← België

Arrest 252380 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.380 Rolnummer: A. 218450/IX-8825 Zaak: Arrest 252380 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-20 Raadplegingen: 220 - laatst gezien 2026-06-18 12:46 Fiche Arrest nr 252.380 van 10 december 2021 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 252.380 van 10 december 2021 in de zaak A. 218.450/IX-8825 In zake : Herman SIEBENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tim De Ketelaere kantoor houdend te 3000 Leuven Bondgenotenlaan 155A bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Roosens kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 40/0102 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 9 - Ringscholen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 18 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de raad van bestuur van scholengroep 9 van het Gemeenschapsonderwijs van 24 december 2015 om het mandaat van algemeen directeur van Herman Siebens te beëindigen. II. Verloop van de rechtspleging IX-8825-1/30 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2021. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Roosens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Steven Van Geeteruyen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De raad van bestuur van scholengroep 9 stelt verzoeker met ingang van 1 september 2014 aan als algemeen directeur. IX-8825-2/30 3.2. Op 2 juli 2015 richten vijftien directeurs van de scholengroep zich – onder meer – tot de raad van bestuur met een “[m]otie van wantrouwen”. Hun brief leest als volgt: “Wij zijn tot de consensus gekomen dat er een ernstig probleem is omtrent het functioneren van de [algemeen] directeur […]. Het gaat hier voornamelijk over: • Leiderschapsstijl • Eerlijke en open communicatie • Integriteit • Gebrek aan discretie Al het bovenstaande, dat reeds aan de gang is sinds zijn aanstelling, zorgt voor een sfeer van onzekerheid, angst, wantrouwen en onbehagen. We verzoeken u om dit schrijven te zien als een uiten van onze bezorgdheid betreffende het functioneren en de verdere uitbouw van een sterke scholengroep. […] Wij wensen u dit als groep verder toe te lichten in een gesprek.” Op 6 oktober 2015 laat de raad van bestuur onder meer aan verzoeker en de directeurs van de scholengroep het volgende weten omtrent “[d]e toekomst van Scholengroep 9”: “Naast de talrijke uitdagingen waarmee we dagelijks worden geconfronteerd (M-Decreet, integraalplannen, budgettaire beperkingen, leerlingenproblemen, administratieve werkdruk, enz.), heeft de communicatie van een aantal directies begin juli 2015 een vertrouwensprobleem blootgelegd. Tijdens de Raad van Bestuur van 24.9.2015 kwam de dreiging van een vertrouwensbreuk uitgebreid aan bod en kwam de RvB unaniem tot volgende vaststellingen en conclusies: 1. De RvB heeft – mede door de vakantieperiode – niet steeds adequaat kunnen reageren. Ook werd verkeerdelijk de indruk gewekt dat bepaalde directies wél zouden worden gehoord en anderen niet. De verschillende gesprekken hebben ons ook geleerd dat de RvB ongekend – en zelfs onbemind – is en vanuit een ivoren toren lijkt te beslissen. Wij hadden dit reeds als een pijnpunt ervaren en beslisten een systematiek te zoeken om clusters van scholen op de vergaderingen van de RvB uit te nodigen. Dit initiatief wordt versneld ingevoerd. Wij willen ook de werking van de RvB verbeteren. Daarom is het belangrijk dat wij goed voorbereide dossiers ontvangen op basis waarvan een beslissing kan worden genomen. Vandaar dat wij, méér dan in het verleden, volle aandacht zullen besteden aan de verslagen van de IX-8825-3/30 vergaderingen van het CvD. Deze gedetailleerde verslagen dienen in de toekomst voor akkoord ondertekend te worden door de Coördinerende directeurs BaO en SO. Hierin moeten niet alleen beleidspunten aan bod komen, maar kunnen ook spanningen en knelpunten worden verwoord. Beide CODI’s kunnen desgevallend een toelichting geven tijdens hun aanwezigheid op de RvB. De verslagen van de RvB dienen eveneens voldoende leesbaar en informatief te zijn. Een open dialoog tussen de RvB, de AD, de directies en de centrale administratie is essentieel. De leden van de RvB zullen proberen méér aanwezig te zijn op allerlei activiteiten binnen de Scholengroep indien zij hiertoe worden uitgenodigd. Omdat het voor een aantal leden niet langer mogelijk is om hun engagement binnen de RvB en van de Scholengroep te combineren met hun professionele activiteiten zal de RvB worden herschikt. Wij staan uiteraard open voor andere suggesties voor een betere werking van de RvB. 2. Dialoog is een belangrijk werkpunt. Het is goed dat de RvB op problemen wordt gewezen, maar wij stellen ons vragen bij de wijze en de timing van het versturen van de brief van 2 juli 2015. Ook menen wij dat de aanhef ‘motie van wantrouwen’ ongepast was en dat, op basis van de elementen die ons bekend zijn, de vlag de lading niet dekt. Dit heeft geleid tot een jammerlijke polarisatie in alle geledingen van de Scholengroep aangezien niet alleen vele directeurs maar ook de centrale administratie de brief van 2 juli 2015 als een disproportionele actie hebben ervaren. Op basis van alle hearings zullen de nodige stappen ondernomen worden om de werking van de Scholengroep te verbeteren. Zo wordt de AD verzocht, zeker ten aanzien van collega’s die het daar moeilijk mee hebben, zijn communicatiestijl aan te passen, de nodige empathie aan de dag te leggen en zich discreet op te stellen. De RvB bevestigt bij deze wél het vertrouwen in de AD. De RvB zal tevens overgaan tot de evaluatie van alle personeelsleden die hiervoor decretaal in aanmerking komen en de resultaten ervan als een constructief en positief beleidsinstrument aanwenden. 3. Om uit [de] huidige […] impasse te geraken is het zeer belangrijk dat aan kritische introspectie wordt gedaan en dat iedereen opnieuw alle kansen krijgt. Indien er zich in de toekomst problemen zouden stellen is het noodzakelijk om deze met de betrokkene(

