id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.481 Rolnummer: A. 229825/XII-8851 Zaak: Arrest 252481 - Wegverkeer van goederen - 20/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-06 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-12 16:42 Fiche Arrest nr 252.481 van 20 december 2021 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 252.481 van 20 december 2021 in de zaak A. 229.825/XII-8851 In zake : de NV WIJCKMANS TRANSPORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Bijnens kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 119 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij het Agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20, bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 23 oktober 2019 om aan de nv Wijckmans Transport een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. XII-8851-1/9 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 december 2021 om 10.30 uur. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tristan Carolus, die loco advocaat Luc Bijnens verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 5 december 2018 wordt een vrachtwagen met oplegger van de verzoekende partij door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de N19G te Geel. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 1.110 kg. Er wordt een proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: ‘decreet bijzonder wegtransport’). 3.
- Op 4 januari 2019 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de bevoegde procureur des Konings met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport, binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 4 februari 2019 beslist het openbaar ministerie om geen vervolging in te stellen. XII-8851-2/9 3.
- Op 12 maart 2019 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. 3.
- Op 26 maart 2019 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing. Op 6 juni 2019 vindt een hoorzitting plaats. Op 17 juni 2019 bevestigt de wegeninspecteur-controleur de beslissing om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. 3.
- Op 2 juli 2019 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing een beroep in bij de Vlaamse regering. Op 16 september 2019 vindt een hoorzitting in beroep plaats. Op 23 oktober 2019 beslist ook de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij doet daartoe het volgende gelden: XII-8851-3/9 “Doordat het Agentschap Wegen en Verkeer bij haar beslissing geen rekening gehouden heeft met alle relevante omstandigheden in onderhavige zaak; Terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel voorschrijft dat een overheid bij het voorbereiden en nemen van een beslissing verplicht is alle relevante factoren en omstandigheden zorgvuldig af te wegen; Overwegende dat het Agentschap Wegen en Verkeer stelt dat er geen verzachtende omstandigheden worden aangereikt; Dat het materiële zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat er aan zorgvuldige feitenvinding dient gedaan te worden, dat een beslissing dient genomen te worden op basis van een volledig dossier, dat er zorgvuldige beslissingscriteria dienen in acht genomen te worden en dat er een informatieplicht bestaat ten aanzien van de betrokkene; Dat verwerende partij zich in kwestieuze zaak niets aangetrokken heeft van al deze onderdelen; Dat verwerende partij immers niet aan zorgvuldige feitenvinding gedaan heeft, vermits zij in dat geval een andere beslissing genomen had, rekening houdend met de concrete omstandigheden eigen aan de zaak. Verzoekster neemt immers voldoende voorzorgen teneinde een overlading te kunnen voorkomen, m.n. is er een weegbrug aanwezig bij de verlader. Verzoekster wenst op dit punt nogmaals op te merken dat [de] totaal [maximaal toegelaten massa] niet overschreden was. Bovendien hebben de chauffeurs een opleiding code 95 genoten, zijn er spanbanden, rubberen antislipmatten en dergelijke ter beschikking. Verzoekster betwist dan ook ten stelligste de bewering als zou zij enkel de werknemers sensibiliseren op het nakijken van de evenredige verdeling van de lading. Overwegende dat er alsdan wel degelijk verzachtende omstandigheden zijn; Dat zodoende blijkt dat verwerende partij niet zorgvuldig tot de bestreden beslissing gekomen is; Dat het middel bijgevolg ernstig is. De bestreden beslissing dient dan ook vernietigd te worden.”
- In de memorie van wederantwoord herneemt de verzoekende partij woordelijk haar uiteenzetting van het verzoekschrift. Zij voegt daar nog het volgende aan toe: “In haar memorie van antwoord verwijst verwerende partij naar de bestreden beslissing, doch hieruit blijkt niet dat verwerende partij op een zorgvuldige wijze de beslissing heeft genomen op het vlak van de verzachtende omstandigheden. Verwerende partij stelt dat de Raad van State enkel een marginale toetsing kan uitvoeren, doch dit neemt niet weg dat de Raad van State een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan inroepen, nu blijkt dat concluante wel XII-8851-4/9 degelijk de nodige voorzorgsmaatregelen heeft genomen teneinde eventuele overladingen tegen te gaan. Bovendien is het duidelijk dat concluante niet enkel haar werknemers sensibiliseert, doch wel degelijk als transportfirma maatregelen neemt en haar werknemers tools aanreikt om dergelijke overladingen tegen te gaan. Verwerende partij diende dan ook verzachtende omstandigheden toe te passen.”
