← België

Arrest 252371 - Milieuvergunningen - 09/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.371 Rolnummer: A. 225252/VII-40273 Zaak: Arrest 252371 - Milieuvergunningen - 09/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-16 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-12 15:29 Fiche Arrest nr 252.371 van 9 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.371 van 9 december 2021 in de zaak A. 225.252/VII-40.273 In zake : de VZW AKTIEGROEP LEEFMILIEU KEMPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de opdrachthoudende vereniging PROVINCIALE EN INTERCOMMUNALE DRINKWATERMAATSCHAPPIJ DER PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Jo Van Lommel kantoor houdend te 2600 Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 maart 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 augustus 2017 houdende het verlenen aan de Provinciale en Intercommunale Drinkwatermaatschappij der Provincie Antwerpen (hierna: PIDPA) van de milieuvergunning voor de VII-40.273-1/36 exploitatie van een grondwaterwinning, gelegen aan de Zillendijk te Balen, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. PIDPA heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 augustus
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 30 juni 2020 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Thomas Quintens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jo Van Lommel, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.273-2/36 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 7 april 2017 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen een vergunningsaanvraag in voor een grondwaterwinning, gelegen aan de Zillendijk te Balen. De betrokken percelen zijn volgens de bepalingen van het gewestplan Herentals-Mol bestemd tot agrarisch gebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied (met overdruk waterwinningsgebied). De grondwaterwinning Balen-Nete is tevens gelegen in het habitatrichtlijngebied ‘Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor’. De aangevraagde grondwaterwinning bestaat concreet uit zes putten (waarvan 3 reserveputten) te Balen-Nete met een diepte van circa 170 meter en met een totaal maximaal jaardebiet van 1.690.000 m3/jaar en een seizoensafhankelijk dagdebiet. De vergunningsaanvraag vermeldt de volgende indelingsrubrieken: - rubriek 53.7: “andere boringen van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning voor de openbare watervoorziening dan de boringen, vermeld in subrubriek 53.1 en 53.4”; - rubriek 53.11.2: “onttrekken van grondwater met een debiet van 1000 m3 per dag of meer als de activiteit gelegen is in of een aanzienlijke invloed kan hebben op een gebied, zoals aangeduid ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen, of als de activiteit een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken”. VII-40.273-3/36 3.
  7. Bij besluit van 10 augustus 2017 verleent de deputatie de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar. De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van de volgende bijzondere voorwaarden: “[…] Er wordt grondwater gepompt uit de putten 2, 5 en
  8. De putten 3, 4 en 7 worden behouden als reserveput en worden enkel in geval van calamiteit of in het kader van instandhouding van de installaties beperkt in dienst genomen. […] Het post-monitoringsprogramma zoals beschreven in het project-MER PR0702 wordt verder uitgevoerd en waar nodig, in overleg met het Agentschap Natuur en Bos, verfijnd. […] De bevindingen van het monitoringsprogramma worden tweejaarlijks gerapporteerd aan het Agentschap Natuur en Bos, inclusief een beschrijving en evaluatie van de Natura 2000-habitats en de instandhoudingsdoelen. […] Wanneer uit dit rapport zou blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen in het gedrang komen, moeten, in samenspraak met ANB, de nodige maatregelen genomen worden. […] Het Pidpa-domein dient gepast beheerd te worden i.f.v. Natura 2000-habitats, de instandhoudingsdoelen en regionaal belangrijke biotopen, zowel naar geschikt natuurbeheer zelf alsook naar daarbij horend gepast beheer van het grachten- en irrigatiesysteem. […] In toepassing op artikel 5.53.4.1 §2 van titel II van Vlarem moeten er minstens 7 peilputten aanwezig zijn met een filter in het Quartair (HCOV 0100) of de Pleistoceen en Plioceen Aquifer (HCOV 0230) en minstens 4 peilputten met een filter in het Mioceen Aquifersysteem (HCOV 0250). […] In afwijking op artikel 5.53.4.6 §1 van titel II van Vlarem is het stilleggen van de grondwaterwinning gedurende ten minste 24 uur niet vereist maar wordt minstens eenmaal per jaar in alle pompputten en alle peilputten van het peilputtennetwerk het grondwaterpeil gemeten en het dagdebiet genoteerd. Op vraag van de VMM wordt de afpompingskegel bepaald. Deze afwijking geldt enkel tijdens de jaren waarin de winning nooit langer dan 5 opeenvolgende dagen stilligt. […] Pidpa neemt jaarlijks het initiatief tot een overleg met de VMM, de DIW, de gemeente Balen en het ANB. Op dit overleg wordt het irrigatieproject geëvalueerd (het debiet, tijdstip en plaats van het inlaten van dit gebiedsvreemd water besproken). Van zodra deze beschikbaar zijn, dienen ook de resultaten van de ecohydrologische studie geëvalueerd te worden tijdens dit overleg”. 3.
  9. Tegen voormelde vergunningsbeslissing stelt de verzoekende partij beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
  10. In het kader van de beroepsprocedure brengen het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB), de Vlaamse Milieumaatschappij, de afdeling VII-40.273-4/36 Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) een voorwaardelijk gunstig advies uit. 3.
  11. Op 15 maart 2018 neemt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het thans bestreden besluit waarbij het bestuurlijk beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. De beroepen vergunningsbeslissing wordt als volgt gewijzigd: “In artikel 3 c. ‘Bijzondere voorwaarden’ wordt het volgende geschrapt: ‘
  12. In afwijking op artikel 5.53.4.6, § 1 van titel II van Vlarem is het stilleggen van de grondwaterwinning gedurende ten minste 24 uur niet vereist maar wordt minstens eenmaal per jaar in alle pompputten en alle peilputten van het peilputtennetwerk het grondwaterpeil gemeten en het dagdebiet genoteerd. Op vraag van de VMM wordt de afpompingskegel bepaald. Deze afwijking geldt enkel tijdens de jaren waarin de winning nooit langer dan 5 opeenvolgende dagen stilligt.’ Aan artikel 3 c. ‘Bijzondere voorwaarden’ wordt het volgende toegevoegd: “Indien het irrigeren niet gegarandeerd kan worden (bijvoorbeeld door een calamiteit op het kanaal of een technisch defect bij de inlaat), moet de winning hieraan aangepast worden”. De bestreden beslissing steunt onder meer op de volgende motieven: “Overwegende dat de beroeper aanhaalt dat het project-MER (en het addendum) fouten bevat; dat de afdeling GOP (Milieueffectrapportage) (voormalige dienst MER) in het sub-advies van 14 december 2017 stelt dat, mede ondersteund door het gunstige advies over de passende beoordeling van het ANB, de richtlijnen voldoende verwerkt zijn geweest in het project-MER, zoals ook in het goedkeuringsverslag staat weergegeven; dat de dienst MER niet was geïnformeerd over de inhoud van het advies van het INBO aan het ANB ‘Advies over de project-MER voor de drinkwaterwinning Balen-Nete’ van 21 oktober 2015; dat de inhoudelijke evaluatie van de beroepsargumenten met betrekking tot het project-MER en de passende beoordeling verder in dit besluit geëvalueerd worden; [...] Overwegende dat de winning is gelegen in het habitatrichtlijngebied ‘Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor’ (BE2100040); dat de winning is gelegen in een zandig pakket; dat ook de formaties boven de Formatie van Diest zijn samengesteld uit zandige sedimenten; dat dit betekent dat de verlaging die ontstaat, kan doorwerken VII-40.273-5/36 tot in de bovenste lagen; dat om effecten inzake verdroging aan het maaiveld te beperken, er ter hoogte van de winning ook een irrigatieproject is (aan gemiddeld 34,5 m3 per uur, maximaal 100 m³ per uur) met stuwen, uitgewerkt door PIDPA en het ANB; dat voor de irrigatie wordt gebruikgemaakt van kanaalwater; dat het irrigeren valt onder een uitzonderingsbepaling van rubriek 54.2 en dus niet is ingedeeld in het VLAREM; dat PIDPA beschikt over een vergunning nr. D625/8013 voor de captatie van kanaalwater van 9 oktober 1997 voor een maximumcapaciteit van 200 m³ per uur; […] Overwegende dat de kwantitatieve en kwalitatieve impact van de winning op zijn omgeving werd onderzocht in het project-MER; dat volgens de berekeningen in het project-MER de gemiddelde grondwaterspiegel in het SBZ-gebied in de zomer gelijk blijft en tot 75 cm daalt in de winter ten gevolge van het geplande project (Balen-Nete); dat in het project-MER een oppervlakte van 4,7 km² wordt berekend met een freatische grondwaterstandsdaling groter dan 10 cm voor een gemiddeld winterpeil ten gevolge van alleen Balen-Nete en van 20,4 km² ten gevolge van Balen-Nete cumulatief met Balen-Kanaal; Overwegende dat de stijghoogtedaling in de aangepompte laag ten gevolge van de winning Balen-Nete tot 0,5 meter bedraagt voor het gemiddelde zomerpeil en tot 1,5 meter voor het gemiddelde winterpeil; dat het effect van het geplande initiatief voor de grondwaterkwantiteit in het project-MER wordt beoordeeld als beperkt negatief (-1); dat op basis van de berekende verlagingen kan gesteld worden dat de kwantitatieve impact van de aangevraagde winning aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van het beheer van de grondwatervoorraad; Overwegende dat de grondwaterkwaliteit wordt bepaald door de herkomst van het water; dat de grondwaterkwaliteit bijgevolg wordt bepaald door de wijziging van de beken, van drainerend naar infiltrerend, en door de wijziging in de hoeveelheid kwel of irrigatie algemeen; dat de effecten op de grondwaterkwaliteit als neutraal worden beoordeeld (beperkte vermeerdering van infiltratie, beperkte vermindering van kwel, klein aandeel oppervlaktewater in het grondwaterreservoir door irrigatie); dat de effecten van de