id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.440 Rolnummer: A. 222101/VII-39971 Zaak: Arrest 252440 - Milieuvergunningen - 16/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-20 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-12 16:15 Fiche Arrest nr 252.440 van 16 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.440 van 16 december 2021 in de zaak A. 222.101/VII-39.971 In zake :
- Tine VERHELST-BRUYNSTEEN
- Jos VERDUYN
- Kurt DESOETE
- René CLAEYS
- Nick COUWELIER
- Mieke DESMET
- Kurt BRISSINCK
- Yvan CALLEWAERT
- de VZW DE GEZELLIGE BLAFFERS
- Noël DESMET
- Bart ROELENS
- An DESMET
- Eddy GRYSPEERT
- Eddy STAELENS
- de NV AGRI-VER
- Stijn DETAVERNIER
- de NV WERLO
- Rik WERBROUCK
- de CVBA HOMAVELD
- Lieven MAENHOUT
- Frederik MERLEVEDE
- Rosy DEMEDTS-CALLEEUW
- Joël CLAEYS
- Gabriel DECOCK
- Luc VICTOOR
- Patrick VANSTEELANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem (Herzele) Dries 77 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen VII-39.971-1/15 Tussenkomende partij : de NV ASPIRAVI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Verhelst en Isaura De Cleen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 22 februari 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 18 augustus 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Aspiravi voor het exploiteren van een windturbinepark gelegen langs de E403 te Lichtervelde en Wingene, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Aspiravi heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 juni
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 29 april 2021 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. VII-39.971-2/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 december
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bram Van den Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Evelien Bruyninckx, die loco advocaten Gregory Verhelst en Isaura De Cleen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- Op 18 februari 2016 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van twee windturbines en transformatoren nabij de snelweg E403, op percelen gelegen aan de Damplasstraat in Lichtervelde, kadastraal gekend als sectie A, nr. 130B, en aan de Vrijgeweidestraat in Wingene, kadastraal gekend als afdeling 2, sectie F, nr. 45K, beide gelegen in landbouwgebied volgens het gewestplan “Roeselare-Tielt”. 3.
- De aanvraag heeft betrekking op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage en bevat een project-m.e.r.-screeningsnota. VII-39.971-3/15 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden in de gemeente Lichtervelde 1.711 en in de gemeente Wingene 1.977 bezwaren ingediend. 3.
- Bij besluit van 18 augustus 2016 verleent de deputatie de gevraagde vergunning onder de volgende bijzondere voorwaarden: “- De exploitant mag overdag en ’s avonds gebruik maken van de waarden van het La95-niveau ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen t.o.v. de windturbines en gelegen op minder dan 200 m van de autosnelweg, zoals die zijn bepaald in de geluidsstudie die bij de milieuvergunningsaanvraag is gevoegd en die uitgevoerd is door een erkend deskundige ‘geluid’. ’s Nachts gelden de richtwaarden als norm. - Bij de effectieve keuze van het type windturbine stelt de exploitant een rapport op met de effectieve berekening van de geluidimmissieniveau’s ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen. Bij overschrijding van de richtwaarden ’s nachts, bepaalt de exploitant op welke wijze de windturbines zullen gemoduleerd worden tijdens de nacht, zodat aan de geluidsnormen kan voldaan worden. Bij productie in geluidsreducerende mode wordt dit bijgehouden in het logboek”. 3.
- Tegen dit besluit stellen onder meer de verzoekende partijen een bestuurlijk beroep bij de minister in. 3.
- Opnieuw worden de nodige adviezen aangevraagd en verkregen. 3.