  1. n)te bespreken en op te lossen. Indien een probleem niet opgelost geraakt kan dit steeds aan de RvB worden meegedeeld. Het moet ons wel bekend zijn, anders kunnen wij ook niet samen streven naar een oplossing. Wij kunnen het belang van een directe en open communicatie dus niet voldoende benadrukken waarbij het essentieel is dat problemen onmiddellijk worden aangekaart om te vermijden dat deze sluimerend IX-8825-4/30 uitgroeien tot een breekpunt. Een open dialoog in een sfeer van wederzijds respect en vertrouwen is hierbij cruciaal. 4. Dit brengt ons bij de toekomst van de Scholengroep. Het is tijd om lessen te trekken, naar de toekomst te kijken en het wederzijds vertrouwen tussen alle geledingen en ook onderling binnen elke geleding te herstellen. Wij staan allen voor een kantelmoment. De negatieve gevoelens van onbehagen, angst, onbegrip enz. moeten plaats maken voor een positief verhaal. Wij moeten allen samen bouwen aan de toekomst van onze ‘Ringscholen’. Dit zal van iedereen inspanningen vragen waarbij het eigen gelijk ondergeschikt dient te zijn aan het globaal project en de waarden van het GO!. Kritische introspectie en anderen een kans geven zijn kernwaarden van het GO! Laat ons daarom allen, zowel de RvB, de AD, de directeurs en de leden van de centrale administratie een nieuwe start nemen, focussen op onze kernwaarden en er voor mekaar zijn.” 3.3. Op 19 oktober 2015 vindt een algemene vergadering van de scholengroep plaats. De voor bekrachtiging voorgelegde begroting van 2015 wordt niet goedgekeurd. Aan het einde van de vergadering vraagt een lid van de algemene vergadering “om een bijkomend punt te agenderen: motie van wantrouwen algemeen directeur”. 3.4. Op 24 oktober 2015 dient verzoeker een ‘verzoek tot formele psychosociale interventie’ in bij de externe preventieadviseur. In dat verzoek haalt hij onder meer het volgende aan: “13/10/2015 Wemmel Eerste college van directeurs ná het bekendmaken van de eindbeslissing van de raad van bestuur van alle gesprekken en info (standpuntbepaling). Vanaf de eerste zin [verstoort] [X] de sfeer en de vergadering. Dit loopt uit op een bitsige discussie waarin ik [word] aangevallen en waarin [Y] zwaar uithaalt naar de raad van bestuur (als onbekwamen, niet geëngageerd enzovoort). Verschillende leden van het groepje verwerpen de beslissing van de raad van bestuur als niet terzake doende. [Z] liegt dat hij al twee maanden vraagt naar een gesprek, maar dat daarop geen reactie zou komen. De andere leden van de vergadering geraken duidelijk gefrustreerd door deze reacties en leugens, maar IX-8825-5/30 behouden beleefd de stilte. 19/10/2015 Wemmel Op de algemene vergadering wordt zwaar uitgehaald naar mij en de raad van bestuur als amateurs en bedriegers. Het gaat om een viertal leden van de AV, zetelend in de schoolraden van genoemde directeurs van het groepje, die duidelijk geïnformeerd en geïnstrueerd zijn door hun directeurs om op deze wijze de AV te saboteren. Uiteindelijk formuleert een van hen de vraag (afgewezen door de voorzitter op wettelijke gronden) om te stemmen over een ‘motie van wantrouwen’ over mij. Deze voortdurende acties creëren een continu hoog stressniveau voor mij: wakker liggen of slecht slapen, weinig tijd voor het echte werk dat ligt te wachten, gespannen vergaderingen, continue druk op de relatie thuis en op de relaties met en tussen de directe collega’s, hartkloppingen, angstaanvallen, steeds weer conflictsfeer in elke vergadering enzovoort.” 3.5. Op 9 november 2015 vindt een nieuwe algemene vergadering plaats, meer bepaald met het oog op de “bekrachtiging [van de] begroting 2015”. 3.6. Op 27 november 2015 vragen de vertegenwoordigers van twaalf schoolraden van de scholengroep om de algemene vergadering opnieuw bijeen te roepen “met slechts 1 agendapunt, nl. ‘beëindiging van het mandaat van de algemeen directeur’ en de stemming hieromtrent”. Daarop wordt een bijzondere algemene vergadering bijeengeroepen op 10 december 2015 met het gevraagde agendapunt. Na een mogelijk belangenconflict met betrekking tot de raadsman van verzoeker wordt deze algemene vergadering, zonder stemming over het enige agendapunt, “opgeheven tot nader bericht”. 3.7. Op 16 december 2015 wordt verzoeker door “6 van de 8 bestuurders” – leden van de raad van bestuur – opgeroepen voor een hoorzitting op 21 december 2015 “over het agendapunt ‘beëindiging mandaat van de AD’”. De “betrokken meerderheid” van de raad van bestuur wil verzoeker horen over de volgende punten: “Assessement rapporten en aanstelling van de Algemeen Directeur bij beslissing van de Raad van Bestuur (05/2014), en het gebrek aan adequate opvolging daarvan”, “de herhaaldelijke verzoeken tot IX-8825-6/30 beëindiging van het mandaat van de AD door de algemene vergadering van SGR 9 en het verloop van deze algemene vergaderingen”, “diverse gesprekken met de AD en verschillende raadsleden waaruit blijkt dat de AD geen enkele ambitie/motivatie meer heeft om het mandaat van AD op lange termijn verder uit te oefenen”, “het verslag van het CvD van 13 oktober 2015”, “de brief d.d. 14 december 2015 van de Afgevaardigd Bestuurder namens de Raad van het GO! en de bijgevoegde e-mail van de AD d.d. 7 december 2015 aan een aantal leden van de Raad van Bestuur en de Afgevaardigd Bestuurder en Voorzitter van de Raad van het GO!” en “de vaststelling door de aanwezige leden op de AV van 10 december 2015 van de wanhopige en bezorgde reacties van ouders, personeelsleden en directies, waaruit blijkt dat het vertrouwen helemaal zoek is, de SGR9 zich in een diepe crisis bevindt die bijzonder nefast is voor de werking en reputatie van de SGR en een [dringende] oplossing noodzakelijk is”. 3.8. Op de vraag van de raadsman van verzoeker of er bezwaar bestaat dat hij de belangen van verzoeker zal behartigen, laat een lid van de raad van bestuur op 17 december 2015 weten dat “[d]e meerderheid van de RvB […] van mening [is] dat [hij] in deze omstandigheden niet kan optreden”. Op de hoorzitting legt verzoeker zelf een verweernota neer waarin hij zich beklaagt over de termijn om zijn verweer voor te bereiden en “onder voorbehoud van al [zijn] rechten” ook inhoudelijk weerwerk biedt. Hij geeft daarbij ook aan van oordeel te zijn dat hij bescherming geniet op grond van zijn ‘verzoek tot psychosociale interventie’ van 24 oktober 2015. 3.9. Op 24 december 2015 beslist de raad van bestuur “om het mandaat van [verzoeker] als algemeen directeur van SGR9 te beëindigen”. Dat is de bestreden beslissing. 3.10. Bij dagvaarding van 28 april 2016 stelt verzoeker een vordering in bij de arbeidsrechtbank te Brussel, omdat hij meent dat de beslissing tot IX-8825-7/30 beëindiging van zijn mandaat van algemeen directeur is gebeurd in strijd met artikel 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’. Bij vonnis van 30 mei 2017 verklaart de arbeidsrechtbank te Brussel deze vordering ongegrond. Na hoger beroep van verzoeker hervormt het arbeidshof te Brussel dit vonnis, verklaart het de vordering gegrond en veroordeelt het de scholengroep tot betaling van een schadevergoeding. Een voorziening in cassatie van de scholengroep leidt tot een arrest van het Hof van Cassatie van 15 juni 2020 (AR S.19.0041.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200615.3N.10; ECLI BE CASS 2020 ARR.20200615.3N.10), waarbij het Hof het arrest van het arbeidshof te Brussel verbreekt en de zaak verwijst naar het arbeidshof te Antwerpen. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (“welzijnswet”). Verzoeker voert aan dat hij op 24 oktober 2015 een verzoek tot formele psychosociale interventie heeft ingediend, hetgeen overeenkomstig artikel 32tredecies van de welzijnswet voor gevolg heeft dat zijn werkgever de arbeidsverhouding niet mag beëindigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan het verzoek. Bovendien mag de werkgever ook geen nadelige maatregel treffen die verband houdt met het verzoek. De bewijslast dienaangaande berust bij de werkgever. IX-8825-8/30 De beëindiging van het mandaat van algemeen directeur moet worden beschouwd als een beëindiging van de arbeidsverhouding, minstens als een nadelige maatregel. Bovendien is die beëindiging niet vreemd aan het ingediende verzoek. De raad van bestuur van de scholengroep overweegt in de bestreden beslissing weliswaar dat “uit niets blijkt dat de beëindiging van het mandaat een gevolg is van het indienen van het verzoek tot formele psychosociale interventie”, maar “gelegen [is] in de malaise in de SGR en het gebrek aan de vereiste kwaliteiten van [verzoeker] om het mandaat van AD verder uit te oefenen”, maar de “malaise in de SGR” is net het “rechtstreekse gevolg van de door verzoeker aangeklaagde pesterijen” en het zijn precies “de niet aflatende, onrechtmatige acties van de ‘bezorgde directies’ en hun achterban tegen de persoon van verzoeker die de ‘malaise’ veroorzaakt hebben”. Uit geen enkel stuk blijkt dat verzoeker zelf de oorzaak was van de malaise en dit wordt bevestigd in verklaringen van oud-bestuurders van de scholengroep. Ook het zogezegde “gebrek aan de vereiste kwaliteiten” houdt verband met de gebeurtenissen die het voorwerp uitmaken van de op 24 oktober 2015 ingediende klacht. Nauwelijks enkele weken voordat die klacht werd ingediend, heeft de raad van bestuur van de scholengroep immers nog het vertrouwen in verzoeker bevestigd – wat “noodzakelijkerwijze betekent dat de raad toen […] nog van oordeel was dat verzoeker wel degelijk over de vereiste kwaliteiten beschikte om verder te gaan als algemeen directeur”. Er bestaat dus ontegensprekelijk een verband tussen het voorwerp van het verzoek en de beëindiging van het mandaat. Meer nog, uit de handelwijze van de raad van bestuur kan worden afgeleid dat het hem kwalijk werd genomen dat hij een “pestklacht” had ingediend en dat de beëindiging van het mandaat “een vorm van represaille” is. De raad van bestuur heeft geen contact opgenomen met de preventieadviseur, ook niet na de bijzondere algemene vergadering van 10 december 2015 hoewel toen was gebleken “dat er een grote crisis was binnen de scholengroep die een IX-8825-9/30 dringende oplossing noodzakelijk maakte”. Het is onbegrijpelijk en onaanvaardbaar dat de raad van bestuur pas tijdens de beraadslaging over de beëindiging van het mandaat de preventieadviseur heeft gecontacteerd en dan enkel nog om na te gaan of de raad van bestuur als werkgever wel correct werd geïnformeerd over het bestaan van de klacht. Dit laat uitschijnen dat de raad van bestuur de klacht niet ernstig heeft genomen en, meer nog, het verzoeker kwalijk heeft genomen dat hij een dergelijke klacht heeft ingediend en het mandaat van verzoeker absoluut wilde beëindigen vóór het onderzoek naar de klacht was afgerond. 5. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat redelijkerwijze niet kan worden ontkend dat minstens een deel van de motieven van de bestreden beslissing rechtstreeks verband houdt met het voorwerp van zijn klacht. Voorts acht hij het argument van de verwerende partij dat de klacht niet gericht was tegen de raad van bestuur “naast de kwestie” en hij merkt op dat het verbod bedoeld in artikel 32tredecies van de welzijnswet wordt overtreden zodra er een verband bestaat tussen de beëindiging van het mandaat en het voorwerp van de klacht, ongeacht tot wie deze is gericht. Verzoeker ontkent ook dat hij zijn toevlucht heeft genomen tot de klachtenprocedure als een tactische zet om zijn ontslag te vermijden en hij wijst erop dat het de vertrouwenspersoon van de scholengroep is die hem heeft geadviseerd de tussenkomst van de externe preventieadviseur te vragen. Het intakegesprek dateert trouwens al van 24 september 2015. 6. Gevraagd om standpunt in te nemen over de gevolgen van het arrest van het Hof van Cassatie van 15 juni 2020 voor de beoordeling van het eerste middel, antwoordt verzoeker dat het arrest “er niet aan in de weg [staat] dat de Raad van State het eerste […] middel alsnog gegrond verklaart”. De Raad zou kunnen oordelen dat de beëindiging van het mandaat van algemeen directeur een IX-8825-10/30 represaillemaatregel was voor het verzoek tot interventie of dat de verwerende partij niet bewijst dat de bestaansreden van die beëindiging geen verband houdt met dat verzoek tot interventie. Het arrest van het Hof van Cassatie verandert daaraan niets. Het Hof heeft alleen geoordeeld dat de vaststelling dat een ontslag of een nadelige maatregel is ingegeven door redenen die afgeleid zijn uit feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt, niet ipso facto impliceert dat er een verboden verband bestaat tussen de maatregel en het verzoek. 7. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker dat artikel 32tredecies van de welzijnswet niet zo kan worden geïnterpreteerd dat de scholengroep enkel moet aantonen dat er geen verband bestaat tussen de nadelige maatregel en het indienen van het verzoek, en niet met het verzoek als dusdanig. Dit kan ook niet worden afgeleid uit het arrest van het Hof van Cassatie van 15 juni 2020 waarbij het arrest van het arbeidshof van 15 januari 2019 is verbroken omdat het arbeidshof had uitgesloten dat een nadelige maatregel gerechtvaardigd kan worden door feiten die in het verzoek als pesterijen worden aangemerkt. Een nadelige maatregel kan inderdaad worden gerechtvaardigd door een feit dat in het verzoek als pesterij wordt vermeld en het volstaat op zich dan ook niet dat de rechtvaardiging van de genomen maatregel steunt op een dergelijk feit om te besluiten tot een verboden verband tussen de maatregel en het verzoek. Dit betekent echter niet dat het bestaan van een verboden verband enkel vaststaat wanneer de maatregel is genomen omwille van het indienen van het verzoek. Het volstaat dat er een verband bestaat tussen de maatregel en het verzoek als dusdanig. Een correcte toepassing van deze principes is gemaakt in ’s Raads arrest nr. 247.609 van 20 mei 2020. Ook in de voorliggende zaak kan redelijkerwijze niet worden betwist dat de redenen van de scholengroep voor het nemen van de nadelige maatregel deel uitmaken van de situatie tussen verzoeker en de personen die hij in zijn verzoek als de pesters heeft aangewezen en dat er dus