id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.411 Rolnummer: A. 235077/XII-9154 Zaak: Arrest 252411 - Overheidsopdrachten - 15/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-15 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-12 15:55 Fiche Arrest nr 252.411 van 15 december 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 252.411 van 15 december 2021 in de zaak A. 235.077/XII-9154 In zake: de BV O2O bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolas De Mulder kantoor houdend te 9000 Gent Begijnhoflaan 408 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre en Matthias Castelein kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86c, bus 113b bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 24 november 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de gemotiveerde gunningsbeslissing van de Vlaamse Gemeenschap (Agentschap Facilitair Bedrijf) [van 7 november 2021] van de Raamovereenkomst voor aanneming van Leveringen met betrekking tot de operationele fietslease door personeelsleden, gekend onder het bestek nr. 2021/HFB/OP/82399”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn overeenkomstig artikel 16, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in XII-9154-1/15 kort geding voor de Raad van State’ door de waarnemend voorzitter van de XIIe kamer bijeengeroepen voor een virtuele terechtzitting via Teams, op donderdag 9 december 2021, om 11.00 uur. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nicolas De Mulder, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Jens Debièvre en Matthias Castelein, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor een raamovereenkomst voor leveringen met als voorwerp “operationele fietslease door personeelsleden”. Het bestek omschrijft het voorwerp van de opdracht als volgt: “De Vlaamse overheid onderneemt diverse stappen om operationele fietslease aantrekkelijk te maken voor de publieke sector. Voor personeelsleden onder het toepassingsgebied van het Vlaams Personeelsstatuut zal het uiterlijk vanaf 1 december 2021 mogelijk zijn om een fiets te leasen die ingezet wordt voor woon-werkverkeer. Om deze loonruil te faciliteren, wil de aanbestedende overheid een partner vinden waarmee fietsleaseovereenkomsten kunnen afgesloten worden.” De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 12 mei 2021 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 17 mei 2021. Er volgen nog enkele aanvullingen en wijzigingen. XII-9154-2/15 De opdracht wordt gegund via een openbare procedure. 3.2. Het bestek met referte 2021/HFB/OP/82399 is van toepassing. De gunningscriteria zijn ‘Prijs’ op 40 punten en ‘Kwaliteit van de dienstverlening’ op 60 punten. Wat het gunningscriterium ‘Kwaliteit van de dienstverlening’ betreft, wordt in het bestek vermeld: “Inschrijvers dienen minimaal te voldoen aan de vastgelegde dienstverlening zoals terug te vinden onder punt 3 TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN. Bijkomende, gewenste dienstverlening zoals vermeld in het bestek en in het bijzonder punt 3 kan onder dit gunningscriterium positief beoordeeld worden. Het gunningscriterium kwaliteit van de dienstverlening wordt opgedeeld in drie subgunningscriteria. De aanbestedende overheid kent voor elk subgunningscriterium een score toe op basis van de bij elk criterium van toepassing zijnde beoordelingselementen en -methodiek. Om tot de totale score voor het gunningscriterium kwaliteit van de dienstverlening te komen worden de scores voor de subgunningscriteria opgeteld.” De drie subcriteria van dit gunningscriterium zijn: ‘Kwaliteit aanbod en voorwaarden’ op 25 punten, ‘Klantvriendelijkheid’ op 25 punten en ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen’ op 10 punten. Wat het subcriterium ‘Kwaliteit aanbod en voorwaarden’ betreft, wordt in het bestek vermeld: “De kwaliteit van het aanbod en de geboden voorwaarden wordt beoordeeld aan de hand van: − Het toegevoegde fietsaanbod en overzicht van het netwerk fietshandelaars (aantal & geografische spreiding). Welke types fietsen zijn beschikbaar, welke niet? Hoeveel