- Bij besluit van 22 februari 2017 verklaart de minister de ingediende bestuurlijke beroepen gedeeltelijk gegrond en verleent zij de gevraagde vergunning onder de bijkomende bijzondere voorwaarde: “Binnen een termijn van zes maanden na de ingebruikname van de windturbines worden geluidsmetingen ter controle uitgevoerd door een erkend milieudeskundige in de discipline geluid ter hoogte van de meest kritische plaatsen voor geluidshinder. De resultaten hiervan worden ter evaluatie overgemaakt aan de afdeling Milieu-inspectie en ter kennisgeving aan de vergunning verlenende overheid en aan de afdeling Milieuvergunningen”. Dit is het bestreden besluit. VII-39.971-4/15 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen
- De verzoekende partijen wijzen op hun hoedanigheid als derden-belanghebbenden die tegen de bestreden beslissing administratief beroep hebben ingesteld, op de hoedanigheid van omwonende van bepaalde onder hen en op de bedrijfsvoering van andere verzoekende partijen. Zij zetten daarbij uiteen dat zij nadeel zullen ondervinden van visuele hinder, geluid, slagschaduw, trillingen, gezondheidseffecten en veiligheidseffecten. Zij verwijzen ook naar een negatieve impact op dieren en naar een negatieve impact op de bedrijfsvoering van bepaalde verzoekende partijen. Daarnaast werpen zij op dat zij als inwoners van de gemeenten Lichtervelde en Wingene worden geconfronteerd met andere gemeenten die zich langs privaatrechtelijke weg in de nv Aspiravi hebben georganiseerd en het beleid van hun gemeenten doorkruisen. De lasten qua impact op leefcomfort en bedrijfsactiviteiten zijn voor hen, terwijl de financiële baten naar andere dan hun eigen gemeenten vloeien. Tot slot wijzen zij nog op een waardevermindering van hun eigendommen.
- De verwerende partij brengt hiertegen in dat de ruime afstanden tussen de windturbines en de woningen ertoe leiden dat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat zij de aangevoerde hinderaspecten zullen ondergaan. Evenmin maken die afstanden het aannemelijk dat de exploitatie van de inrichting een negatieve impact zal hebben op de bedrijfsvoering van sommige van de verzoekende partijen of op de dieren die in de omgeving worden gehouden. Daarnaast kunnen de verzoekende partijen hun belang evenmin ontlenen aan hun hoedanigheid van derden-belanghebbenden die op ontvankelijke wijze een bestuurlijk beroep hebben ingesteld tegen de bestreden beslissing. Tot slot kunnen de verzoekende partijen hun belang niet steunen op een vermeend belang in hoofde van hun gemeente. Zij beroepen zich immers niet op de toepassing van artikel 194 van het decreet van 15 juli 2005 van het Vlaams Parlement dat de werking van de 308 gemeenten in het Vlaams Gewest regelt (Gemeentedecreet) en tonen evenmin aan dat zij aan de voorwaarden van die bepaling hebben voldaan. Bovendien hebben de betrokken gemeenten zelf ook een beroep tot nietigverklaring voor de VII-39.971-5/15 Raad van State ingediend, zodat zij geenszins hebben nagelaten om in rechte op te treden.
- De tussenkomende partij stelt op haar beurt dat de omwonenden geen stukken, zoals fotomateriaal of een omgevingsverslag, bijbrengen die de beweerde hinder of nadelen concreet aantonen. Dit klemt des te meer gelet op de afstand tussen de windturbines en de woonplaatsen of maatschappelijke zetels van de verzoekende partijen. De tussenkomende partij stelt dat bij gebrek aan nadere bewijslevering omtrent de precieze impact van de windturbines op hun woonplaats, bedrijfszetel of eigendom, de Raad van State niet kan onderzoeken of de windturbines effectief hinder of nadelen zouden kunnen veroorzaken aan de verzoekende partijen. Het beroep is volgens de tussenkomende partij onontvankelijk, “minstens in hoofde van het merendeel van de verzoekende partijen”. Voorts verklaart de twaalfde verzoekende partij dat zij het kadastraal perceel 46R huurt, waarover de toegangsweg naar één van de windturbines loopt. Voor dat perceel werd een gebruiksovereenkomst gesloten met de eigenaar. Er werd tevens een bijakte ondertekend, waarin de twaalfde verzoekende partij zich uitdrukkelijk akkoord verklaart met het voorliggende project. Zij heeft volgens de tussenkomende partij evident geen wettig belang bij het beroep tegen de vergunning voor een activiteit of constructie waarmee zij zich akkoord heeft verklaard. De rechtspersonen die beroep hebben ingesteld, steunen zich volgens de tussenkomende partij in hoofdzaak op vermeende hinder in hoofde van derden, en tonen dan ook geen persoonlijk nadeel aan.
