← België

Arrest 252439 - Milieuvergunningen - 16/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.439 Rolnummer: A. 225667/VII-40330 Zaak: Arrest 252439 - Milieuvergunningen - 16/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-20 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-12 16:14 Fiche Arrest nr 252.439 van 16 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Buitengewone herstelvergoeding (toekenning) Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.439 van 16 december 2021 in de zaak A. 225.667/VII-40.330 In zake :

  1. Lucien CUVELIER
  2. Noël VLIEGHE
  3. Johny DE BEUF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Isabelle Larmuseau, Robin Slabbinck en Florence Lobelle kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1 De vordering, ingesteld op 12 juli 2018, strekt tot de toekenning van een schadevergoeding tot herstel ten laste van het Vlaamse Gewest, voor de nadelen die de verzoekers hebben geleden ingevolge de onwettigheid van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 25 juli 2016 waarbij de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 28 januari 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV Agristo/NV Aspiravi voor het veranderen van een aardappelverwerkend bedrijf met biogasvalorisatie, gelegen aan de Waterstraat 40 te Harelbeke, gedeeltelijk gegrond werden verklaard en de beroepen beslissing werd gewijzigd. VII-40.330-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 30 juni 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 december
  5. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Larmuseau, die verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Liesbeth Tommelein, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Bij arrest nr. 241.569 van 24 mei 2018 vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 25 juli 2016 waarbij de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 28 januari 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de VII-40.330-2/15 NV Agristo/NV Aspiravi voor het veranderen van een aardappelverwerkend bedrijf met biogasvalorisatie, gelegen aan de Waterstraat 40 te Harelbeke, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. Met het vernietigde besluit werd de beroepen beslissing van de deputatie bevestigd maar werden de bijzondere exploitatievoorwaarden gewijzigd. IV. Gegrondheid van de vordering Standpunten van de partijen
  8. Verzoekers zetten in verband met de schade die zij stellen geleden te hebben het volgende uiteen: “[…] De door de verzoekende partijen geleden schade (onaanvaardbare geur- en geluidshinder) zou zich niet in deze gradatie hebben voorgedaan wanneer de Vlaamse omgevingsminister de nv AGRISTO op de nood aan een wettig project-MER zou hebben gewezen, waarin voor geur en geluid wél milderende maatregelen zouden zijn opgenomen, van aard om met zekerheid de onaanvaardbare geur- en geluidshinder in hoofde van de verzoekende partijen te remediëren. […] Wat het vernietigde ministeriële besluit in hoofde van de schadelijdende verzoekende partijen zo onaanvaardbaar maakt, is dat de verzoekende partijen door de ‘zelf uitgevonden’ bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden geen kant meer uit konden: de onaanvaardbare geur- en geluidshinder in hun hoofde werd via deze vergunningsvoorwaarden allesbehalve geremedieerd en het bedrijf kon dankzij deze ‘op niets gebaseerde’ vergunningsvoorwaarden ongestoord haar onaanvaardbaar hinderlijke exploitatie voortzetten. Dit maakt de verzoekende partijen tot burgers die in de meest volledige zin in de steek zijn gelaten door de Vlaamse omgevingsminister. Wat meer is: de Vlaamse omgevingsminister zal er met zekerheid ook alles aan doen om na het vernietigingsarrest van uw Raad en ondanks het inhoudsloze project-MER een nieuw illegaal besluit te nemen om de onaanvaardbaar hinderlijke exploitatie van de nv AGRISTO ongestoord te kunnen laten voortduren. In het licht van deze specifieke omstandigheden, die de AGRISTO-zaak in hoofde van de omgevingsminister tot een ware schandvlek maken, begroten de verzoekende partijen hun schade lastens de omgevingsminister voor de periode van 7 september 2016 tot en met het vernietigingsarrest van 24 mei 2018 forfaitair op 75.000 EUR per verzoekende partij, vermeerderd met een morele schadevergoeding van 25.000 EUR per verzoekende partij”. VII-40.330-3/15 Deze bedragen worden gevorderd met vermeerdering van de gerechtelijke intresten tot op de dag van de algehele betaling.
