← België

Arrest 252483 - Varia (economische zaken) - 20/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.483 Rolnummer: A. 228141/XIV-38058 Zaak: Arrest 252483 - Varia (economische zaken) - 20/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-29 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-12 16:43 Fiche Arrest nr 252.483 van 20 december 2021 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 252.483 van 20 december 2021 in de zaak A. 228.141/XIV-38.058 In zake : Jaak VAN DER GUCHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Geelen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NATIONALE BANK VAN BELGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Fyon, David D’Hooghe en Matthias De Groot kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Regentenraad van de verwerende partij van 27 maart 2019 tot goedkeuring van de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar 2018 en de regeling van de winstverdeling voor dat boekjaar. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. XIV-38.058-1/25 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2021 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Matthias De Groot, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is aandeelhouder van de nv Nationale Bank van België (hierna: de NBB). 3.
  5. Op 27 maart 2019 keurt de Regentenraad de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar 2018 en de regeling van de winstverdeling voor dat boekjaar goed. In het jaarverslag van het boekjaar 2018 staat het volgende over de winstverdeling met betrekking tot dat boekjaar (p. 58-59): “2.1.1.3 Winstverdeling Een raming van de becijferbare risico’s is het uitgangspunt voor de bepaling van het minimumbedrag van de reserves van de Bank. Alle financiële risico’s van de Bank worden berekend volgens de value at risk /expected shortfall-methodologie, XIV-38.058-2/25 waarvoor de Bank zeer voorzichtige parameters hanteert op het gebied van probabiliteit en tijdshorizon. De raming van de benedengrens van de risico’s per einde 2018 geeft een bedrag in de orde van grootte van € 5,4 miljard. Dit bedrag omvat de financiële risico’s op: * de eigen effectenportefeuilles van de Bank in euro en in deviezen; * de voor doeleinden van monetair beleid aangehouden effectenportefeuilles op de balans van de Bank, waarvoor ze alleen de risico’s draagt; * de krediettransacties en voor doeleinden van monetair beleid aangehouden effectenportefeuilles op de balans van alle NCB’s van het Eurosysteem, waarvan het risico over deze NCB’s wordt verdeeld (zie toelichtingen 5 en 7 van de toelichting bij de jaarrekeningen). Het risico bestaat dat de resultaten van de Bank onder druk zouden kunnen gezet worden omwille van het volume en de samenstelling van de balans, in het bijzonder door het Expanded Asset Purchase Programme. Bijgevolg houdt de Bank vast aan haar beleid om 50% van de winst van het boekjaar te reserveren zolang de periode van onconventionele monetaire maatregelen aanhoudt[...] Zodoende wordt een bedrag van € 372,8 miljoen toegevoegd aan de beschikbare reserve. Ingevolge de winstverdeling bedragen de buffers van de Bank € 6,2 miljard. Overigens is het resultaat van het boekjaar de eerste buffer voor het opvangen van mogelijke verliezen. Het dividendbeleid blijft ongewijzigd. Dit resulteert in een brutodividend van € 138,47 per aandeel, hetzij een verhoging met 8,5% ten opzichte van het boekjaar
  6. Krachtens de organieke wet van de Bank wordt het saldo van de winst toegewezen aan de Staat. Voor 2018 bedraagt dat € 317,4 miljoen.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
  7. Met een op 22 mei 2020 ingediend verzoekschrift vordert verzoeker tevens de nietigverklaring van de beslissing van de Regentenraad van 25 maart 2020 tot goedkeuring van de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar 2019 en de regeling van de winstverdeling voor dat boekjaar. Die zaak is bij de Raad van State gekend onder het rolnummer A. 230.756/XIV-38.342 waarin heden eveneens uitspraak wordt gedaan. XIV-38.058-3/25 IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
  8. De verwerende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat de Raad van State niet over de vereiste rechtsmacht beschikt op grond van drie excepties. Zij stelt dat: (1.) de door verzoeker ingestelde vordering als werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over subjectieve rechten heeft, waarvan de beslechting op grond van artikel 144 van de Grondwet tot de exclusieve bevoegdheid van de hoven en rechtbanken behoort. In wezen betreft de voorliggende vordering, aldus de verwerende partij, “een claim van een aandeelhouder van een vennootschap die meent gerechtigd te zijn op een hoger dividend”, gesteund op het vennootschapscontract waaruit verbintenissen van contractuele aard zijn ontstaan tussen de aandeelhouders onderling en de aandeelhouders en de vennootschap. Betwistingen tussen aandeelhouders onderling en tussen aandeelhouders en de vennootschap raken aan dit vennootschapscontract. Het betreft immers de interpretatie en uitvoering van de statuten van de vennootschap, zijnde het vennootschapscontract, des te meer nu het voorliggende geschil de kern zelf van het vennootschapscontract raakt, met name beslissingen inzake (de hoogte van) de winstuitkering. Het is irrelevant of het een eenzijdige beslissing betreft aangezien dergelijke beslissing inzake winstverdeling, zelfs als ze uitgaat van een administratieve overheid, kadert binnen de contractuele rechten en verbintenissen die tussen de NBB en haar wederpartij bestaan en waarvan ze niet kan worden losgekoppeld; (2.) de door verzoeker ingestelde vordering in elk geval ontsnapt aan de bevoegdheid van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State nu dit contentieux op basis van artikel 574, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek (hierna: het Ger.W.) uitdrukkelijk is toevertrouwd aan de ondernemingsrechtbanken, terwijl luidens artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de bevoegdheid van de Raad van State ten aanzien van de eenzijdige, bestuurlijke rechtshandelingen van administratieve overheden “subsidiair [lees: XIV-38.058-4/25 residuair] van aard [is]”. Aldus bepaalt artikel 574, 1°, van het Ger. W. dat de ondernemingsrechtbank kennis neemt “van geschillen ter zake van een vereniging met rechtspersoonlijkheid, stichting of vennootschap, met uitzondering van een vereniging van mede-eigenaars, evenals