fietshandelaars zijn er beschikbaar en waar situeren deze zich? − Een nota (max. 25 p.) waarin de inschrijver minstens beschrijft: o hoe het algemene plan van aanpak eruit ziet (incl. verloop afsluiten leaseovereenkomst); o hoe flexibel er gekozen/gewijzigd kan worden voor een fietshandelaar, zowel voor het afsluiten van een leaseovereenkomst, als voor de nazorg; XII-9154-3/15 o de mate waarin verzekerd wordt dat de fietshandelaars kwalitatief werk leveren, de voorwaarden die gesteld worden om te verzekeren dat er sprake is van kwalitatieve dienstverleners; o op welke wijze verzekeringen voor diefstal en stoffelijke schade voorzien worden en welke dekkingen/uitsluitingen deze verzekeringen omvatten. Welke franchise is van toepassing?; o de omvang van de pechbijstand. Hoe verloopt de pechbijstand in de praktijk? Wie staat hiervoor in? Dienstverlening aan huis?; o op welke wijze onderhoud en herstellingen aangeboden worden alsook de omvang ervan gedurende de leaseperiode. Werkt men met een budget of volgens een vast onderhoudsschema? Waarvoor kan men het budget gebruiken? In welke mate zijn slijtagegevoelige onderdelen inbegrepen? Verplicht onderhoud 3 of 5 maanden na aanvang van de leaseovereenkomst? Vervangfiets beschikbaar?; o hoe de inschrijver omgaat met een gewoon einde van de leaseovereenkomst. Hoe verloopt de inlevering/overname van de fiets? Hoe komt de overnameprijs tot stand?; o hoe de inschrijver omgaat met werkgeverswissels, pensioneringen, overlijdens en andere situaties die een impact hebben op de leaseovereenkomst; o welke bijkomende dienstverlening er is voorzien. Dit zowel voor, tijdens als na de leaseperiode. Is er nog service na afloop van de leaseperiode indien het personeelslid de fiets wenst over te nemen? Verlengde garanties? De aanbestedende overheid houdt bij het beoordelen van bovenstaande aspecten onder meer rekening met de volledigheid, de kwaliteit, de flexibiliteit en de uitgebreidheid. Dit subgunningscriterium zal in haar geheel beoordeeld worden op basis van de sterke en zwakke elementen in de offertes. De aanbestedende overheid kent de offertes vooreerst relatieve voorlopige scores toe. De offerte met de hoogste relatieve score krijgt vervolgens het maximum van de punten en de andere offertes punten in verhouding tot deze beste offerte.” Wat het subcriterium ‘Klantvriendelijkheid’ betreft, wordt in het bestek vermeld: “De klantvriendelijkheid van de dienstverlening zal beoordeeld worden aan de hand van: - Een procesflow van de inschrijver (max. 20 pagina’
- s)die minstens: o aangeeft welke ontzorging mogelijk is; o aantoont dat het derde-betalersysteem performant werkt; o aantoont hoe verzekerd wordt dat de administratieve last zo beperkt mogelijk blijft; XII-9154-4/15 o aantoont te kunnen (helpen bij het) voorzien in duidelijke informatie voor de personeelsleden m.b.t. eventuele fiscale voordelen; o een goed beeld geeft van de communicatiestromen; o een goed inzicht geeft aangaande de mogelijkheden van het online platform. Hiertoe worden ook proeflicenties aangeboden die de aanbestedende overheid toelaten de online toepassing te testen (zie 2.5.6); o aangeeft hoe klachten efficiënt opgevolgd zullen worden; o beschikbaarheid van communicatie-instrumenten, ook voor personeelsleden die digitaal moeilijk bereikbaar zijn; o beschikbaarheid van een simulatietool; o aanleveren van een ontwerp van fietspolicy; o de verschillende rapporteringsmogelijkheden. De aanbestedende overheid houdt bij het beoordelen van bovenstaande aspecten onder meer rekening met de volledigheid, de kwaliteit, de performantie, de gebruiksvriendelijkheid en de uitgebreidheid. Dit subgunningscriterium zal in haar geheel beoordeeld worden op basis van de sterke en zwakke elementen in de offertes. De aanbestedende overheid kent de offertes vooreerst relatieve voorlopige scores toe. De offerte met de hoogste relatieve score krijgt vervolgens het maximum van de punten en de andere offertes punten in verhouding tot deze beste offerte.” Wat het subcriterium ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen’ betreft, wordt in het bestek vermeld: “In welke mate de inschrijver maatschappelijk verantwoord onderneemt, zal beoordeeld worden aan de hand van: - Een nota (max. 10 pagina’
