id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.392 Rolnummer: A. 234433/X-17988 Zaak: Arrest 252392 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 10/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-15 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-12 15:42 Fiche Arrest nr 252.392 van 10 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 252.392 van 10 december 2021 in de zaak A. 234.433/X-17.988 In zake: Koenraad PRINCEN woonplaats kiezend te 3500 Hasselt Kliniekstraat 14 tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 Waregem Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 1 september 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2021 ‘tot wijziging van artikel 1/1 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 december
- X-17.988-1/6 Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Yves François, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 ‘tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect’, worden een aantal handelingen vrijgesteld van de principiële verplichte medewerking van een architect. 3.
- Met het bestreden besluit van 28 mei 2021 ‘tot wijziging van artikel 1/1 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect’, wordt de vrijstelling uitgebreid tot de constructies opgenomen in een nieuw punt 3°/1: “3°/1 het plaatsen van een niet-gestapelde, verplaatsbare voorgemonteerde of modulaire constructie, met een maximale oppervlakte van 50 vierkante meter en een maximale hoogte van 3,5 meter. Als aan een bestaand gebouw wordt aangebouwd, dan mogen de bouwwerken noch de oplossing van een constructieprobleem met zich meebrengen, noch de stabiliteit van de aanpalende gebouwen wijzigen;” X-17.988-2/6 Deze uitbreiding van de vrijstelling wordt in de nota aan de Vlaamse regering als volgt gemotiveerd: “Deze vrijstelling wordt ingevoerd omdat het doorgaans gaat over in serie geproduceerde, eenmalig ontworpen producten. Deze worden kant en klaar of in bouwpakket aangekocht, geleverd en geplaatst. De oppervlakte en hoogtematen zijn zo vastgelegd dat stabiliteitsproblemen bij de plaatsing niet te verwachten zijn. Ook de derde voorwaarde vermijdt stabiliteitsproblemen. De medewerking van een architect voor deze constructies verplichten, houdt geen maatschappelijke meerwaarde in, noch naar goede ruimtelijke ordening toe, noch naar de esthetiek of de stabiliteit van de constructies.” IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid De aangevoerde spoedeisendheid
- In zijn verzoekschrift acht verzoeker de vordering spoedeisend omdat de toepassing van het bestreden besluit ingaat tegen de openbare orde, waardoor het onmogelijk wordt om een omgevingsvergunning te verkrijgen voor X-17.988-3/6 een relatief grote woonwagen. Hij komt tot deze conclusie omdat “[l]olake ambtenaren en overheden […] het bestreden besluit immers gaan interpreteren alsof men voortaan wel een architect nodig heeft om een vergunning aan te vragen voor het plaatsen van een verplaatsbare inrichting dewelke buiten het toepassingsgebied van het bestreden besluit valt (groter dan 50 m² of hoger dan 3,5 m)”. Zoals in het derde middel uiteengezet, begaan architecten die hieraan meewerken valsheid in geschrifte, “doordat ze laten uitschijnen dat de verplaatsbare inrichting in kwestie nog moet gebouwd worden, dat zij de constructie hebben ontworpen en dat het ‘bouwen’ zal gebeuren onder hun toezicht”, terwijl “[v]erplaatsbare inrichtingen […] per definitie geprefabriceerde constructies zijn (zie het eerste middel)”. Het tegendeel beweren met het oog op het verkrijgen van een vergunning is valsheid in geschrifte. Ook de opdrachtgever pleegt een strafbaar feit “op basis van art. 197 SW door gebruik te maken van de valse stukken van de architect”. Wonen in een verplaatsbare inrichting wordt zo de facto onmogelijk gemaakt, “terwijl de verplaatsbare inrichtingen erkende woonvormen zijn conform de Vlaamse Codex Wonen”. Verzoeker meent dat “[h]et bestreden besluit […] eigenlijk een overbodig stuk wet in[voert]”. Zoals blijkt uit het eerste middel waren voor 28 mei 2021 alle verplaatsbare inrichtingen, ongeacht hun grootte, immers “vrijgesteld van een architect”. “Een eventuele schorsing van dit besluit creëert dus geen wetsvacuüm”. Beoordeling 7.
- Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de eigen zaak, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken. X-17.988-4/6 Er kan in beginsel alleen rekening worden gehouden met hetgeen over de spoedeisendheid in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd. 7.
- Met zijn kritiek op de wettigheid van de bestreden beslissing toont verzoeker de spoedeisendheid van zijn vordering niet aan. De grondvoorwaarde van het voorhanden zijn van een ernstig middel is immers te onderscheiden van de grondvoorwaarde van de “spoedeisendheid”, waaraan afzonderlijk moet zijn voldaan. 7.
- Verzoeker toont niet aan dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor hem persoonlijk nadelige gevolgen kan veroorzaken. Zijn betoog dat het bestreden besluit tegen de openbare orde ingaat, en dat “architecten” en “de” opdrachtgever zich bij de toepassing van het bestreden besluit schuldig zouden maken aan strafbare feiten, toont dit geenszins aan. Het blijkt niet dat verzoeker de hoedanigheid van architect bezit. Voorts beroept verzoeker zich in zijn uiteenzetting aangaande de spoedeisendheid niet op de hoedanigheid van opdrachtgever van een concrete vergunningsaanvraag met betrekking tot een verplaatsbare inrichting. Verzoekers betoog dat “het bestreden besluit eigenlijk een overbodig stuk wet invoert”, lijkt juist op een gebrek aan spoedeisendheid van zijn vordering te wijzen. 7.
- Verzoeker toont gezien het voormelde de spoedeisendheid van zijn vordering niet aan.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. X-17.988-5/6 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Stephan De Taeye X-17.988-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.392 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.775 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div