van geschillen die ontstaan tussen hun voormalige, actuele of toekomstige vennoten of leden met betrekking tot de betrokken vennootschap, stichting of vereniging”. Deze bevoegdheid omvat ook geschillen die, zoals het te dezen aanhangige geschil, rechtstreeks of onrechtstreeks, betrekking hebben op de uitkering van een dividend of het gebrek daaraan; (3.) de door verzoeker ingestelde vordering hoe dan ook niet gericht is ten aanzien van een beslissing waarbij de NBB is opgetreden op grond van een imperiumbevoegdheid. De verwerende partij repliceert aldus op verzoekers standpunt in zijn verzoekschrift in zoverre hij daarin de rechtsmacht van de Raad van State kadert in de cassatierechtspraak luidens welke de Raad van State rechtsmacht heeft om uitspraak te doen ten aanzien van rechtspersonen met een private rechtsvorm, voor zover en in de mate deze private rechtspersonen beslissingen nemen waarbij zij gebruik maken van “imperiumbevoegdheden”. De verwerende partij benadrukt dat de NBB te dezen niet is opgetreden als een administratieve overheid maar opgetreden is zoals iedere andere vennootschap die al dan niet een dividend ten gunste van haar aandeelhouders uitkeert, weliswaar binnen het op haar van toepassing zijnde wettelijk kader. Verzoeker is geen derde ten aanzien van de bestreden beslissing. Hij is immers aandeelhouder en in die hoedanigheid lid van de NBB. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij wat zij eerder heeft uiteengezet en benadrukt, wat de eerste exceptie betreft, dat het onderscheid dat verzoeker tracht te maken tussen enerzijds de onregelmatigheid van de besluitvorming en anderzijds het afdwingen van een subjectief recht, fictief is en niet overtuigt. Er is geen reden om aan te nemen dat de loutere omstandigheid dat het organiek statuut van de NBB of dat de NBB optreedt in het algemeen belang ook onmiddellijk betekent dat de NBB, bekeken vanuit het perspectief van de aandeelhouders, niet zou functioneren op basis van een vennootschapscontract, XIV-38.058-5/25 te meer dit blijkt uit de suppletieve toepassing van het vennootschapsrecht en zonder dat de wet van 22 februari 1998 bepaalt dat de verhouding tussen de NBB en haar aandeelhouders niet zou berusten op een vennootschapscontract. Indien de Raad van State zich zou inlaten met de wijze waarop de winstverdeling binnen de NBB geschiedt, wordt uitspraak gedaan over de interpretatie en de uitvoering van het vennootschapscontract en de draagwijdte van de rechten als aandeelhouder (op de winstverdeling) die verzoeker aan dat vennootschapscontract ontleent, dit is een geschil dat betrekking heeft op (de draagwijdte van) subjectieve rechten. De stelling van verzoeker dat de Raad van State enkel niet mag tussenkomen ten aanzien van beslissingen waarbij een administratieve overheid optreedt op basis van een “gebonden bevoegdheid”, berust op een te enge en bijgevolg verkeerde interpretatie van artikel 144 van de Grondwet. Bepalend is niet of de overheid een volstrekt gebonden bevoegdheid heeft doch wel of de Raad van State uitgenodigd wordt een uitspraak te doen over de draagwijdte van overeenkomsten en de verbintenissen die deze overeenkomsten tussen de partijen doen ontstaan. In bevestigend geval situeert het geschil zich immers in het subjectief contentieux en niet in het objectief contentieux, ook al neemt de administratieve overheid desgevallend een eenzijdig besluit. Artikel 144 van de Grondwet belet immers dat de administratieve rechter zich zou uitspreken over de draagwijdte van (wederzijdse) verbintenissen van contractuele aard. Wat de tweede exceptie betreft, beklemtoont de verwerende partij dat de uitdrukkelijke toewijzing van dit contentieux aan de ondernemingsrechtbank ex artikel 574, 1° van het Ger. W.. uitsluit dat de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kennis kan nemen van het beroep ingesteld door verzoeker. De verwerende partij wijst in dat verband nog op (1.) rechtspraak waarin de Raad van State heeft geoordeeld dat deze bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank uitsluit dat hij kennis neemt van een geschil tussen een aandeelhouder en een vennootschap, (2.) een verkeerde lezing door verzoeker van de jurisprudentie van het Hof van Cassatie wat de verwerende partij verder toelicht en waaruit zij o.m. afleidt dat het Hof van Cassatie niet expliciet stelt dat enkel een bevoegdheidstoewijzing die een vernietigingsbevoegdheid omvat de residuaire bevoegdheid van de Raad van State kan uitsluiten en daarin evenmin impliciet ligt XIV-38.058-6/25 vervat, (3.) uit het ontbreken van een nietigheidsvordering naar analogie met de besluiten van de algemene vergaderingen van vennootschappen (artikel 178 van het wetboek van vennootschappen), niet mag worden afgeleid dat de Raad van State steeds bevoegd is ten aanzien van de verzoeken tot nietigverklaring van eenzijdige administratieve rechtshandelingen van andere organen van vennootschappen omdat er voor de nietigverklaring van dergelijke rechtshandelingen geen specifieke wettelijke regeling bestaat op grond waarvan een andere rechter bevoegd is. Volgens de verwerende partij geldt dit slechts in zoverre de betwisting tegen de beslissing van een ander orgaan uitgaat van een persoon die vreemd is aan de vennootschap en de betwisting met andere woorden geen intern vennootschapsgeschil is. Betreft het evenwel zoals te dezen een intern vennootschapsgeschil dan houdt artikel 574, 1°, van het Ger. W. de onbevoegdheid van de Raad van State in. De verwerende partij wijst op recente rechtspraak van de ondernemingsrechtbank te Brussel waarin de beslissing van de Regentenraad van de NBB inzake de goedkeuring van de jaarrekening wordt gelijkgesteld aan de overeenstemmende beslissing van de algemene vergadering in een gemeenrechtelijke naamloze vennootschap met de erbij horende toepassing van de artikelen 198, § 2, en 178 van het wetboek van vennootschappen. De logische consequentie van dit vonnis moet dan ook zijn dat ook het voornoemde artikel 178 van toepassing is op de bestreden beslissing. Tot slot, overtuigt volgens de verwerende partij het standpunt van verzoeker evenmin dat geschillen tussen de NBB en zijn aandeelhouders niet zou worden beheerst door artikel 574, 1°, Ger. W. omwille van de “bijzondere aard” van de NBB. De NBB is vormgegeven als een vennootschap en de specifieke regels die de NBB beheersen schakelen de bevoegdheidsregeling van de ondernemingsrechtbank niet uit. Bovendien