- s)waarin de inschrijver uitwerkt: o welke maatregelen hij onderneemt om de opdracht zo duurzaam mogelijk vorm te geven, zowel op ecologisch als sociaal vlak, incl. vermelding van de reeds ondernomen maatregelen; o hoe de initiatieven genomen voor de sociale economie doorwerken in het logistieke proces van de inschrijver; o tot welke maatregelen hij zich verbindt naar de toekomstige uitvoering van de opdracht; o welke maatregelen genomen worden om de levensduur van fietsen te verlengen en het hergebruik van fietsen/onderdelen gestimuleerd wordt; o welke maatregelen genomen worden om producenten van fietsen aan te zetten tot het sociaal en ecologisch verantwoord produceren van fietsen, o.a. voor elektronische componenten in fietsen. De aanbestedende overheid beoordeelt de nota op basis van de meetbaarheid, de objectiviteit, de kwaliteit, het ambitieniveau en de XII-9154-5/15 impact van duurzaamheidsmaatregelen die de inschrijver reeds onderneemt en zal ondernemen. Dit subgunningscriterium zal in haar geheel beoordeeld worden op basis van de sterke en zwakke elementen in de offertes. De aanbestedende overheid kent de offertes vooreerst relatieve voorlopige scores toe. De offerte met de hoogste relatieve score krijgt vervolgens het maximum van de punten en de andere offertes punten in verhouding tot deze beste offerte. De inschrijver zal over de in de nota uitgewerkte maatregelen moeten rapporteren en deze daadwerkelijk moeten uitvoeren. De aanbestedende overheid volgt de naleving van de maatregelen op en zal de opdracht niet verlengen wanneer de inschrijver de maatregelen niet opvolgt en/of uitvoert.” 3.3. De opening van de offertes vindt plaats op 23 juni 2021. Zeven inschrijvers dienen een offerte in, waaronder de verzoekende partij en de nv KBC Autolease. 3.4. Op 29 september 2021 wordt een gunningsverslag van 39 bladzijden opgesteld. Alle offertes worden regelmatig verklaard. De nv KBC Autolease wordt als eerste gerangschikt met een totaal van 96,32 punten, gevolgd door de verzoekende partij met 94,09 punten. Verdeeld over de gunningscriteria en subcriteria hebben zij de volgende score gekregen: Score Definitieve score Definitieve score Definitieve score Totaal PRIJS KWALITEIT KLANT-VRIENDELIJKHEID MAATSCHAPPELIJK MAX.40 AANBOD EN MAX. 25 VERANTWOORD VOORWAARDEN ONDERNEMEN MAX.25 MAX. 10 KBC 36,32 25,00 25,00 10,00 96,32 Autolease NV O2O BVBA 40,00 25,00 23,21 5,88 94,09 3.5. De gunningsbeslissing van 7 november 2021 onderschrijft de motieven van het gunningsverslag, dat als bijlage is gevoegd en er integraal deel van uitmaakt. Het besluit is dat de nv KBC Autolease “[w]ordt gekozen als XII-9154-6/15 deelnemer aan de raamovereenkomst ‘Operationale fietslease door personeelsleden’”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. De verwerende partij voert twee excepties aan. In een eerste exceptie werpt zij op dat de verzoekende partij nergens in haar verzoekschrift wijst op de “uiterst dringende noodzakelijkheid” van haar vordering en dat artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ (hierna: procedurereglement kort geding) is geschonden omdat het verzoekschrift het opschrift “vordering tot schorsing” niet bevat naast het opschrift “beroep tot nietigverklaring”. Ook merkt zij op dat de verzoekende partij een aantal andere formaliteiten niet heeft nageleefd, namelijk het voegen van een afschrift van de bestreden beslissing bij het verzoekschrift, het doen van woonplaatskeuze, het voegen van een afschrift van haar gecoördineerde statuten, het voegen van een afschrift van de beslissing van het bevoegde orgaan tot aanstelling om in rechte op te treden en het voegen van een inventaris van de stukken. In een tweede exceptie werpt de verwerende partij het gemis aan het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij op. De verzoekende partij zou het belang bij de vordering tot schorsing niet verantwoorden en geen middel ontwikkelen dat kan leiden