een verband bestaat tussen de maatregel en de klacht. De verwerende partij bewijst het tegendeel niet en erkent in haar laatste memorie zelfs dat de maatregel is ingegeven door de gebeurtenissen op de verschillende algemene vergaderingen in de periode oktober-december 2015 en door de vertrouwensbreuk tussen IX-8825-11/30 verzoeker en de bezorgde directies. Er is wel degelijk een verband tussen die motieven en het ingediende verzoek om hulp te vragen tegen de pesterijen van de bezorgde directies. Beoordeling 8. Naar luid van artikel 32tredecies, § 1, eerste lid, van de welzijnswet mag de werkgever noch de arbeidsverhouding van de werknemers bedoeld in paragraaf 1/1 beëindigen, noch een nadelige maatregel treffen ten aanzien van dezelfde werknemers na de beëindiging van de arbeidsverhoudingen, behalve om redenen die vreemd zijn aan het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring. Krachtens artikel 32tredecies, § 1, tweede lid, eerste zin, van de welzijnswet mag de werkgever bovendien, tijdens het bestaan van de arbeidsverhoudingen, ten opzichte van dezelfde werknemers, geen nadelige maatregel treffen die verband houdt met het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag, met de klacht, met het instellen van een rechtsvordering of met het afleggen van een getuigenverklaring. De bescherming die in de eerste paragraaf van artikel 32tredecies van de welzijnswet wordt omschreven, komt, naar luid van paragraaf 1/1 van dezelfde bepaling, ten goede aan “de werknemer die op het vlak van de onderneming of instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de geldende procedures, een verzoek tot formele psychosociale interventie heeft ingediend voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk”. Op grond van artikel 32tredecies, § 2, van de welzijnswet berust de bewijslast van de in paragraaf 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging bij de werkgever, wanneer de arbeidsverhouding werd beëindigd of de IX-8825-12/30 maatregelen werden getroffen binnen twaalf maanden volgend op – onder meer – het indienen van een verzoek tot interventie. 9. Er wordt niet betwist dat de welzijnswet van toepassing is op de zaak die thans voorligt, namelijk in de verhouding tussen een administratieve overheid (het Gemeenschapsonderwijs) en één van haar statutair aangestelden (een algemeen directeur). Evenmin wordt betwist dat verzoeker op 24 oktober 2015 een verzoek tot formele psychosociale interventie heeft ingediend. Verzoeker kan daardoor de bescherming genieten zoals omschreven in artikel 32tredecies, § 1, van de welzijnswet: het is de werkgever – scholengroep 9 van het Gemeenschapsonderwijs – verboden zijn arbeidsverhouding met verzoeker te beëindigen, tenzij om redenen die vreemd zijn aan het verzoek tot formele psychosociale interventie, of ten aanzien van verzoeker een nadelige maatregel te treffen die verband houdt met dat verzoek. 10.1. Met de bestreden beslissing heeft de verwerende partij het mandaat van algemeen directeur van verzoeker beëindigd. 10.2. De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord op dat verzoeker niet werd ontslagen, dat hij zijn mandaat van directeur van het KTA te Wemmel opnieuw kon opnemen en dat “[men] zich […] aldus de vraag [kan] stellen in welke mate het in huidige zaak al zou gaan om een nadelige maatregel”. 10.3. De beëindiging van het mandaat van algemeen directeur betekent voor verzoeker niet het definitieve einde van zijn werkrelatie met de verwerende partij. Het houdt in ieder geval wél de definitieve beëindiging in van een zeer specifieke “arbeidsverhouding”. IX-8825-13/30 De vraag of het dan om een beëindiging van een arbeidsverhouding gaat, mag onbeantwoord blijven, omdat de bestreden beslissing minstens als een “nadelige maatregel” moet worden beschouwd – al was het maar, bijvoorbeeld, op het morele vlak – waarvan dezelfde bepalingen van de welzijnswet verbieden dat deze wordt getroffen ten aanzien van een werknemer die een verzoek tot formele psychosociale interventie heeft ingediend, indien die maatregel verband houdt met dat verzoek. De verwerende partij stelt zich wel “de vraag” of het om een nadelige maatregel gaat, maar levert voorts als tegenargument alleen aan dat verzoeker zijn benoeming van schooldirecteur heeft behouden. Het mandaat van algemeen directeur van een scholengroep en het ambt van directeur van een onderwijsinstelling binnen die scholengroep zijn erg verschillend, bijvoorbeeld op het vlak van jobinhoud, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De beëindiging van zo een mandaat van algemeen directeur niet als nadelig beschouwen, is dus verre van evident. Dan staat het aan de verwerende partij die daarover een andere mening is toegedaan, de Raad daarvan met specifieke argumenten te overtuigen. Dat doet de verwerende partij niet. 11.1. De bestreden beslissing dateert van 24 december 2015. Dit is binnen twaalf maanden nadat verzoeker zijn verzoek tot formele interventie heeft ingediend. Op grond van artikel 32tredecies, § 2, van de welzijnswet berust dan de bewijslast van de redenen en rechtvaardiging voor de getroffen maatregel bij de werkgever. IX-8825-14/30 11.2. Daarbij dient evenwel opgemerkt dat verzoeker zich in het kader van het voormelde beschermingsmechanisme van de welzijnswet ook tot de gewone rechter heeft gewend. In de procedure voor de gewone rechter – gevoerd tussen dezelfde partijen als in de thans bij de Raad van State voorliggende zaak – heeft het Hof van Cassatie zich, zoals gezien, uitgesproken met een arrest van 15 juni 2020. In dat arrest heeft het Hof, na verwijzing naar de relevante bepalingen van artikel 32tredecies van de welzijnswet, onder meer gesteld wat volgt: “De voormelde wetsbepalingen, die de werkgever verbieden de arbeidsverhoudingen te beëindigen of ten opzichte van de werknemer een nadelige maatregel te treffen omwille van de indiening van een verzoek tot formele psychosociale interventie, sluiten niet uit dat het ontslag of de nadelige maatregel kan gerechtvaardigd worden door redenen die zijn afgeleid uit feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt.” Het Hof van Cassatie heeft vervolgens vastgesteld dat de appelrechters – het arbeidshof te Brussel – met de redenen die zij hebben aangehaald in hun arrest om te oordelen dat het bewijs niet werd geleverd dat de beëindiging van het mandaat van algemeen directeur geen verband houdt met het verzoek tot formele interventie, tegen die zienswijze hebben gehandeld, en dus hun beslissing niet naar recht hebben verantwoord. Het Hof heeft daarop het arrest van het arbeidshof te Brussel van 15 januari 2019 vernietigd en de zaak verwezen naar het arbeidshof te Antwerpen. 