vereist artikel 574, 1° Ger. W. niet dat de vennootschap exclusief door het wetboek van vennootschappen wordt beheerst, wat ook blijkt uit rechtspraak van de ondernemingsrechtbank en voorheen de rechtbank van koophandel, evenals uit deze van het hof van beroep te Brussel inzake geschillen tussen de NBB en zijn (minderheids-)aandeelhouders. Wat, tot slot, de derde exceptie betreft, kan verzoeker niet worden bijgevallen waar hij stelt “een derde” te zijn die zich geconfronteerd weet met de (bestreden) beslissing waarbij de Regentenraad zijn XIV-38.058-7/25 imperiumbevoegdheid uitoefenen zou. De verwerende partij wijst erop dat in zijn verzoekschrift verzoeker de uitoefening door de NBB van imperiumbevoegdheid nog kadert in de cassatierechtspraak luidens welke de Raad van State rechtsmacht heeft om uitspraak te doen ten aanzien van rechtspersonen met een private rechtsvorm voor zover en in de mate dat deze private rechtspersonen beslissingen nemen waarbij zij gebruik maken van imperiumbevoegdheden en niet valt in te zien waarom verzoeker in zijn laatste memorie het geweer van schouder verandert door te stellen dat die rechtspraak geen toepassing kan vinden omdat de verwerende partij “geen orgaan opgericht door privépersonen is” en deze wel degelijk beslissingen kan nemen die derden binden waarvan hij een opsomming geeft. De verwerende partij benadrukt dat de Gimvindus-rechtspraak ook entiteiten omvat die door een of meer overheden zijn opgericht in een private rechtsvorm, zij is opgetreden als iedere andere vennootschap die al dan niet ten gunste van haar aandeelhouders een dividend uitkeert, zonder imperium en de bijzondere (wettelijke) context waarbinnen de NBB opereert, doet daaraan niet af noch de omstandigheid dat verzoeker als aandeelhouder niet heeft ingestemd met de winstbestemming. De stelling van verzoeker dat het begrip “derde” zo moet worden begrepen dat het gaat om een persoon die wordt gebonden door de bestreden beslissing die niet de beslissende instelling zelf is en die met deze beslissing niet hoeft in te stemmen opdat ze bindend zou zijn, is onvolledig en volstaat niet om een beslissing te kwalificeren als de uitoefening van een imperiumbevoegdheid. Bepalend is daarentegen of het gaat om een exorbitante bevoegdheid ten aanzien van een derde die de gewone bevoegdheden van een private rechtspersoon te buiten gaat, wat te dezen niet het geval is.
  9. Verzoeker, anticiperend op een exceptie gesteund op een gebrek aan rechtsmacht, stelt in zijn verzoekschrift dat “uit de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie volgt dat instellingen die zijn opgericht door privépersonen maar erkend door de federale overheid (…) administratieve overheden zijn in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State mits hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen XIV-38.058-8/25 eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen en dat handelingen door deze instellingen gesteld het voorwerp kunnen zijn van een nietigverklaring wanneer die instellingen een deel van het openbaar gezag uitoefenen”. Verzoeker stelt dat de verwerende partij een beursgenoteerde naamloze vennootschap is doch een specifiek statuut heeft. Onder meer omwille van haar rol inzake de uitgifte van bankbiljetten en als Rijkskassier, de haar toevertrouwde opdrachten van algemeen belang en haar werking en inrichting die grotendeels van overheidswege is bepaald, moet zij worden beschouwd “als een administratieve overheid wier besluiten kunnen worden aangevochten bij de Raad van State”. Verzoeker verwijst hiervoor naar het arrest 74/2010 van het Grondwettelijk Hof van 23 juni
  10. Het is volgens hem “duidelijk dat de verwerende partij, ook al is zij opgericht als private vennootschap, een overheidstaak vervult”. De verwerende partij is wettelijk erkend in de uitvoering van haar taak van algemeen belang en valt daarin onder het toezicht van de minister van Financiën. Binnen deze taak van algemeen belang heeft zij bovendien de bevoegdheid om derdenbindende beslissingen te nemen zoals de bestreden beslissing die de winstverdeling betreft en die uitwerking heeft ten aanzien van derden, met name de particuliere aandeelhouders. De winstverdeling is derhalve een eenzijdige, uitvoerbare rechtshandeling die bindend is ten aanzien van derden. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de exceptie niet gegrond is in de mate erin wordt gesteld dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het voorliggende beroep een geschil omtrent een subjectief recht op een dividend betreft. Er is pas sprake van een subjectief recht als de bevoegdheid van de overheid volledig gebonden is. Indien de aanvrager aan de door het objectief recht opgelegde voorwaarden voldoet, moet de overheid het subjectief recht erkennen. De voorliggende betwisting betreft een zuiver discretionaire beslissing wat door de verwerende partij in de memorie van antwoord overigens wordt erkend. De verwerende partij verwart daarenboven subjectieve rechten en contractuele rechten hoewel dit geen synoniemen zijn. Voorts blijkt zowel uit de doelstelling als uit het bevoegd orgaan dat de winstverdeling voor de NBB geen contractuele aangelegenheid is. Nog daargelaten XIV-38.058-9/25 de vraag of er te dezen sprake is van een vennootschapscontract, is duidelijk dat de verdeling van de winst helemaal geen louter contractuele aangelegenheid is, maar eerder een aangelegenheid waarin rekening wordt gehouden met het algemeen belang. Immers, de doelstelling van (de winstverdeling van) de verwerende partij bestaat erin om haar taak van algemeen belang te realiseren, zoals blijkt uit het arrest 74/2010 van het Grondwettelijk Hof. Daarnaast wordt de beslissing over de winstverdeling genomen door de Regentenraad en niet via de algemene vergadering zodat de manier waarop de winstverdeling verloopt niet volgens de beginselen van het vennootschapsrecht geschiedt. De regentenraad “die in geen enkel opzicht te vergelijken is met het orgaan dat in een gewone vennootschap beslist over de winstverdeling”, is geen representatief orgaan van de aandeelhouders. Er bestaat daarnaast geen contractuele verhouding tussen de partijen. De verwerende partij bestaat niet op grond van een contract maar op grond van een organieke wet. Er is geen aan de aandeelhouders gemeenschappelijke doelstelling. De werking van de verwerende partij wordt niet bepaald door een overeenkomst tussen de aandeelhouders maar grotendeels