verminderde kwel op de grondwaterkwaliteit in het project-MER als neutraal worden beoordeeld, net als de effecten van de irrigerende werking van waterlopen en van het irrigatieproject; dat in het project-MER is opgenomen dat de inlaat van kanaalwater uit het Kanaal Dessel-Kwaadmechelen (drinkwaterkwaliteit) afgesloten kan worden bij bijvoorbeeld een calamiteit; dat PIDPA in betreffend geval door de waterwegbeheerder op de hoogte wordt gebracht van een calamiteit; Overwegende dat de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM op 28 november 2017 een voorwaardelijk gunstig advies uitbracht; dat volgende beroepsargumenten werden besproken: - inhoud van het project-MER: het aanvraagdossier bevat een goedgekeurd MER (MER PR0702) van 17 juli 2015; dit project-MER werd onderworpen aan een openbaar onderzoek; inhoudelijke opmerkingen bij het project-MER moesten op dat ogenblik uitgebracht worden en werden in dit stadium verwerkt; VII-40.273-6/36 - irrigatiesysteem als milderende maatregel: er wordt gemiddeld 34,5 m³ per uur (circa 300.000 m³ per jaar) en maximaal 100 m³ per uur kanaalwater in aanwezige vijvers gebracht; PIDPA beschikt over een vergunning nr. D625/8013 voor captatie van kanaalwater van 9 oktober 1997 voor een maximale capaciteit van 200 m³ per uur; het irrigatie-systeem is geen ingedeelde activiteit; rubriek 53.10 is niet van toepassing, aangezien deze rubriek alleen waterbeheersingswerken voor landbouwdoeleinden bevat; rubriek 54 - kunstmatig aanvullen van grondwater, is eveneens niet van toepassing bij de aangegeven debieten; de verplichting om de nodige maatregelen te nemen, waaronder ook de irrigatie, is ondervangen door bijzondere voorwaarde 5 in het bestreden besluit; - effecten van verminderde kwel: dit werd behandeld in het goedgekeurde project-MER; voor wat betreft het beheer van de grondwatervoorraden, zijn de effecten van de aangevraagde winning aanvaardbaar; - milderende maatregelen en opvolging van verdroging: de berekeningen in het project-MER tonen aan dat de vergunde dag- en jaardebieten, gecombineerd met de bijzondere voorwaarden opgenomen in het bestreden besluit, voldoende garantie bieden om de effecten naar de grondwatervoorraden aanvaardbaar te houden; - wat de afwijking van artikel 5.53.4.6, § 1, van titel II van het VLAREM betreft: deze wordt volgens de beroeper niet ‘gerechtvaardigd’; de afwijking werd op volgende wijze onderbouwd door de aanvrager: - ‘De huidige winning is reeds uitgebouwd met een zeer uitgebreid monitoringsmeetnet van peilputten zowel binnen als buiten de invloedssfeer van de winning. - De monitoringspunten worden minimaal maandelijks gepeild en worden jaarlijks overgemaakt aan VMM ifv IMJV. - Het debiet van het opgepompte ruw grondwater wordt dagelijks automatisch genoteerd. De opgepompte debieten worden in het kader van de grondwaterheffing jaarlijks overgemaakt aan VMM. - Conform artikel 5.53.6.3.2 van het VLAREM wordt per periode van 5 jaar een rapport opgesteld met een beschrijving, evolutie en evaluatie van de opgepompte debieten, peilmetingen en eventuele invloed naar de omgeving toe. Daarnaast dienen 2 stijghoogtekaarten worden gemaakt van de freatische en van de diep watervoerende laag waaruit gepompt wordt met de hoogste en laagste grondwaterstand. Dit rapport wordt overgemaakt aan de vergunningverlenende overheid en aan VMM-AOW. - Het jaarlijks opstellen van een afpompingskegel voor alle vergunde VLAREM-grondwaterwinningen vraagt veel werk en biedt ons inziens geen directe meerwaarde. PIDPA beschikt door de intensieve meetcampagne wel over voldoende peilen om op verzoek de kegel te maken.’; - gelet op het feit dat PIDPA aangeeft dat er een automatische debietregistratie is, kan er wel gunstig advies gegeven worden voor het niet jaarlijks moeten stilleggen van de volledige winning, indien er verschillende gecombineerde peil- en debietmetingen zijn in elke pomp- en peilput; gelet op de verschillende vergunde debieten in de periode van oktober tot maart, april, van mei tot augustus en september, moeten de metingen in elk van de vier periodes gebeuren; de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM stelt voor om volgende alternatieve bijzondere voorwaarde op te nemen: VII-40.273-7/36 ‘In afwijking op het eerste lid van artikel 5.53.4.6, §1, van titel II van het VLAREM is het stilleggen van de grondwaterwinning gedurende ten minste 24 uur niet vereist wanneer het grondwaterpeil in elke productieput en in elke peilfilter van het peilputtennetwerk minstens vier keer per jaar gemeten wordt. Er gebeurt telkens één meting in de periode 1 oktober tot 31 maart, in de periode 1 tot 30 april, in de periode 1 mei tot 31 augustus en in de periode 1 tot 30 september. Synchroon met de peilmeting wordt ook het totaal gewonnen volume per watervoerende laag gedurende de voorbije 24 uur geregistreerd.’; - strijdigheid met het decreet Integraal Waterbeleid; onder punt 8 op pagina 19 in het bestreden besluit is de watertoets opgenomen; in deze paragraaf wordt geoordeeld dat de aanvraag voldoet aan de doelstellingen en de beginselen van het decreet Integraal Waterbeleid; Overwegende dat de exploitant via een schrijven ‘Nota in functie van de GMVC’ van 21 december 2017 zijn vraag tot afwijking van artikel 5.53.4.6, § 1, van titel II van het VLAREM heeft ingetrokken; dat wordt geargumenteerd dat voor de winning Balen-Nete, waar er in de zomer weinig gepompt wordt, een dergelijke meting zoals bepaald in artikel 5.53.4.6, § 1, van titel II van het VLAREM kan uitgevoerd worden; Overwegende dat de grondwaterwinning is gelegen in het habitatrichtlijngebied BE2100040 ‘Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor’; dat het habitatrichtlijngebied is aangemeld voor volgende (prioritaire) habitats: - 91E0: alluviale bossen met Alnion glutinosa en Fraxinus excelsior; - 6230: soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems; - 7140: overgangs- en trilveen; - 6430: voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland (natte ruigtes met moerasspirea); - 6510: laaggelegen schraal hooiland; dat het habitatrichtlijngebied ook is aangemeld voor de volgende diersoorten: beekprik, kleine modderkruiper en kamsalamander; Overwegende dat er in het project-MER bij de discipline fauna en flora een zone werd afgebakend waarbinnen een grondwaterstandsverlaging van 10 cm kan optreden, omwille van het feit dat uit eerdere studies bleek dat onder andere de heterogeniteit van het gebied niet toelaat om verschillen tot 5 cm te bespreken; dat voor de winning te Balen-Nete reeds een meetprogramma loopt met negen permanente kwadranten (PQ’s) die zijn voorzien van een peilput met automatische logger; dat in de PQ’s vegetatieopnames worden gedaan; dat er volgens het project-MER geen effecten verwacht worden; dat dit geldt voor zowel de vegetatie (minieme grondwaterstandsdaling in de ondiepe lagen, dichtslibben van drainagegrachten, beperkte vermindering van kwel, geen effect van irrigatie op de grondwaterkwaliteit) als de fauna (er worden geen negatieve effecten verwacht op de habitats, geen bijkomende versnippering of barrièrewerking); dat in het project-MER wordt voorgesteld om de vegetatiemonitoring te behouden en deze tweejaarlijks uit te voeren; Overwegende dat het project-MER een passende beoordeling bevat, die samen gelezen moet worden met het ‘addendum’; dat daaruit het volgende blijkt: VII-40.273-8/36 - de impact van de winning op de waterstanden in de ondiepe laag is beperkt en alleen relevant in een zone in de onmiddellijke nabijheid van de winning; - gezien bij de keuze van de schakeling van de pompen rekening is gehouden met de aanwezigheid van de kwetsbare habitats, worden er geen negatieve effecten verwacht op de bestaande habitats; - bovendien zijn de meeste bestaande habitats ontstaan na de start van de winning, wat een gevolg is van de aankoop van gronden en het hiermee samenhangende beëindigen van het ruimen van de grachten; dit heeft gezorgd voor een duidelijke waterstandsstijging in de ondiepe laag en het ontstaan van grondwaterafhankelijke habitats; in het verleden heeft het uit landbouwgebruik halen van gronden omwille van de winning of door het ANB dan ook (onrechtstreeks) een positief effect gehad op de habitats en er is geen reden om aan te nemen dat dit door de vergunning zou wijzigen; - uit de voorspellingen van het grondwatermodel blijkt dat, met uitzondering van habitattype 6510, grote delen van de voorlopige zoekzones niet geschikt zijn voor de vooropgestelde uitbreidingen, ook niet in de referentiesituatie; voor de meeste habitattypes is de daling in geschiktheid voor het geplande initiatief relatief beperkt; - enkele minder geschikte delen van de intenties werden besproken in december 2015 bij een overleg tussen het ANB en PIDPA en zullen bij een volgende run van het zoekzonemodel gecorrigeerd worden; deze correcties zijn reeds meegenomen in de effectbepaling; - PIDPA zal 1,96 ha habitattypes 6430 (voedselrijke ruigten), 1,54 ha 7140 (overgangs- en trilveen) en 7,55 ha 91E0 (bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior) onder contract (laten) brengen; hierdoor komen de doelen van deze habitats niet in het gedrang door het project; bovenop deze 11,05 ha zal PIDPA ook nog 26,46 ha regionaal belangrijk biotoop en 1,24 ha overig habitat onder contract (laten) brengen; op die manier wil men de Natura 2000-doelstellingen halen; hiervoor zal PIDPA voor deze terreinen natuurbeheerplannen opstellen; dit werd reeds opgelegd als bijzondere voorwaarde 5 in het bestreden besluit; - voor alle habitattypes is er nog voldoende ruimte en potentie in de delen buiten het modelgebied over om de nodige uitbreiding te kunnen realiseren; bovendien zijn er ook binnen Scheps (natuurgebied dat het projectgebied en deels het habitatrichtlijngebied omvat) vaak belangrijke oppervlaktes die wel geschikt zijn maar buiten de zoekzones vallen; ook in deze zones kan de uitbreiding gerealiseerd worden; - PIDPA engageert zich om op al hun terreinen in natuurbeheer te Balen-Nete een zo hoog mogelijk natuurdoel na te streven, rekening houdend met de IHD en de bestaande drinkwaterwinning; bij het vrijkomen