← België

Arrest 252492 - Varia (economische zaken) - 21/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.492 Rolnummer: A. 230756/XIV-38342 Zaak: Arrest 252492 - Varia (economische zaken) - 21/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-23 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-12 16:49 Fiche Arrest nr 252.492 van 21 december 2021 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 252.492 van 21 december 2021 in de zaak A. 230.756/XIV-38.342 In zake : Jaak VAN DER GUCHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Geelen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NV NATIONALE BANK VAN BELGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Fyon, David D’Hooghe en Matthias De Groot kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 mei 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Regentenraad van de verwerende partij van 25 maart 2020 tot goedkeuring van de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar 2019 en de regeling van de winstverdeling voor dat boekjaar. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. XIV-38.342-1/24 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Matthias De Groot, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is aandeelhouder van de nv Nationale Bank van België (hierna: de NBB). 3.
  6. Op 25 maart 2020 keurt de Regentenraad de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar 2019 en de regeling van de winstverdeling voor dat boekjaar goed. In het jaarverslag van het boekjaar 2019 staat het volgende over de winstverdeling met betrekking tot dat boekjaar (p. 104-105): “2.1.1.3 Winstverdeling Een raming van de becijferbare risico’s is het uitgangspunt voor de bepaling van het minimumbedrag van de reserves van de Bank. Alle financiële risico’s van de Bank XIV-38.342-2/24 worden ofwel berekend volgens de value at risk /expected shortfall-methodologie, waarvoor de Bank zeer voorzichtige parameters op het gebied van probabiliteit en tijdshorizon hanteert, ofwel volgens scenario’s op lange termijn. De raming van de benedengrens van de risico’s per einde 2019 geeft een bedrag in de orde van grootte van € 4,6 miljard per einde
  7. Dit bedrag omvat de financiële risico’s op: * de eigen effectenportefeuilles van de Bank in euro en in deviezen; * de voor doeleinden van monetair beleid aangehouden effectenportefeuilles op de balans van de Bank, waarvoor ze alleen de risico’s draagt; * de krediettransacties en voor doeleinden van monetair beleid aangehouden effectenportefeuilles op de balans van alle NCB’s van het Eurosysteem, waarvan het risico over deze NCB’s wordt verdeeld (zie toelichtingen 5 en 7 van de toelichting bij de jaarrekeningen). Door het volume en de samenstelling van de balans, met name het Expanded Asset Purchase Programme, bestaat het risico dat de resultaten van de Bank onder druk komen te staan. In die omstandigheden handhaaft de Bank haar beleid om 50% van de winst van het boekjaar te reserveren zolang de periode van onconventionele monetaire maatregelen aanhoudt. Zodoende wordt een bedrag van € 412,6 miljoen toegevoegd aan de beschikbare reserve. Ingevolge de winstverdeling bedragen de buffers van de Bank € 6,6 miljard. Het resultaat van het boekjaar is overigens de eerste buffer om mogelijke verliezen op te vangen. Het dividendbeleid blijft ongewijzigd. Dit resulteert in een brutodividend van € 122,57 per aandeel, dat is een vermindering met 11,5% ten opzichte van het boekjaar 2018, hoofdzakelijk omdat er dit jaar geen verkoop van gebouwen heeft plaatsgevonden. Krachtens de organieke wet van de Bank wordt het saldo van de winst aan de Staat toegewezen. Voor 2019 bedraagt dat € 363,6 miljoen.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
  8. Met een op 19 mei 2019 ingediend verzoekschrift vordert verzoeker tevens de nietigverklaring van de beslissing van de Regentenraad van 27 maart 2019 tot goedkeuring van de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar 2018 en de regeling van de winstverdeling voor dat boekjaar. Die zaak is bij de Raad van State gekend onder het rolnummer A. 228.141/XIV-38.058 waarin bij arrest nummer 252.483 van 20 december 2021 uitspraak werd gedaan. XIV-38.342-3/24 IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
  9. De verwerende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat de Raad van State niet over de vereiste rechtsmacht beschikt op grond van drie excepties die zij in haar memorie van antwoord uitvoerig toelicht. Zij stelt, samengevat, dat moet worden besloten dat: (1.) de door verzoeker ingestelde vordering als werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over subjectieve rechten heeft, waarvan de beslechting op grond van artikel 144 van de Grondwet tot de exclusieve bevoegdheid van de hoven en rechtbanken behoort. In wezen betreft de voorliggende vordering, aldus de verwerende partij, “een claim van een aandeelhouder van een vennootschap die meent gerechtigd te zijn op een hoger dividend”, gesteund op het vennootschapscontract waaruit verbintenissen van contractuele aard zijn ontstaan tussen de aandeelhouders onderling en de aandeelhouders en de vennootschap. Betwistingen tussen aandeelhouders onderling en tussen aandeelhouders en de vennootschap raken aan dit vennootschapscontract. Het betreft immers de interpretatie en uitvoering van de statuten van de vennootschap, zijnde het vennootschapscontract, des te meer nu het voorliggende geschil de kern zelf van het vennootschapscontract raakt, met name beslissingen inzake (de hoogte van) de winstuitkering. Het is irrelevant of het een eenzijdige beslissing betreft aangezien dergelijke beslissing inzake winstverdeling zelfs als ze uitgaat van een administratieve overheid, kadert binnen de contractuele rechten en verbintenissen die tussen de NBB en haar wederpartij bestaan en waarvan ze niet kan worden losgekoppeld; (2.) de door verzoeker ingestelde vordering in elk geval ontsnapt aan de bevoegdheid van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State nu dit contentieux op basis van artikel 574, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek (hierna: het Ger. W.) uitdrukkelijk is toevertrouwd aan de ondernemingsrechtbanken, terwijl luidens artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de bevoegdheid van de Raad