11.3. Met voormeld arrest van 15 juni 2020 bevestigt het Hof van Cassatie zijn eerdere rechtspraak van 20 januari 2020 (AR S.19.0019.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200120.5). IX-8825-15/30 Uit deze arresten blijkt dat de door artikel 32tredecies van de welzijnswet geboden bescherming betrekking heeft op represailles van de werkgever die het gevolg zijn van het indienen van het verzoek tot formele psychosociale interventie, maar er niet aan in de weg staat dat de arbeidsverhouding wordt beëindigd of dat een nadelige maatregel wordt getroffen die steunt op of verband houdt met de feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt. De Raad van State valt de zienswijze van het Hof bij; de rechtspraak van arrest nr. 247.609, waarnaar verzoeker verwijst, kan dan ook niet langer worden toegepast. 12.1. In het kader van de voormelde op haar rustende bewijslast, argumenteert de verwerende partij in de bestreden beslissing als volgt: “Uit niets blijkt dat de beëindiging van het mandaat een gevolg is van het indienen van het verzoek tot formele psychosociale interventie. De beëindiging van het mandaat van de AD is gelegen in de malaise in de SGR en het gebrek aan de vereiste kwaliteiten van [verzoeker] om het mandaat van AD verder uit te oefenen. Het gegeven dat [verzoeker] meent gepest te worden door bepaalde Directies heeft hier niets mee te maken.” 12.2. Met zijn argumentatie dat de “beweerde ‘malaise in de SGR’ […] het rechtstreekse gevolg [is] van de door verzoeker aangeklaagde pesterijen”, in die zin dat het “precies de niet aflatende, onrechtmatige acties van de ‘bezorgde directies’ en hun achterban tegen de persoon van verzoeker [zijn] die de ‘malaise’ veroorzaakt hebben”, en dat ook “het zogezegde ‘gebrek aan de vereiste kwaliteiten’ van verzoeker, […] verband [houdt] met de gebeurtenissen die het voorwerp uitmaken van de pestklacht van 24 oktober 2015”, toont verzoeker niet aan dat de verwerende partij niet in haar bewijslast is geslaagd. Zoals hiervóór is uiteengezet, heeft het Hof van Cassatie immers geoordeeld dat de door artikel 32tredecies van de welzijnswet geboden bescherming niet uitsluit dat de nadelige maatregel wordt gerechtvaardigd door redenen die afgeleid zijn uit feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt. Dat er een verband bestaat met die feiten, verhindert niet het IX-8825-16/30 nemen van de maatregel. Alleen mag de maatregel niet het (rechtstreekse) gevolg zijn van het indienen van de klacht. 12.3. Dat laatste voert verzoeker ook nog aan. Daarvoor verwijst hij naar het feit dat de raad van bestuur van de scholengroep niet, minstens laattijdig, in contact is getreden met de preventieadviseur. Verzoeker mag dan wel van oordeel zijn dat daaruit blijkt dat die raad van bestuur zijn klacht niet ernstig heeft genomen. Niet valt in te zien echter hoe dat element aantoont dat de raad van bestuur zich bij het nemen van de maatregel van de beëindiging van het mandaat van algemeen directeur, determinerend heeft laten leiden door die klacht. 13. Het eerste middel is niet gegrond. IX-8825-17/30 B. Derde middel Standpunt van de partijen 14. Het derde middel is – onder meer – genomen uit de schending van het beginsel van de hoorplicht. Verzoeker voert aan dat hem geen redelijke termijn is verleend om zijn verweer voor te bereiden. De uitleg van de raad van bestuur in de bestreden beslissing waarom geen uitstel kon worden toegestaan, overtuigt allerminst. Het volstaat niet om louter te beweren dat een uitstel “niet opportuun is in het belang van de SGR”. Er wordt niet uitgelegd waarom het gevraagde uitstel met enkele dagen onmogelijk was, laat staan dat daarvoor een bewijs wordt geleverd. Voorts beweert de raad van bestuur ten onrechte dat verzoeker “de punten van kritiek” al lang kent en zijn verweer daartegen heeft kunnen voorbereiden, en “met betrekking tot een groot aantal punten reeds gevoerd” heeft in het kader van de algemene vergaderingen van 9 november en 10 december 2015. De tenlasteleggingen geformuleerd door de raad van bestuur verschillen van de tenlasteleggingen die geformuleerd werden door de leden van de algemene vergadering. Op de algemene vergadering van 9 november 2015 heeft verzoeker zich niet verweerd tegen de tenlasteleggingen aangezien de beëindiging van het mandaat niet was aanvaard als agendapunt. Voor de algemene vergadering van 10 december 2015 heeft verzoekers advocaat in extremis, omdat geen gevolg was gegeven aan de vraag tot uitstel, een verweernota opgesteld maar deze was allesbehalve volledig en kon ook niet worden toegelicht op de vergadering. IX-8825-18/30 Ten slotte is ook het argument dat verzoeker zelf verantwoordelijk was voor het terugtrekken van zijn advocaat niet deugdelijk, aangezien ook zonder die terugtrekking de oproepingstermijn veel te kort was. Bovendien heeft de raad van bestuur zich op geen enkel moment verzet tegen het optreden van de bewuste advocaat. Omdat het belangenconflict dat tijdens de vergadering van 10 december 2015 was opgeworpen nog niet was uitgeklaard tegen de hoorzitting van 21 december 2015 heeft verzoekers advocaat uit eigen beweging aan de raad van bestuur gevraagd of er bezwaar was dat hij verzoeker nog bijstond. Toen kreeg hij tot zijn verwondering te horen dat dit daadwerkelijk het geval was, waarna hij beslist heeft om zich terug te trekken om een normaal verloop van de procedure niet in de weg te staan. Het getuigt dan ook van weinig fair play om de verantwoordelijkheid voor het terugtrekken van verzoekers advocaat bij verzoeker te leggen en hem om die reden een uitstel te ontzeggen. 15. De verwerende partij antwoordt dat hoewel er van een decretaal vastgelegde hoorplicht geen sprake is bij de beëindiging van het mandaat van algemeen directeur, zij desalniettemin een hoorzitting heeft georganiseerd om tegemoet te komen aan de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Voor die hoorzitting op 21 december 2015 is verzoeker op 16 december 2015 uitgenodigd, waarbij hij ook in kennis is gesteld van de feiten en argumenten waartegen hij zich diende te verweren. Verzoeker had dus een termijn van vijf dagen om zijn verweer voor te bereiden, hetgeen weliswaar kort is, maar gelet op de omstandigheden van de zaak beschouwd moet worden als een redelijke termijn. Vooreerst moet rekening worden gehouden met de hoogdringendheid waarmee een beslissing diende te worden genomen. De scholengroep bevond zich in een crisissituatie en er drongen zich maatregelen op om na de kerstvakantie een doorstart te kunnen maken. Dit was ook de reden waarom geen uitstel kon worden verleend. Zoals is overwogen in de bestreden beslissing was dit niet opportuun in het belang van de scholengroep. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, was meer uitleg niet vereist. Verzoeker IX-8825-19/30 was zelf zeer goed op de hoogte van de crisissituatie en deze blijkt ook duidelijk uit de lezing van de tenlasteleggingen ten aanzien van verzoeker. Voorts is tijdens de laatste algemene vergaderingen vóór de hoorzitting reeds herhaaldelijk verzocht om een einde te stellen aan het mandaat van de algemeen directeur. Op de bijzondere algemene vergadering van 10 december 2015 was dit zelfs het enige agendapunt. Verzoeker was daar vertegenwoordigd door een advocaat en had een verweernota ingediend. Verzoeker was ook sedert ruime tijd op de hoogte van de tenlasteleggingen. Hoewel “inderdaad niet kan worden ontkend dat er in de oproepingsbrief van 16 december 2015 meer tenlasteleggingen waren opgenomen neemt [dit] niet weg dat verzoeker sedert lange tijd op de hoogte was van deze tenlasteleggingen”. Uit het overlopen van de verschillende tenlasteleggingen die waren opgenomen in de oproepingsbrief van 16 december 2015 blijkt dat niet ernstig kan worden beweerd dat verzoeker niet op de hoogte was van deze punten van kritiek. De termijn om zijn hoorzitting voor te bereiden is ook om deze reden ruim voldoende. Verzoeker heeft zich ook kunnen verdedigen tegen de tenlasteleggingen. Hij is er binnen de oproepingstermijn niet alleen in geslaagd om een nieuwe raadsman te raadplegen, maar heeft naar aanleiding van de hoorzitting van 21 december 2015 ook een nieuwe en uitvoerige verweernota ingediend. Bovendien had verzoeker zich reeds verweerd tegen een heel aantal punten, die overeenstemden met de oproepingsbrief van 23 november 2015. Verzoeker heeft op de algemene vergadering van 10 december 2015 een verweernota neergelegd en hoewel hij deze niet heeft kunnen toelichten, heeft de raad van bestuur er toch rekening mee gehouden, zoals blijkt uit de bestreden beslissing. De stelling dat deze nota onvolledig zou zijn, is onbegrijpelijk aangezien verzoeker voldoende tijd was verleend om zijn verweer voor te bereiden. Er is voor het beoordelen van de redelijkheid van de IX-8825-20/30 voorbereidingstermijn dan ook terecht rekening gehouden met het feit dat het verweer al deels was gevoerd. Ten slotte kon ook geen rekening worden gehouden met het feit dat verzoeker nog op zoek diende te gaan naar een nieuwe advocaat voor de hoorzitting aangezien verzoeker zelf verantwoordelijk was voor het terugtrekken van zijn advocaat, zoals wordt verduidelijkt in de bestreden beslissing. Verzoeker was al geruime tijd op de hoogte van het belangenconflict en had dus al moeten uitkijken naar een nieuwe advocaat. Bovendien heeft hij daadwerkelijk een nieuwe raadsman vóór de hoorzitting kunnen raadplegen. Dat de oorspronkelijke raadsman ook in de procedure voor de Raad van State voor verzoeker optreedt, toont aan dat er van een “vacuüm in de verdediging van verzoeker” geen sprake is geweest. 16. In de memorie van wederantwoord laat verzoeker gelden dat de verwerende partij nog altijd niet uitlegt waarom de beslissing over de beëindiging van het mandaat van algemeen directeur zo dringend was dat de hoorzitting niet later dan 21 december 2015 kon plaatsvinden. Het volstaat niet om in algemene termen te verwijzen naar een “crisissituatie” en “feitelijkheden”. Verzoeker betoogt voorts dat het niet is omdat hij al langer op de hoogte was van bepaalde punten van kritiek die te vinden zijn in de tenlasteleggingen vermeld in de oproepingsbrief van 16 december 2015, dat hem geen redelijke voorbereidingstermijn voor zijn verweer moest worden gegeven. Ten slotte stelt hij dat het terugtrekken van zijn advocaat niet als een vertragingsmanoeuvre kan worden beschouwd aangezien dit gebeurd is op de uitdrukkelijke vraag van de verwerende partij. Alleen al om die reden had de raad van bestuur de hoorzitting moeten uitstellen. 17. In haar laatste memorie argumenteert de verwerende partij nog dat de omstandigheid dat de raad van bestuur pas op 5 januari 2016 een gesprek IX-8825-21/30 heeft gehad met het college van directeurs niet kan worden beschouwd als een tegenindicatie voor de hoogdringendheid waarmee de bestreden beslissing moest worden genomen, maar louter een gevolg is van praktische omstandigheden zoals feestdagen en het samenvoegen van verschillende agenda’s. Enig verder uitstel van de hoorzitting had het proces alleen maar langer doen aanslepen en de crisissituatie nog doen vergroten. Voorts benadrukt zij nogmaals dat de beëindiging van het mandaat reeds meermaals aan bod was gekomen tijdens de laatste algemene vergaderingen vóór de hoorzitting. Er kan dan ook niet ernstig worden beweerd dat verzoeker niet op de hoogte was van de punten van kritiek. Gelet daarop was de termijn om de hoorzitting voor te bereiden ruim voldoende. Verzoeker was op de vergadering vertegenwoordigd door een advocaat en hij heeft een omvangrijk verweerschrift ingediend, hetgeen aantoont dat de termijn in elk geval redelijk was om een nieuwe raadsman te vinden en een verweernota in te dienen. De verweernota wordt zelfs uitvoerig geciteerd in het verzoekschrift, waaruit kan worden afgeleid dat het geenszins om een provisioneel of gebrekkig verweer ging. Beoordeling 18. De verwerende partij heeft een einde gesteld aan verzoekers mandaat van algemeen directeur wegens tekortkomingen die verzoeker persoonlijk werden aangerekend, zodat de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur alleen reeds daarom toepassing heeft. Zoals de verwerende partij terecht vaststelt, is over de procedure die gevolgd moet worden bij de beëindiging van het mandaat van algemeen directeur immers niets geregeld in de toepasselijke rechtspositieregeling. 19. Die hoorplicht houdt in dat aan verzoeker vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze over de voorgenomen maatregel te doen kennen. De mogelijkheid om op nuttige wijze IX-8825-22/30 zijn standpunt naar voor te kunnen brengen impliceert onder meer dat het bestuur de betrokkene behoorlijk moet uitnodigen om dat standpunt kenbaar te maken, dat hij moet weten wat hem precies wordt verweten, dat hij zicht moet hebben op de plannen van het bestuur en de juridische grondslag ervan en dat aan de betrokkene een redelijke voorbereidingstijd voor zijn verweer wordt gegeven. 