tot overbrugging van de bestaande puntenkloof met de gekozen inschrijver. Beoordeling 5.1. Wat de eerste exceptie betreft, blijkt reeds op het eerste gezicht dat het de bedoeling van de verzoekende partij was een vordering tot schorsing zoals bedoeld in artikel 15 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: rechtsbeschermingswet) in te dienen. In dit verzoekschrift wordt immers duidelijk XII-9154-7/15 verwezen naar dit artikel om de schorsing van de bestreden beslissing te vorderen. In die omstandigheden zou het van een overdreven formalisme getuigen om uit het opschrift van het verzoekschrift af te leiden dat de verzoekende partij geen schorsingsvordering als bedoeld in de voornoemde wet heeft ingediend. Wat het gebrek aan het vervullen van de overige formaliteiten betreft, verklaart artikel 16, § 1, van het procedurereglement kort geding, dat de elementen bepaalt die een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen dient te bevatten als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, de artikelen 3 en 3bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ niet van overeenkomstige toepassing. Wel dient een verzoekende partij overeenkomstig artikel 16, § 1, 2°, van dit besluit woonplaatskeuze op te geven. De raadsman van de verzoekende partij heeft inmiddels aan de Raad van State bevestigd dat er woonplaatskeuze wordt gedaan op zijn kantooradres. Overigens zijn bij het verzoekschrift een afschrift van de bestreden beslissing, een afschrift van de gecoördineerde statuten en een inventaris van de stukken gevoegd. 5.2. Wat de tweede exceptie betreft, mag worden volstaan op te merken dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over deze exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de rechtsbeschermingswet, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XII-9154-8/15 VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 7. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: formelemotiveringswet) en van artikel 4 van de rechtsbeschermingswet. “Er wordt [volgens de verzoekende partij] namelijk niet voldaan aan de vereiste dat de motivering van de beslissing afdoende moet zijn. De gunningscriteria worden zoals hierboven in het feitenrelaas reeds werd uiteengezet volledig arbitrair toegekend wat uiteraard de wet betreffende de motivering van bestuurshandelingen grondig schendt. Het gaat hier om een niet-toegestane discriminatie ten aanzien van verzoekster”. In haar relaas van de feiten licht de verzoekende partij toe dat de beoordelingsmethode, zoals beschreven in het bestek, niet is toegepast. In het gunningsverslag is duidelijk sprake van subcriteria, evenwel zonder vermelding van de weging ervan. De vertaling van het belang en het gewicht van de subcriteria, en van de elementen die de beoordeling ervan ondersteunen, naar de uiteindelijke toekenning van de scores is niet transparant, “noch herhaalbaar” en discriminerend voor de verzoekende partij. Aan de hand van “enkele concrete voorbeelden” illustreert de verzoekende partij in haar feitenrelaas dit beweerd discriminerend effect door de motivering in het gunningsverslag te analyseren en de erin toegekende plus- en minpunten toegekend aan haar offerte en aan die van de gekozen inschrijver te vergelijken. Beoordeling XII-9154-9/15 8.1.1. De verwerende partij werpt in de eerste plaats een exceptie op, “[i]n zoverre […] er toch sprake zou zijn van een wettigheidskritiek t.a.v. het Bestek zelve”. 8.1.2. De kritiek van de verzoekende partij komt er in essentie op neer dat de aanbestedende overheid zich bij de beoordeling heeft bediend van niet vooraf kenbaar gemaakte subcriteria of wegingen waardoor zij is benadeeld geworden. De verzoekende partij bekritiseert aldus niet het bestek zelf, althans niet in de interpretatie die zij daaraan geeft. Ter terechtzitting lijkt de verzoekende partij overigens te bevestigen dat zij de wettigheid van het bestek zelf niet in vraag stelt. De exceptie is zonder voorwerp. 8.2.1. De verwerende partij werpt in de tweede plaats een exceptio obscuri libelli op. Wat wordt aangevoerd als middel is volgens de verwerende partij “onduidelijk geformuleerd”. 