← België

Arrest 252519 - Reglementen (justitie) - 21/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.519 Rolnummer: A. 225033/XIV-37694 Zaak: Arrest 252519 - Reglementen (justitie) - 21/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-26 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-12 17:06 Fiche Arrest nr 252.519 van 21 december 2021 Justitie - Reglementen (justitie) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 252.519 van 21 december 2021 in de zaak A. 225.033/XIV-37.694 In zake: 1. de VZW ACTIEVE VERDEDIGING DER WAPENLIEFHEBBERS 2. Daniel BEETS 3. Xavier MAESEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Nicolas Goethals kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 april 2018, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 26 februari 2018 ‘tot wijziging van diverse koninklijke besluiten ter uitvoering van de wapenwet, betreffende de uitlening, de neutralisering en de vernietiging van vuurwapens en tot bepaling van de procedure bedoeld in artikel 45/1 van de wapenwet’. XIV-37.694-1/38 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 251.157 van 30 juni 2021 werd het debat heropend en werd aan de verzoekende partijen een termijn van 30 dagen gegeven na kennisgeving van het arrest om een memorie in te dienen. Dat arrest werd aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 9 juli 2021. Op 29 juli hebben de verzoekende partijen een memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september 2021, om 15.20 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ruben Dewulf, die loco advocaten Frank Judo en Nicolas Goethals verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020. Er wordt naar verwezen. XIV-37.694-2/38 IV. Ontvankelijkheid van het beroep wat de derde verzoeker betreft Uiteenzetting van de ambtshalve exceptie inzake de vereiste van hoedanigheid en belang wat de derde verzoeker betreft en standpunt van de derde verzoeker 4. In het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020 is ambtshalve vastgesteld dat uit het in het debat bijgebrachte ministerieel besluit van 6 juli 2018 ‘tot benoeming van de leden van de Adviesraad voor wapens’, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juli 2018, blijkt dat de derde verzoeker niet (langer) is benoemd tot vast of plaatsvervangend lid van de Adviesraad voor wapens (hierna: de Adviesraad), alsook “dat niet blijkt noch wordt aangevoerd dat de derde verzoeker dit besluit in rechte heeft betwist voor de Raad van State, zodat in deze stand van het geding lijkt te mogen worden aangenomen dat deze individuele benoemingsbeslissingen definitief zijn.” Hieruit werd afgeleid dat, in de mate dat de derde verzoeker zijn beroep tot nietigverklaring steunt op zijn hoedanigheid van lid van de Adviesraad, hij die hoedanigheid heeft verloren. Deze vaststelling deed in het voormelde tussenarrest de vraag rijzen of het verlies van die hoedanigheid van het lidmaatschap van de Adviesraad tot gevolg heeft dat het ingestelde beroep niet-ontvankelijk is geworden wat de derde verzoeker betreft. Ook deed dat de vraag rijzen of de derde verzoeker, benevens zijn hoedanigheid van lid van de Adviesraad, desgevallend van een andere hoedanigheid doet blijken die in voorkomend geval kan inhouden dat hij over de vereiste hoedanigheid beschikt om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. Bij arrest nr. 251.157 van 30 juni 2021 werden de verzoekers uitgenodigd zich schriftelijk uit te spreken over deze in het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020 opgeworpen vragen. XIV-37.694-3/38 5. In de aanvullende memorie, die gevolg geeft aan het verzoek gedaan in het voornoemde tussenarrest nr. 251.157 van 30 juni 2021, zet de derde verzoeker, na zich te hebben aangesloten bij de vaststellingen gedaan door het auditoraat, uiteen dat hij in zijn hoedanigheid van lid van de Adviesraad het beroep heeft ingesteld. Volgens hem heeft de omstandigheid dat hij er intussen niet langer lid van is, geen weerslag op de vereiste hoedanigheid om het voorliggende beroep in te stellen. Hij was op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit (en op het moment