  9. De verwerende partij stelt hier tegenover: “
  10. Uw Raad kan overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts een schadevergoeding tot herstel toekennen indien de verzoekende partijen omwille van de onwettigheid van de akte een nadeel hebben geleden. De verzoekende partijen tonen evenwel niet aan dat de geurhinder en overschrijding van de grenswaarden inzake geluidshinder tijdens de avond en nacht zich niet zou hebben voorgedaan zonder de onwettigheid van het vernietigde besluit. Vooreerst moet in dat verband worden opgemerkt dat de NV Agristo/ NV Aspiravi over een basismilieuvergunning beschikt die werd verleend bij ministerieel besluit van 10 november 2005 voor een termijn die loopt tot 19 december
  11. De verzoekende partijen niet aan de hinder die zij ondervinden niet louter - geheel of gedeeltelijk - het gevolg is van de exploitatie die werd vergund bij ministerieel besluit van 10 november
  12. Daar niet vaststaat dat de geurhinder en het overschrijding van de grenswaarden inzake geluidshinder tijdens de avond en nacht volgt uit het vernietigde ministeriële besluit van 25 juli 2016, moet de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.
  13. Maar er is meer, want zelfs indien de geurhinder en het overschrijding van de grenswaarden inzake geluidshinder tijdens de avond en nacht, niet reeds zou volgen uit de exploitatie die werd vergund bij ministerieel besluit van 10 november 2005, dan nog moet worden benadrukt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift zelf aangeven dat de hinder die zij ondervinden niet is aangevangen op het ogenblik dat het vernietigde ministeriële besluit van 25 juli 2016 werd verleend, maar reeds lang bestond als gevolg van een gedeeltelijk onvergunde uitbreiding van de NV Agristo. […]
  14. Ondergeschikt, indien Uw Raad zou oordelen dat de schade wel geheel of gedeeltelijk volgt uit het vernietigde ministeriële besluit van 25 juli 2016, dan nog kunnen de door de verzoekende partijen gevorderde schadebedragen niet worden toegekend. […]
  15. Wat de gevorderde morele schadevergoeding betreft, moet worden benadrukt dat morele schade in wezen niet in geld waardeerbaar is. Het betreft een vergoeding voor het onbehagen, voor de onrust die werd veroorzaakt door de geleden geurhinder en het overschrijden van de grenswaarden inzake geluidshinder tijdens de avond en nacht. Dat morele schade in wezen niet in geld waardeerbaar is, betekent evenwel niet dat de verzoekende partijen zo maar om het even welk bedrag zouden kunnen vorderen die geen enkel proportioneel verband vertoont het VII-40.330-4/15 onbehagen en de onrust die hen werd veroorzaakt door het vernietigde ministeriële besluit van 25 juli
  16. Op dat vlak moet worden opgemerkt dat de verzoekende partijen een exuberant bedrag van 25.000 EUR per verzoekende partij morele schadevergoeding vorderen, zonder enige echte motivering te verstrekken waarom het onbehagen dat zij hebben ondergaan door het vernietigde ministerieel besluit in verhouding zou kunnen staan tot een dergelijk extreem schadebedrag. Meer nog, in wezen verduidelijken de verzoekende partijen zelfs niet eens waarom het onbehagen dat zij hebben ondergaan door het vernietigde ministerieel besluit niet geheel en al werd hersteld door de vernietiging van dat ministeriële besluit, dat door de vernietiging uit de rechtsorde werd genomen met terugwerkende kracht. In elk geval oordeelde Uw Raad reeds meermaals dat het moreel nadeel volledig wordt hersteld door de intrekking of de vernietiging van een bestreden besluit. De vordering tot morele schadevergoeding dient derhalve te worden afgewezen.