- In haar laatste memorie preciseert de verwerende partij dat de vierde, vijfde, zesde, zevende, tiende, elfde, twaalfde, veertiende en vijftiende verzoekende partij niet aannemelijk maken dat zij benadeeld kunnen worden door de exploitatie van de vergunde windturbine. De verzoekende rechtspersonen kunnen volgens haar noch visuele overlast noch geluidoverlast ondergaan, of hinder hebben van eventuele slagschaduw en/of flikkerlicht. VII-39.971-6/15 Beoordeling
- Om zijn belang aan te tonen bij de nietigverklaring van de vergunning voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting, moet degene die opkomt tegen die vergunning minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie. Er moet niet worden aangetoond dat die hinder onaanvaardbaar is. Rekening houdend met de afstanden, die variëren van ongeveer 300 meter tot ongeveer 1.200 meter, en met de aard van de betrokken inrichting die een klasse 1-inrichting is en derhalve een inrichting die door de decreetgever als meest hinderlijk wordt beschouwd, is het niet uitgesloten dat de verzoekende partijen in hun woon- en leefomgeving hinder van de vergunde activiteiten zullen ondervinden, temeer nu blijkt dat de woningen of bedrijfszetels van de verzoekende partijen binnen of net buiten de geluidscontouren van 35 tot 45 dB(A) en binnen de slagschaduwcontouren van minimaal vier uur per jaar vallen.
- De verzoekende rechtspersonen werpen op dat de slagschaduw de natuurlijke lichtinval in de dierenstallen zal verstoren, dat het geluid en de slagschaduw een negatieve impact zullen hebben op de vlees- en melkproductie van dieren en dat de inrichting een negatieve impact zal hebben op de honden in de hondenschool van de negende verzoekende partij, aangezien deze dieren veel gevoeliger zijn voor geluid en trillingen dan mensen. Die nadelen volstaan om het belang in hunnen hoofde te aanvaarden.
- Voorts is het gegeven dat de twaalfde verzoekende partij bij de gebruiksovereenkomst met betrekking tot kadastraal perceel 46R een addendum heeft ondertekend waarin zij zich uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard met het project niet van aard om haar een wettig belang bij het beroep te ontzeggen. De vraag of deze verzoekende partij bepaalde contractuele verbintenissen niet zou zijn nagekomen, betreft een geschil dat behoort tot de rechtsmacht van de rechtbanken van de rechterlijke orde.
- Deze vaststellingen volstaan om het belang in hoofde van de verzoekende partijen aan te nemen. De exceptie wordt verworpen. VII-39.971-7/15 V. Onderzoek van het derde middel Standpunten van de partijen
- In het derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB), van de artikelen 3, § 1, en 4, § 1, van zijn uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 (hierna: watertoetsbesluit), en van de motiveringsverplichting en de zorgvuldigheidsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur. Zij betogen dat de aangevraagde windturbines zijn gelegen in matig tot zeer grondwaterstromingsgevoelig gebied. De beoordeling van de watertoets in het bestreden besluit beperkt zich evenwel tot de oppervlakte en de infiltratie van hemelwater. De impact van wat onder het maaiveld wordt geconstrueerd en de impact op de grondwaterstroming, wordt nergens onderzocht. Gelet op de ligging in matig tot zeer grondwaterstromingsgevoelig gebied, “ligt een onbestaande invloed op het grondwater niet voor”. Een van de turbines is zelfs gepland in een poel. De verzoekende partijen stellen zich de vraag of de impact op het grondwater dan niet van die aard is dat dit “de stabiliteit, en dus de veiligheid van de gigantische windturbine” in het gedrang brengt.