8.2.2. Ondanks de beweerde moeilijkheden om een verweer te voeren omdat de verzoekende partij haar grieven hoofdzakelijk in het feitenrelaas formuleert, blijkt uit het vervolg van de nota dat de verwerende partij erin geslaagd is grieven te distilleren uit dit relaas en deze te weerspreken. De exceptie wordt niet aangenomen. 9. Luidens artikel 4, eerste lid, 8°, van de rechtsbeschermingswet stelt de aanbestedende instantie een gemotiveerde beslissing op wanneer zij een opdracht gunt. Overeenkomstig artikel 5, 9°, van dezelfde wet bevat deze beslissing “de namen van de gekozen inschrijver of de gekozen deelnemer of deelnemers bij de raamovereenkomst en van de deelnemers en inschrijvers van wie de regelmatige offerte niet werd gekozen en de juridische en feitelijke motieven, waaronder de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte, voor de beslissingen die daarop betrekking hebben”. XII-9154-10/15 Teneinde te voldoen aan de formelemotiveringswet dient de formele motivering van de beslissing de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet afdoende zijn teneinde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. 10. Te dezen lijkt de vergelijkende beoordeling van de offertes aan de hand van het gunningscriterium ‘Kwaliteit van de dienstverlening’ en zijn subcriteria te zijn gebeurd aan de hand van een uitvoerige beschrijvende evaluatie in woorden en van plus- en minpunten van de voorstellen in functie van de beoordelingselementen vermeld in het bestek, hetgeen vervolgens resulteert in een globale score voor elk van de inschrijvers. Anders dan de verzoekende partij dit lijkt te zien, lijkt in de beoordelingsmethodiek zoals beschreven in het bestek geen wiskundige koppeling besloten te liggen tussen een bepaald aantal of een bepaalde gradatie van plus- of minpunten en de toe te kennen score. Immers elk subcriterium wordt in zijn geheel beoordeeld rekening houdend met de genoteerde sterke en zwakke elementen in de offertes. De omstandigheid dat daardoor bepaalde beoordelingselementen eventueel meer of minder hebben doorgewogen, laat niet toe daaruit af te leiden dat is gebruikgemaakt van niet vooraf kenbaar gemaakte (sub)subcriteria, die een afzonderlijke weging en scoring veronderstellen. Aldus lijken de beoordelingselementen niet te zijn gehanteerd als voorafgaand aan de toetsing bedachte gegevens met een eigen gewicht waarmee de inschrijvingen min of meer stelselmatig werden vergeleken. Bovendien lijkt de verwerende partij bij de beoordeling geen gebruik te hebben gemaakt van elementen die niet vooraf in het bestek werden bekendgemaakt en aldus niet bij de inschrijvers bekend waren. De uitgevoerde evaluatie lijkt aldus te kunnen worden ingepast in de beoordelingsmethode die wordt beschreven in het bestek. Deze methode laat op het eerste gezicht toe de kwalitatieve verschilpunten tussen de offertes XII-9154-11/15 onderling te belichten door ze aan te merken als plus- of minpunten aan de hand van de in het bestek vermelde beoordelingselementen en de diverse voorstellen vervolgens globaal te honoreren, eerst met een relatieve voorlopige score, vervolgens in verhouding tot de beste offerte die het maximum van de punten krijgt. Hieruit volgt in de eerste plaats dat alle grieven van de verzoekende partij, – in het bijzonder die met betrekking tot het subcriterium ‘Klantvriendelijkheid’ – die er in essentie van uitgaan dat de eindscore de wiskundige optelsom behoort te zijn van de vermelde plus- en minpunten en de gradaties ervan, geen steun vinden in het bestek, noch aantonen dat er een bijzondere bijkomende motiveringsverplichting is opgelegd aan de verwerende partij bij de concrete beoordeling. Uit het bestek volgt eveneens dat de kloof tussen de relatieve voorlopige scores mogelijks nog vergroot na omzetting ervan in verhouding tot de beste offerte die het maximum van de punten krijgt. In zoverre de verzoekende partij daarop alludeert met betrekking tot het subcriterium ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen’, ligt die mogelijkheid derhalve evenzeer besloten in de beoordelingsmethodiek, zoals beschreven in het bestek, en vergt de concrete beoordeling in zoverre geen bijzondere bijkomende motivering. 