  17. Ondergeschikt inzake de morele schadevergoeding, mocht Uw Raad aannemen dat het morele nadeel niet volledig zou zijn hersteld door de vernietiging van het ministeriële besluit van 25 juli 2016, dan nog moet worden benadrukt dat het in elk geval aan de verzoekende partijen toekomt om hun nadeel afdoende te bewijzen. Het bewijzen van het nadeel houdt ook in dat de omvang van de schade moet worden aangetoond. De verzoekende partijen beperken zich evenwel tot het vorderen van een extreem bedrag van 25.000 EUR voor een periode van 624 dagen waarin zij een moreel nadeel zouden hebben geleden, zonder enige relevante uitleg waarom dat bedrag zo hoog zou zijn, terwijl het zelfs reeds op het eerste zicht alleen al buiten elke redelijke proportie lijkt te staan tot het mogelijke morele leed dat de verzoekende partijen nog zouden kunnen overhouden aan het ministeriële besluit van 25 juli 2016 na de vernietiging ervan door Uw Raad, zeker gelet op het gegeven dat dezelfde hinder reeds bestond voorafgaand aan het verlenen van het vernietigde ministeriële besluit van 25 juli
  18. Uit de rechtspraak van Uw Raad blijkt evenwel dat, ook al kunnen er voor bepaalde schade geen stukken worden voorgelegd, het schadebedrag desalniettemin wel plausibel dient te zijn opdat het zou kunnen worden toegekend. Dit is in casu geenszins het geval. Zo dit al niet tot gevolg zou hebben dat de gevorderde morele schadevergoeding dient te worden afgewezen als ongegrond, dan heeft Uw Raad minstens de taak om het bedrag te herleiden, en te begroten naar billijkheid, ex aequo et bono, rekening houdend met alle omstandigheden van openbaar en particulier belang.
  19. Naast de in het verzoekschrift vermelde morele schadevergoeding, vorderen de verzoekende partijen ook nog een schadevergoeding van 75.000 EUR per verzoekende partij. Het is de verwerende partij alleen duidelijk dat die schadepost geen vergoeding van morele schade betreft, daar de morele schade immers in een andere schadepost werd gevraagd. Het betreft dus materiële schade die de verzoekende partijen zouden hebben geleden, doch het is geheel en al VII-40.330-5/15 onduidelijk waaruit die materiële schade dan wel zou bestaan, laat staan dat het bedrag ervan zou blijken uit enig stavingsstuk. Niet alleen werd door de verzoekende partijen geen enkel stavingsstuk neergelegd waaruit blijkt dat zij materiële schade zouden hebben geleden, en kan de verwerende partij uit het verzoekschrift ook niet destilleren waarop die schadepost dan eigenlijk wel betrekking zou hebben, bovendien wordt er geen enkele verantwoording verstrekt voor de hoogte van die schadepost, hoewel als vordering maar liefst 75.000 EUR per verzoekende partij wordt gevraagd. De vordering tot vergoeding van de (andere dan morele) schade dient te worden verworpen wegens gebrek aan stavingsstukken waaruit die schade blijkt”.