- In de laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog het volgende in repliek op het auditoraatsverslag: “In het verslag wordt vermeld dat de door verzoekende partij in het kader van de administratieve beroepsprocedure opgeworpen argumenten wel degelijk onderzocht zijn geworden door verwerende partij en deze argumenten afdoende in haar besluitvorming betrokken heeft en beslist heeft dat zij geen verzachtende omstandigheden uitmaken en geen uitstel van de administratieve geldboete rechtvaardigen. Zulks is incorrect aangezien tegenpartij stelt dat uit de vastgestelde asoverlading blijkt dat het louter vertrouwen op een geautomatiseerd laadproces niet afdoende is om overlading in de zin van artikel 3, tweede lid van het decreet te vermijden. Verwerende partij houdt evenwel geen rekening met het feit dat het zware materialen betreft, dewelke enkel met een geautomatiseerde rolbrug kunnen geladen worden. Verwerende partij gaat dan wel zeer kort door de bocht door met dit gegeven geen rekening te houden. Bovendien houdt verwerende partij evenmin rekening met het feit dat er met een rolbrug normalerwijze een evenredige verdeling van het gewicht gebeurt. Verzoekster had dan ook geen vermoeden van overlading te meer daar op geen enkel moment de totaal toegelaten massa werd overschreden. Bovendien doet verzoekster dagelijks dergelijke vervoeren, en heeft zij quasi nooit een overlading van de assen. Ook met dit gegeven wordt geen rekening gehouden. Dat zodoende blijkt dat verwerende partij niet zorgvuldig tot de bestreden beslissing gekomen is.” Beoordeling
- De verzoekende partij betoogt in essentie dat de verwerende partij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met verzachtende omstandigheden. Zij meent immers voldoende voorzorgen te hebben genomen teneinde een overlading te voorkomen. Zij wijst erop dat een weegbrug aanwezig is bij de verlader, dat er met deze geautomatiseerde rolbrug normalerwijze een XII-8851-5/9 evenredige verdeling van het gewicht gebeurt – zij doet immers dagelijks dergelijke vervoeren en heeft quasi nooit een overlading van de assen – dat de maximaal toegelaten massa niet werd overschreden, dat de vrachtwagenbestuurders een opleiding code 95 genoten en dat er spanbanden, rubberen antislipmatten en dergelijke ter beschikking zijn.
- Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen inzake overladingsinbreuken. Binnen het kader van de decretale bepalingen, en met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht van verdediging, oordeelt de verwerende partij vrij over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden. Het uitgangspunt van de regelgeving is niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden, doch daarentegen dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden toegepast. Het is immers niet de bedoeling geweest van de decreetgever dat de verwerende partij de administratieve geldboetes systematisch zou verlagen onder het minimumbedrag bepaald in het decreet. Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan.
- In de bestreden beslissing worden de door de verzoekende partij ingeroepen verzachtende omstandigheden als volgt onderzocht en verworpen: “Appellant haalt aan dat de chauffeurs een opleiding code 95 genoten en zij het benodigd materiaal zoals spanbanden, rubberen antislip matten en dergelijke ter beschikking stelt. Tot slot heeft appellant de chauffeurs er op gewezen dat ze na de belading moeten nakijken of het voertuig evenredig is geladen. Er moet worden gesteld dat het volgen van een verplichte opleiding code 95 geen element is dat de gunst van het uitstel kan rechtvaardigen. Verder is het ter beschikking stellen van de nodige materialen om de lading afdoende te zekeren eveneens geen element dat deze gunst kan rechtvaardigen, nu dit wettelijke verplichtingen zijn in hoofde van de XII-8851-6/9 vervoerder-werkgever om de nodige materialen te voorzien en deze materialen louter dienen om de lading afdoende te zekeren. Appellant schetst niet op welke wijze het ter beschikking stellen van materiaal overladingen in de toekomst zal doen vermijden. Het louter sensibiliseren van de werknemers op het nakijken van de evenredige verdeling van de lading, kan niet als afdoende maatregel worden beschouwd opdat overladingen in de toekomst kunnen vermeden worden. Appellant stelt dat zij geen bijkomende maatregelen heeft getroffen opdat overladingen in de toekomst kunnen vermeden worden. De gunst van het uitstel kan niet worden gerechtvaardigd.” Het argument inzake het laden van de vrachtwagen door de verlader en het niet-overschrijden van de maximaal toegelaten massa wordt eerder in de bestreden beslissing als volgt onderzocht en verworpen: “Appellant stelt dat zij niet onvoorzichtig is geweest. De lading geschiedde door een derde verlader aan de hand van een