11.1. Wat de inhoudelijke beoordeling van de offertes zelf betreft, komt het niet aan de Raad van State toe om de beoordeling van de offertes over te doen en aldus zijn visie op de evaluatie van de offertes in de plaats te stellen van deze van de aanbestedende overheid. Het is op de eerste plaats de aanbestedende overheid die bepaalt wat zij als sterke en zwakke punten in de offertes beschouwt om dienovereenkomstig punten toe te kennen. De Raad van State mag desgevraagd een beoordeling door de aanbestedende overheid, als die op het eerste gezicht strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, enkel sanctioneren met een schorsing van de uitvoering van de gunningsbeslissing. XII-9154-12/15 Te dezen lijkt het dat de verzoekende partij als niet-gekozen inschrijver in het uitvoerig gunningsverslag de redenen heeft kunnen terugvinden waarom haar eigen offerte niet werd gekozen. Voorts staat de werkwijze van de verzoekende partij om, wat de beoordeling van het eerste en het derde subcriterium betreft, een aantal geïsoleerde elementen uit dat gunningsverslag aan kritiek te onderwerpen op gespannen voet met de globale beoordeling van de verwerende partij, die omstandig argumenteert waarom de offerte van de gekozen inschrijver beter scoort dan die van de verzoekende partij. Hoe dan ook slaagt de verzoekende partij er niet in – zoals ook hierna zal blijken – met de vereiste prima-facie-ernst aannemelijk te maken dat de opgegeven motieven niet van aard zijn om het voor de betrokken gunningscriteria toegekende puntenverschil tussen de offertes te kunnen verantwoorden. 11.2. Wat het eerste subcriterium ‘Kwaliteit aanbod en voorwaarden’ betreft, heeft het bestek erin voorzien dat onder meer rekening wordt gehouden met de volledigheid, de kwaliteit, de flexibiliteit en de uitgebreidheid. Uit het gunningsverslag kan worden afgeleid dat de verwerende partij in het algemeen kwalitatieve service naar werkgever en werknemers toe alsook zekerheid en veiligheid hoger inschat dan kwantiteit en flexibiliteit. Door louter haar eigen inzichten, zonder nadere argumentatie, hier tegenover te stellen, toont de verzoekende partij niet aan dat de verwerende partij aldus de haar toegestane beoordelingsruimte zou hebben overschreden of de inschrijvers ongelijk zou hebben behandeld. 11.3. Wat het derde subcriterium ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen’ betreft, voorziet het bestek erin dat de aanbestedende overheid de nota die de inschrijver hierover dient op te stellen, beoordeelt op grond van de meetbaarheid, de objectiviteit, de kwaliteit, het ambitieniveau en de impact van duurzaamheidsmaatregelen die hij reeds onderneemt en zal ondernemen. XII-9154-13/15 Anders dan de verzoekende partij lijkt voor te houden, blijkt uit het gunningsverslag dat haar globaal mindere score niet lijkt te zijn ingegeven door haar eerder beperkte schaalgrootte, hetgeen vooralsnog haar kritiek dat de toepassing van het subcriterium grote bedrijven bevoordeelt, weerspreekt. Haar score lijkt daarentegen ingegeven door de onvoldoend bevonden mate van concretisering van de door haar ingeroepen samenwerkingsverbanden en het niet in de offerte opgenomen zijn van concrete initiatieven met betrekking tot maatregelen om producenten van fietsen aan te zetten tot sociaal en ecologisch verantwoord produceren, elementen waarvan de verwerende partij vindt dat ze bij de gekozen inschrijver duidelijk beter aan bod komen. 12. Het enig middel is niet ernstig. VII. Kosten 13. Het is passend, gelet op het ingediende annulatieberoep en het nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, met inbegrip van de gevorderde rechtsplegingsvergoeding, in beraad te houden. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter XII-9154-14/15 Greta Scheveneels Pierre Barra XII-9154-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.411 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div