  20. In hun memorie van wederantwoord repliceren de verzoekers als volgt: “[…] In vergelijking met de toestand in 2005 impliceert het vernietigde ministeriële besluit van 25 juli 2016 een verdrievoudiging van de vergunde capaciteit. Het besluit vergunt in wezen de ‘essentie’ van de exploitatie van de nv AGRISTO. Het behoeft geen betoog dat door deze verdrievoudiging ook de veroorzaakte geur- en geluidshinder aanzienlijk is gestegen. Het gaat dan ook niet op om te verwijzen naar de ‘basisvergunning’ van 10 november 2005 om het causaal verband tussen het geleden nadeel en het vernietigde besluit van 25 juli 2016 te verbreken. b) De verwijzing naar de voorgaande illegale exploitatie van de nv AGRISTO
  21. In tweede instantie durft de verwerende partij het causaal verband te betwisten door te wijzen op de jarenlange illegale exploitatie van de nv AGRISTO. Het gegeven dat de volstrekt illegale exploitatie van de nv AGRISTO op onbegrijpelijke wijze aan de aandacht van zowel de vergunningverlenende als de toezichthoudende overheid is ontsnapt, kan geen reden zijn om het causaal verband tussen het vernietigde besluit van 25 juli 2016 en de geleden hinder te verbreken, wel integendeel. Het gegeven dat de onaanvaardbare hinder reeds bestond, is een reden te meer waarom de verwerende partij zich niet tevreden kon stellen met het ontoereikende project-MER en maakt het door Uw Raad vernietigde milieuvergunningsbesluit des te onwettiger. Bij een project-MER over een voorbije activiteit zijn er immers geen ‘onbekenden’ meer, zoals dit het geval is bij een voorgenomen activiteit. Men zou dan ook verwachten dat het project-MER ‘bol’ staat van 'vaststaande zekerheden' en duidelijk de te nemen maatregelen stipuleert. Volkomen in strijd met de mer-regelgeving zegt het project-MER evenwel ronduit niets over de te nemen maatregelen op vlak van geur en geluid, reden waarom Uw Raad ook besloot het ministeriële besluit van 25 juli 2016 te vernietigen. Dat de verwerende partij de milieuvergunning voor een verdrievoudiging van de exploitatie heeft verleend op basis van een ontoereikend project-MER, en dat op 5 oktober 2018 zelfs opnieuw heeft gedaan, is volstrekt onbegrijpelijk. VII-40.330-6/15
  22. Zoals voormeld, diende de verwerende partij de uitbreidingsvergunning te weigeren ingevolge het ontoereikende project-MER, waardoor de exploitatie van de illegale verdrievoudiging van de exploitatie van de nv AGRISTO stante pede moest worden stopgezet. De hinder die de verzoekende partijen lijden, had zich niet voorgedaan zonder het ministerieel besluit van 25 juli
  23. Het causaal verband staat vast. III.2.
  24. In ondergeschikte orde: de gevorderde schadebedragen
  25. In hun verzoekschrift vragen de verzoekende partijen een forfaitaire schadevergoeding van 100.000 EUR per verzoekende partij. In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, worden deze bedragen wel degelijk gestaafd. De verwerende partij geeft bovendien een foute interpretatie aan het verzoekschrift tot schadevergoeding, waar zij stelt dat een onderscheid wordt gemaakt tussen een materiële schadevergoeding van 75.000 EUR en een morele schadevergoeding van 25.000 EUR.
  26. Vooreerst verwijzen de verzoekende partijen naar het project-MER waaruit reeds de ernst van de veroorzaakte geluids- en geurhinder blijkt (zie ook p. 5 e.v. van het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel). Dagelijks krijgen de verzoekende partijen af te rekenen met een doordringende frietvetgeur in hun leefomgeving en overschrijdingen van de geluidsnormen door de exploitatie van de nv AGRISTO. Er kan niet worden ontkend dat deze geur- en geluidsoverlast een verregaande impact heeft op de leef- en woonkwaliteit van de verzoekende partijen, met een verstoring van hun privé- en gezinsleven tot gevolg (zie ook randnummer III.11 van het vonnis van 5 november 2018 van de strafrechter van Kortrijk: ‘niet alleen een financieel nadeel, maar ook en vooral emotionele en gezondheidsschade’). Het vernietigde besluit heeft toegelaten dat deze hinder zich voortzet. De verzoekende partijen vorderen dan ook een forfaitaire schadevergoeding van 75.000 EUR voor de geleden schade. Gelet op de ernst van de geluids- en geurhinder staat dit bedrag wel degelijk in verhouding met het geleden nadeel.