beheerst door de organieke oprichtingswet. Verzoeker beroept zich niet op een subjectief recht op een hogere winstuitkering. Hij kaart daarentegen de onregelmatigheid aan van de besluitvorming over wat er niet aan de particuliere aandeelhouders wordt toegekend en als overschot aan de Belgische Staat wordt uitgekeerd. Verzoeker vordert daarmee een legaliteitscontrole in abstracto, zonder aanspraken op een bepaald subjectief recht voor te leggen. Er ligt te dezen dan ook een objectief geschil voor. Wat de exceptie gesteund op de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank betreft, merkt verzoeker vooreerst op dat de bevoegdheid toegekend door artikel 574, 1°, van het Ger. W. een niet-exclusieve bevoegdheid betreft. Daarnaast is het genoemde artikel 574, 1°, van strikte interpretatie. Met artikel 574, 1°, van het Ger. W. heeft de wetgever geen afbreuk willen doen aan het uit de artikelen 144 en 145 van de Grondwet afgeleide onderscheid tussen het objectief en subjectief contentieux. En tenslotte vergt de toepassing van die bepaling dat het werkelijke voorwerp van het geschil “een geschil is ter zake van een vennootschap die beheerst wordt door het Wetboek van Vennootschappen.” Die voorwaarde is in een dubbel opzicht niet vervuld. Ten eerste, is er geen sprake XIV-38.058-10/25 van een geschil in een vennootschapscontext doch in de context van de winstverdeling als financieringsmechanisme voor de financiën van de federale overheid. Ten tweede, is de verwerende partij geen vennootschap die wordt beheerst door het wetboek van vennootschappen. De NBB wordt integendeel voor het overgrote deel van haar werking beheerst door haar organieke oprichtingswet en de regels uit het wetboek van vennootschappen zijn maar aanvullend van toepassing. Uit die beide elementen vloeit voort dat het voorwerp van het geschil zich situeert buiten het toepassingsgebied van artikel 574, 1°, Ger. W. De verwijzing door de verwerende partij naar de rechtspraak van de Raad van State is niet dienstig. Die rechtspraak betreft het uittreden van vennoten in een intercommunale zoals bepaald in het vennootschapscontract. De verwijzing naar de procedure die verzoeker voor de rechtbank van koophandel voerde, is evenmin relevant. Het werkelijke voorwerp van die procedure was de manier waarop de verwerende partij haar goudreserves en in het bijzonder de meerwaarde die zij op deze reserves realiseerde, inschreef in haar boekhouding. Verzoeker oordeelde dat deze boekingen niet voldeden aan de boekhoudkundige regels die vennootschappen moeten volgen voor hun boekingen. Het voorliggende beroep heeft betrekking op een beslissing van een orgaan van de verwerende partij waardoor derden rechtstreeks gebonden zijn. Wat tot slot het gebrek aan imperiumbevoegdheid van de verwerende partij betreft, faalt de exceptie op verscheidene punten. De verwerende partij is geen louter privaatrechtelijke partij. Zij is ingericht als een overheidsinstantie, opereert volgens doelstellingen van algemeen belang op aansturen van de federale overheid. Het is correct dat de vennootschap formeel opgericht is als naamloze vennootschap, maar dit formele aspect wordt irrelevant, nu het overgrote deel van haar werking is onttrokken aan de toepassing van de normale regels die dergelijke rechtspersonen beheren. Verzoeker stelt dat hij als derde door de bestreden beslissing gebonden is. Hij staat niet in een contractuele aandeelhoudersverhouding met de verwerende partij. De particuliere aandeelhouder kan door het specifieke wettelijk kader waarbinnen de verwerende partij opereert geen invloed uitoefenen op het beleid van de verwerende partij zoals in een normale vennootschapsstructuur. Zelfs de algemene vergadering van aandeelhouders van de verwerende partij wordt niet beschouwd XIV-38.058-11/25 als een orgaan van de NBB. De Belgische Staat, met 50% meerderheidsaandeelhouder van de verwerende partij, benoemt de gouverneur ervan, de zes directeurs en 5 (van de 10) overige regenten. Er is geen sprake van een normale aandeelhoudersverhouding zodat verzoeker als een derde moet worden beschouwd. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker zijn eerdere argumenten. Hij beklemtoont dat als het werkelijk en direct voorwerp van het annulatieberoep de nietigverklaring is van een eenzijdige administratieve rechtshandeling, de Raad van State bevoegd is en blijft, ook al moet hij daarbij oordelen over de draagwijdte van contractuele verbintenissen. Verzoeker repliceert nog dat in dat geval de bevoegdheid van de Raad van State onaangetast blijft zelfs wanneer een bepaling voorligt die de kennisname van de geschillen opdraagt aan een bijzonder daartoe aangeduide rechter voor zover deze bepaling niet uitdrukkelijk de annulatie van de beslissing aan de betrokken rechter opdraagt. Wanneer de bijzonder daartoe aangeduide rechter niet over een annulatiebevoegdheid beschikt, kan verzoeker zijn doel, zijnde de nietigverklaring van de bestreden beslissing niet voor die rechter bereiken. De enige uitzondering op die regel is de situatie waarin de bevoegdheidsbepaling voor de andere rechter uitdrukkelijk voorziet in de bevoegdheid om een besluit te vernietigen. Slechts wanneer dat het geval is, verliest de Raad van State zijn rechtsmacht. Volgens verzoeker is dit “exact de situatie die zich in het vennootschapsrecht voordoet. Er is in het wetboek van vennootschappen zoals dit voor bestaande vennootschappen toepasselijk was tot 1 januari 2020, geen uitdrukkelijke bevoegdheidsbepaling voor de vernietiging van besluiten van vennootschapsorganen, met één uitzondering, m.n. de vernietiging van besluiten van een algemene vergadering”. Die uitzondering is opgenomen in artikel 178, eerste lid, van het wetboek van vennootschappen waarin is bepaald dat de ondernemingsrechtbank “op verzoek van elke belanghebbende de nietigheid uitspreekt van een besluit van de algemene vergadering.” Van deze bepaling is altijd aangenomen dat voor de vernietiging van besluiten van publiekrechtelijke vennootschappen de ondernemingsrechtbank enkel bevoegd was als het ging om besluiten van de algemene vergadering. In die XIV-38.058-12/25 zin verklaarde de Raad van State zich dan ook onbevoegd wanneer hij verzocht werd om een besluit van een algemene vergadering van een overheidsvennootschap nietig te verklaren zelfs als het een eenzijdige administratieve rechtshandeling betrof. Voor het overige is evenwel steeds aanvaard dat de Raad van State rechtsmacht heeft om de verzoeken tot nietigverklaring van eenzijdige administratieve rechtshandelingen van andere organen van dergelijke vennootschappen, omdat er voor de nietigverklaring van dergelijke rechtshandelingen geen specifieke wettelijke regeling bestond op grond waarvan een andere rechter o.m. de ondernemingsrechtbank bevoegd was. De algemene bevoegdheidsbepaling in artikel 574, 1°, van het Ger. W. is onvoldoende om deze rechtsmacht van de Raad van State uit te sluiten. Boordeling Betreffende het statuut van de verwerende partij