van landbouwpercelen zal PIDPA telkens aftoetsen of deze percelen een rol kunnen spelen voor het realiseren van de IHD; - op basis hiervan kan besloten worden dat het project geen hypotheek legt op de uitbreidingsdoelen en dus ook geen significante aantasting inhoudt van de natuurdoelen noch op de staat van instandhouding van de habitats en soorten van de SBZ; - gezien er geen significant negatieve effecten zijn, zijn bijkomende milderende maatregelen niet noodzakelijk; VII-40.273-9/36 Overwegende dat het irrigatieproject deel uitmaakt van het project en moet uitgevoerd worden zoals beschreven in het project-MER; dat ook het blijven ‘niet-ruimen’ van de grachten ervoor zal zorgen dat de grondwaterstanden verder stijgen (door het verder dichtslibben van de drainagegrachten); dat voor een goede kwaliteit van de habitats het aangeraden is de oppervlakkige afwatering te behouden, zoals ook beschreven in het project-MER; dat hiervoor een bijzondere voorwaarde 5 werd opgenomen in het bestreden besluit; dat indien het irrigeren niet gegarandeerd kan worden (bijvoorbeeld door een calamiteit op het kanaal of een technisch defect bij de inlaat), moet de winning hieraan aangepast worden; dat het aangewezen is dit op te leggen in een bijzondere voorwaarde; Overwegende dat het ANB een voorwaardelijk gunstig subadvies uitbracht op 10 november 2017 en een aanvullend voorwaardelijk gunstig subadvies op 18 december 2017; dat in deze subadviezen de voor natuur relevante bezwaren en beroepsargumenten als volgt worden geëvalueerd: - onzekerheid over het behalen van de habitatdoelstelling: hierbij wordt verwezen naar tabel 4-4 van het vegetatiemonitoringsrapport ‘Winning Balen-Nete vegetatiemonitoring’ Project nr. P-10-011, werkjaar 2015; de vzw VALK stelt dat de habitats in slechte staat van ontwikkeling zijn; dit is te nuanceren; het rapport bevat een ruimere evaluatie dan alleen de door VALK vermelde tabel; het hoofdcriterium ‘verstoring’, dat relevant is als indicator voor wijziging van de milieukarakteristieken voor goede staat van instandhouding (bijvoorbeeld verdroging, vermesting, onaangepast beheer, ...) scoort goed tot voldoende, met uitzondering van een deelcriterium, vermossing of vergrassing, voor twee locaties waaronder ook de referentielocatie; ook uit de evaluatie van het waterpeil en de hydrologische karakteristieken blijkt aan de meeste voorwaarden voldaan aan de vereiste toestand (uitgezonderd enkele kwadranten die in de natte periode te nat zijn); er wordt ook verwezen naar het INBO advies INBO.A.3350; waarbij onder het punt 3 ‘ecologische beoordeling’ het volgende vermeld staat: ‘natuurlijke kenmerken van het gebied worden bij uitvoering van de grondwaterwinning sterk gewijzigd en daarmee wijzigen de aanwezige vegetaties significant’; net daarom hebben erkende deskundigen, in kader van het project-MER en de passende beoordeling, onderzocht in hoever deze wijzigingen een betekenisvolle aantasting met zich meebrengen; uit dat onderzoek blijkt dat de sterke wijzigingen zich lokaal ter hoogte van de winningsputten voordoen; ook het lokaal afnemen van kwel speelt zich ter hoogte van de winning zelf af; het betreft een locatie waar momenteel geen grondwatergebonden habitats voorkomen; bovendien liggen de lagere grondwaterstanden nog binnen de streefwaarden voor de aanwezige en tot doel gestelde habitattypes; in die zin bevatten het project-MER en de passende beoordeling voldoende informatie om betekenisvolle aantasting van de IHD van de SBZ uit te sluiten; de vzw VALK verwijst ook naar het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2014 tot aanwijzing van de SBZ BE2100040 Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek Langdonken en Goor en tot de definitieve vaststelling van de bijhorende IHD en prioriteiten; hierbij meent men dat het vergunnen van een grondwaterwinning in tegenspraak is met dit besluit; dit is te nuanceren; in het besluit wordt bij de overwegenden expliciet het belang VII-40.273-10/36 van drinkwaterwinningen en de socio-economische context in overweging genomen; uit het project-MER en de passende beoordeling blijkt ook dat het aangevraagde debiet van de grondwaterwinning afgestemd is op de standplaatsvoorwaarden van de habitat-types die daar voorkomen en tot doel gesteld worden; - onrealistische habitatdoelstellingen opgenomen in het project-MER: de vzw VALK meent dat de grondwaterstanden na de start van de winning moeten gemeten worden en dat er te weinig peilbuizen aanwezig zijn om percelen met habitatdoelstellingen op te volgen; het ANB vraagt dat een post-monitoring wordt voorzien aan de hand van vegetatiemonitoring; dit betekent dat het bestaande monitoringsnet, inclusief opvolging van oppervlaktewater- en grondwaterstanden in het kader van de vegetatiemonitoring wordt verdergezet; er is ook gesteld dat dit meetnet, waar nodig, in overleg met het ANB verder verfijnd kan worden; indien nodig zal het ANB bijkomende meting kunnen vragen: dit werd zo opgelegd in de bijzondere voorwaarden in het bestreden besluit; in afwachting van de toekomstige managementplannen met richtkaart wordt momenteel gewerkt met de habitatkaart (voor aanduiding van actueel aanwezige habitats) en de tweede versie van de voorlopige zoekzones; deze voorlopige zoekzones versie 2 is afgebakend op basis van het zoekzonemodel; de voorlopige zoekzone is een ruim afgebakende ecologisch geschikte zone om de natuurdoelen te realiseren, die rekening houdt met socio-economische afwegingen; in de passende beoordeling van 2015 en geactualiseerde versie van 2017 is telkens rekening gehouden met de toen beschikbare versie van de voorlopige zoekzones; bij de aanvraag van de milieuvergunning was de tweede versie beschikbaar, waardoor de initiatiefnemer een aanvulling van de passende beoordeling heeft uitgevoerd; het ANB heeft ook deze aanvulling met een bespreking van de tweede versie van de zoekzone goedgekeurd; in de passende beoordeling is er getoetst aan de standplaatsvereisten van de actuele en tot doel gestelde habitats; op basis van het vegetatiemodel DURAVEG van de erkende deskundigen van het bureau Haskoning blijkt dat deze haalbaar blijven; in die zin bevatten het project-MER en de passende beoordeling voldoende informatie om betekenisvolle aantasting van de IHD van de SBZ uit te sluiten; - het project-MER en het addendum bij het MER bevatten zeer veel fouten: er zouden verouderde gegevens gebruikt worden en grafieken zijn onleesbaar; het project-MER is definitief goedgekeurd; de nodige relevante gegevens zijn hierin verwerkt; de grafieken zijn voldoende bevonden; de broedvogelgegevens zijn niet onmisbaar in dit dossier; de effecten van grondwaterwijziging vertalen zich slechts in tweede of derde orde naar biotoopwijziging van vogels; doordat er geen significante effecten zijn op de vegetaties, vertaalt dit zich ook evenredig door naar de aan deze vegetaties gebonden leefgebieden van broedvogels; - minimaliseren van verdroging door versoepelen van de standplaatsvereisten van habitats: bij de effectinschatting zijn de grenswaarden bepalend, niet de streefwaarden; op dit moment zijn er echter nog geen grens- of streefwaarden beschikbaar; de referentiewaarden van NICHE voor de grondwaterafhankelijke habitats zijn in afwachting van de ontwikkeling van grens- en streefwaarden de referentie; in het project-MER VII-40.273-11/36 bevat bijlage 12.4 ‘Nota vergelijking grenswaarden’ een uitvoerige vergelijking en motivering van de gehanteerde waarden; de gehanteerde waarden in het MER en de passende beoordeling vallen binnen de NICHE-waarden en zijn dus correct; - vergelijking Biologische Waarderingskaart en vergelijking vegetaties: deze twee punten spreken elkaar tegen; aan de ene kant zou er een direct effect zichtbaar zijn, aan de andere kant wordt gesteld dat vegetaties traag veranderen; net omdat grondwaterwinningen een effect kunnen hebben op de grondwaterafhankelijke natuur, hebben erkende deskundigen dit in het kader van het project-MER en de passende beoordeling onderzocht in het vegetatiemodel DURAVEG en het grondwatermodel (waar een periode van tien jaar is doorgerekend); - staat en ontwikkeling van instandhouding van habitats: het halen van de IHD hangt van verschillende factoren af; het is een samenspel van actief en passief beleid; de nodige acties zullen verder gepreciseerd worden in de komende managementplannen; de interferentie van deze vergunningsaanvraag en de realisatie van IHD is in die zin niet alles bepalend; erkende deskundigen hebben de effecten van deze vergunningsaanvraag, in het kader van het project-MER en de passende beoordeling, onderzocht; uit dat onderzoek blijkt dat de voorliggende aanvraag geen betekenisvolle aantasting veroorzaakt; in die zin zijn er ook geen compensaties nodig; de vergelijking met het dossier in Nederland gaat zo niet op; daarnaast is het lokale gepaste natuurbeheer relevant; zoals geadviseerd door het ANB en opgenomen in de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning is een voorwaarde opgelegd in functie van natuurbeheer; meer bepaald dat het PIDPA-domein gepast beheerd moet worden in functie van Natura 2000-habitats, de IHD en regionaal belangrijke biotopen, zowel naar geschikt natuurbeheer zelf alsook naar daarbij horend gepast beheer van het grachten- en irrigatie-systeem; momenteel loopt in opdracht van het ANB een ecohydrologische studie (die ook het projectgebied van de grondwaterwinning omvat) die bepalend kan zijn om de juiste beheerkeuzes te maken; verder heeft PIDPA zich geëngageerd om het beheer te concretiseren in een (natuur)beheerplan; - effecten zouden geminimaliseerd zijn volgens de vzw VALK: net omdat grondwaterwinningen een effect kunnen hebben op de grondwaterafhankelijke natuur, hebben erkende deskundigen in het kader van het project-MER en de passende beoordeling onderzocht in hoever deze wijziging een betekenisvolle aantasting met zich meebrengt; ook het effect van de irrigatie werd daarin voldoende meegenomen; uit dat onderzoek, op basis van metingen en modellering (een periode van 10 jaar doorgerekend) blijkt dat de sterke wijzigingen zich zeer lokaal ter hoogte van de winningsputten