van State ten aanzien van de eenzijdige, XIV-38.342-4/24 bestuurlijke rechtshandelingen van administratieve overheden “subsidiair [lees: residuair] van aard [is]”. Aldus bepaalt artikel 574, 1°, van het Ger. W. dat de ondernemingsrechtbank kennis neemt “van geschillen ter zake van een vereniging met rechtspersoonlijkheid, stichting of vennootschap, met uitzondering van een vereniging van mede-eigenaars, evenals van geschillen die ontstaan tussen hun voormalige, actuele of toekomstige vennoten of leden met betrekking tot de betrokken vennootschap, stichting of vereniging”. Deze bevoegdheid omvat ook geschillen die, zoals het te dezen aanhangige geschil, rechtstreeks of onrechtstreeks, betrekking hebben op de uitkering van een dividend of het gebrek daaraan; (3.) de door verzoeker ingestelde vordering hoe dan ook niet gericht is ten aanzien van een beslissing waarbij de NBB is opgetreden op grond van een imperiumbevoegdheid. De verwerende partij repliceert aldus op verzoekers standpunt in zijn verzoekschrift in zoverre hij daarin de rechtsmacht van de Raad van State kadert in de cassatierechtspraak luidens welke de Raad van State rechtsmacht heeft om uitspraak te doen ten aanzien van rechtspersonen met een private rechtsvorm, voor zover en in de mate deze private rechtspersonen beslissingen nemen waarbij zij gebruik maken van “imperiumbevoegdheden”. De verwerende partij benadrukt dat de NBB te dezen niet is opgetreden als een administratieve overheid maar opgetreden is zoals iedere andere vennootschap die al dan niet een dividend ten gunste van haar aandeelhouders uitkeert, weliswaar binnen het op haar van toepassing zijnde wettelijk kader. Verzoeker is geen derde ten aanzien van de bestreden beslissing. Hij is immers aandeelhouder en in die hoedanigheid lid van de NBB. In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij in haar eerder uiteengezette eerste exceptie en herneemt daartoe wat zij eerder in haar memorie van antwoord heeft uiteengezet. Wat de tweede exceptie betreft, beklemtoont de verwerende partij dat de wetgever de bevoegdheid om te beslissen over betwistingen tussen aandeelhouders van een vennootschap onderling en de betwistingen tussen aandeelhouders en de vennootschap uitdrukkelijk aan de ondernemingsbank heeft toevertrouwd. Deze bevoegdheid omvat ook geschillen XIV-38.342-5/24 die zoals te dezen rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op de uitkering (of gebrek aan uitkering) van een dividend. De uitdrukkelijke toewijzing van dit contentieux aan de ondernemingsrechtbank ex artikel 574, 1° van het Ger. W. sluit uit dat de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kennis kan nemen van het beroep ingesteld door verzoeker. De verwerende partij wijst in dat verband nog op (1.) rechtspraak waarin de Raad van State heeft geoordeeld dat deze bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank uitsluit dat hij kennis neemt van een geschil tussen een aandeelhouder en een vennootschap, (2.) een verkeerde lezing door verzoeker van de jurisprudentie van het Hof van Cassatie wat de verwerende partij verder toelicht en waaruit zij onder meer afleidt dat het Hof van Cassatie niet expliciet stelt dat enkel een bevoegdheidstoewijzing die een vernietigingsbevoegdheid omvat de residuaire bevoegdheid van de Raad van State kan uitsluiten en daarin evenmin impliciet ligt vervat, (3.) dat uit het ontbreken van een nietigheidsvordering naar analogie met de besluiten van de algemene vergaderingen van vennootschappen (artikel 178 van het wetboek van vennootschappen), niet mag worden afgeleid dat de Raad van State steeds bevoegd is ten aanzien van de verzoeken tot nietigverklaring van eenzijdige administratieve rechtshandelingen van andere organen van vennootschappen omdat er voor de nietigverklaring van dergelijke rechtshandelingen geen specifieke wettelijke regeling bestaat op grond waarvan een andere rechter bevoegd is. Volgens de verwerende partij geldt dit slechts in zoverre de betwisting tegen de beslissing van een ander orgaan uitgaat van een persoon die vreemd is aan de vennootschap en de betwisting met andere woorden geen intern vennootschapsgeschil is. Betreft het evenwel zoals te dezen een intern vennootschapsgeschil dan houdt artikel 574, 1°, van het Ger. W. de onbevoegdheid van de Raad van State in. De verwerende partij wijst op recente rechtspraak van de ondernemingsrechtbank te Brussel waarin de beslissing van de Regentenraad van de NBB inzake de goedkeuring van de jaarrekening wordt gelijkgesteld aan de overeenstemmende beslissing van de algemene vergadering in een gemeenrechtelijke naamloze vennootschap met de erbij horende toepassing van de artikelen 198, § 2, en 178 van het wetboek van vennootschappen. De logische consequentie van dit vonnis moet dan ook zijn dat ook het voornoemde artikel 178 XIV-38.342-6/24 van toepassing is op de bestreden beslissing. De inwerkingtreding van het Wetboek van 23 maart 2019 van Vennootschappen en Verenigingen (hierna: het WVV) versterkt deze conclusie nog. Krachtens artikel 2:44 van het WVV is het vroegere regime van nietigheid van de besluiten van de algemene vergadering, zoals bepaald in artikel 178 van het wetboek van vennootschappen, nu uitgebreid tot de beslissingen van alle vennootschapsorganen. Bovendien is, overeenkomstig artikel 2:143, § 4, tweede lid van het WVV, de in artikel 198, § 2, derde lid, van het wetboek van vennootschappen genoemde termijn van zes maanden nu van toepassing op elk besluit van een vennootschapsorgaan, en niet meer alleen op de besluiten van de algemene vergadering. Zelfs in de (op zichzelf te enge) lezing van verzoeker dat enkel de nietigheidsvordering van artikel 178 wetboek van vennootschappen de residuaire bevoegdheid van de Raad van State ten aanzien van besluiten van organen van vennootschappen uitsluit, zou te dezen net die bijzondere toewijzing aan de ondernemingsrechtbank voor handen zijn. Tot slot, overtuigt volgens de verwerende partij het standpunt van verzoeker evenmin dat geschillen tussen de NBB en zijn aandeelhouders niet zou worden beheerst door artikel 574, 1°, Ger. W. omwille van de “bijzondere aard” van de NBB. De NBB is vormgegeven als een vennootschap en de specifieke regels die de NBB beheersen, schakelen de bevoegdheidsregeling van de ondernemingsrechtbank