  27. Gelet op de manifest ongeoorloofde houding van de verwerende partij in het gehele dossier vragen de verzoekende partijen daarnaast nog een bijkomende schadevergoeding van 25.000 EUR. In de plaats van de fundamentele rechten van de verzoekende partijen te beschermen, namelijk het recht op bescherming van hun woonst en het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu (overeenkomstig artikel 8 EVRM en artikel 23 GW), heeft de verwerende partij zich in het vernietigde besluit beperkt tot het opleggen van 'zelf uitgevonden' bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden, die geen enkele garantie boden op een daadwerkelijke mildering van de onaanvaardbare geur- en geluidshinder. De verzoekende partijen werden (en worden nog steeds) volkomen in de steek gelaten door de verwerende partij. Zoals vermeld in het verzoekschrift tot schadevergoeding vormt de AGRISTO-zaak een ware schandvlek in hoofde van de verwerende partij. Deze bijkomende morele schade is geenszins geremedieerd door de loutere vernietiging van het bestreden besluit. De onheuse houding van de verwerende partij zindert nog steeds na bij de verzoekende partijen, te meer nu zij op 5 oktober 2018 opnieuw een manifest onwettige milieuvergunning heeft verleend aan de nv AGRISTO, en zich klaarstoomt VII-40.330-7/15 om in de nabije toekomst ook een onwettige omgevingsvergunning te verlenen en een nieuw onwettig ruimtelijk uitvoeringsplan goed te keuren. In het licht van deze specifieke omstandigheden, is een bijkomende schadevergoeding van 25.000 EUR niet meer dan billijk”.
  28. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij nog toe dat niet kan worden ingezien waarom een schadevergoeding voor geluidshinder begroot op tien euro per dag dient te worden toegekend, nu de verzoekers alleen reeds aanzienlijke schadevergoedingen hebben gevorderd (en verkregen) omwille van geur- en geluidshinder ten laste van de exploitant en haar bestuurders. Zij vervolgt dat het dan ook niet meteen duidelijk is welke schade nog niet werd vergoed als gevolg van de in het vernietigingsarrest vastgestelde onwettigheid. Wat de vergoeding voor de morele schade betreft, kan de verwerende partij akkoord gaan “met een bedrag van hoogstens 1 Euro”.
  29. De verzoekers voegen in hun laatste memorie nog toe dat de overschrijding van de geluidsnormen uitdrukkelijk werd bevestigd in de omgevingsvergunning van 26 maart 2019, en dat in vernietigingsarrest nr. RvVb-A-2021-0037 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 10 september 2020 het middel met betrekking tot de door de verwerende partij onderkende overschrijding van de geluidsnormen aan de grondslag ligt van de vernietiging van de omgevingsvergunning van 26 maart
  30. Bovendien wordt er in het door de verzoekers zelf in oktober 2019 uitgevoerde onderzoek op gewezen dat de NV Agristo nog steeds niet voldoet aan de vigerende geluidsnormen. Dat ook aan de geurhinder nog steeds niet werd geremedieerd, vloeit volgens de verzoekers eveneens voort uit het voormelde vernietigingsarrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 10 september 2020, waarin “uitgerekend de omgevingsvergunning voor de geurreducerende maatregelen (naverbrander en schouw) (wordt) vernietigd”. Wat de morele schadevergoeding betreft betogen de verzoekers dat een vergoeding van één euro voor de verwerende partij een vrijgeleide betekent om verder ongestoord onwettige vergunningen te verlenen aan de NV Agristo. VII-40.330-8/15 VII-40.330-9/15 Beoordeling
  31. De verzoekers vorderen in essentie vergoeding van morele schade en voeren daartoe immateriële nadelen aan die ten gevolge van de vastgestelde onwettigheid zouden zijn opgetreden.
  32. Om met toepassing van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een schadevergoeding tot herstel te kunnen verkrijgen moet aan drie voorwaarden worden voldaan: - er dient allereerst te worden aangetoond dat sprake is van een vastgestelde onwettigheid door een arrest van de Raad van State; dit kan niet enkel blijken uit de vernietiging van een aangevochten akte, reglement of stilzwijgend afwijzende beslissing; - deze vastgestelde onwettigheid dient een schade te hebben veroorzaakt die nog niet op een andere wijze werd vergoed of waartoe bij een ander rechtscollege nog geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering werd ingesteld . - er dient een rechtstreeks causaal verband te zijn tussen de vastgestelde onwettigheid en de schade of het nadeel dat men lijdt.