voordoen en dat de lagere grondwaterstanden nog binnen de streefwaarden voor de aanwezige en tot doel gestelde habitattypes liggen; het lokaal afnemen van kwel speelt zich af ter hoogte van de winning zelf en daar waar momenteel geen grondwatergebonden habitats voorkomen; in de passende beoordeling van 2015 en de geactualiseerde versie van 2017 heeft men rekening gehouden met de uitbreidingsdoelen die vervat zitten in de voorlopige zoekzones; deze zoekzones betreffen de actueel best beschikbare versie; bij de effectbepaling is er getoetst aan de juiste streefwaarden voor de VII-40.273-12/36 actuele en tot doel gestelde habitats in functie van een goede toestand (strenger dan grenswaarden); in die zin bevatten het project-MER en de passende beoordeling voldoende informatie om betekenisvolle aantasting van de IHD van de SBZ uit te sluiten; - irrigatiezone in het waterwinningsgebied: zoals geadviseerd door het ANB en opgenomen in de milieuvergunning is een bijzondere voorwaarde opgelegd in functie van natuurbeheer, meer bepaald dat het PIDPA-domein gepast beheerd moet worden in functie van Natura 2000-habitats, de IHD en regionaal belangrijke biotopen, zowel naar geschikt natuurbeheer zelf alsook naar daarbij horend gepast beheer van het grachten- en irrigatiesysteem; ook hier geldt dat een ecohydrologische studie (die ook het projectgebied van de grondwaterwinning omvat) lopende is; het ANB vraagt dat een post-monitoring wordt voorzien aan de hand van vegetatiemonitoring; dit betekent dat het bestaande monitoringsnet, inclusief de opvolging van oppervlaktewater- en grondwaterstanden in het kader van de vegetatiemonitoring wordt verdergezet; er is ook gesteld dat waar nodig, in overleg met het ANB, dit meetnet verder verfijnd kan worden; indien nodig zal het ANB bijkomende metingen kunnen vragen; - het effect op kwel wordt geminimaliseerd: - minimaliseren van de oppervlakte van het kwelgebied: het project-MER is definitief goedgekeurd; de nodige relevante gegevens en modelresultaten zijn hierin verwerkt; deze zijn voldoende bevonden door de bevoegde instanties; het advies van het ANB baseert zich dan ook op de aanvaarde modelresultaten en kwelvoorspellingen; - minimaliseren van het effect van kwel op vegetaties, de rol van kwel voor de ontwikkeling van habitatvegetaties te Balen-Nete, het effect van ijzerhoudend kwel en een peilbuisvoorbeeld: net omdat grondwaterwinningen een effect kunnen hebben op de grondwaterafhankelijke natuur, hebben erkende deskundigen in het kader van het MER en de passende beoordeling onderzocht in hoever deze wijziging een betekenisvolle aantasting met zich kan meebrengen; uit dat onderzoek, op basis van metingen en modellering (een periode van tien jaar doorgerekend), blijkt dat er zich lokaal een afname van kwel voordoet ter hoogte van de winning zelf en daar waar momenteel geen grondwatergebonden habitats voorkomen; in de passende beoordeling van 2015 en de geactualiseerde versie van 2017 heeft men rekening gehouden met de uitbreidingsdoelen die vervat zitten in de voorlopige zoekzones; in die zin bevat het project-MER en de passende beoordeling voldoende informatie om betekenisvolle aantasting van de IHD van de SBZ uit te sluiten; ondanks de invloed van de winning, kunnen de ecologische processen (inclusief de nodige grondwaterstanden en kwel) zich nog voldoende voordoen; het aangevraagde debiet van de grondwaterwinning is afgestemd op de standplaatsvoorwaarden van de habitattypes die daar voorkomen en tot doel gesteld worden; om de juiste beheerkeuzes te maken (waaronder het grachtenbeheer) in functie van ecologische processen (onder andere juiste peilschommelingen nodig om ijzer- en fosfaatgehalte te sturen), kan de lopende ecohydrologische studie van het ANB (die ook het projectgebied van de grondwaterwinning omvat) ondersteunend zijn; zoals eerder aangehaald zijn de standplaatsvereisten gebruikt bij de VII-40.273-13/36 effectbeoordeling door de erkende deskundigen correct; het in het bezwaarschrift aangehaalde voorbeeld in punt 5.5 is in die zin niet relevant wegens niet gebaseerd op de NICHE-referentiewaarden; - milderende maatregelen ontbreken: effecten op fauna zijn besproken in het MER; de conclusies gelden ook voor habitatsoorten en habitattypische soorten; maatregelen naar inrichting en beheer van de terreinen zijn voorwerp van een natuurbeheerplan; zoals geadviseerd door het ANB en opgenomen in de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning, is een voorwaarde opgelegd in functie van natuurbeheer, meer bepaald dat het PIDPA-domein gepast beheerd moet worden in functie van Natura 2000-habitats, de IHD en regionaal belangrijke biotopen, zowel naar geschikt natuurbeheer zelf alsook naar daarbij horend gepast beheer van het grachten- en irrigatiesysteem; gelet op het feit dat momenteel in opdracht van het ANB een ecohydrologische studie lopende is (die ook het projectgebied van de grondwaterwinning omvat) die bepalend kan zijn om de juiste beheerkeuzes te maken, waaronder het gebruik van het irrigatiesysteem en het grachtenbeheer, en gelet op het feit dan PIDPA zich engageert om het beheer te concretiseren in een (natuur)beheerplan, is de voorwaarde zoals opgenomen in de vergunning, voldoende; het ANB vraagt dat een post-monitoring wordt voorzien aan de hand van vegetatiemonitoring; dit betekent dat het bestaande monitoringsnet, inclusief opvolging van oppervlaktewater- en grondwaterstanden in het kader van de vegetatiemonitoring, wordt verdergezet; er is ook gesteld dat, waar nodig, in overleg met het ANB dit meetnet verder verfijnd kan worden; indien nodig zal het ANB een bijkomende meting kunnen vragen; dit werd zo voorzien in de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning; - passende beoordeling: de vzw VALK meent dat er een onwil is bij het ANB om rekening te houden met de adviezen van het INBO en geen adviezen wenst in te winnen bij het INBO; het ANB vraagt in functie van vergunningsdossiers niet systematisch advies aan het INBO; gezien het project-MER en de passende beoordeling opgemaakt zijn door erkende deskundigen, garandeert dit voldoende expertise; - opmerkingen op de teksten van het project-MER Balen-Nete: het project-MER is definitief goedgekeurd, de nodige relevante gegevens en modelresultaten zijn hierin verwerkt; deze zijn voldoende bevonden door de bevoegde instanties; het advies van het ANB baseert zich dan ook op de aanvaarde modelresultaten en voorspellingen; in punt 7.1 van het project-MER staat aangegeven hoe de effecten worden onderzocht; hierbij worden eerst directe effecten bekeken, daarna indirecte effecten in eerste en tweede orde; doordat de discipline fauna en flora een receptordiscipline is, is het van belang te kijken in de eerste discipline water of er wel effecten te verwachten zijn: - effect op aquatische fauna: dit blijkt voor oppervlaktewater niet het geval, noch op kwantiteit, noch op kwaliteit; in die zin is verder onderzoek naar het verder effect op onder andere de vispopulatie en de watervegetaties niet noodzakelijk; - effect op terrestrische fauna: wat grondwater betreft, zijn er wel effecten, echter deze zijn niet van die grootteorde dat er belangrijke verschuivingen zijn van aanwezige vegetaties, ook niet op de eraan gebonden fauna; wat de VII-40.273-14/36 maximale ecologische potenties van het gebied betreft, zijn er door de winning inderdaad wel beperkingen; echter blijkt dat ondanks de invloed van het project de doelstellingen van het gebied nog gehaald kunnen worden; gezien de tot doel gestelde habitats en actuele habitats het meest kritisch zijn naar standplaatscondities, liften de overige vegetaties en de eraan gebonden soorten hierop mee; in het beroepschrift worden verschillende kaarten en tabellen ook verkeerd geïnterpreteerd door de beroepsindiener, bijvoorbeeld: de opmerkingen over de potentiekaarten (p. 45 en verder); bij de legende met ‘geschikt nu habitat’ bedoelt men onder ‘nu habitat’ de verzameling van alle reeds aanwezige habitats en niet alleen het habitattype dat besproken wordt; in die zin kloppen de kaarten wel, bijvoorbeeld de opmerking over de actuele habitats; het project-MER bevat ook meer gedetailleerde kaarten en tabellen in bijlage 12.5 en in het addendum passende beoordeling tabel 5-8 pp. 44 tot en met 46; - bespreking van het addendum bij het MER (passende beoordeling): wijziging potenties voor uitbreiding en 5.
  13. beoordeling van significantie van de impact: voor de interpretatie van de voorlopige zoekzones verwijzen we ook naar het advies van 10 november 2017 van het ANB; in afwachting van de toekomstige managementplannen met richtkaart wordt momenteel gewerkt met de habitatkaart (voor aanduiding actueel aanwezige habitats) en de tweede versie van de voorlopige zoekzones; deze voorlopige zoekzones versie 2 zijn afgebakend op basis van het zoekzonemodel; de voorlopige zoekzone is een ruim afgebakende ecologisch geschikte zone om de natuurdoelen te realiseren, die rekening houdt met socio-economische afwegingen; in de passende beoordeling van 2015 en de geactualiseerde versie van 2017 is telkens rekening gehouden met de toen beschikbare versie van de voorlopige zoekzones; bij de aanvraag van de milieuvergunning was de tweede versie beschikbaar waardoor er een aanvulling van de passende beoordeling werd uitgevoerd door de initiatiefnemer; ook deze aanvulling met bespreking van de tweede versie van de zoekzone is door het ANB goedgekeurd; de belangrijkste opmerkingen van de vzw VALK gaan over de locatiekeuze van de uitbreidingsdoelen en de potenties, die deels elders liggen dan de door de vzw VALK verkozen ideale zone vlak aan de winningsputten: dit is te verklaren omdat in het zoekzonemodel rekening wordt gehouden met socio-economische factoren en het feit dat bij het besluit van de Vlaamse Regering expliciet het belang van drinkwaterwinningen en de socio-economische context in overweging is genomen; daarnaast is er in overleg tussen PIDPA en het ANB in december 2015 reeds concreter gekeken waar de doelstellingen duurzaam op de terreinen kunnen gerealiseerd worden; deze kaart met intenties is weergegeven in illustratie 5.