van het inleiden van het beroep) immers wel nog lid van de Adviesraad. Het is volgens deze verzoeker overigens op dat eigenste moment dat er afbreuk is gedaan aan de prerogatieven van de toenmalige leden van de Adviesraad, doordat tijdens het totstandkomingsproces van het bestreden besluit, een aantal leden van de Adviesraad waaronder de derde verzoeker, op een gebrekkige wijze zijn opgeroepen. Om deze reden was de Adviesraad niet rechtsgeldig samengesteld om het wettelijk vereiste advies te verlenen. Het verzoekschrift werd op 22 april 2018 tijdig ingediend en uit het ministerieel besluit van 6 juli 2018 blijkt dat slechts vanaf dat ogenblik de derde verzoeker niet langer is benoemd tot lid van de Adviesraad. Voorts betoogt de derde verzoeker dat, indien een lid van de Adviesraad enkel in rechte zou kunnen (blijven) optreden tegen onwettigheden die een schending van zijn prerogatieven uitmaken en die plaats vonden gedurende de looptijd van zijn mandaat, voor zover dat mandaat intussen niet is afgelopen, de inhoud en de effectiviteit van het functioneel belang wezenlijk zou worden uitgehold aangezien dergelijke mandaten doorgaans tijdelijk zijn en een beperkte duurtijd hebben. De vaststelling van een onwettigheid is voor de derde verzoeker niet nutteloos, want hierdoor worden hem door de wetgever toegekende rechten in bescherming genomen en geniet hij het voordeel dat bij de inwilliging van de gevraagde vernietiging, hij niet langer dient te dulden dat een reglementair besluit wordt toegepast dat is aangenomen met miskenning van zijn voorrechten als lid van een door de wetgever ingerichte adviesraad. Om dezelfde reden verliest de derde verzoeker evenmin zijn belang bij het beroep. De derde verzoeker wijst erop dat, doordat hij niet werd uitgenodigd, het zelfs overkomt dat hij uit loutere desinteresse niet aanwezig was XIV-37.694-4/38 op de vergadering en de onwettigheid slechts kan worden hersteld door het bestreden besluit uit het rechtsverkeer te nemen. Anders oordelen zou impliceren dat in de toekomst een vrijbrief wordt verleend aan de regelgever om volledig voorbij te gaan aan de samenstelling van de Adviesraad zodra het einde van (een deel van) de mandaten in deze Adviesraad nadert. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast XIV-37.694-5/38 (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Een verzoekende partij dient daarnaast te beschikken over de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. Deze vereiste van hoedanigheid - procesbevoegdheid of kwaliteit - dient te worden onderscheiden van de vereiste van het belang. Een verzoekende partij kan in eigen naam geen vordering instellen die erop gericht is een aanspraak die haar niet toebehoort, alsnog gerealiseerd te zien worden. Zij beschikt in dat geval niet over de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren, punt 11). 7. De derde verzoeker bevestigt dat hij het voorliggende beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld in de hoedanigheid van lid van de Adviesraad. Een lid van een adviesraad zoals de voorliggende heeft in elk geval hoedanigheid om de nietigverklaring te vorderen van een bestuurshandeling die inbreuk maakt op de bevoegdheden van die adviesraad of op zijn prerogatieven als lid ervan. Niet blijkt dat de derde verzoeker doet blijken van een andere hoedanigheid of functioneel belang dan die van lid van de Adviesraad. 8. De derde verzoeker heeft zijn initiële hoedanigheid of procesbevoegdheid van lid van de Adviesraad in de loop van de huidige procedure verloren omdat de minister van Justitie overeenkomstig artikel 37, vierde lid van de Wapenwet, op voorstel van de betrokken verenigingen, instanties en ministers XIV-37.694-6/38 andere leden dan hem heeft benoemd voor een hernieuwbaar mandaat van vijf jaar. Volgens de verwerende partij in haar memorie van antwoord, daarop niet tegengesproken door de derde verzoeker, werden de leden benoemd bij het ministerieel besluit van 6 juli 2018 “allen ook voorgesteld door de verschillende organisaties of organen die zijn vermeld in art. 27 van de Wapenwet”. De derde verzoeker het belang ontzeggen, is in dat geval aldus