niet uit. Bovendien vereist artikel 574, 1° Ger. W. niet dat de vennootschap exclusief door het wetboek van vennootschappen wordt beheerst, wat ook blijkt uit rechtspraak van de ondernemingsrechtbank en voorheen de rechtbank van koophandel, evenals uit deze van het hof van beroep te Brussel inzake geschillen tussen de NBB en zijn (minderheids-)aandeelhouders. De verwerende partij benadrukt verder dat, anders dan verzoeker voorhoudt, artikel 2:44 van het WVV op de NBB van toepassing is, wat reeds volgt uit de suppletiefrechtelijke toepassing van het vennootschapsrecht zoals is voorzien door artikel 2, tweede lid, van de wet van 22 februari 1998, wat ook slaat op het genoemde artikel 2:44 waarvan niet wordt afgeweken in de wet van 22 februari 1998, noch in de statuten. Artikel 2:44 van het WVV is als dwingende bepaling van het rechtspersonenrecht op 1 januari 2020 effectief in werking getreden. Artikel 17 van dezelfde wet van 22 februari 1998 kwalificeert zijnerzijds de Regentenraad uitdrukkelijk als orgaan van de NBB waaruit volgt dat XIV-38.342-7/24 de ondernemingsrechtbank ook bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring van een besluit genomen door de Regentenraad, die de bestreden beslissing nam. Dat de NBB slechts suppletiefrechtelijk onderworpen is aan het WVV en de winstverdeling bij de NBB volgens verzoeker niet volgt uit het vennootschapscontract maar uit de wet, doet hieraan op geen enkel vlak afbreuk. Wat, tot slot, de derde exceptie betreft, volhardt de verwerende partij eveneens in haar standpunt zoals zij dat heeft uiteengezet in haar memorie van antwoord. Zij wijst er, tot slot, op dat elk van de door de verwerende partij ingeroepen excepties op zich volstaan om het beroep onontvankelijk te verklaren.
  10. Verzoeker, anticiperend op een exceptie gesteund op een gebrek aan rechtsmacht, stelt in zijn verzoekschrift dat “uit de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie volgt dat instellingen die zijn opgericht door privépersonen maar erkend door de federale overheid (…) administratieve overheden zijn in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State mits hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen en dat handelingen door deze instellingen gesteld het voorwerp kunnen zijn van een nietigverklaring wanneer die instellingen een deel van het openbaar gezag uitoefenen”. Verzoeker stelt dat de verwerende partij een beursgenoteerde naamloze vennootschap is doch een specifiek statuut heeft onder meer omwille van haar rol inzake de uitgifte van bankbiljetten en als Rijkskassier. Omwille van de haar toevertrouwde opdrachten van algemeen belang wordt de werking en inrichting van de verwerende partij grotendeels van overheidswege bepaald. Verzoeker verwijst hiervoor naar het arrest 74/2010 van het Grondwettelijk Hof van 23 juni
  11. Het leidt volgens verzoeker geen twijfel dat de verwerende partij optreedt als administratieve overheid in de zin zoals vastgesteld in de rechtspraak van het Hof van Cassatie: haar werking is geregeld bij een bijzondere organieke wet, de Belgische Staat is meerderheidsaandeelhouder van het aantal beschikbare aandelen en heeft op die wijze de controle over de verwerende partij die verscheidene overheidstaken en taken van algemeen belang vervult, zij is de XIV-38.342-8/24 Belgische vertegenwoordiger in het EMS, is wettelijk erkend in de uitvoering van haar taken van algemeen belang en valt onder de directe controle van de minister van Financiën zodat “men moet besluiten dat het om een administratieve overheid [gaat]”. Binnen deze taak van algemeen belang heeft zij bovendien de bevoegdheid om derdenbindende beslissingen te nemen zoals de bestreden beslissing die de winstverdeling betreft en die uitwerking heeft ten aanzien van derden, met name te dezen de particuliere aandeelhouders. De beslissing inzake winstverdeling is eenzijdig omdat door het bijzonder statuut van de verwerende partij de andere aandeelhouders (dan de Belgische Staat) geen enkele invloed hebben op de werking van de verwerende partij, die voor het overgrote deel van haar werking onttrokken is aan de vennootschapswetgeving. Om diezelfde redenen dient verzoeker te worden beschouwd als een derde en is het bestreden besluit een eenzijdige, uitvoerbare rechtshandeling die bindend is ten aanzien van derden. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de exceptie niet gegrond is in de mate erin wordt gesteld dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het voorliggende beroep een geschil omtrent een subjectief recht op een dividend betreft. Er is pas sprake van een subjectief recht als de bevoegdheid van de overheid volledig gebonden is. Indien de aanvrager aan de door het objectief recht opgelegde voorwaarden voldoet, moet de overheid het subjectief recht erkennen. De voorliggende betwisting betreft een zuiver discretionaire beslissing wat door de verwerende partij in de memorie van antwoord overigens wordt erkend. De verwerende partij verwart daarenboven subjectieve rechten en contractuele rechten hoewel dit geen synoniemen zijn. Voorts blijkt zowel uit de doelstelling als uit het bevoegd orgaan dat de winstverdeling voor de NBB geen contractuele aangelegenheid is. Nog daargelaten de vraag of er te dezen sprake is van een vennootschapscontract, is duidelijk dat de verdeling van de winst helemaal geen louter contractuele aangelegenheid is, maar eerder een aangelegenheid waarin rekening wordt gehouden met het algemeen belang. Immers, de doelstelling van (de winstverdeling van) de verwerende partij bestaat erin om haar taak van algemeen belang te realiseren, zoals blijkt uit het arrest 74/2010 van het Grondwettelijk Hof. Daarnaast wordt de beslissing over de XIV-38.342-9/24 winstverdeling genomen door de Regentenraad en niet via de algemene vergadering zodat de manier waarop de winstverdeling verloopt niet volgens de beginselen van het vennootschapsrecht geschiedt. De Regentenraad, “die in geen enkel opzicht te vergelijken is met het orgaan dat in een gewone vennootschap beslist over de winstverdeling”, is geen representatief orgaan van de aandeelhouders. Er bestaat daarnaast geen contractuele verhouding tussen de partijen. De verwerende partij bestaat niet op grond van een contract maar op grond van een organieke wet. Er