlijke wijze terug te komen op eerder ingenomen definitieve standpunten. De gevraagde toepassing van artikel 36 van de RvS-wet wordt voorts niet concreet uiteengezet. V. Kosten
- In de gegeven omstandigheden past het de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij. VII-40.570-5/8 VII-40.570-6/8 Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 900 euro, elk voor een zesde. De onterecht betaalde bijdrage van 20 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. VII-40.570-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Eric Brewaeys Bart Tettelin VII-40.570-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.370 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.