20. Verzoeker werd voorafgaand aan de beëindiging van zijn mandaat ook daadwerkelijk gehoord door de raad van bestuur, namelijk op maandag 21 december 2015. Voor die hoorzitting werd hij uitgenodigd met een e-mail van woensdag 16 december 2015. Verzoeker vindt die termijn onredelijk kort, terwijl de verwerende partij deze kort maar ruim voldoende acht. 21. Over de redelijkheid van deze voorbereidingstijd hebben partijen naar aanleiding van de hoorzitting al standpunt ingenomen. In zijn nota voor de hoorzitting van 21 december 2015 deed verzoeker het volgende gelden: “Onredelijk korte oproepingstermijn – geen hoogdringendheid Ik ben op woensdag 16 december 2015 opgeroepen, enkel per e-mail, om gehoord te worden op maandag 21 december 2015. Een dergelijke korte oproepingstermijn – nog geen 3 werkdagen! – is niet redelijk en volstaat niet om mijn verweer op een grondige manier voor te bereiden. Daar komt nog bij dat ik op 17 december 2015 te horen kreeg dat ik op zoek moest gaan naar een nieuwe raadsman, omdat de RvB van oordeel is dat mr. Roosens niet langer kan optreden. Aangezien de RvB laten weten heeft dat de hoorzitting niet uitgesteld zal worden, zie ik mij genoodzaakt om zelf mijn verweer te voeren. Er was onvoldoende tijd voor mr. De Ketelaere om het dossier in te studeren en met mij te overleggen. Er is nochtans geen enkele reden om deze procedure op enkele dagen af te haspelen onder het mom van hoogdringendheid, te meer daar alles momenteel stil ligt door de kerstvakantie.” Daarop wordt in de bestreden beslissing als volgt geantwoord: IX-8825-23/30 “De Raad van Bestuur is van oordeel dat geen verder uitstel kan worden toegestaan, omwille van de volgende redenen: - de crisissituatie waarin de SGR zich bevindt vereist een maatregel bij hoogdringendheid zodat een verder uitstel niet opportuun is in het belang van de SGR; - de punten van kritiek zijn de AD genoegzaam bekend en de beëindiging van zijn mandaat is aan bod gekomen op de algemene vergaderingen van 19 oktober, 9 november en 10 december 2015. Op de algemene vergadering van 9 november 2015 heeft de raadsman van de AD bovendien de visie van de AD op het ontslag van de financieel directeur en de crisissituatie reeds toegelicht. Ook heeft de AD op 9 november 2015 zijn zienswijze op de begroting(swijziging) gegeven. Wat het verloop van de algemene vergaderingen betreft, kan worden verwezen naar de oproepingsbrief d.d. 23 november 2015 […] en de Verweernota Roosens […], evenals naar de correspondentie die werd gevoerd n.a.v. deze algemene vergaderingen […]. Het verzoek d.d. 23 november 2015 […] voor een bijzondere algemene vergadering bevat een uitvoerige motivering van het agendapunt ‘beëindiging van het mandaat van de AD’ door de algemene vergadering. Deze motivering maakt deel uit van de oproeping van de AD voor de zitting van de Raad van Bestuur van 21 december 2015. Op de algemene vergadering van 10 december 2015 was de AD niet zelf aanwezig maar vertegenwoordigd door Mr. Roosens die een verweernota heeft neergelegd. Met deze verweernota werd rekening gehouden bij de totstandkoming van de beslissing van de Raad van Bestuur. Kortom, de AD heeft zijn verweer met betrekking tot een groot aantal punten reeds gevoerd. - de AD is zelf verantwoordelijk voor de terugtrekking van zijn advocaat. Het is de AD die de keuze heeft gemaakt om een raadsman te nemen die eveneens optreedt als raadsman van SGR9. Reeds naar aanleiding van de algemene vergadering van 9 november 2015 werd de vraag gesteld naar het mogelijke belangenconflict van Mr. Roosens, evenals in de oproepingsbrief van 23 november 2015 […]. Desalniettemin hebben de AD noch zijn advocaat de nodige stappen ondernomen om hier duidelijkheid over te scheppen. Op de algemene vergadering van 10 december 2015 werd de vraag naar het belangenconflict herhaald en hebben de advocaat van bepaalde Schoolraden (Mr. [G.]) en Mr. Roosens overlegd en de Stafhouder gecontacteerd. De Stafhouder was van mening dat er een mogelijkheid van een belangenconflict bestond en dat verder onderzoek nodig was. Hierop werd op suggestie van de Stafhouder de algemene vergadering beëindigd. Pas bij e-mail van 16 december 2015 heeft Mr. Roosens de Raad van Bestuur gevraagd of de Raad er bezwaar tegen heeft dat hij de belangen van [verzoeker] verder zou verdedigen (met het oog op Raad van Bestuur van 21 december 2015). De Raad van Bestuur heeft geoordeeld dat er wel degelijk een belangenconflict was, waarop Mr. Roosens zich op 17 december 2015 heeft teruggetrokken […]. - Op de hoorzitting van 21 december 2015 heeft [verzoeker] een bijkomende verweernota neergelegd en heeft hij zijn verweer, weliswaar onder voorbehoud, kunnen voeren in aanwezigheid van zijn advocaat.” IX-8825-24/30 22. In de bestreden beslissing luidt het dat “verder uitstel [van de hoorzitting] niet opportuun is in het belang van de [scholengroep]”. In de memorie van antwoord wordt daar nog aan toegevoegd “dat er zich maatregelen opdrongen om na de kerstvakantie in 2016 een doorstart te kunnen maken”. In dat verband moet worden vastgesteld dat de raad van bestuur van de betrokken scholengroep pas op 5 januari 2016 – dit is vijftien dagen na de hoorzitting met verzoeker en twaalf dagen na de betekening van de bestreden beslissing – een gesprek heeft gehad met het college van directeurs en aan dat college, staande de vergadering, heeft gevraagd “om 1 of 2 leden voor te stellen voor het ambt van waarnemend AD”. Daarna is een bespreking gevolgd in de schoot van het college van directeurs en vervolgens is een voordracht gebeurd. Daargelaten of de crisissituatie op zichzelf beschouwd een hoogdringendheid uitmaakt – wat weinig relevant is, aangezien de kerstvakantie startte op 19 december 2015 en eindigde op zondag 3 januari 2016 – toont de verwerende partij, in het licht van de voormelde vaststelling, alvast niet aan waarom zelfs het minste uitstel van de hoorzitting, al was het maar met enkele dagen, volstrekt onmogelijk was. 23.1. In de bestreden beslissing heet het ook dat “de punten van kritiek [aan verzoeker] genoegzaam bekend [waren]” en dat “de beëindiging van zijn mandaat […] aan bod [is] gekomen op de algemene vergaderingen van 19 oktober, 9 november en 10 december 2015”. Ook op dat vlak kan de verwerende partij niet worden bijgevallen. 23.2. Voorafgaand aan de algemene vergadering van 19 oktober 2015 is aan verzoeker geen enkele oproeping bezorgd waarin hem “punten van kritiek” werden verweten. IX-8825-25/30 De notulen tonen alleen aan dat een lid van de algemene vergadering op het einde van die vergadering “vraagt om een bijkomend punt te agenderen: motie van wantrouwen algemeen directeur”. Die vraag blijft, steeds volgens de notulen, zonder enige toelichting, laat staan dat stavingsstukken worden bijgebracht. Daarmee kan verzoeker allerminst vermoed worden “geruime tijd op de hoogte” te zijn van de concrete verwijten, laat staan dat verzoeker daaruit had moeten begrijpen dat het de bedoeling was zijn mandaat van algemeen directeur te beëindigen. 