is geen aan de aandeelhouders gemeenschappelijke doelstelling. De werking van de verwerende partij wordt niet bepaald door een overeenkomst tussen de aandeelhouders maar grotendeels beheerst door de organieke oprichtingswet. Verzoeker beroept zich niet op een subjectief recht op een hogere winstuitkering. Hij kaart daarentegen de onregelmatigheid aan van de besluitvorming over wat er niet aan de particuliere aandeelhouders wordt toegekend en als overschot aan de Belgische Staat wordt uitgekeerd. Verzoeker vordert daarmee een legaliteitscontrole in abstracto, zonder aanspraken op een bepaald subjectief recht voor te leggen. Er ligt te dezen dan ook een objectief geschil voor. Wat de exceptie gesteund op de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank betreft, merkt verzoeker vooreerst op dat de bevoegdheid toegekend door artikel 574, 1°, van het Ger. W. een niet-exclusieve bevoegdheid betreft. Daarnaast is het genoemde artikel 574, 1°, van een strikte interpretatie. Met artikel 574, 1°, van het Ger. W. heeft de wetgever geen afbreuk willen doen aan het uit de artikelen 144 en 145 van de Grondwet afgeleide onderscheid tussen het objectief en subjectief contentieux. En tenslotte vergt de toepassing van die bepaling dat het werkelijke voorwerp van het geschil “een geschil is ter zake van een vennootschap die beheerst wordt door het Wetboek van Vennootschappen.” Die voorwaarde is om vier redenen niet vervuld. Ten eerste, is er geen sprake van een geschil in een vennootschapscontext doch in de context van de winstverdeling als financieringsmechanisme voor de financiën van de federale overheid. De bestreden beslissing betreft geen winstverdeling zoals die in een normale naamloze vennootschap gebeurt. Het winstoverschot dat de Belgische Staat toekomt, wordt haar overigens niet toebedeeld in haar hoedanigheid van aandeelhouder maar in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van het algemeen belang. Ten tweede, is XIV-38.342-10/24 er geen gemeenschappelijke doelstelling aan de aandeelhouders nu voor de Belgische Staat het realiseren van haar taak van algemeen belang primeert. Ten derde, is de verwerende partij geen vennootschap die wordt beheerst door het wetboek van vennootschappen nu zij integendeel voor het overgrote deel van haar werking wordt beheerst door haar organieke oprichtingswet en de regels uit het wetboek van vennootschappen zijn maar aanvullend van toepassing waaruit volgt dat de rechten van verzoeker als aandeelhouder sterk zijn ingeperkt, zonder reële controlemogelijkheid. Ten vierde, is de wijze van winstverdeling vreemd aan de normale vennootschapscontext. In elke normale naamloze vennootschap beslist de algemene vergadering over de winstverdeling. Bij de NBB gebeurt de winstverdeling via twee organen. Het Directiecomité doet een voorstel tot winstverdeling. De Regentenraad beslist over de winstverdeling. Geen van deze organen is de emanatie van de algemene vergadering of is vergelijkbaar met de algemene vergadering van aandeelhouders. Uit al deze elementen vloeit voort dat het voorwerp van het geschil zich situeert buiten het toepassingsgebied van artikel 574, 1°, Ger. W. Verder stelt verzoeker dat het door de verwerende partij aangehaalde artikel 2:44 van het WVV “niet van toepassing is” omdat het (1.) deel uitmaakt van Boek 2 van het WVV dat enkel van toepassing is op rechtspersonen die geregeld zijn in het WVV, wat meebrengt dat als de verwerende partij geen naamloze vennootschap is in de zin van het WVV Boek 2 van het WVV noch artikel 2:44 ervan, van toepassing zijn op de NBB; en, (2.) de NBB in hoofdzaak wordt beheerst door haar organieke regeling en voor het grootste deel onttrokken is aan de vennootschapswetgeving (artikel 2 van de wet van 22 februari 1998 iuncto artikel 141, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 ‘betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten’ (hierna: de wet van 2 augustus 2002)). De winstverdeling is geregeld in de organieke wet van 22 februari 1998 zodat deze daaruit volgt en niet uit het vennootschapscontract en dus ook geen betrekking heeft op een bepaald subjectief recht. Tot slot, herhaalt verzoeker dat de verwijzing door de verwerende partij naar de rechtspraak van de Raad van State niet dienstig is. Die rechtspraak betreft het uittreden van vennoten in een intercommunale zoals bepaald in het vennootschapscontract. De verwijzing naar de procedure die verzoeker voor de rechtbank van koophandel voerde, is evenmin relevant. Het XIV-38.342-11/24 werkelijke voorwerp van die procedure was de manier waarop de verwerende partij haar goudreserves en in het bijzonder de meerwaarde die zij op deze reserves realiseerde, inschreef in haar boekhouding. Verzoeker oordeelde dat deze boekingen niet voldeden aan de boekhoudkundige regels die vennootschappen moeten volgen voor hun boekingen. Het voorliggende beroep heeft betrekking op een beslissing van een orgaan van de verwerende partij waardoor derden rechtstreeks gebonden zijn. Wat de derde exceptie betreft inzake het gebrek aan imperiumbevoegdheid van de verwerende partij, faalt volgens verzoeker de exceptie op verscheidene punten. De verwerende partij is geen louter privaatrechtelijke partij. Zij is ingericht als een overheidsinstantie, opereert volgens doelstellingen van algemeen belang op aansturen van de federale overheid. Het is correct dat de vennootschap formeel opgericht is als naamloze vennootschap, maar dit formele aspect wordt irrelevant nu het overgrote deel van haar werking is onttrokken aan de toepassing van de normale regels die dergelijke rechtspersonen beheren. Verzoeker stelt dat hij als derde door de bestreden beslissing gebonden is. Hij staat niet in een contractuele aandeelhoudersverhouding met de verwerende partij. De particuliere aandeelhouder kan door het specifieke wettelijk kader waarbinnen de verwerende partij opereert geen invloed uitoefenen op het beleid van de verwerende partij zoals in een normale vennootschapsstructuur. Zelfs de algemene vergadering van aandeelhouders van de verwerende partij wordt niet beschouwd als een orgaan van de NBB. De Belgische Staat, met 50% meerderheidsaandeelhouder van de verwerende partij, benoemt de gouverneur ervan, de zes directeurs en 5 (van de 10) overige regenten. Er is geen sprake van een normale aandeelhoudersverhouding zodat verzoeker als een derde moet worden beschouwd. In zijn laatste memorie volhardt verzoeker in zijn eerdere argumenten die hij, samengevat, herhaalt. XIV-38.342-12/24 Boordeling Betreffende het statuut van de verwerende partij