- De verwerende partij werpt als exceptie op dat, waar de verzoekende partijen zich de vraag stellen of de impact op het grondwater niet van die aard is dat dit de stabiliteit en de veiligheid van de windturbines in het gedrang kan brengen, zij geen belang bij het middel hebben. Via de watertoets wordt immers niet beoogd om de impact van het watersysteem op de constructies na te gaan, maar wel het omgekeerde. Ten gronde stelt de verwerende partij dat ook uit de screeningsnota en uit de adviezen van de provinciale dienst Waterlopen blijkt dat er geen schadelijke effecten op het watersysteem zijn. VII-39.971-8/15
- De tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekende partijen bij het middel omdat hun eigendommen minstens op enkele honderden meters van de windturbines gelegen zijn. Zij maken dan ook totaal niet aannemelijk dat een mogelijke verstoring van de grondwaterhuishouding door de bouw van de windturbines enige impact zou kunnen hebben op hun eigendommen. Zij tonen overigens ook niet aan dat de windturbines enige impact zullen hebben op het grondwater of op hun belangen. De loutere beweringen volstaan niet ter staving van het middel. Ten gronde betoogt de tussenkomende partij dat de bestreden beslissing een uitgebreide, afdoende watertoets bevat, waarin rekening wordt gehouden met de gegevens van het aanvraagdossier en met het gunstig advies van de provinciale dienst Waterlopen. Tevens wordt verwezen naar de lokalisatienota en het daarbij gevoegde plan nr. 13, waaruit blijkt dat de windturbines in niet-overstromingsgevoelig en mogelijk overstromingsgevoelig gebied zijn gelegen. Door hun beperkte grondinname zullen zij volgens haar nagenoeg geen invloed hebben op de waterhuishouding. Bij de ontwerpen werd erover gewaakt dat het hemelwater maximaal kan infiltreren. Ook werd het formulier in het kader van de gewestelijke hemelwaterverordening gevoegd. Wat betreft de gedeeltelijk te dempen poel, wijst de tussenkomende partij op inplantingsplan nr. 5, waarop alle vereiste gegevens staan vermeld. De verwerende partij en de provinciale dienst Waterlopen hebben met de totaliteit van de aangevraagde werken rekening gehouden en konden in alle redelijkheid besluiten dat het dempen van de poel geen aanleiding geeft tot een verstoring van de waterhuishouding. Minstens maken de verzoekende partijen het tegendeel niet aannemelijk. Daarnaast merkt de tussenkomende partij nog op dat op grond van artikel 3, § 2, tweede lid, van het watertoetsbesluit geen advies diende te worden gevraagd met betrekking tot de mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het grondwater. Voor funderingen met een beperkte afmeting wordt er derhalve van uitgegaan dat er geen schadelijke impact op het grondwater zal optreden. In alle redelijkheid kan worden gesteld dat een fundering met een diameter van achttien meter en een diepte van drie meter geen aanleiding zal geven tot verstoring van de grondwaterhuishouding. Wat betreft de impact van het grondwater op de stabiliteit VII-39.971-9/15 van de windturbines stelt de tussenkomende partij nog dat, gelet op de beperkte diepte van de fundering, elke impact op het grondwater wordt uitgesloten, zodat ook de stabiliteit van de windturbines erdoor niet word beïnvloed. Overigens betreft dit een vraag naar de uitvoerbaarheid van de vergunning, die losstaat van de vraag naar de wettigheid ervan.
- In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen wat de grond van het middel betreft nog toe dat de verwerende partij als vergunningverlenende overheid een zelfstandig oordeel moet vellen over de schadelijke effecten op het watersysteem. De motivering dient in de vergunningsbeslissing zelf te zijn opgenomen en moet afdoende zijn. Het volstaat niet te verwijzen naar de lokalisatienota of een advies van de provinciale dienst Waterlopen. Er kan geen rekening worden gehouden met in de stukken naar voren gebrachte motieven, noch kan de motiveringsverplichting naar hen worden doorgeschoven door te stellen dat zij een verstoring van de waterhuishouding moeten aantonen. Het punt is dat de bestreden beslissing geen enkele aandacht verleent aan de effecten op de grondwaterstroming.