  33. Met betrekking tot de aangevoerde geur blijkt uit de beoordeling van het eerste middel in arrest nr. 241.569 dat er inderdaad dergelijke hinder is vastgesteld. Uit het verzoekschrift, zoals hierboven weergegeven, kan worden afgeleid dat de woningen van de drie verzoekers gelegen zijn in een gebied waar sprake is van geurhinder. Alle percelen zijn overwegend gelegen binnen de geurcontour 5-10 se/m³.
  34. Volgens de aanduidingen op het gewestplan Kortrijk bevinden deze woningen zich in een woongebied met landelijk karakter. In het Richtlijnenboek Lucht van de dienst LNE Dienst MER wordt dergelijk gebied beschouwd als een hoog geurgevoelige bestemming, in geval van toetsing aan niet-landbouweigen geuren, en als matig geurgevoelig gebied, in geval van toetsing aan landbouweigen geuren. Zowel bij matig als bij hoog geurgevoelige bestemming wordt de vooropgestelde geur van 5-10 se/m³ als sterk negatief effect beschouwd. Aldus wordt in het project-MER zelf aangegeven dat sprake is van een VII-40.330-10/15 sterk negatief effect voor de woningen van de verzoekers. In het licht van het gegeven dat de milieuvergunningsaanvraag die aan de basis ligt van de door de Raad van State vernietigde vergunning een regulariserend karakter heeft, kan de koppeling tussen de aangevoerde geurhinder en de vernietigde vergunning niet worden ontkend. Het feit dat de verwerende partij zich beroept op de bestaande en onvergunde toestand om het causaal verband tussen de hinder en de vraag om schadevergoeding te ontkrachten, wordt door de verzoekers terecht bekritiseerd.
  35. In het project-MER, bevindt zich een meting ter hoogte van de woningen in de Waterstraat, dus ter hoogte van de woningen van de verzoekers. Uit de vermeldingen in het project-MER kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een overschrijding van de geluidsnormen die gelden voor dit gebied. De verzoekers tonen evenmin aan dat er sprake is van een bestaande geluidsoverlast. Aldus wordt er geen schade of nadeel op basis van geluidsoverlast door de inrichting die het voorwerp van de vernietigde vergunning heeft uitgemaakt, aangetoond. De verzoekers maken niet aannemelijk dat de geluidsstudie waarnaar zij verwijzen in hun laatste memorie betrekking heeft op hun percelen.
  36. Bijgevolg kan een schadevergoeding worden toegekend voor de geurhinder die door de verzoekers wordt ondervonden, maar niet voor de beweerde en niet bewezen geluidshinder. Gelet op het feit dat de vernietigde vergunning werd verleend op 25 juli 2016 en werd vernietigd bij arrest van 24 mei 2018, heeft zij 668 dagen bestaan en hebben de verzoekers gedurende deze periode de hinder ondergaan. Voor de vaststaande geurhinder, verbonden aan de exploitatie van de inrichting die met de vernietigde vergunning gepaard ging en die permanent van aard moet worden geacht, kan aldus ex aequo et bono een schadevergoeding tot herstel worden toegekend, begroot op tien euro per dag. Dit komt neer op een bedrag van 6.680 euro per verzoeker.
  37. Aangezien de schade zich niet onmiddellijk, maar uitgestrekt in de tijd heeft gerealiseerd, moeten de gerechtelijke interesten worden toegekend vanaf een gemiddelde datum. De periode tussen de vergunningverlening (25 juli 2016) en het vernietigingsarrest (24 mei 2018) omvat 668 kalenderdagen. Het basisbedrag moet worden vermeerderd met de vergoedende interesten aan de VII-40.330-11/15 wettelijke rentevoet vanaf 25 juli 2016 en de gerechtelijke interesten vanaf de gemiddelde datum van 24 juni 2017 tot op de dag van de algehele betaling.