  12. Verzoeker kan worden bijgevallen waar hij stelt dat de verwerende partij geen “typische” of “gewone” naamloze vennootschap is, wat onder meer blijkt uit de structuur en taken van de verwerende partij, evenals uit de specifieke regels die op haar van toepassing zijn onder meer wat de winstuitkering betreft. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat zij geen naamloze vennootschap is. Dat de verwerende partij een naamloze vennootschap is, blijkt uit haar (organiek) statuut zoals hierna wordt uiteengezet. De verwerende partij, ingesteld bij de wet van 5 mei 1850 ‘qui institue une Banque Nationale’, heeft bij haar oprichting de rechtsvorm aangenomen van een naamloze vennootschap op aandelen op naam of aan toonder. Uit de artikelen 3 en 4 van de wet van 22 februari 1998 ‘tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België’ (hierna: de wet van 22 februari 1998) die tot op vandaag de organieke inrichting, werking, taken en bevoegdheden van de verwerende partij regelt, blijkt dat de verwerende partij haar maatschappelijke zetel te Brussel heeft (artikel 3) en dat het “maatschappelijk kapitaal van de Bank, dat tien miljoen euro bedraagt, vertegenwoordigd [is] door vierhonderdduizend aandelen, waarvan tweehonderdduizend aandelen die nominatief en onoverdraagbaar zijn, door de Belgische Staat zijn ingetekend en tweehonderdduizend aandelen op naam of gedematerialiseerd. Het maatschappelijk kapitaal is volledig afgelost. De aandelen, behoudens die welke aan de Staat toebehoren, kunnen naar goedvinden van de eigenaar, zonder kosten, worden omgezet in aandelen op naam of in gedematerialiseerde aandelen.” (artikel 4). XIV-38.342-13/24 Dat de verwerende partij de rechtsvorm heeft aangenomen van een naamloze vennootschap blijkt niet alleen uitdrukkelijk uit artikel 1, laatste lid, van de statuten van de verwerende partij doch ook uit de regelgeving zelf. Bij artikel 1017 (aanvankelijk artikel 879) van het wetboek van vennootschappen, ingevoegd bij artikel 206 van de programmawet van 2 augustus 2002, werd de verwerende partij ermee gelast haar statuten te wijzigen volgens de procedure bepaald in artikel 36, eerste lid, van de wet van 22 februari 1998 teneinde daarin “haar hoedanigheid te vermelden van naamloze vennootschap die een openbaar beroep op het spaarwezen doet of heeft gedaan”, waaraan de verwerende partij uitvoering heeft verleend bij het reeds genoemde artikel 1, laatste lid, van haar statuten (laatst goedgekeurd door de Regentenraad van 14 januari 2015 en, vervolgens, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 10 maart 2015 (BS, 24 maart 2015). Het genoemde artikel 1, laatste lid, van die statuten bepaalt dat “[o]nverminderd het eerste en het tweede lid [lees: van diezelfde statuten], de Bank een naamloze vennootschap [is] die een openbaar beroep op het spaarwezen doet of gedaan heeft”. Voorheen al bleek de rechtsvorm van de verwerende partij als naamloze vennootschap minstens impliciet uit de aanvullende of suppletieve toepassing op de verwerende partij van de bepalingen (betreffende de naamloze vennootschappen) van het wetboek van vennootschappen; vandaag uit de aanvullende of suppletieve toepassing van de bepalingen (betreffende de naamloze vennootschappen) van het op het ogenblik van het voorliggende geschil toepasselijke WVV.
  13. De verwerende partij is evenwel, zoals verzoeker aangeeft, geen “typische” naamloze vennootschap, wat evenzo uit de regelgeving blijkt. Zo bepaalt artikel 2 van de wet van 22 februari 1998, wat haar aard en doelstellingen betreft, dat de verwerende partij “ingesteld bij de wet van 5 mei 1850, integrerend deel uit[maakt] van het Europees stelsel van centrale banken, hierna ESCB genoemd, waarvan de statuten werden vastgelegd in het desbetreffend Protocol gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie. Daarenboven gelden voor de [verwerende partij] deze wet, haar eigen XIV-38.342-14/24 statuten en, aanvullend, de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen”. In afwijking van het gemeen vennootschapsrecht, bepaalt artikel 20.4 van de wet van 22 februari 1998 zoals dat van toepassing is op de bestreden beslissing, dat de Regentenraad die is samengesteld uit de gouverneur, de directeurs en 10 regenten, “de begroting der uitgaven alsook de jaarrekeningen goed[keurt], die worden voorgelegd door het Directiecomité. Hij regelt definitief de verdeling der winsten die door het Comité wordt voorgesteld.” Artikel 32 van diezelfde wet bepaalt hoe de jaarlijkse winsten worden verdeeld. Voor de verdeling moeten de volgende stappen worden toegepast: “1° een eerste dividend van 6 % van het kapitaal wordt toegekend aan de aandeelhouders; 2° van het excedent wordt een bedrag voorgesteld door het Directiecomité en vastgesteld door de Regentenraad, in alle onafhankelijkheid, toegekend aan het reservefonds of aan de beschikbare reserve; 3° van het tweede overschot wordt aan de aandeelhouders een tweede dividend toegekend, vastgesteld door de Regentenraad, ten belope van minimaal 50 % van de netto-opbrengst van de activa die de tegenpost vormen van het reservefonds en de beschikbare reserve; 4° het saldo wordt toegekend aan de Staat; het is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.” Artikel 32 van de wet van 22 februari 1998 dat bepaalt hoe - in afwijking van het gemeen vennootschapsrecht - de jaarlijkse winsten worden verdeeld, beoogt de vorming van de reserves van de NBB evenals de zogenaamde “seigneuriage” te waarborgen, dit is het aandeel van de Staat (dit is het saldo bedoeld punt 4°) in de inkomsten die de NBB verwerft als centrale bank die het emissiemonopolie over de uitgifte van bankbiljetten heeft. Dat emissieprivilegie wordt thans uitgeoefend binnen het ESCB, waarvan de NBB integrerend deel uitmaakt, waarbij het aandeel van elke nationale bank in de inkomsten van dat stelsel wordt bepaald in verhouding tot het bevolkingsaantal en het bruto nationaal product van elk van de betrokken Staten (zie GwH, 74/2010, 23 juni 2010, punten B.3.3.