  14. van het addendum; daarbij stelt VALK vzw dat de intenties lager liggen dan het actuele habitat: dit is te nuanceren; bijvoorbeeld: nr. 1876 bestaat niet uit een volledig ontwikkeld habitattype 7140; het perceel bestaat voor 40% uit een regionaal belangrijk biotoop (rbb) rietland, 40% uit het waterhabitattype habitattype 3150 (nature eutrofe meren met vegetatie) en slechts voor 20% uit het habitattype 7140; in die zin is de beheerkeuze (intentie) voor een rbb te verantwoorden, bijvoorbeeld: nr. 1670 is volgens de habitatkaart geen habitattype 7140; nr. 1677 is niet meegenomen in de intentiekaart; perceel 1678 staat volgens de intentiekaart VII-40.273-15/36 inderdaad ingetekend als rbb, hoewel dit in de habitatkaart is opgenomen als habitattype 7140; het uiteindelijke beheer dat dit perceel moet krijgen, kan verder afgestemd worden; de oppervlakte habitat 7140 op het perceel 1678 omvat 0,26 ha, waar het habitattype 7140 eveneens volgens kaarten van de modelvoorspelling van DURAVEG haalbaar is; verder worden ook hier verschillende kaarten en tabellen verkeerd geïnterpreteerd door de beroepsindiener, bijvoorbeeld de opmerkingen over de kaarten (p. 15 en verder); de illustraties in het addendum geven alleen zoekzones weer en geen actueel habitat; er staat ook duidelijk onder de illustraties vermeld dat het gaat om ‘Zoekzones … buiten bestaand habitat of rbb … wordt voorspeld’; in die zin kloppen de kaarten wel; maatregelen naar inrichting en beheer van de terreinen zijn voorwerp van een natuurbeheerplan; zo worden de doelen ‘onder contract’ gebracht; zoals geadviseerd door het ANB en opgenomen in de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning, is een voorwaarde opgelegd in functie van natuurbeheer; meer bepaald dat het PIDPA-domein gepast beheerd moet worden in functie van Natura 2000-habitats, de IHD en regionaal belangrijke biotopen, zowel naar geschikt natuurbeheer zelf alsook naar daarbij horend gepast beheer van het grachten- en irrigatiesysteem; gelet op het feit dat PIDPA zich engageert om het beheer te concretiseren in een (natuur)beheerplan is de voorwaarde zoals opgenomen in de vergunning, voldoende; - het INBO-advies van 21 oktober 2015: het INBO-advies INBO.A.3350 van 21 oktober 2015 is overwogen; het ANB heeft de initiatiefnemer en het studiebureau geconfronteerd met het INBO-advies; in reactie daarop heeft het ANB bijkomende duiding gekregen van de initiatiefnemer en het studiebureau, met puntsgewijze bespreking van de opmerkingen; hieruit werd geconcludeerd dat de effectbeoordeling staande bleef; de nodige verduidelijkingen en aanvullingen zijn toegevoegd aan het addendum bij het MER; in de passende beoordeling van 2015 en de geactualiseerde versie van 2017 heeft men rekening gehouden met de uitbreidingsdoelen die vervat zitten in de voorlopige zoekzones; deze (voorlopige) zoekzones betreffen de actueel best beschikbare versie; in die zin bevatten het project-MER en de passende beoordeling voldoende informatie om betekenisvolle aantasting van de IHD van de SBZ uit te sluiten; Overwegende dat het ANB zijn voorwaardelijk gunstige advies van 21 juni 2017 bevestigde; dat kan geconcludeerd worden dat de grondwaterwinning geen betekenisvolle effecten zal veroorzaken op het naburige habitatrichtlijngebied ‘BE2100040 - Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor’, mits het nemen van de opgelegde milderende maatregelen; Overwegende dat de percelen zijn gelegen in effectief overstromingsgevoelig, mogelijk overstromingsgevoelig en recent overstroomd gebied, in de beekvallei, een nat, overstroombaar gebied volgens de watertoetskaarten en de overstromingskaarten; dat daarom een subadvies werd gevraagd aan de dienst Integraal Waterbeleid (DIW); dat het subadvies van DIW van 16 juni 2017 voorwaardelijk gunstig is indien het irrigatieproject wordt geëvalueerd (het debiet, het tijdstip en de plaats van het inlaten van gebiedsvreemd water) met de verschillende beheerders (minstens VMM, DIW, ANB, gemeente Balen en PIDPA); VII-40.273-16/36 Overwegende dat voor de evaluatie van de waterkwaliteits- en -kwantiteitsaspecten van de grondwaterwinning wordt verwezen naar bovenstaande overwegenden; Overwegende dat gelet op de aard van de aangevraagde activiteiten er geen schadelijke effecten zullen zijn op het watersysteem; dat er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Herentals-Mol (koninklijk besluit van 28 juli 1978) deels is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en waterwinningsgebied en deels in agrarisch gebied en waterwinningsgebied; Overwegende dat de planologische voorschriften zijn vervat in artikel 11, 15 en 18 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen; Overwegende dat voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening wordt verwezen naar de beginselen zoals voorzien in artikel 4.3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; dat de aanvraag geen elementen omvat die visueel zichtbaar zijn, waardoor de goede ruimtelijke ordening gegarandeerd blijft; Overwegende dat de hinder voor mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de gevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”. IV. Onderzoek van het vijfde middel Standpunt van de partijen
  15. In een vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 1, 2, 3 en 6 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: habitatrichtlijn), van het besluit van de Vlaamse regering van 23 april 2014 tot aanwijzing van de speciale beschermingszone BE2100040 ‘Bovenloop van de Grote Nete met Zammels Broek, Langdonken en Goor’ en tot definitieve vaststelling van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten, het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale VII-40.273-17/36 beschermingszones, van de artikelen 2, 8, 9, 16 en 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet), van het arrest van de Raad van State nr. 227.164 van 24 april 2014, van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de voorzorgsplicht en het voorzorgsbeginsel en de verplichting een hoog niveau van milieubescherming te garanderen, zoals onder meer vervat in artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en artikel 30bis van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het redelijkheids-, het zorgvuldigheids-, het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. In de toelichting bij het middel wordt uiteengezet dat het irrigeren met kanaalwater de habitats en het watersysteem in de speciale beschermingszone nadelig beïnvloedt, wat strijdig is met artikel 6.3 van de habitatrichtlijn en dat deze irrigatie, met water van een andere chemische samenstelling, ook een neerwaartse druk op het grondwater en het kwelwater veroorzaakt. Voorts stelt de verzoekende partij vast dat de exploitant hoopt de vereiste gunstige staat van instandhouding van de habitats in kwestie, te realiseren door een uitbreiding binnen een bepaalde zoekzone, waar percelen “onder contract” zouden worden gebracht, en waar zij een “engagement” op zich neemt om een zo hoog mogelijk natuurdoel na te streven. De geschonden geachte bepalingen van de habitatrichtlijn en het natuurbehouddecreet vereisen evenwel dat de reeds bestaande habitats, die als speciale beschermingszone werden aangeduid, in een gunstige staat van instandhouding worden bewaard. Volgens de verzoekende partij gaat het niet op een verlies van de instandhouding te compenseren of te milderen door elders te pogen om nieuwe habitats tot stand te laten komen. Dit komt neer op compensatie of mildering van de schade, doch niet op het behoud in situ van de beschermde habitats. VII-40.273-18/36 Met betrekking tot de onzekerheid aangaande het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, blijkt uit het advies van ANB dat wat het hoofdcriterium ‘verstoring’ betreft, de score slechts goed tot voldoende is, met uitzondering van een deelcriterium ‘vermossing of vergrassing’ voor twee locaties waaronder ook de referentielocatie. Vergrassing onder meer op de referentielocatie is duidelijk geen bewijs dat de beschermde habitats onbeschadigd blijven. Geen enkele van de aanwezige habitattypes heeft vergrassing als natuurlijk kenmerk. Over het aspect ‘vermossing’ zet de verzoekende partij uiteen dat momenteel in de habitat geen veenmossen voorkomen, hetgeen duidt op een slechte staat van instandhouding. Zij wijst erop dat het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (hierna: INBO) aandacht vraagt voor de ernst van de effecten en het betekenisvol negatief ecologisch effect op de waterkwantiteit en -kwaliteit. Echter wordt geen rekening gehouden met dit advies en met de bestreden beslissing wordt alleszins niet aangetoond dat er geen sprake is van een (significante) aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone. Uit het advies van ANB kan niet worden afgeleid dat de gunstige staat van instandhouding van de habitats en soorten kan worden behouden of hersteld. Vervolgens betwist de verzoekende partij dat de “uitbreidingsdoelen” in een voorlopige zoekzone, kunnen remediëren aan de schadelijkheid voor de bestaande habitattypes. De conclusie van de verwerende partij dat de vergunde waterwinning geen betekenisvolle effecten zal veroorzaken in het naburige habitatrichtlijngebied, mits milderende maatregelen worden genomen, beantwoordt niet aan de vereisten gesteld in artikel 6.2 van de habitatrichtlijn met name dat “de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben”. In het bestreden besluit wordt evenmin gemotiveerd dat door de passende beoordeling zekerheid bestaat dat het project “de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten”. Ook stelt VII-40.273-19/36 de verzoekende partij dat er geen degelijk alternatievenonderzoek heeft plaatsgevonden. Het arrest nr. 227.164 van de Raad van State, alsmede het ministerieel besluit van 23 maart 2015, worden geschonden, waaruit blijkt dat dergelijke grondwaterexploitatie de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone in het gedrang kan brengen, temeer nu ook het INBO deze lijn volgt in haar advies. Dit houdt een schending in van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Daarnaast zijn evenmin de voorwaarden van artikel 36ter, § 5, van het natuurbehouddecreet vervuld, minstens worden deze niet uitdrukkelijk opgenomen in de motivering van de bestreden beslissing. Ten slotte betoogt de verzoekende partij dat er sprake is van een grove inbreuk op de standstillverplichting ten aanzien van de waterrijke gebieden, in het licht van de bescherminsdoelstellingen van de artikelen 9 en 16 van het natuurbehouddecreet. Volgens haar is de enige redelijk aanvaardbare beslissing een weigering van de gevraagde milieuvergunning, zodat de natuurschade kan worden voorkomen. Aangezien (zeer) zeldzame biotopen en diersoorten in het gedrang komen, zelfs prioritaire habitats (zoals elzenbroekbos) en heel zeldzame dieren, zoals de beekprik, en het verband tussen het natuurelement “water” en de standplaatsvereisten voor habitats zoals elzenbroek, tril- en overgangsveen, vochtige ruigte, dotterbloemgrasland, habitat met holpijp en waterdrieblad, voldoende duidelijk is.