  11. Verzoeker kan worden bijgevallen waar hij stelt dat de verwerende partij geen “typische” of “gewone” naamloze vennootschap is, wat onder meer blijkt uit de structuur en taken van de verwerende partij, evenals uit de specifieke regels die op haar van toepassing zijn onder meer wat de winstuitkering betreft. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat zij geen naamloze vennootschap is. Dat de verwerende partij een naamloze vennootschap is, blijkt uit haar (organiek) statuut zoals hierna wordt uiteengezet. De verwerende partij, ingesteld bij de wet van 5 mei 1850 ‘qui institue une Banque Nationale’, heeft bij haar oprichting de rechtsvorm aangenomen van een naamloze vennootschap op aandelen op naam of aan toonder. Uit de artikelen 3 en 4 van de wet van 22 februari 1998 ‘tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België’ (hierna: de wet van 22 februari 1998) die tot op vandaag de organieke inrichting, werking, XIV-38.058-13/25 taken en bevoegdheden van de verwerende partij regelt, blijkt dat de verwerende partij haar maatschappelijke zetel te Brussel heeft (artikel 3) en dat het “maatschappelijk kapitaal van de Bank, dat tien miljoen euro bedraagt, vertegenwoordigd [is] door vierhonderdduizend aandelen, waarvan tweehonderdduizend aandelen die nominatief en onoverdraagbaar zijn, door de Belgische Staat zijn ingetekend en tweehonderdduizend aandelen op naam of gedematerialiseerd. Het maatschappelijk kapitaal is volledig afgelost. De aandelen, behoudens die welke aan de Staat toebehoren, kunnen naar goedvinden van de eigenaar, zonder kosten, worden omgezet in aandelen op naam of in gedematerialiseerde aandelen.” (artikel 4). Dat de verwerende partij de rechtsvorm heeft aangenomen van een naamloze vennootschap blijkt niet alleen uitdrukkelijk uit artikel 1, laatste lid, van de statuten van de verwerende partij doch ook uit de regelgeving zelf. Bij artikel 1017 (aanvankelijk artikel 879) van het wetboek van vennootschappen, ingevoegd bij artikel 206 van de programmawet van 2 augustus 2002, werd de verwerende partij ermee gelast haar statuten te wijzigen volgens de procedure bepaald in artikel 36, eerste lid, van de wet van 22 februari 1998 teneinde daarin “haar hoedanigheid te vermelden van naamloze vennootschap die een openbaar beroep op het spaarwezen doet of heeft gedaan”, waaraan de verwerende partij uitvoering heeft verleend bij het reeds genoemde artikel 1, laatste lid, van haar statuten (laatst goedgekeurd door de Regentenraad van 14 januari 2015 en, vervolgens, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 10 maart 2015 (BS, 24 maart 2015). Het genoemde artikel 1, laatste lid, van die statuten bepaalt dat “[o]nverminderd het eerste en het tweede lid [lees: van diezelfde statuten], de Bank een naamloze vennootschap [is] die een openbaar beroep op het spaarwezen doet of gedaan heeft”. Voorheen al bleek de rechtsvorm van de verwerende partij als naamloze vennootschap minstens impliciet uit de aanvullende of suppletieve toepassing op de verwerende partij van de bepalingen (betreffende de naamloze vennootschappen) van het op het ogenblik van het voorliggende geschil geldende wetboek van vennootschappen. XIV-38.058-14/25
  12. De verwerende partij is evenwel, zoals verzoeker aangeeft, geen “typische” naamloze vennootschap, wat evenzo uit de regelgeving blijkt. Zo bepaalt artikel 2 van de wet van 22 februari 1998, wat haar aard en doelstellingen betreft, dat de verwerende partij “ingesteld bij de wet van 5 mei 1850, integrerend deel uit[maakt] van het Europees stelsel van centrale banken, hierna ESCB genoemd, waarvan de statuten werden vastgelegd in het desbetreffend Protocol gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie. Daarenboven gelden voor de [verwerende partij] deze wet, haar eigen statuten en, aanvullend, de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen”. In afwijking van het gemeen vennootschapsrecht, bepaalt artikel 20.4 van de wet van 22 februari 1998 zoals dat van toepassing is op de bestreden beslissing, dat de Regentenraad die is samengesteld uit de gouverneur, de directeurs en 10 regenten, “de begroting der uitgaven alsook de jaarrekeningen goed[keurt], die worden voorgelegd door het Directiecomité. Hij regelt definitief de verdeling der winsten die door het Comité wordt voorgesteld.”. Artikel 32 van diezelfde wet bepaalt hoe de jaarlijkse winsten worden verdeeld. Voor de verdeling moeten de volgende stappen worden toegepast: “1° een eerste dividend van 6 % van het kapitaal wordt toegekend aan de aandeelhouders; 2° van het excedent wordt een bedrag voorgesteld door het Directiecomité en vastgesteld door de Regentenraad, in alle onafhankelijkheid, toegekend aan het reservefonds of aan de beschikbare reserve; 3° van het tweede overschot wordt aan de aandeelhouders een tweede dividend toegekend, vastgesteld door de Regentenraad, ten belope van minimaal 50 % van de netto-opbrengst van de activa die de tegenpost vormen van het reservefonds en de beschikbare reserve; 4° het saldo wordt toegekend aan de Staat; het is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.”. Artikel 32 van de wet van 22 februari 1998 dat bepaalt hoe - in afwijking van het gemeen vennootschapsrecht - de jaarlijkse winsten worden verdeeld, beoogt de vorming van de reserves van de NBB evenals XIV-38.058-15/25 de zogenaamde “seigneuriage” te waarborgen, dit is het aandeel van de Staat (dit is het saldo bedoeld in punt 4°) in de inkomsten die de NBB verwerft als centrale bank die het emissiemonopolie over de uitgifte van bankbiljetten heeft. Dat emissieprivilegie wordt thans uitgeoefend binnen het ESCB, waarvan de NBB integrerend deel uitmaakt, waarbij het aandeel van elke nationale bank in de inkomsten van dat stelsel wordt bepaald in verhouding tot het bevolkingsaantal en het bruto nationaal product van elk van de betrokken Staten (zie GwH, 74/2010, 23 juni 2010, punten. B.3.3.