  38. Met betrekking tot de overige morele schade blijkt dat dit in essentie gaat over het geschokte vertrouwen van de verzoekers in de werking van de vergunningverlenende overheid, alsmede in haar werking als handhavende overheid. In theorie wordt morele schade “vergoed” door een nietigverklaring en de werking “ex tunc” van de vernietiging. Te dezen werd de betrokken inrichting echter verder geëxploiteerd, wat niet wordt weerlegd door de verwerende partij. Van een behoorlijk en zorgvuldig optredende overheid mag worden verwacht dat zij bij het nemen van beslissingen rekening houdt met haar eigen regelgeving en het gewijsde van arresten die slaan op de te nemen beslissingen. Hoewel de voorliggende procedure gebaseerd is op de vernietigde beslissing en het handhavingsaspect in principe hierbuiten valt, blijkt te dezen dat de vernietiging die werd uitgesproken in het arrest nr. 241.569, betrekking heeft op de voortzetting van een reeds jarenlang aan de gang zijnde onwettige praktijk. Hiermee rekening houdend kan worden besloten dat het vertrouwen van de verzoekers in de werking van de overheidsinstellingen geschokt is, waardoor een eenvoudige nietigverklaring niet volstaat als compensatie van een geleden morele schade. In de huidige omstandigheden kan een schadevergoeding voor de morele schade van één euro worden toegekend.
  39. Het verzoek tot schadevergoeding tot herstel kan worden ingewilligd, waarbij een schadevergoeding van 6.680 euro per verzoeker, te vermeerderen met vergoedende en gerechtelijke intresten voor de schade door geurhinder, en één euro voor morele schade, kan worden toegekend. V. Kosten en rechtsplegingsvergoeding
  40. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het recht op een rechtsplegingsvergoeding voor verzoekers. Zij zet daarover uiteen: “
  41. Tot slot, blijkt dat de verzoekende partijen in hun verzoek tot schadevergoeding tot herstel nogmaals verzoeken om de verwerende partij te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding. VII-40.330-12/15 Overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is een vordering tot schadevergoeding tot herstel evenwel een - mogelijk - accessorium van de vordering tot nietigverklaring van een akte een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing, met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Er wordt nergens voorzien in een specifieke rechtsplegingsvergoeding - naast de rechtsplegingsvergoeding die in het kader van de vordering tot nietigverklaring kan worden gevraagd - voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding. Ook heeft Uw Raad heeft zich in het arrest nr. 241.569 van 24 mei 2018 reeds uitgesproken over de rechtsplegingsvergoeding die de verwerende partij in het kader van de procedure tot nietigverklaring verschuldigd is aan de verzoekende partijen, zodat Uw Raad daaromtrent niet opnieuw kan statueren. De in het verzoek tot schadevergoeding tot herstel gevorderde rechtsplegingsvergoeding kan niet worden toegekend”. In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekers erop dat de rechtsplegingsvergoeding op algemene wijze is geformuleerd en geenszins beperkt is tot het annulatieberoep. Het gegeven dat de huidige vordering een accessorium vormt van het annulatieberoep doet hier geen afbreuk aan. De verwerende partij duidt geen bepaling aan die verhindert dat de verzoekers in het kader van een verzoek tot schadevergoeding tot herstel een rechtsplegingsvergoeding kunnen vorderen en verkrijgen. De kosten, inclusief een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor VII-40.330-13/15 wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  42. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
  43. De Raad van State veroordeelt het Vlaamse Gewest tot betaling van een schadevergoeding tot herstel aan de Lucien Cuvelier, Noël Vlieghe en Johny De Beuf ten bedrage van 6.681 euro.
  44. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. De onterecht betaalde bijdrage van 40 euro dient aan de verzoekers te worden terugbetaald. VII-40.330-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.330-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.439 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.