  16. De verwerende partij antwoordt: “[…] Het klopt dat in het kwestieuze gebied minstens 1 prioritair habitattype voorkomt, te weten type 91E
  17. Dit impliceert echter niet meteen dat ook artikel 6.4, tweede lid van de Habitatrichtlijn van toepassing zou zijn, zoals verzoekende partij tracht voor te houden. In casu is echter niet artikel 6.4 van de habitatrichtlijn, maar artikel 6.3 van toepassing. Reden hiervoor is dat helemaal geen negatieve conclusies omtrent de beoordeling van de gevolgen voor het gebied voorliggen. Integendeel. De passende beoordeling - en bij uitbreiding alle adviezen - geven net aan dat er geen significante schadelijke gevolgen zullen optreden voor de beschermde habitats. Het is niet omdat verzoekende partij het gehele verhaal anders bekijkt, dat daarom ook meteen andere wettelijke bepalingen van toepassing zouden zijn. In casu werd conform artikel 6.3 van de Habitatrichtlijn een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdende met de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied, waarna de bevoegde nationale VII-40.273-20/36 instanties de toestemming hebben gegeven voor het project, nadat zij zekerheid hadden verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zou aantasten. Verzoekende partij kan als dusdanig niet worden gevolgd in de stelling dat artikel 6.4 van toepassing zou zijn. Ook zou volgens verzoekende partij de Habitatrichtlijn gebrekkig zijn omgezet in het interne recht, waardoor artikel 36ter van het Natuurbehoudsdecreet niet kan worden aangewend. Verwerende partij wenst hierbij op te merken dat uw Raad zelf reeds heeft gesteld dat artikel 6 van de Habitatrichtlijn correct werd omgezet.[…] […] Ook zou verwerende partij het -gezag van gewijsde van- het arrest van uw Raad van 24 april 2014 met nr. 227.164 schenden. Uw Raad zou toen reeds gesteld hebben dat de vergunning van de grondwaterwinning ter plaatse volledig onmogelijk was, waardoor huidige vergunning hier radicaal tegenin zou gaan. Ook dit standpunt dient evenwel genuanceerd. In dit arrest vernietigde uw Raad immers de vergunning voor de exploitatie van grondwaterwinning omwille van het feit dat de vergunningverlenende overheid zich tegen reeds verleende negatieve adviezen in louter op een toelichtend document van de exploitant en een niet-conform verklaarde MER had gebaseerd. In voorliggende zaak echter, is dit allerminst het geval. Er ligt een definitief goedgekeurde MER voor en alle verleende adviezen zijn gunstig of voorwaardelijk gunstig. Op basis van correcte wetenschappelijke gegevens kon men tot het besluit komen dat er geen nadelige gevolgen zouden optreden voor de beschermde habitat(s). Het feit dat de feitelijke toestand dezelfde is als voorheen, te weten dat opnieuw een grondwaterwinning wordt aangevraagd, doet aan bovenstaande niets af. Uw Raad heeft nooit gesteld dat ter plaatse een winning onmogelijk was. Opnieuw weze aangehaald dat uw Raad ter zake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt. Uw Raad kan met andere woorden enkel nagaan of verwerende partij op kennelijk onredelijke wijze de habitatrichtlijntoets heeft doorgevoerd. Welnu. Dit is in casu niet het geval. In de bestreden beslissing is verwerende partij met kennis van zaken en op basis van een gedegen MER en passende beoordeling tot een conclusie gekomen. Noch het zorgvuldigheidsbeginsel, noch het rechtszekerheidsbeginsel zijn in casu geschonden. De beslissing verwijst naar alle adviezen, de MER en de passende beoordeling. De kritiek van verzoekende partij overtuigt niet in het minst. […] Voorts geeft verzoekende partij aan dat het irrigeren een onnatuurlijke beïnvloeding uitmaakt van de habitats en dat dit water een andere chemische kwaliteit zou bezitten. Ook hier dient verwerende partij evenwel vast te stellen dat verzoekende partij zulks op geen enkel moment aantoont en nalaat hiervan bewijs aan te leveren. Het irrigeren van de habitats maakt in de bestreden beslissing -en zulks op aangeven van adviesverlenende instanties- een specifieke voorwaarde uit de bestreden beslissing uit en dient net om schadelijke gevolgen ten gevolge van verdroging te beperken. Hoe zulks kennelijk onredelijk of onzorgvuldig kan worden genoemd, is nog maar de vraag. […] De opmerkingen aangaande het advies van ANB vinden tevens geen grond in het dossier. In het advies weerlegt ANB het administratieve VII-40.273-21/36 beroepschrift van verzoekende partij. In die zin dat zij op alle opmerkingen van verzoekende partij een onderbouwd antwoord formuleert. Het ANB erkent daarbij helemaal niet dat de habitats zullen worden aangetast, integendeel. Het ANB heeft het advies van INBO -dat bezwaarlijk als een ‘wetenschappelijk document’ kan worden beschouwd- meegenomen en heeft in haar advies duidelijk aangegeven dat, omwille van het feit dat men er van op de hoogte is dat grondwaterwinning gevolgen kan hebben, een team van experten dit bijzonder grondig heeft nagetrokken. Dit is ook de reden waarom de MER werd goedgekeurd en waarom er tot tweemaal toe in de passende beoordeling geen schadelijke gevolgen worden weerhouden. Bovendien kan het goed zijn dat het advies van INBO verschilt van de andere verleende adviezen, maar dan nog komt het niet aan uw Raad toe hierover een inhoudelijke beoordeling te vellen. […] Tot slot stelt verzoekende partij nog dat ook aan de voorwaarden van artikel 36ter, § 5 van het Natuurbehoudsdecreet niet zou zijn voldaan. Artikel 36ter, § 5 van het Natuurbehoudsdecreet betreft evenwel de omzetting in het interne recht van artikel 6.4 van de habitatrichtlijn. Dat deze bepaling niet van toepassing is, werd hierboven reeds uiteen gezet. Mocht uw Raad evenwel toch van oordeel zijn dat artikel 6.4 van de Habitatrichtlijn of artikel 36ter, § 5 van het Natuurbehoudsdecreet van toepassing zijn, dan nog komt het niet aan uw Raad toe om te oordelen of het voorzien van voldoende drinkwater -het doel van de bestreden beslissing- een project van groot openbaar belang is. Dit betreft namelijk een feitelijke appreciatie, waaromtrent de Raad slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt. […] […] Nog met betrekking tot de inbreuk op de stand-stillverplichting. Verzoekende partij kan niet betogen dat het opnieuw aanwenden van waterwinning, die ter plaatse reeds sinds 1997 wordt uitgevoerd, maar enkele jaren heeft stilgelegen, een schending van het standstillbeginsel uitmaakt. De habitats zijn ter plaatse pas ontstaan ná 1997, hetgeen meteen ook impliceert dat de winning -door het stilleggen van de landbouwactiviteiten- tevens een positief effect op de habitats heeft gehad. Ook de zorgplicht uit artikel 16 van het natuurbehoudsdecreet werd niet geschonden. Het komt verwerende partij voor dat verzoekende partij opnieuw een al te beperkte lezing aan een wettelijke bepaling geeft. Artikel 16 voorziet naast de verplichting tot het voorkomen van schadelijke gevolgen ook in de verplichting om deze schade te beperken of te herstellen, en dit door middel van voorwaarden. Laat dit nu net het geval zijn. Verwerende partij heeft, net zoals de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg, een niet geringe reeks voorwaarden opgelegd, ter vrijwaring en bescherming van het omliggende gebied. Dat verzoeker meent dat in casu de weigering de enige redelijk aanvaardbare oplossing is, wil niet meteen zeggen dat bij het verlenen, ook meteen artikel 16 geschonden wordt. […]”.
  18. De tussenkomende partij valt in de eerste plaats de uiteenzetting van de verwerende partij bij. Voorts wijst zij op het gebrek aan rechtstreekse VII-40.273-22/36 werking van de habitatrichtlijn, gelet op de omzetting ervan in het nationaal recht, en op haar nota, neergelegd bij de GMVC, waarin wordt aangegeven dat er geen sprake is van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken habitatrichtlijngebied in de zin van artikel 36ter, § 4, van het natuurbehouddecreet. Zij vervolgt dat de Raad van State niet mag oordelen over de inhoudelijke invulling van de instandhoudingsdoelstellingen en over de wijze waarop ze het best worden nagestreefd. Zo houdt een betekenisvolle aantasting niet in dat elke wijziging van de grondwaterstand als betekenisvol moet worden aangemerkt. De aantasting moet betrekking hebben op de natuurlijke kenmerken van het gebied zoals omschreven in de instandhoudingsdoelstellingen. Dergelijke impact is in casu niet te verwachten zoals blijkt uit het milieueffectenrapport (hierna: MER) en de passende beoordeling met addendum. De habitatdoelstellingen, zo stelt de tussenkomende partij, blijken uit de adviezen van ANB van 10 november 2017 en 18 december
  19. Meer bepaald stelt het Agentschap vast dat de grondwaterwinning logischerwijze de grondwatertoestand zal wijzigen, maar dat dergelijke wijziging niet noodzakelijk leidt tot een betekenisvolle aantasting, te meer omdat op de plaatsen waar de grondwatertafel zal verlagen er geen grondwatergebonden habitats aanwezig zijn. De tussenkomende partij benadrukt dat er evenmin sprake is van de schending van het gezag van gewijsde van arrest nr. 227.164 van 24 april
  20. Waar de verzoekende partij kritiek uitbrengt op de wetenschappelijke onderbouwing van het MER en addendum, kan de Raad van State het milieueffectenonderzoek niet overdoen, maar kan hij enkel nagaan of deze verwachte effecten door de verwerende partij binnen de perken van de redelijkheid werden beoordeeld. In dit verband laat zij gelden dat geen negatieve effecten op de bestaande habitats worden verwacht, dat de door haar aangegane engagementen er niet enkel in bestaan de bestaande habitats te vervangen of te compenseren, dat in de bestreden beslissing het advies van het INBO afdoende wordt beantwoord, dat er reeds sinds 1997 sprake is van een waterwinning op de betrokken percelen en dat nadien geen verdroging werd vastgesteld, dat uit het advies van het INBO integendeel blijkt dat de waterwinning het gebied meer kansen geeft voor de ontwikkeling van de habitats 91E0 en 7140 en dat ook het MER aangeeft dat het VII-40.273-23/36 waterpeil van de waterlopen in de omgeving niet wordt beïnvloed. Omtrent de impact op de aanwezige fauna, maakt de tussenkomende partij zich sterk dat geen negatieve effecten op de habitats verwacht worden door de beweerde bijkomende versnippering of barrièrewerking van het voorgenomen project. Volledigheidshalve merkt de tussenkomende partij nog op dat artikel 36ter, § 5, van het natuurbehouddecreet niet werd toegepast, zodat de wettigheid van het bestreden besluit uiteraard niet aan de voorwaarden van voormelde decreetsbepaling dient te worden getoetst. Evenmin wordt de zorgplicht, zoals opgelegd door artikel 16 van het natuurbehouddecreet geschonden, aangezien de impact op het milieu aanvaardbaar wordt geacht mits naleving van de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden.