het gevolg van het gegeven dat hij, in de loop van de procedure voor de Raad van State, niet langer deel uitmaakt van de Adviesraad. Het functioneel belang van de derde verzoeker waarop de derde verzoeker zich beroept, is immers geen belang bij de zaak als zodanig, maar is verbonden aan het lidmaatschap van, te dezen, het adviserend orgaan waarvan hij lid is. Door het verlies van zijn hoedanigheid, beschikt de derde verzoeker aldus niet langer over het door hem aangevoerde functioneel belang. Deze conclusie kan evenwel van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de derde verzoeker om die reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die hij aanvoerde (cfr. RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Het komt evenwel, gelet op de op hem rustende plicht tot verheldering, aan die derde verzoeker toe aannemelijk te maken dat dit verlies van hoedanigheid en het erop geënte functioneel belang, niet het gevolg is van een handeling die hij zelf heeft gesteld of die hij heeft nagelaten te stellen en die hem persoonlijk verwijtbaar is, ten einde de Raad van State toe te laten te beoordelen of vast te stellen of de derde verzoeker die hoedanigheid al dan niet uit vrije wil is verloren (cfr. RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Van een verzoeker mag immers worden verwacht dat hij betracht de hoedanigheid van een adviserend orgaan, waarvan hij de bevoegdheden en prerogatieven door middel van een ingeleid annulatieberoep tracht te vrijwaren, te behouden derwijze dat het verlies ervan hem niet kan worden toegerekend. XIV-37.694-7/38 De derde verzoeker verzuimt evenwel ter zake enig nader inzicht te verlenen in de reden(

  1. en)waarom hij zijn hoedanigheid of procesbevoegdheid heeft verloren en inzonderheid of zulks al dan niet uit vrije wil is geschied. Hieruit volgt dat de derde verzoeker het niet aannemelijk maakt dat het verlies van het belang volgend uit het verlies aan de initiële hoedanigheid, hem niet kan worden aangerekend (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). De Raad van State kan er derhalve in zijn beoordeling of de derde verzoeker nog enig (functioneel) belang heeft, hoe miniem ook, geen rekening mee houden dat hij die hoedanigheid niet uit vrije wil zou zijn verloren. 9. Hoewel het enkele verlies van het lidmaatschap van de Adviesraad, waarvan niet blijkt dat dit buiten zijn wil is geschied, niet noodzakelijk op zich inhoudt dat de derde verzoeker elk (functioneel) belang bij de voorliggende nietigverklaring zou hebben verloren, komt het hem evenwel dan toe, zoals hiervoor is gebleken, daaromtrent opheldering te verschaffen. Dit doet hij niet. Zoals hiervoor is gebleken, steunt de derde verzoeker zich enkel op zijn functioneel belang als (gewezen) lid van de Adviesraad. In de mate dat verzoeker aanvoert dat uit zijn afwezigheid op de vergadering overkomt alsof hij uit loutere desinteresse niet aanwezig was, betreft dit argument een moreel persoonlijk belang dat vreemd is aan het functioneel belang waarop hij zich bij het inleiden van het voorliggende beroep heeft beroepen en dat hem de mogelijkheid biedt om de bestreden beslissing aan te vechten die, zonder hem persoonlijk te raken, een miskenning inhoudt van de prerogatieven van zijn mandaat of van de bevoegdheid van de Adviesraad waartoe hij behoorde. Het persoonlijke morele belang dat de derde verzoeker thans inroept, is aldus niet verbonden aan het lidmaatschap van het adviserend orgaan waarvan hij lid was en kan derhalve niet worden ingepast binnen de contouren waarom het hem met het voorliggende beroep is te doen. XIV-37.694-8/38 In de mate dat de derde verzoeker in de aanvullende memorie doet gelden dat hij nog een (functioneel ?) belang heeft omdat de aangevoerde onwettigheid enkel kan worden hersteld door het bestreden besluit uit het rechtsverkeer te nemen, oefent hij een actio popularis uit, die niet ontvankelijk is. Het argument tot slot dat het ontzeggen van een actueel belang aan de derde verzoeker een vrijbrief verleent om voorbij te gaan aan de samenstelling van de Adviesraad zodra het einde van een mandaat in die Raad nadert, kan niet tot gevolg hebben dat de Raad van State aan een persoon die geen (functioneel) belang heeft, toelaat af te stappen van de vereiste dat een belang niet alleen moet bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. 