- In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen toe dat zij slechts vaag kunnen blijven over de ondergrondse constructies “omdat de aanvraag op dit punt zelf vaag blijkt en de concretisering ter zake doorschuift naar de uitvoeringsfase van het project”. Gegeven de indicatie dat de locatie van de inplanting zeer gevoelig is voor verstoring van de ondiepe grondwaterstroming, en dat een ondergronds volume wordt ingenomen “en er dus een verstoring van de ondergrond zal zijn”, is het volgens hen de evidentie zelf dat de vergunningsbevoegde overheid onderzoekt of het vergunde geen verstoring van de ondiepe grondwaterstroming tot gevolg zal hebben. De overweging in het bestreden besluit dat de windturbines “een beperkte oppervlakte-inname” zouden hebben, noemen de verzoekende partijen voor het derde middel niet pertinent. Relevant is volgens hen of de ondergrond derwijze wordt verstoord dat de ondiepe grondwaterstroming wordt verstoord. Dat er geen schadelijk effect op het watersysteem zou zijn, noemen de verzoekende partijen ten slotte een nietszeggende stijlformule. VII-39.971-10/15 Beoordeling
- Een nietigverklaring van de bestreden beslissing op grond van het derde middel zou ertoe leiden dat de betrokken windturbines niet kunnen worden geëxploiteerd. Dit is het voordeel dat de verzoekende partijen met het ingestelde annulatieberoep wensen te bekomen. Hiermee geven zij blijk van een afdoende belang bij het middel. De opmerking in de laatste memorie van de verwerende partij als zou het erkennen van het belang van de verzoekende partijen bij het derde middel ertoe leiden dat “eender welke verzoekende partij” “elke wettigheidskritiek” zou kunnen aanvoeren tegen de bestreden beslissing, doet geen afbreuk aan de dwingende voorschriften van het watertoetsbesluit. De exceptie wordt verworpen.
- Artikel 8, § 1, eerste lid, DIWB bepaalt dat de overheid die moet beslissen over een vergunning als vermeld in artikel 8, § 5, DIWB, er zorg voor draagt, door het weigeren van de vergunning dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Artikel 8, § 5, eerste lid, 3°, DIWB, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat de milieuvergunning als vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet) “voor zover als relevant, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag”, aan de watertoets wordt onderworpen. Artikel 4, § 1, van het milieuvergunningsdecreet legt de verplichting op van een voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid voor het exploiteren of veranderen van een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse. Het in artikel 8, § 5, eerste lid, 3°, DIWB bedoelde relevante voorwerp van de vergunningsaanvraag heeft betrekking op de inrichting waarvoor de vergunning wordt gevraagd en de in artikel 3, § 2, 17°, DIWB bedoelde schadelijke effecten van de exploitatie ervan. VII-39.971-11/15 Een schadelijk effect is luidens artikel 3, § 2, 17°, DIWB “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. Overeenkomstig artikel 4 van het watertoetsbesluit moet de motivering van de beslissing over een vergunningsaanvraag voor de toepassing van de watertoets een duidelijk aangegeven onderdeel bevatten, de waterparagraaf genoemd, waarbij, eventueel rekening houdend met het wateradvies, een uitspraak wordt gedaan over: “1° de verenigbaarheid van de vergunningsplichtige activiteit met het watersysteem; 2° in voorkomend geval, de gepaste voorwaarden en maatregelen om het schadelijke effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te beperken, te herstellen of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren; 3° de inachtneming van de relevante doelstellingen en beginselen, vermeld in artikel 5, 6 en 7 van het decreet bij de beoordeling van de vergunningsplichtige activiteit en de opgelegde voorwaarden en maatregelen”. In de waterparagraaf van het bestreden besluit wordt het volgende gesteld: “Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, de inrichting gelegen is in het bekken van de Brugse Polders; dat WT1 in een niet-overstromingsgevoelig gebied is gelegen; dat WT2 gelegen is in een mogelijk overstromingsgevoelig