23.3. De uitnodiging voor de algemene vergadering van 9 november 2015 bevat evenmin een agendapunt dat betrekking heeft op de beëindiging van het mandaat van verzoeker. Ook daaruit vermocht de verwerende partij dus niet af te leiden dat verzoeker op de hoogte was van welbepaalde verwijten jegens hem. 23.4. Pas op de algemene vergadering van 10 december 2015 staat de beëindiging van het mandaat van algemeen directeur voor het eerst geagendeerd. De uitnodiging daartoe dateert van 27 november 2015 en bevat concrete verwijten aan het adres van verzoeker. Daarop dient de raadsman van verzoeker ook een (korte) verweernota in. Daarbij dient echter meteen opgemerkt dat, zoals de verwerende partij het zelf bevestigt in haar memorie van antwoord, “inderdaad niet [kan] worden ontkend dat er in de oproepingsbrief van 16 december 2015 meer tenlasteleggingen waren opgenomen” dan in de oproepingsbrief voor de algemene vergadering van 10 december 2015. Dat verzoeker “sedert lange tijd op de hoogte was van deze tenlasteleggingen”, zoals de verwerende partij beweert, is dan weer niet ter zake IX-8825-26/30 dienend. Verzoeker kan dan wel op de hoogte zijn van bepaalde feitelijke omstandigheden, maar dat betekent niet dat hij er redelijkerwijze van moet uitgaan dat die feitelijke omstandigheden hem als een verwijt of een tekortkoming (zullen) worden aangerekend, laat staan dat die elementen (zullen) worden aangevoerd om een einde te stellen aan zijn mandaat en dat hij daarvoor dus een verweer moet voorbereiden en voeren. 24. Daarbij komt nog dat verzoeker op 17 december 2015 – daags na de oproeping en vier dagen, of beter: twee vrije dagen, vóór de hoorzitting – verneemt dat “de meerderheid van de [raad van bestuur] van mening [is] dat [de raadsman van verzoeker] in deze omstandigheden niet kan optreden”. Verzoeker moest dus in die uiterst korte tijdspanne zijn verweer zelf ter hand nemen, aangezien hij niet meer kon terugvallen op zijn raadsman aan wie hij zijn dossier had toevertrouwd. De verwerende partij meent dat verzoeker na de algemene vergadering van 10 december 2015 “had moeten uitkijken voor een nieuwe advocaat”. Ook op dat punt kan de verwerende partij niet worden bijgevallen. Vooreerst is het vraagstuk van het mogelijke belangenconflict op 10 december 2015 voorgelegd aan de stafhouder en mocht verzoeker er dus redelijkerwijze vanuit gaan dat hij dat oordeel eerst kon afwachten. Bovendien was het bezwaar tegen het optreden van de advocaat van verzoeker op 10 december 2015 aan de orde gebracht in de schoot van de algemene vergadering, maar niet door de raad van bestuur. In een ‘kort verslag van het verloop van de AV’ tekende de dienstdoende voorzitter zelf op dat hij, naar aanleiding van het incident over het mogelijk belangenconflict, heeft “voorgelegd om een nieuwe AV samen te roepen om de rechten van verdediging van de AD te vrijwaren”, dat daarover “uiteraard ongenoegen” bestond, maar dat hij “de discussie kort [heeft] IX-8825-27/30 gehouden”. Daarmee is aangetoond dat de dienstdoende voorzitter van de algemene vergadering, tevens lid van de raad van bestuur, er zelf van uitging dat na opheldering over het al dan niet aanwezig zijn van een belangenconflict in hoofde van de raadsman van verzoeker, een nieuwe algemene vergadering zou worden bijeengeroepen om het agendapunt van de beëindiging van het mandaat van verzoeker te behandelen én dat de “rechten van verdediging” van verzoeker daarbij moesten worden geëerbiedigd. Hoe kan, in het licht van die vaststellingen, alsdan van verzoeker verwacht worden te weten dat hij niet door de algemene vergadering maar door de raad van bestuur zou worden opgeroepen in verband met de beëindiging van zijn mandaat én dus zonder respect voor de oproepingstermijnen die gelden voor een algemene vergadering. 25. Dat verzoeker thans, in de procedure voor de Raad van State, opnieuw vertegenwoordigd wordt door zijn toenmalige raadsman, is voor de beoordeling van dit middel volstrekt irrelevant. Het middel betreft de wettigheid van het handelen van de verwerende partij bij de oproeping voor de hoorzitting van 21 december 2015. Op dat ogenblik was de oorspronkelijke raadsman van verzoeker, op aangeven van “de meerderheid” van de raad van bestuur, onbeschikbaar. 26. Evenmin overtuigend zijn de tegenwerpingen van de verwerende partij dat verzoeker er vóór de hoorzitting toch in geslaagd is een nieuwe raadsman te raadplegen en een omvangrijke verweernota op te stellen. Uit het tijdsverloop, zoals hiervóór beschreven, blijkt dat verzoeker, onverwacht “genoodzaakt om zelf [zijn] verweer te voeren”, slechts over twee vrije dagen kon beschikken om dat verweer voor te bereiden. Het is in die omstandigheden voorts aannemelijk, zoals verzoeker schreef, dat er IX-8825-28/30 “onvoldoende tijd” was voor zijn nieuwe raadsman “om het dossier in te studeren en met [verzoeker] te overleggen”. Dat weerlegt de verwerende partij niet, minstens niet op overtuigende wijze. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts wél dat de verwerende partij zeer goed heeft begrepen dat verzoeker zijn verweernota “onder voorbehoud van al [zijn] rechten” heeft neergelegd – namelijk “zonder dat die als exhaustief beschouwd [kan] worden” – en enkel “[o]mdat [hij] achteraf niet het verwijt wil krijgen dat [hij zich] niet [heeft] willen verdedigen”. Ook dat element kan dan thans niet door de verwerende partij worden aangegrepen om te overtuigen van de redelijkheid van de voorbereidingstermijn. 27. De concrete omstandigheden van de zaak zoals ze hiervóór zijn uiteengezet, inzonderheid ook de omvang en de inzet van het dossier, nopen tot het besluit dat de termijn die aan verzoeker ter beschikking werd gesteld om zijn verweer voor te bereiden tegen het voornemen van de raad van bestuur om zijn mandaat van algemeen directeur te beëindigen, als onredelijk kort moet worden beschouwd. Aldus is het beginsel van de hoorplicht geschonden. 28. Het derde middel is in de aangegeven mate gegrond. C. Overige wettigheidskritieken 29. De hierna uit te spreken nietigverklaring houdt in, gelet op de vernietigingsgrond, dat de verwerende partij de procedure niet mag hernemen zonder verzoeker in staat te stellen zijn verweer opnieuw te voeren. De overige wettigheidskritieken die verzoeker in het verzoekschrift aanvoert behoeven dan IX-8825-29/30 geen onderzoek: ze zijn voorbarig of kunnen niet tot een ruimere nietigverklaring leiden. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de raad van bestuur van scholengroep 9 van het Gemeenschapsonderwijs van 24 december 2015 om het mandaat van algemeen directeur van Herman Siebens te beëindigen. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8825-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.380 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200120.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200615.3N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.