  13. e.v.). Evenzo in afwijking van het gemeen vennootschapsrecht bepaalt artikel 36 van de wet van 22 februari 1998 nog dat de wijziging van de statuten (deels) de Regentenraad toekomt. Deze bepaling luidt: “De Regentenraad wijzigt de statuten teneinde ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet en de voor België bindende internationale verplichtingen. Andere wijzigingen in de statuten worden, op voorstel van de Regentenraad, goedgekeurd met de drievierde meerderheid van de stemmen verbonden aan het totaal van de op de algemene vergadering van de aandeelhouders aanwezige of vertegenwoordigde aandelen. Voor de statutenwijzigingen is de goedkeuring van de Koning vereist.”
  14. Het is dan ook met het oog op transparantie omtrent dat bijzonder “sui generis”-statuut van de verwerende partij als vennootschap, dat het in punt 6 genoemde artikel 1017 in het wetboek van vennootschappen werd ingevoegd om de verwerende partij te gelasten haar statuten aan te passen opdat zij haar hoedanigheid vermeldt van naamloze vennootschap die een openbare oproep op het spaarwezen doet of heeft gedaan, zij het met een bijzonder statuut. Uit de verantwoording bij het amendement dat tot die bepaling heeft geleid, blijkt dat de wetgever het van belang achtte dat “de aandacht van het publiek [wordt gevestigd] op het feit dat de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen slechts aanvullend van toepassing zijn op de Bank” (Parl. St. Kamer, 2001-2002, 1823/011, 2). Op die wijze werd de sui generis-regeling van de verwerende partij inzichtelijk gemaakt in die zin dat, onverminderd haar hoedanigheid van naamloze vennootschap, haar statuut in eerste instantie wordt geregeld, en in die volgorde, door de eerdergenoemde wet van 22 februari 1998, haar statuten en, aanvullend, de XIV-38.058-16/25 bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen (artikel 2 van de wet van 22 februari 1998). Artikel 141, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 ‘betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten’ bevat voorts - zulks “in het belang van de rechtszekerheid” luidens de verantwoording bij het amendement dat tot die bepaling heeft geleid (Parl. St. Kamer, 2001-2002, 1842/003, 13) - de volgende interpretatieve bepaling over het voormelde artikel 2 van de wet van 22 februari 1998: “De woorden ‘en, aanvullend, de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen’ worden uitgelegd in die zin dat de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen slechts van toepassing zijn op de Nationale Bank van België: 1° voor de aangelegenheden die niet worden geregeld door de bepalingen van titel VII van het derde deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, noch door voornoemde wet van 22 februari 1998 of de statuten van de Nationale Bank van België; en 2° voor zover zij niet strijdig zijn met de bepalingen bedoeld in 1°.”. Voorts bezit luidens artikel 4 van de wet van 22 februari 1998 de Belgische Staat (nominatief en onoverdraagbaar) 50 procent van de aandelen van de vennootschap. Een belangrijk orgaan binnen de NBB is de Regentenraad die overeenkomstig artikel 20 van die wet is samengesteld uit de gouverneur, de directeur en - op het ogenblik van de bestreden beslissing - 10 regenten. Dit orgaan bestaat niet in andere vennootschappen en toont o.m. de overheidscontrole aan.
  15. In zijn arrest nr. 74/2010 van 23 juni 2010 overweegt het Grondwettelijk Hof dat het bijzonder juridisch statuut van de NBB, daarin begrepen de specifieke regels inzake de winstverdeling (cfr. supra daarin begrepen de “seigneuriage”), zijn grondslag vindt in de aan de NBB toevertrouwde opdrachten van algemeen belang waaronder haar rol in de uitgifte van bankbiljetten en deze van Rijkskassier (punt B.6.1), wat ertoe noopt, aldus het XIV-38.058-17/25 Grondwettelijk Hof, “een onderscheid te maken tussen enerzijds de positie van de Belgische Staat, aan wie de in B.3.3.1 omschreven “seigneuriage” toekomt, en, anderzijds, de positie van de Belgische Staat als aandeelhouder tegenover de overige aandeelhouders van de NBB” (punt B.6.1). Het Grondwettelijk Hof voegt daaraan evenwel toe dat “die verschillen niet van dien aard [zijn] dat zij eraan in de weg staan de situatie te vergelijken van aandeelhouders van de NBB als naamloze vennootschap en aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen, wat inzonderheid het recht van de aandeelhouders op deelneming in de winst en hun stemrecht betreft” (cursivering toegevoegd). De bijzondere positie van de Belgische Staat als houder van de “seigneuriage” vormt volgens het Grondwettelijk Hof een objectief criterium dat in redelijkheid verantwoordt dat de wetgever specifieke maatregelen neemt om de inning van die vergoeding voor het emissierecht te waarborgen. Het Grondwettelijk Hof wijst er in datzelfde arrest nog op, rekening houdende met de bijzondere situatie van de NBB, dat de rol van de aandeelhouders niet dezelfde is als in andere naamloze vennootschappen. Zo wordt het specifieke statuut van de NBB weerspiegelt in haar samenstelling, met als organen een gouverneur, een Directiecomité, de Regentenraad en het College van censoren, met bevoegdheden bepaald in de wet van 22 februari 1998 waardoor de rol van de algemene vergadering van aandeelhouders van de NBB “fundamenteel [verschilt] van die van algemene vergaderingen van aandeelhouders in andere naamloze vennootschappen”, wat het Hof verder illustreert om vervolgens te overwegen dat “[p]ersonen die zich aandelen verschaffen van de NBB dienen te weten dat aan die aandelen niet dezelfde rechten zijn verbonden als aan aandelen van andere naamloze vennootschappen”. Die rechten zijn met name “meer beperkt dan die van aandeelhouders van andere beursgenoteerde naamloze vennootschappen” zowel op het vlak van de rol en het stemrecht van de aandeelhouders van de NBB, als op het vlak van de winstverdeling en de toewijzing aan reserves die grotendeels van overheidswege worden bepaald door de haar opgedragen taken van algemeen belang en niet zozeer door het streven naar winst; beperkingen die door het Grondwettelijk Hof overigens niet onevenredig worden geacht. XIV-38.058-18/25 Zoals het Grondwettelijk Hof oordeelde dat die verschillen niet van dien aard zijn dat zij eraan in de weg staan de situatie te vergelijken van aandeelhouders van de NBB als naamloze vennootschap en aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen, wat inzonderheid het recht van de aandeelhouders op deelneming in de winst en hun stemrecht betreft (cfr. supra), hanteert het Grondwettelijk Hof wat het in punt 6 aangehaalde artikel 36 van de wet van 22 februari 1998 betreft, eenzelfde redenering. Ook op dat vlak volgt het Grondwettelijk Hof immers niet het standpunt dat de situatie van de NBB en die van aandeelhouders van andere beursgenoteerde vennootschappen niet vergelijkbaar is vanwege het bijzondere statuut van de NBB dat specifieke organen en werkingsregels heeft. Het Grondwettelijk Hof oordeelt daarentegen dat “[h]et gegeven dat de NBB specifieke organen en eigen werkingsregels heeft, [niet] verhindert dat de situatie van de aandeelhouders van de NBB en die van aandeelhouders van andere vennootschappen kunnen worden vergeleken wat betreft de bevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders om de statuten van de naamloze vennootschap te wijzigen”. (cfr. punt B.17.2).