rolbrug. Er was dan ook geen vermoeden dat er een overlading van de assen zou kunnen geschieden, nu er een evenredige verdeling zou moeten geschiedden gelet op de manier van laden. Appellant haalt aan dat op de site van de verlader een weegbrug aanwezig is, de totaal toegelaten massa was niet overschreden. Appellant weet niet op coherente wijze het niet overladen zijn van het totaal van de sleep te betrekken [op] de eigenlijke overlading. Het gegeven dat de totale massa van de sleep onder de maximaal toegelaten massa bleef, maakt op zich geen verzachtende omstandigheid uit, daar dit integendeel net het toepassen van een wettelijke verplichting is en bovendien op geen enkele wijze voldoende uitsluitsel geeft over de vraag of er zich al dan niet een inbreuk op het decreet voordeed. Het niet in totaliteit overladen zijn van een voertuig maakt tevens slechts een voorwaarde uit om te kunnen overgaan tot het aannemen van verzachtende omstandigheden. Daarenboven wordt de administratieve geldboete opgelegd in functie van de overladen tweede trekas. Het gaat in casu niet over wat de overtreder niet heeft gedaan, maar over de gepleegde inbreuk. Uit het proces-verbaal blijkt dat de totale massa van het voertuig, op het ogenblik van de vaststellingen, na correctie 43.530 kg bedroeg, oftewel slechts 470 kg minder [dan] de maximaal toegelaten massa van 44.000 kg. Wanneer de maximaal toegelaten massa van het voertuig wordt benaderd, ontstaat er een verhoogd risico dat ook één van de assen overladen is. De overtreder, als professioneel transporteur, weet dit beter dan wie ook, of diende dit minstens te weten. Het is aan appellant om afdoende maatregelen te nemen, wanneer zij toestaat om een voertuig tot aan de limiet te laden, opdat asoverladingen kunnen vermeden worden. Gelet op het feit dat het voertuig tot net aan de limiet geladen werd, heeft appellant zich onvoorzichtig gedragen, nu uit het relaas van appellant niet blijkt dat zij bijkomende maatregelen heeft getroffen om asoverladingen te vermijden. Uit de vastgestelde asoverlading blijkt dat het louter vertrouwen op een geautomatiseerd laadproces niet afdoende is om overlading in de zin XII-8851-7/9 van artikel 3, tweede lid van het decreet te vermijden. In casu was de tweede as van de trekker overladen met 1110 kg.”
- Aldus blijken de door de verzoekende partij in het kader van de administratieve beroepsprocedure aangevoerde middelen wel degelijk onderzocht te zijn geworden door de verwerende partij. Zij heeft deze argumenten afdoende in haar besluitvorming betrokken en geoordeeld dat de door de verzoekende partij aangevoerde voorzorgsmaatregelen geen verzachtende omstandigheden uitmaken en geen uitstel van de administratieve geldboete verantwoorden. De verzoekende partij blijft er in de laatste memorie bij dat de verwerende partij wel rekening had moeten houden met de door haar aangevoerde omstandigheden. De Raad van State ziet evenwel niet in hoe het feit dat het zware materialen betreft, die enkel met een geautomatiseerde rolbrug kunnen worden geladen, tot gevolg heeft dat de verwerende partij niet kon oordelen dat dit gegeven geen element is dat als verzachtende omstandigheid in aanmerking komt. Niettegenstaande de verzoekende partij beweert dat die werkwijze “normalerwijze” of “quasi nooit” tot een overlading van de assen leidt, bevestigt de thans voorliggende overladingsinbreuk op één van de assen van de trekker juist dat, zoals de verwerende partij oordeelde, het louter vertrouwen op een geautomatiseerd laadproces niet afdoende is om een overlading op één van de assen te vermijden. Zoals in de bestreden beslissing wordt toegelicht, ontstaat een verhoogd risico van asoverlading wanneer de maximaal toegelaten massa wordt benaderd. De verwerende partij kon wettig oordelen dat het juist dan aan een professionele vervoerder, die dit risico zou moeten kennen, toekomt om bijkomende voorzorgsmaatregelen te nemen teneinde dat risico te vermijden. Aldus maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat het laden met een rolbrug en de naleving van de wettelijke verplichtingen inzake zekering van de lading en opleiding van het personeel, kunnen worden beschouwd als adequate voorzorgsmaatregelen die specifiek erop gericht zijn het risico van overlading op de assen in de toekomst te vermijden. XII-8851-8/9 In het licht van het voorgaande is niet ervan gebleken dat de verwerende partij op een onzorgvuldige wijze tot haar beslissing is gekomen, noch dat zij haar beleidsruimte te buiten zou zijn gegaan.
- Het enig middel kan niet worden aangenomen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Pierre Barra, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Paul Lemmens XII-8851-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.481 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div