  14. e.v.). XIV-38.342-15/24 Evenzo in afwijking van het gemeen vennootschapsrecht bepaalt artikel 36 van de wet van 22 februari 1998 nog dat de wijziging van de statuten (deels) de Regentenraad toekomt. Deze bepaling luidt: “De Regentenraad wijzigt de statuten teneinde ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet en de voor België bindende internationale verplichtingen. Andere wijzigingen in de statuten worden, op voorstel van de Regentenraad, goedgekeurd met de drievierde meerderheid van de stemmen verbonden aan het totaal van de op de algemene vergadering van de aandeelhouders aanwezige of vertegenwoordigde aandelen. Voor de statutenwijzigingen is de goedkeuring van de Koning vereist.”
  15. Het is dan ook met het oog op transparantie omtrent dat bijzonder “sui generis”-statuut van de verwerende partij als vennootschap, dat het in punt 6 genoemde artikel 1017 in het wetboek van vennootschappen werd ingevoegd om de verwerende partij te gelasten haar statuten aan te passen opdat zij haar hoedanigheid vermeldt van naamloze vennootschap die een openbare oproep op het spaarwezen doet of heeft gedaan, zij het met een bijzonder statuut. Uit de verantwoording bij het amendement dat tot die bepaling heeft geleid, blijkt dat de wetgever het van belang achtte dat “de aandacht van het publiek [wordt gevestigd] op het feit dat de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen slechts aanvullend van toepassing zijn op de Bank” (Parl. St. Kamer 2001-2002, 1823/011, 2). Op die wijze werd de sui generis-regeling van de verwerende partij inzichtelijk gemaakt in die zin dat, onverminderd haar hoedanigheid van naamloze vennootschap, haar statuut in eerste instantie wordt geregeld, en in die volgorde, door de eerdergenoemde wet van 22 februari 1998, haar statuten en, aanvullend, de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen (artikel 2 van de wet van 22 februari 1998). Artikel 141, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 ‘betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten’ bevat voorts - zulks “in het belang van de rechtszekerheid” luidens de verantwoording bij het amendement dat tot die bepaling heeft geleid (Parl. St. Kamer 2001-2002, 1842/003, 13) - de volgende interpretatieve bepaling over het voormelde artikel 2 van de wet van 22 februari 1998: “De woorden ‘en, aanvullend, de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen’ worden uitgelegd in die zin dat de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen slechts van toepassing zijn XIV-38.342-16/24 op de Nationale Bank van België: 1° voor de aangelegenheden die niet worden geregeld door de bepalingen van titel VII van het derde deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, noch door voornoemde wet van 22 februari 1998 of de statuten van de Nationale Bank van België; en 2° voor zover zij niet strijdig zijn met de bepalingen bedoeld in 1°.” Voorts bezit luidens artikel 4 van de wet van 22 februari 1998 de Belgische Staat (nominatief en onoverdraagbaar) 50 procent van de aandelen van de vennootschap. Een belangrijk orgaan binnen de NBB is de Regentenraad die overeenkomstig artikel 20 van die wet is samengesteld uit de gouverneur, de directeur en - op het ogenblik van de bestreden beslissing - 10 regenten. Dit orgaan bestaat niet in andere vennootschappen en toont onder meer de overheidscontrole aan.
  16. In zijn arrest nr. 74/2010 van 23 juni 2010 overweegt het Grondwettelijk Hof dat het bijzonder juridisch statuut van de NBB, daarin begrepen de specifieke regels inzake de winstverdeling (cfr. supra daarin begrepen de “seigneuriage”), zijn grondslag vindt in de aan de NBB toevertrouwde opdrachten van algemeen belang waaronder haar rol in de uitgifte van bankbiljetten en deze van Rijkskassier (punt B.6.1), wat ertoe noopt, aldus het Grondwettelijk Hof, “een onderscheid te maken tussen enerzijds de positie van de Belgische Staat, aan wie de in B.3.3.1 omschreven “seigneuriage” toekomt, en, anderzijds, de positie van de Belgische Staat als aandeelhouder tegenover de overige aandeelhouders van de NBB” (punt B.6.1). Het Grondwettelijk Hof voegt daaraan evenwel toe dat “die verschillen niet van dien aard [zijn] dat zij eraan in de weg staan de situatie te vergelijken van aandeelhouders van de NBB als naamloze vennootschap en XIV-38.342-17/24 aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen, wat inzonderheid het recht van de aandeelhouders op deelneming in de winst en hun stemrecht betreft” (cursivering toegevoegd). De bijzondere positie van de Belgische Staat als houder van de “seigneuriage” vormt volgens het Grondwettelijk Hof een objectief criterium dat in redelijkheid verantwoordt dat de wetgever specifieke maatregelen neemt om de inning van die vergoeding voor het emissierecht te waarborgen. Het Grondwettelijk Hof wijst er in datzelfde arrest nog op rekening houdende met de bijzondere situatie van de NBB, dat de rol van de aandeelhouders niet dezelfde is als in andere naamloze vennootschappen. Zo wordt het specifieke statuut van de NBB weerspiegelt in haar samenstelling, met als organen een gouverneur, een Directiecomité, de Regentenraad en het College van censoren, met bevoegdheden bepaald in de wet van 22 februari 1998 