  16. Uit wat voorafgaat, volgt dat het standpunt van verzoeker als zou de verwerende partij geen vennootschap zijn, niet kan worden bijgevallen. Zij is dat wel degelijk ondanks haar bijzondere statuut dat zij ontleent inzonderheid aan de wet van 22 februari 1998 en ondanks het “slechts” aanvullende karakter van het wetboek van vennootschappen in zoverre dat niet strijdt met haar bijzonder statuut zoals dat voortvloeit uit de lex specialis. Dit bijzondere sui generis-statuut weerlegt evenmin dat met het ingediende beroep een (intern) vennootschapsgeschil voorligt, met name een aandeelhouder (van een vennootschap) zoals verzoeker er een is, die het niet eens is met de winstverdeling opgenomen in een goedgekeurd jaarverslag van de verwerende partij als vennootschap. Met het voorliggende beroep tot nietigverklaring ligt immers een betwisting voor tussen een aandeelhouder en een naamloze vennootschap omtrent de winstverdeling bij goedkeuring op XIV-38.058-19/25 27 maart 2019 door de Regentenraad van de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar
  17. Een dergelijk geschil is, zoals hierna wordt uiteengezet, een vennootschapsrechtelijk geschil waarvan de kennisname aan de hoven en rechtbanken en inzonderheid aan de ondernemingsrechtbank is toegewezen. Betreffende de rechtsmachtverdeling
  18. Krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij wijze van arresten uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens machtsoverschrijding ingesteld tegen de akten en reglementen van (onder meer) de onderscheiden administratieve overheden althans “indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend”. De vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State is derhalve algemeen en residuair. Zij is algemeen, in die zin dat de Raad van State de natuurlijke rechter is in het administratiefrechtelijk annulatieberoep en dat alle eenzijdige administratieve rechtshandelingen in principe voor dit rechtscollege kunnen worden bestreden. Zij is echter tezelfdertijd residuair: de Raad van State heeft immers enkel rechtsmacht “indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend” wat inhoudt dat “de Raad van State zonder rechtsmacht is om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een administratieve overheid wanneer de wet de kennisname van het geschil aan de hoven en rechtbanken heeft toegewezen” (Cass. 27 november 2020, C.17.03.03.N). Een dergelijk gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State mag niet worden verward met de situatie waarin het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering tot nietigverklaring een (geschil over een) subjectief recht betreft. In dat geval is de Raad van State evengoed zonder rechtsmacht, maar dat gebrek aan rechtsmacht is rechtstreeks gebaseerd op de in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet verankerde primauteit van de justitiële rechter wat het beslechten van geschillen omtrent subjectieve rechten betreft. Zelfs zonder specifieke XIV-38.058-20/25 wetsbepaling moet de Raad van State zich zonder rechtsmacht verklaren wanneer hij wordt gevat voor het beslechten van een dergelijk geschil.
  19. Daargelaten de vraag of de verhouding tussen de verwerende partij en haar aandeelhouders van (louter) contractuele aard is, waarvoor de Raad van State zonder rechtsmacht zou zijn op grond van de artikelen 144-145 Grondwet, moet worden gewezen op artikel 574, 1° van het Ger. W. en op het op het voorliggende geschil toepasselijke artikel 178 van het wetboek van vennootschappen. Deze bepalingen voeren op het ogenblik van het inleiden van het voorliggende beroep de ondernemingsrechtbank aan als de bevoegde rechtbank om kennis te nemen van een geschil met de betrekking tot de vennootschap tussen een vennootschap en haar aandeelhouders. Krachtens artikel 574, 1°, van het Ger. W. zoals het is vervangen bij artikel 11 van de wet van 15 april 2018 ‘houdende hervorming van het ondernemingsrecht’ en dat krachtens artikel 260, tweede lid, van diezelfde wet, wat de vennootschappen betreft, in werking is getreden op 1 november 2018, neemt de ondernemingsrechtbank kennis van “geschillen ter zake van een vereniging met rechtspersoonlijkheid, stichting of vennootschap, met uitzondering van een vereniging van mede-eigenaars, evenals van geschillen die ontstaan tussen hun voormalige, actuele of toekomstige vennoten of leden met betrekking tot de betrokken vennootschap, stichting of vereniging”. De toekenning van die bevoegdheid aan de ondernemingsrechtbank staat er derhalve aan in de weg dat de Raad van State uitspraak doet over de in die wetsbepaling bedoelde geschillen ter zake van een vennootschap, evenals van geschillen die ontstaan tussen hun voormalige, actuele of toekomstige vennoten of leden met betrekking tot de betrokken vennootschap. Met het voorliggende beroep ligt een betwisting voor tussen een aandeelhouder en een naamloze vennootschap omtrent de winstverdeling bij goedkeuring van de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar
  20. Een dergelijk geschil is bij uitstek een vennootschapsrechtelijk geschil, waarvoor de XIV-38.058-21/25 ondernemingsrechtbank de natuurlijke rechter is. Met verzoeker kan weliswaar worden aangenomen dat de NBB geen typische naamloze vennootschap is maar zoals hiervoor in de punten 6 tot 10 is uiteengezet, weerlegt die bijzondere situatie niet dat in de voorliggende zaak een vennootschapsgeschil voorligt, met name een aandeelhouder die het niet eens is met de winstverdeling opgenomen in een goedgekeurd jaarverslag van de vennootschap.