  21. De verzoekende partij wederantwoordt dat het vergunde project gepaard gaat met een irrigatie die op een kunstmatige en grootschalige wijze ingrijpt op de waterhuishouding, terwijl de natuurlijke waterhuishouding van het gebied precies een kenmerk ervan is, zodat de kunstmatige irrigatie kennelijk in strijd is met de natuurlijke hydrologische kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone. In zoverre de bestreden beslissing verwijst naar de toetssteen van de significante aantasting, werd zij genomen op grond van een regelgeving die in strijd is met de habitatrichtlijn. Als de Raad van State van oordeel zou zijn dat er geen discrepantie tussen de beoordelingscriteria van de richtlijn bestaat, verzoekt zij tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het loutere feit dat de Raad van State voorheen heeft geoordeeld dat artikel 6 van de habitatrichtlijn werd omgezet naar intern recht in artikel 36ter van het natuurbehouddecreet, betekent volgens haar niet dat dit op correcte wijze is gebeurd. Voorts legt de verzoekende partij de klemtoon op de ongunstige staat van instandhouding van de verscheidene habitats in de speciale beschermingszone, dat het herstel ervan zich opdringt terwijl de bestreden VII-40.273-24/36 beslissing die verplichting precies negeert, dat de habitattypes 91E0 en 7140 gevoelig zijn voor grondwaterdalingen en voor stijghoogteverschillen, dat uit het MER en de bestreden beslissing blijkt dat er over een oppervlakte van 4,7 km² een impact zal zijn op de grondwaterstand van 10 cm en dat zelfs indien rekening wordt gehouden met de beoogde compensatie, die in de bestreden beslissing een “milderende maatregel” wordt genoemd, dit nog steeds een probleem vormt voor de instandhouding van deze habitats. Uit het advies van het INBO uit 2015 blijkt overigens dat het niet zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen zullen worden gehaald. Het voorstellen van milderende maatregelen vereist dan ook een specifieke modellering, wat binnen het kader van dit advies niet mogelijk is. Aldus wordt dan ook geen hoog beschermingsniveau inzake het leefmilieu nagestreefd. In de gegeven omstandigheden legt de verwerende partij zich ook ten onrechte toe op de voorziene uitbreidingen in zoekzones om de bestaande deficits te milderen of te compenseren. Bovendien is compensatie voorbehouden voor de situaties bedoeld in artikel 6.4 van de habitatrichtlijn. De verzoekende partij herhaalt dat het MER en de passende beoordeling bijzonder veel fouten bevatten. De negatieve effecten worden sterk geminimaliseerd en de feitelijke en juridische uitgangspunten waarop de verwerende partij zich heeft gebaseerd zijn onjuist en onzeker. Het irrigeren met kanaalwater heeft meer negatieve dan positieve aspecten, zoals ook blijkt uit het advies van het INBO, gelet op de andere chemische samenstelling ervan. De verwerende partij gaat er bovendien ten onrechte vanuit dat het advies van het INBO geen wetenschappelijke waarde heeft, zoals mag blijken uit de taakomschrijving van dit instituut. Met betrekking tot het standstillbeginsel dient de huidige situatie in ogenschouw te worden genomen en niet de situatie die bestond in 1997 bij het begin van de waterwinningsactiviteiten. Bovendien was er geen grondwaterwinning gedurende meer dan twee jaar voordat de vergunning werd aangevraagd. Hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat de meeste habitats en regionaal belangrijke biotopen (RBB) zijn ontstaan verder van de winning af, waar de verdroging minder invloed heeft en tevens op percelen die werden aangekocht VII-40.273-25/36 door ANB, dat overging tot het niet ruimen van beken en grachten met vernatting tot gevolg.
  22. In haar laatste memorie schetst de verwerende partij het algemeen kader van artikel 6.3 van de habitatrichtlijn en leidt zij uit de tekst van de richtlijn af dat enkel ingrepen verboden worden die “significante gevolgen” of een “aantasting” van het betrokken gebied kunnen meebrengen rekeninghoudend met de instandhoudingsdoelstellingen. Volgens de verwerende partij betreft “[d]e significantie van de impact van een plan of project op de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone […] een dynamisch gegeven, die afhankelijk is van de concrete ecologische kenmerken en staat van het betrokken gebied”. Voorts stelt zij dat er inhoudelijk geen verschil bestaat tussen de woorden “niet aantasten” van de richtlijn en de woorden “niet betekenisvol aantasten” van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet. Uit de begripsomschrijving van een “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” in artikel 2, 30°, van het natuurbehouddecreet blijkt immers dat de aantasting “meetbaar en aantoonbaar” moet zijn. Met betrekking tot de effecten van het met het bestreden besluit vergunde project op het habitatrichtlijngebied in kwestie beklemtoont de verwerende partij dat de effecten bekeken moeten worden in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied gelden, dat effecten voor andere habitattypen of soorten dan waarvoor het gebied is aangewezen niet als negatieve gevolgen in de zin van artikel 36ter, § 4, van het natuurbehouddecreet moeten worden beschouwd en dat uit de adviezen van ANB blijkt dat “ingevolge het project er zeer lokaal een impact kan ontstaan op de grondwaterstanden, doch dat deze geen effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die gelden voor de betrokken speciale beschermingszone”.
  23. De tussenkomende partij ontwikkelt in haar laatste memorie een met de verwerende partij gelijklopend betoog over de correcte omzetting van artikel 6.3 van de habitatrichtlijn in het natuurbehouddecreet. Over het risico van betekenisvolle effecten op de betrokken beschermingszone benadrukt zij dat de impact op het grondwaterpeil wel degelijk werd beoordeeld in het licht van de VII-40.273-26/36 instandhouding van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone, dat er derhalve geen sprake is “van een negatieve beïnvloeding van het grondwaterpeil die, in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende speciale beschermingszone, als significant zou moeten worden beschouwd” en dat er wetenschappelijke zekerheid bestaat dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
  24. In haar laatste memorie gaat de verzoekende partij dieper in op de effecten van de irrigatie met kanaalwater met verscheidene verwijzingen naar de ecohydrologische studie, uitgevoerd door het studiebureau Witteveen + Bos van 29 november 2018, waarbij zij aanstipt dat dergelijke irrigatie door de (lage) kwaliteit van het kanaalwater als een negatief element moet worden beschouwd. Voorts houdt de verzoekende partij staande dat er sprake is van een verdroging van het habitatrichtlijngebied “over een erg grote oppervlakte” die “catastrofaal [is] voor natte habitats, zoals voor het prioritair (!) elzenbroekbos 91E0 en het overgangs & trilveen

(7140)”. De intensiteit van de verdrogingseffecten licht zij in overvloedig detail toe, waarbij puntsgewijs wordt gereageerd op de conclusies van de voormelde ecohydrologische studie, om vervolgens te concluderen dat de negatieve effecten van de grondwaterwinning onmogelijk als “niet significant” kunnen worden gekwalificeerd. De verzoekende partij gaat vervolgens in op de strekking van het advies van het INBO van 21 oktober 2015 waarin zij “duidelijk kritisch[e]”, zelfs negatieve, aspecten ontwaart met betrekking tot de effecten van de grondwaterwinning van de tussenkomende partij. Zo stelt zij dat het merkwaardig is dat ANB dit advies van de “belangrijkste natuurwetenschappelijke instelling in het Vlaams Gewest” niet in aanmerking heeft genomen. Beoordeling 11. Uit artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet volgt dat milieuvergunningsplichtige activiteiten die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kunnen veroorzaken, onderworpen dienen te worden aan een “passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone”. Luidens voormelde VII-40.273-27/36 bepaling geldt de verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling ook wanneer bij het verstrijken van de lopende vergunning voor een vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning, al dan niet met een verandering van de inrichting, wordt aangevraagd. Het derde lid van § 3 van voormelde bepaling legt de verantwoordelijkheid voor het opstellen van een passende beoordeling bij de “initiatiefnemer”. Overeenkomstig artikel 36ter, § 4, van hetzelfde decreet mag de overheid die over een vergunningsaanvraag moet beslissen, de vergunning slechts toestaan indien de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. Door het opleggen van voorwaarden moet zij er steeds zorg voor dragen dat er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. Artikel 2, 30°, van het natuurbehouddecreet definieert een “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als: “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
  1. en)of de habitat(
  2. s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(
  3. en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone”. Aldus stelt het natuurbehouddecreet de instandhouding voorop van de “natuurlijke kenmerken” van de speciale beschermingszone. 12. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft reeds meerdere malen beslist dat een dergelijke beoordeling inhoudt dat, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd (onder meer: H.v.J., 4 maart 2010, VII-40.273-28/36 C-241/08). Rekening houdend met de conclusies van de beoordeling van de gevolgen van het plan of project voor het betrokken gebied, mag de overheid dergelijk plan of project pas goedkeuren nadat zij zekerheid heeft verkregen omtrent het feit dat het geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. De zekerheid dat het plan of project geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied is voorhanden “wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn” (onder meer: H.v.J., 7 september 2004, C-127/02). 13. Voor de beoordeling van het middel moet in de eerste plaats in herinnering worden gebracht dat de GMVC naar aanleiding van een vroegere vergunningsaanvraag voor het exploiteren van een grondwaterwinning in het betrokken habitatrichtlijngebied een ongunstig advies heeft uitgebracht waarin er onder meer op gewezen werd dat “het wetenschappelijk niet correct is te stellen dat zolang een vegetatietype zich binnen de abiotische tolerantiegrenzen van het type bevindt, geen negatieve gevolgen optreden”, dat “de kwelinvloeden sterk afnemen in intensiteit en oppervlakte; dat dit een belangrijk kwaliteitsaspect is bij het bepalen van de lokale staat van instandhouding; dat dit aspect in het rapport evenwel niet werd meegenomen; dat voor gewoon elzenbroek (91E0), zuur laagveen
(7140)en veldrusgraslanden (RBB_hc) in sterke mate en voor ruigten (6430, RBB_hf) in mindere mate het wegvallen of minderen van de kwel een structuurbepalende factor is die leidt tot een gedegradeerde toestand met verdroging en verruiging; dat de actueel aanwezige vegetatie erop wijst dat dit heeft plaats gevonden en verschijnt als gedegradeerd op kaart 12 […]; dat het rapport hiervoor geen (mogelijke) oorzaak geeft; dat de verwachting van wegvallende kwelstromen, gevolgd door verdroging en verruiging reeds werd gesteld in een UA-rapport voor het gebied Scheps waar de huidige winning opgestart ging worden […]”, dat “uit de analyse van de grondwatergegevens blijkt dat de grondwaterstanden voor enkele PQ zich weliswaar gemiddeld binnen de uiterste grenswaarden van een bepaald habitattype bevinden maar daar geregeld eronder komen; dat ook de situering aan de uitersten van kenwaarden op zich een onzekerheid is voor een duurzame instandhouding”en dat “in de evaluatie per PQ VII-40.273-29/36 geregeld uitspraken staan die verder gaan dan de vaststellingen maar mogelijk wel duiden op een zwaar knelpunt; […] dat wanneer een knelpunt rond fosfaat vastgesteld wordt op humusrijke of venige bodem dit mogelijk wijst op vrijkomende fosfaat uit het veen of de humus wat kenmerkend is bij verdroging van dergelijke bodems; dat een intensief maaibeheer (zoals in het rapport voorgesteld wordt), gericht op fosfaatafvoer, habitatwaardige ruigten echter niet duurzaam in stand houdt”. Op basis van de beschikbare onderzoeken was de GMVC destijds van oordeel dat “de werkmethode uit het rapport niet toelaat de effecten van de winning als fenomeen te beoordelen omdat in het rapport aan de hand van de PQ een vergelijking wordt gemaakt van de vegetatie na 6 en 9 jaar grondwaterwinning versus de huidige vegetatie na 14 jaar winning; […] dat de gevolgen van de verdroging niet tot uiting komen in het rapport omdat ze geplaatst zijn binnen een te ruim, verkeerd of gewijzigd natuurdoeltype; dat onmiddellijk na de stopzetting van de winning op 11 februari 2011 de eerste peilmetingen wijzen op een grondwaterpeilstijging die buiten de winning niet merkbaar is en klimatologisch niet verklaard kan worden; dat de bepaling van de lokale stand van instandhouding onzorgvuldig gebeurde door geen rekening te houden met de situatie zonder grondwaterwinning, de ecologisch bepalende verschillen tussen kwelwater (nutriëntenarm) versus irrigatiewater (nutriëntenrijk); dat de bewering dat er geen verstoring is door verdroging/eutrofiëring onjuist is” en het rapport bijgevolg “onvoldoende garanties biedt op grond waarvan besloten kan worden dat de aanwezige grondwaterwinning geen significant negatieve impact veroorzaakt op de aanwezige Natura 2000 habitats en soorten”. Hoewel het aangehaalde advies van de GMVC niet uitgebracht werd in het kader van de procedure die tot de bestreden vergunningsbeslissing heeft geleid, mag er toch uit onthouden worden dat het exploiteren van een grondwaterwinning in een habitatrichtlijngebied dat onder meer aangemeld werd wegens de aanwezigheid van de habitattypes 91E0 ‘Alluviale bossen’ en 7140 ‘overgangs- en trilveen’ waarbij tegelijk de instandhoudingsdoelstellingen worden gerespecteerd, verre van evident is. Ook moet op basis van dit advies aangenomen worden dat het exploiteren van een grondwaterwinning kan leiden tot verdroging en verruiging, effecten die in beginsel aangemerkt moeten worden als VII-40.273-30/36 een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone.