waardoor de rol van de algemene vergadering van aandeelhouders van de NBB “fundamenteel [verschilt] van die van algemene vergaderingen van aandeelhouders in andere naamloze vennootschappen”, wat het Hof verder illustreert om vervolgens te overwegen dat “[p]ersonen die zich aandelen verschaffen van de NBB dienen te weten dat aan die aandelen niet dezelfde rechten zijn verbonden als aan aandelen van andere naamloze vennootschappen”. Die rechten zijn met name “meer beperkt dan die van aandeelhouders van andere beursgenoteerde naamloze vennootschappen” zowel op het vlak van de rol en het stemrecht van de aandeelhouders van de NBB, als op het vlak van de winstverdeling en de toewijzing aan reserves die grotendeels van overheidswege worden bepaald door de haar opgedragen taken van algemeen belang en niet zozeer door het streven naar winst; beperkingen die door het Grondwettelijk Hof overigens niet onevenredig worden geacht. Zoals het Grondwettelijk Hof oordeelde dat die verschillen niet van dien aard zijn dat zij eraan in de weg staan de situatie te vergelijken van aandeelhouders van de NBB als naamloze vennootschap en aandeelhouders van andere naamloze vennootschappen, wat inzonderheid het recht van de aandeelhouders op deelneming in de winst en hun stemrecht betreft (zie supra), hanteert het Grondwettelijk Hof wat het in punt 6 aangehaalde artikel 36 van de wet van 22 februari 1998 betreft, eenzelfde redenering. Ook op dat vlak volgt het XIV-38.342-18/24 Grondwettelijk Hof immers niet het standpunt dat de situatie van de NBB en die van aandeelhouders van andere beursgenoteerde vennootschappen niet vergelijkbaar is vanwege het bijzondere statuut van de NBB dat specifieke organen en werkingsregels heeft. Het Grondwettelijk Hof oordeelt daarentegen dat “[h]et gegeven dat de NBB specifieke organen en eigen werkingsregels heeft, [niet] verhindert dat de situatie van de aandeelhouders van de NBB en die van aandeelhouders van andere vennootschappen kunnen worden vergeleken wat betreft de bevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders om de statuten van de naamloze vennootschap te wijzigen” (cfr. punt B.17.2).
  17. Uit wat voorafgaat, volgt dat het standpunt van verzoeker als zou de verwerende partij geen vennootschap zijn, niet kan worden bijgevallen. Zij is dat wel degelijk ondanks haar bijzondere statuut dat zij ontleent inzonderheid aan de wet van 22 februari 1998 en ondanks het “slechts” aanvullende karakter van het WVV in zoverre dat niet strijdt met haar bijzonder statuut zoals dat voortvloeit uit de lex specialis. Dit bijzondere sui generis-statuut weerlegt evenmin dat met het ingediende beroep een (intern) vennootschapsgeschil voorligt, met name een aandeelhouder (van een vennootschap) zoals verzoeker er een is, die het niet eens is met de winstverdeling opgenomen in een goedgekeurd jaarverslag van de verwerende partij als vennootschap. Met het voorliggende beroep tot nietigverklaring ligt immers een betwisting voor tussen een aandeelhouder en een naamloze vennootschap omtrent de winstverdeling bij goedkeuring op 25 maart 2020 door de Regentenraad van de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar
  18. Een dergelijk geschil is, zoals hierna wordt uiteengezet, een vennootschapsrechtelijk geschil waarvan de kennisname aan de hoven en rechtbanken en inzonderheid aan de ondernemingsrechtbank is toegewezen. XIV-38.342-19/24 Betreffende de rechtsmachtverdeling
  19. Krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij wijze van arresten uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens machtsoverschrijding ingesteld tegen de akten en reglementen van (onder meer) de onderscheiden administratieve overheden althans “indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend”. De vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State is derhalve algemeen en residuair. Zij is algemeen, in die zin dat de Raad van State de natuurlijke rechter is in het administratiefrechtelijk annulatieberoep en dat alle eenzijdige administratieve rechtshandelingen in principe voor dit rechtscollege kunnen worden bestreden. Zij is echter tezelfdertijd residuair: de Raad van State heeft immers enkel rechtsmacht “indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend” wat inhoudt dat “de Raad van State zonder rechtsmacht is om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een administratieve overheid wanneer de wet de kennisname van het geschil aan de hoven en rechtbanken heeft toegewezen” (Cass. 27 november 2020, C.17.03.03.N). Een dergelijk gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State mag niet worden verward met de situatie waarin het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring een (geschil over een) subjectief recht betreft. In dat geval is de Raad van State evengoed zonder rechtsmacht, maar dat gebrek aan rechtsmacht is rechtstreeks gebaseerd op de in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet verankerde primauteit van de justitiële rechter wat het beslechten van geschillen omtrent subjectieve rechten betreft. Zelfs zonder specifieke wetsbepaling moet de Raad van State zich zonder rechtsmacht verklaren wanneer hij wordt gevat voor het beslechten van een dergelijk geschil.