  21. Vóór de wetswijziging van 15 april 2018 maakte artikel 574, 1°, van het Ger. W. nog gewag van “geschillen ter zake van een vennootschap die beheerst wordt door het Wetboek van vennootschappen, evenals van geschillen die ontstaan tussen de vennoten van een dergelijke vennootschap”. Zo er destijds mogelijks discussie kon zijn of de verwerende partij kon worden aangezien als een “vennootschap die beheerst wordt door het Wetboek van vennootschappen”, nu de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen slechts aanvullend op haar van toepassing zijn, dient vastgesteld dat artikel 574, 1°, van het Ger. W. sedert de wetswijziging van 15 april 2018 in algemene bewoordingen is opgesteld, in de zin dat vennootschapsgeschillen door de ondernemingsrechtbank worden beslecht. De bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank wordt niet langer verbonden aan een welbepaalde wet of wetboek. Bovendien bevat de op de verwerende partij toepasselijke bijzondere regelgeving noch haar statuten op dat punt een andersluidende regeling waardoor de bevoegdheidsregeling vervat in artikel 574, 1°, van het Ger. W. zou zijn uitgesloten.
  22. In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert eensdeels dat de bestreden beslissing is genomen door de Regentenraad en niet door de algemene vergadering van de NBB en, anderdeels, dat de bevoegdheid van de Raad van State onaangetast blijft “zelfs wanneer een bepaling voorligt die de kennisname van de geschillen opdraagt aan een bijzonder daartoe aangeduide rechter voor zover deze bepaling niet uitdrukkelijk de annulatie van de beslissing aan de betrokken rechter [lees: te dezen, de ondernemingsrechtbank] opdraagt en [verzoeker zijn] doel, zijnde de nietigverklaring van de bestreden beslissing niet voor de rechter kan bereiken”, kan hij evenmin worden bijgevallen. XIV-38.058-22/25 Artikel 178, eerste lid, van het wetboek van vennootschappen zoals het van toepassing is op het voorliggende geschil, bepaalt dat de ondernemingsrechtbank “op verzoek van elke belanghebbende de nietigheid uit[spreekt] van een besluit van de algemene vergadering”. Artikel 64 van het wetboek van vennootschappen zoals te dezen van toepassing, bepaalt voorts de gevallen waarin een besluit van de algemene vergadering nietig is. Het is pas met artikel 2:44, eerste lid, (iuncto artikel 2:40) van het Wetboek van 23 maart 2019 van Vennootschappen en Verenigingen (hierna: het WVV), dat bepaalt dat “[d]e ondernemingsrechtbank de nietigheid van een besluit uit[spreekt] op verzoek van de rechtspersoon of een persoon die belang heeft bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen” - in werking getreden op 1 januari 2020, dat de vernietigingsmacht van de ondernemingsrechtbank is uitgebreid naar de besluiten van andere vennootschapsorganen dan de algemene vergadering. Dat doet er evenwel niet aan af dat niettemin moet worden aangenomen dat de ondernemingsrechtbank, overeenkomstig artikel 574, 1°, van het Ger. W. iuncto artikel 178, eerste lid, van het wetboek van vennootschappen, evenzo bevoegd is om de bestreden beslissing van de Regentenraad inzake de goedkeuring van het jaarverslag, de jaarrekening en de winstverdeling te vernietigen op verzoek van een (belanghebbende) aandeelhouder, zoals verzoeker er een is. Er kan immers niet aan worden voorbijgegaan dat ingevolge de lex specialis, met name artikel 20.4 van de wet van 22 februari 1998, omwille van de bijzondere rol en taken van de NBB, in afwijking van het gemene vennootschapsrecht, het de Regentenraad is die op het vlak van het goedkeuren van de jaarrekeningen en de verdeling van de winsten (binnen het kader vastgelegd bij artikel 32 van dezelfde wet van 22 februari 1998) precies de bevoegdheden uitoefent die in het gemeen vennootschapsrecht aan de algemene vergadering van de vennootschap zijn toevertrouwd. De Regentenraad oefent derhalve op dit punt de bevoegdheden van de algemene vergadering van de vennootschap uit. Voorts blijkt uit de parlementaire voorbereiding bij het ontworpen artikel 2:43, dat artikel 2:44 van het (nieuw) WVV is geworden, dat daarbij de bedoeling voorlag XIV-38.058-23/25 de reikwijdte van artikel 178 van het wetboek van vennootschappen “te preciseren”. Er wordt door de regelgever aan herinnerd dat, naast de rechtspersoon, “de nietigheidsvordering slechts [kan] worden ingesteld door een persoon die een belang kan aantonen bij de naleving van de geschonden rechtsregel waarmee “in de eerste plaats de vennoten, aandeelhouders, obligatiehouders en leden van vennootschappen en verenigingen, maar ook de leden van bestuursorganen [worden] bedoeld.” (Parl. St. Kamer, 2017-2018, 3119/1, 52 en 53). Zoals hiervoor is gebleken, doet de bijzondere regeling in de wet van 22 februari 1998 eraan niet af dat verzoeker niet is te beschouwen als een derde doch als een aandeelhouder van de vennootschap, ook al zijn aan de aandelen die hij in de NBB aanhoudt “niet dezelfde rechten (…) verbonden als aan aandelen van andere naamloze vennootschappen”. Niets lijkt er dan ook aan in de weg te staan dat op de bestreden beslissing waarbij de Regentenraad van de NBB krachtens haar organieke wet (de lex specialis) de bevoegdheid uitoefent die in het gemeen vennootschapsrecht door de algemene vergadering van de vennootschap wordt uitgeoefend, artikel 574, 1°, van het Ger. W. iuncto artikel 178, eerste lid, en 64 van het wetboek van vennootschappen, toepassing vindt. De bestreden beslissing dient dan ook door een belanghebbende aandeelhouder van de vennootschap, zoals verzoeker er een is, voor de ondernemingsrechtbank te worden gebracht, die te dezen over vernietigingsbevoegdheid beschikt.
  23. De exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het beroep.
  25. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-38.058-24/25
  26. Het door verzoeker te veel betaalde bedrag aan rolrechten dient te worden teruggestort. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.058-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.483 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.