gebied; Overwegende dat windturbines een beperkte oppervlakte-inname hebben; dat het hemelwater dat op de verharde oppervlakte valt, op natuurlijke wijze op het eigen terrein in de bodem kan infiltreren; dat de aangelegde VII-39.971-12/15 verhardingen van toegangswegen en werkvlakken uitgevoerd worden in waterdoorlatende materialen waardoor het hemelwater kan infiltreren; Overwegende dat het advies van de waterbeheerder (4 november 2016), zijnde de Dienst Waterlopen van de provincie West-Vlaanderen, gunstig is; dat er gesteld wordt dat het project deels gelegen is in mogelijk overstromingsgevoelig gebied en in een gebied met moeilijk infiltreerbare gronden; dat er wordt gesteld dat aangezien de verharde oppervlakten geen compacte vorm hebben (toegangswegen en lokale funderingsvoet) en bijgevolg een groot infiltratiegebied hebben, het water makkelijk kan infiltreren in de (naastliggende) bodem; dat er wel rekening gehouden moet worden met het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 houdende vaststelling van een gewestelijk stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater; Overwegende dat er geen schadelijke effecten op het watersysteem zullen zijn; dat er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets”.
- De kritiek van de verzoekende partijen komt er in essentie op neer dat de watertoets in het bestreden besluit geen rekening houdt met de ligging van de aangevraagde windturbines in matig tot zeer grondwaterstromingsgevoelig gebied, terwijl er nochtans een “navenante sokkel/fundering [voor] vereist [is] die niet enkel een aanmerkelijke oppervlakte inneemt, maar zich buitendien bijna volledig onder het maaiveld bevindt”. Ook de middenspanningscabine neemt een “volume onder het maaiveld” in. Nochtans wordt in de bestreden beslissing “nergens de impact onderzocht van hetgeen onder het maaiveld wordt geconstrueerd en van de impact die uitgaat van het aangevraagd[e] op de grondwaterstroming”. De verzoekende partijen maken wel degelijk aannemelijk dat windturbine WT2, die in “matig tot zeer grondwaterstromingsgevoelig gebied” en gedeeltelijk “in een poel” is gelegen, een betekenisvol nadelig effect op het grondwater kan hebben, minstens zijn er voldoende aanwijzingen dat dit terdege onderzocht moest worden. Dat de onderzoeksplicht van mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het grondwater “niet geldt voor funderingspalen”, volstaat voor de vergunningverlenende overheid niet om zich te onttrekken aan de verplichte toets uit het watertoetsbesluit. Het derde middel is in die mate gegrond. VII-39.971-13/15 VI. Handhaving van de gevolgen van de vernietigde akte
- In haar laatste memorie vraagt de verwerende partij in ondergeschikte orde om, in toepassing van artikel 14ter van de RvS-wet, de gevolgen van het bestreden besluit te handhaven, meer bepaald tot anderhalf jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe sectorale normen en uiterlijk tot en met 23 januari
- Zij koppelt dit verzoek aan de voorwaarde dat de Raad “van oordeel zou zijn dat
(1)de sectorale milieuvoorwaarden van afdeling 5.20.6 Vlarem II en de Omzendbrief RO/2014/02 plan-MER-plichtig zouden zijn,
(2)deze buiten toepassing gelaten moeten worden op grond van de exceptie van onwettigheid
(3)en deze onwettigheid ook de onwettigheid van het bestreden besluit met zich zou meebrengen”. Beoordeling
- Het verzoek van de verwerende partij om toepassing van artikel 14ter van de RvS-wet gaat uit van een hypothese die te dezen niet is gerealiseerd, en moet alleen al om die reden worden afgewezen. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 22 februari 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 18 augustus 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Aspiravi voor het exploiteren van een windturbinepark gelegen langs de E403 te Lichtervelde en Wingene, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. VII-39.971-14/15
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 5.200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.971-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.440 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div