  20. Daargelaten de vraag of de verhouding tussen de verwerende partij en haar aandeelhouders van (louter) contractuele aard is, waarvoor de Raad van State zonder rechtsmacht zou zijn op grond van de artikelen 144-145 XIV-38.342-20/24 Grondwet, moet worden gewezen op artikel 574, 1° van het Ger. W. en op het op het voorliggende geschil toepasselijke artikel 2:44, eerste lid, van het WVV. Deze bepalingen voeren op het ogenblik van het inleiden van het voorliggende beroep de ondernemingsrechtbank aan als de bevoegde rechtbank om kennis te nemen van een geschil tussen een vennootschap en haar aandeelhouders. Krachtens artikel 574, 1°, van het Ger. W. zoals het is vervangen bij artikel 11 van de wet van 15 april 2018 ‘houdende hervorming van het ondernemingsrecht’ en dat krachtens artikel 260, tweede lid, van diezelfde wet, wat de vennootschappen betreft, in werking is getreden op 1 november 2018, neemt de ondernemingsrechtbank kennis van “geschillen ter zake van een vereniging met rechtspersoonlijkheid, stichting of vennootschap, met uitzondering van een vereniging van mede-eigenaars, evenals van geschillen die ontstaan tussen hun voormalige, actuele of toekomstige vennoten of leden met betrekking tot de betrokken vennootschap, stichting of vereniging”. De toekenning van die bevoegdheid aan de ondernemingsrechtbank staat er derhalve aan in de weg dat de Raad van State uitspraak doet over de in die wetsbepaling bedoelde geschillen ter zake van een vennootschap, evenals van geschillen die ontstaan tussen hun voormalige, actuele of toekomstige vennoten of leden met betrekking tot de betrokken vennootschap. Met het voorliggende beroep ligt een betwisting voor tussen een aandeelhouder en een naamloze vennootschap omtrent de winstverdeling bij goedkeuring van de jaarrekening en het jaarverslag van het boekjaar
  21. Een dergelijk geschil is bij uitstek een vennootschapsrechtelijk geschil, waarvoor de ondernemingsrechtbank de natuurlijke rechter is. Met verzoeker kan weliswaar worden aangenomen dat de NBB geen typische naamloze vennootschap is maar zoals hiervoor in de punten 6 tot 10 is uiteengezet, weerlegt die bijzondere situatie niet dat in de voorliggende zaak een vennootschapsgeschil voorligt, met name een aandeelhouder die het niet eens is met de winstverdeling opgenomen in een goedgekeurd jaarverslag van de vennootschap. XIV-38.342-21/24
  22. Vóór de wetswijziging van 15 april 2018 maakte artikel 574, 1°, van het Ger. W. nog gewag van “geschillen ter zake van een vennootschap die beheerst wordt door het Wetboek van vennootschappen, evenals van geschillen die ontstaan tussen de vennoten van een dergelijke vennootschap”. Zo er destijds mogelijks discussie kon zijn of de verwerende partij kon worden aangezien als een “vennootschap die beheerst wordt door het Wetboek van vennootschappen”, nu de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen slechts aanvullend op haar van toepassing zijn, dient vastgesteld dat artikel 574, 1°, van het Ger. W. sedert de wetswijziging van 15 april 2018 in algemene bewoordingen is opgesteld, in de zin dat vennootschapsgeschillen door de ondernemingsrechtbank worden beslecht. De bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank wordt niet langer verbonden aan een welbepaalde wet of wetboek. Bovendien bevat de op de verwerende partij toepasselijke bijzondere regelgeving noch haar statuten op dat punt een andersluidende regeling waardoor de bevoegdheidsregeling vervat in artikel 574, 1°, van het Ger. W. zou zijn uitgesloten.
  23. Voorts is sedert 1 januari 2020 artikel 2:44 van het WVV in werking getreden waarin is bepaald dat de ondernemingsrechtbank “de nietigheid uit[spreekt] van een besluit op verzoek van de rechtspersoon of een persoon die belang heeft bij de naleving van de rechtsregel die niet is nagekomen”. De bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen zijn overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de organieke wet van 22 februari 1998 van aanvullende toepassing. Een dergelijke verwijzingsregel slaat ook op artikel 2:44 van het WVV, waarvan zoals hiervoor reeds is uiteengezet, niet wordt afgeweken in de wet van 22 februari 1998, noch in de statuten. Door de weglating in artikel 2:44 van het WVV van de verwijzing naar de algemene vergadering, zoals onder de vorige regeling van artikel 178, eerste lid van het wetboek van vennootschappen nog het geval was, worden voortaan de besluiten geviseerd van alle vennootschapsorganen, met inbegrip van besluiten genomen door de raad van bestuur, de toezichts- en directieraad, de dagelijkse bestuurder, de vereffenaar, enzovoort. Hieruit volgt dat XIV-38.342-22/24 de ondernemingsrechtbank ook bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een besluit genomen door de Regentenraad van de NBB, die een orgaan van de vennootschap is en die het bestreden besluit nam. Hoewel de wet van 22 februari 1998 van het vennootschapsrecht afwijkende bepalingen omvat om het dividend te bepalen, doet dit geen afbreuk aan de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om kennis te nemen van het voorliggend vennootschapsgeschil. De bewering in verzoekers memorie van wederantwoord dat artikel 2:44 van het WVV op de verwerende partij niet van toepassing zou zijn, overtuigt geenszins. Zoals de verwerende partij onder het wetboek van vennootschappen een naamloze vennootschap was, is zij dat ook nu nog onder het WVV. Dat om redenen van de haar toevertrouwde opdrachten en rol een aantal (zelfs fundamentele) afwijkingen van het gemeen vennootschapsrecht opgenomen zijn in de wet van 22 februari 1998 op het vlak van de stemrechten van de in algemene vergadering verenigde aandeelhouders en hun deelname in de winst, ontneemt haar niet het karakter van een (naamloze) vennootschap in de zin van de artikelen 1:1, 1:5 en 2:1 van het WVV dat overigens op de verwerende partij aanvullend van toepassing is in de zin van artikel 2 van de wet van 22 februari 1998 (iuncto artikel 141, § 1, van de wet van 2 augustus 2002).
  24. Tot slot, kan er nog op worden gewezen dat uit de parlementaire voorbereiding bij het ontworpen artikel 2:43 dat artikel 2:44 van het WVV is geworden, blijkt dat daarbij de bedoeling voorlag de reikwijdte van artikel 178 van het wetboek van vennootschappen “te preciseren”. Er wordt door de regelgever aan herinnerd dat, naast de rechtspersoon, de nietigheidsvordering slechts kan worden ingesteld “door een persoon die een belang kan aantonen bij de naleving van de geschonden rechtsregel” waarmee “in de eerste plaats de vennoten, aandeelhouders, obligatiehouders en leden van vennootschappen en verenigingen, maar ook de leden van bestuursorganen [worden] bedoeld.” (Parl. St. Kamer 2017-2018, 3119/1, 52 en 53). Zoals hiervoor is gebleken, doet de bijzondere regeling in de wet van 22 februari 1998 er niet aan af dat verzoeker is te beschouwen niet als een derde doch als een aandeelhouder van de vennootschap, XIV-38.342-23/24 ook al zijn aan de aandelen die hij in de NBB aanhoudt “niet dezelfde rechten (…) verbonden als aan aandelen van andere naamloze vennootschappen”.
  25. De exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht is in de aangegeven mate, gegrond. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het beroep.
  27. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.342-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.492 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.