  1. Om te besluiten dat de grondwaterwinning “mits het nemen van de opgelegde milderende maatregelen” geen betekenisvolle effecten zal veroorzaken in het habitatrichtlijngebied ‘Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor’, steunt de verwerende partij op een project-MER dat op 17 juli 2015 werd goedgekeurd en op een addendum bij voormeld project-MER dat werd opgesteld naar aanleiding van de gewijzigde zoekzones waarin volgens de bestreden beslissing “wordt besloten dat de effecten besproken in het MER geldig blijven, ook na het actualiseren van de beschikbare gegevens uit de monitoringsrapporten van 2015 en op basis van de vernieuwde voorlopige zoekzones VZZ 0.2”. Voor de weerlegging van de door de verzoekende partij tijdens de beroepsprocedure geformuleerde bezwaren zoekt het bestreden besluit steun in het voorwaardelijk gunstig subadvies van 10 november 2017 en het aanvullend voorwaardelijk gunstig subadvies van 18 december 2017 van ANB.
  2. In haar beroepschrift heeft de verzoekende partij uitdrukkelijk gewezen op het advies van het INBO van 21 oktober 2015 waaruit zij citeert dat “[d]e natuurlijke kenmerken van het gebied […] bij uitvoering van de grondwaterwinning sterk [worden] gewijzigd en daarmee […] de aanwezige vegetaties significant [wijzigen]”. Bovendien heeft de verzoekende partij ook aangedrongen om bijkomend beroep te doen op de expertise van het instituut. Ter weerlegging van deze argumenten wordt in de bestreden beslissing gesteld dat “het ANB […] in functie van vergunningsdossiers niet systematisch advies [vraagt] aan het INBO” en dat “gezien het project-MER en de passende beoordeling opgemaakt zijn door erkende deskundigen, […] dit voldoende expertise [garandeert]”. Voorts wordt de in bestreden beslissing opgemerkt dat “het ANB […] de initiatiefnemer en het studiebureau [heeft] geconfronteerd met het INBO-advies”, “in reactie daarop […] het ANB bijkomende duiding [heeft] gekregen van de initiatiefnemer en het studiebureau, met puntsgewijze bespreking van de opmerkingen” en “hieruit werd geconcludeerd dat de effectbeoordeling staande bleef” en “de nodige VII-40.273-31/36 verduidelijkingen en aanvullingen zijn toegevoegd aan het addendum bij het MER”. Blijkens haar website (https://www.vlaanderen.be/inbo/over-ons/missie-en-visie/) dient het INBO zich aan als “het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert” en wil zij “hét aanspreekpunt zijn in Vlaanderen om het natuurbeleid en de uitvoering ervan evidence-based te ondersteunen”. Het INBO “beschrijft toestand en trends van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, onderzoekt oorzaken van veranderingen en ontwikkelt rechtstreeks toepasbare instrumenten”. De beoordeling van de mogelijke schadelijke gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van het habitatrichtlijngebied moet gebeuren aan de hand van de beste wetenschappelijke kennis (zie randnr. 12). In de gegeven omstandigheden, waarbij het INBO op basis van haar expertise op 21 oktober 2015 een ongunstig advies over een grondwaterwinningsproject in het betrokken habitatrichtlijn heeft geformuleerd omdat dergelijke activiteit de natuurlijke kenmerken van het gebied significant zou wijzigen, valt niet in te zien waarom de verwerende partij niet opnieuw beroep heeft gedaan op de wetenschappelijke kennis van het INBO om het door de initiatiefnemer eenzijdig opgestelde addendum bij het project-MER te evalueren. De omgekeerde werkwijze die de verwerende partij heeft gehanteerd, met name om het ongunstig INBO-advies van 2015 ter evaluatie aan de rechtstreeks belanghebbende initiatiefnemer van het project voor te leggen, heeft alleszins niet bijgedragen tot een objectief wetenschappelijk debat over de mogelijke effecten van de drinkwaterwinning. De omstandigheid dat het INBO niet systematisch wordt geraadpleegd over individuele vergunningsdossiers, belet niet dat het instituut in bijzondere gevallen wel moet worden geraadpleegd als het over nuttige wetenschappelijke kennis beschikt die kan bijdragen tot een vergunningsbeslissing die op grond van de toepasselijke regelgeving genomen moet worden op basis van de beste wetenschappelijke kennis. VII-40.273-32/36
  3. Voorts wordt vastgesteld dat de conclusie dat de grondwaterwinning geen betekenisvolle effecten zal veroorzaken afhankelijk wordt gesteld van het nemen van een aantal milderende maatregelen. Het opleggen van dergelijke maatregelen is op zich niet onwettig aangezien artikel 36ter, § 4, van het natuurbehouddecreet de vergunningverlenende overheid uitdrukkelijk opdraagt om door het opleggen van voorwaarden er voor te zorgen dat er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. In de bestreden beslissing is op diverse plaatsen sprake van een irrigatieproject ter hoogte van de grondwaterwinning dat “om effecten inzake verdroging aan het maaiveld te beperken” gebruik maakt van kanaalwater. Het irrigatieproject maakt volgens de motivering van de bestreden beslissing deel uit van het project en het “moet uitgevoerd worden zoals beschreven in het project-MER”. In dit verband wordt in de bestreden vergunningsbeslissing aangegeven dat het irrigatieproject een “bijzondere voorwaarde” betreft die wordt “opgelegd in functie van natuurbeheer, meer bepaald dat het PIDPA-domein gepast beheerd moet worden in functie van Natura 2000-habitats, de IHD en regionaal belangrijke biotopen”. Bijgevolg gaat het om een milderende maatregel die erop gericht is te vermijden dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken beschermingszone zouden worden aangetast. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing aan dat een ecohydrologische studie lopende is en erkent dat die studie “bepalend kan zijn om de juiste beheerkeuzes te maken, waaronder het gebruik van het irrigatiesysteem”. Aangaande het irrigatieproject heeft de verzoekende partij in haar beroepschrift opgemerkt dat het bevloeien met kanaalwater geen alternatief is voor de vermindering van het kwelwater omdat kanaalwater van een totaal andere waterkwaliteit is, standpunt dat blijkt te worden ondersteund door het advies van het INBO van 21 oktober 2015 waarin wordt aangegeven dat het voor de instandhouding van de beschermde habitats belangrijk is dat de natuurlijke aanwezigheid van nutriëntenarm kwelwater kwalitatief niet gecompenseerd wordt VII-40.273-33/36 door de bevloeiing van het gebied met nutriëntenrijk irrigatiewater. Aldus moet worden aangenomen dat het als milderende maatregel opgelegde irrigatieproject een bijzondere wetenschappelijke discussie meebrengt over de vraag of de kwaliteit van het irrigatiewater al dan niet de aanwezigheid van bepaalde habitattypes, op grond waarvan het habitatrichtlijngebied werd aangeduid, significant kan aantasten en dat de verwerende partij niet kon vooruitlopen op de resultaten van de ecohydrologische studie door aan te nemen dat de irrigatie van het gebied met kanaalwater geen betekenisvolle effecten zal hebben voor de instandhouding van bepaalde beschermde habitattypes.
  4. De vaststellingen die voorafgaan volstaan voor de Raad van State om te besluiten dat de verwerende partij niet met voldoende zekerheid kon aannemen dat de exploitatie van de beoogde grondwaterwinning geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken habitatrichtlijngebied zal veroorzaken, zoals nochtans wordt vereist door artikel 36ter, § 4, van het natuurbehouddecreet.
  5. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.
  6. Aangezien de redenen die hebben geleid tot het gegrond verklaren van het vijfde middel niet samenvallen met het onderwerp van de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie, moet deze vraag niet worden gesteld. V. Kosten
  7. De verzoekende partij vraagt in haar laatste memorie om de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding te verhogen tot het maximumbedrag van 1.400 euro of “minstens [tot] een substantieel hoger bedrag dan louter het basisbedrag”. Dit verzoek wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat het vijfde middel “na kennisneming van o.a. de laatste memories, toch nog heel wat voeten in de aarde heeft gehad en het middel complexer heeft gemaakt”, de situatie “kennelijk onredelijk genoemd [mag] worden hetgeen blijkt uit de ingeroepen VII-40.273-34/36 vijf middelen” en de financiële toestand van de verzoekende partij “allesbehalve rooskleuring” is omdat “de inkomsten […] beperkt [zijn] terwijl de uitgaven vrij hoog zijn, onder meer om de huidige procedure voort te zetten”. Beoordeling
  8. Aangezien de rechtsplegingsvergoeding ertoe strekt forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat en dus geen sanctionerend karakter heeft, mag de proceshouding van de verwerende partij en/of de tussenkomende partij niet in rekening worden gebracht voor de begroting van deze vergoeding. Bovendien moet de verzoekende partij zelf de gevolgen dragen van het aantal middelen dat zij in het verzoekschrift wenst aan te voeren en van de complexe uitwerking ervan. Ten slotte kan bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding geen acht worden geslagen op de financiële draagkracht van de in het gelijk gestelde partij. De verzoekende partij toont geen kennelijk onredelijke situatie aan, zoals bedoeld in artikel 30/1, § 2, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  9. De aan de verzoekende partij toe te kennen rechtsplegingsvergoeding wordt dienvolgens bepaald op het basisbedrag van 700 euro. BESLISSING
  10. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 maart 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 augustus 2017 houdende het verlenen aan de Provinciale en Intercommunale Drinkwatermaatschappij der Provincie Antwerpen van de milieuvergunning voor de exploitatie van een grondwaterwinning, gelegen aan de Zillendijk te Balen, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. VII-40.273-35/36
  11. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  12. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.273-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.371 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.