10. Uit wat voorafgaat blijkt niet dat de derde verzoeker nog een belang, moreel of materieel, hoe miniem ook, behouden heeft bij de vernietiging erga omnes van het thans bestreden besluit, nu niet blijkt dat de nietigverklaring ervan hem nog een direct en persoonlijk voordeel kan verschaffen, hoe miniem ook. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. C. Conclusie 11. Het voorliggende beroep is niet ontvankelijk wat de derde verzoeker betreft. Met het oog op de uitspraak over de kosten, dient de derde verzoeker evenwel, enkel wat dit aspect betreft, in het geding te worden behouden totdat definitief uitspraak over de kosten wordt gedaan. Hierna wordt onder de verzoekers begrepen de eerste verzoekende partij en de tweede verzoeker. XIV-37.694-9/38 XIV-37.694-10/38 V. Toepassing van artikel 30, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14quinquies van de algemene procedureregeling Onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel Uiteenzetting van het middelonderdeel Vooraf 12. Aangezien hierna zal blijken dat de beoordeling van het middelonderdeel beperkt is tot het onderzoek van het belang van de eerste verzoekende partij en tweede verzoekers bij het middelonderdeel, wordt wat de uiteenzetting van het middel betreft, verwezen naar de uiteenzetting in het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020. (Ambtshalve) exceptie wat het belang bij het middel betreft Uiteenzetting van de rechtsvraag in het tussenarrest nr. 248.539 13. In het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020 (punt 17) rees de vraag of, gelet op het in dat arrest aangegeven normdoel van de geschonden geachte bepalingen, de eerste verzoekende partij een (collectief) belang heeft bij haar wettigheidskritiek geuit in dit onderdeel van het middel. Inzake de tweede verzoeker rees in het voormelde tussenarrest de vraag of die, gelet op het in het tussenarrest aangegeven normdoel van de geschonden geachte bepalingen, belang heeft bij een middelonderdeel dat betrekking heeft op de (on)regelmatigheid inzake de oproeping van een derde en waarbij hij aldus in eigen naam een aanspraak die aan de derde verzoeker toebehoort, beoogt gerealiseerd te zien. XIV-37.694-11/38 Bij arrest nr. 251.157 van 30 juni 2021 werden de verzoekers uitgenodigd zich schriftelijk uit te spreken over de in het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020 opgeworpen vragen betreffende de ontvankelijkheid van dat middelonderdeel wat de eerste verzoekende partij en de tweede verzoeker betreft. Standpunt van de partijen 14. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord onder meer op dat de tweede verzoeker geen functioneel belang bezit vermits het vaststaat dat het standpunt van de wapenhandel dat hij initieel vertegenwoordigde, in de Adviesraad effectief werd verwoord. Op geen enkele wijze toont de tweede verzoeker aan dat door het advies van de Adviesraad omwille van het aangevoerde gebrek in de uitnodiging, de prerogatieven van betrokkenen, laat staan van de verzoekers zijn geschonden. Hetzelfde geldt volgens haar voor de eerste verzoekende partij wiens maatschappelijk doel het is “de verdediging en de behartiging van het particuliere wapenbezit in het algemeen, en de verdediging van de leden in het bijzonder (…) alsook de behartiging en de verdediging van de belangen van de particuliere wapenbezitters.” Voorts bemerkt de verwerende partij dat de eerste verzoekende partij geen lid is van de Adviesraad en dat ook het standpunt van de particuliere wapenbezitters werd gehoord door de Adviesraad. 15. In de memorie van wederantwoord repliceren de verzoekers dat ook verschillende andere leden dan de derde verzoeker niet werden opgeroepen voor de vergaderingen in kwestie, wat ook moet leiden tot de onregelmatigheid van de beweerde adviezen en dat de tweede verzoeker, als lid van de Adviesraad, dit gebrek wel degelijk kan opwerpen. Het gaat om een substantiële vormvereiste waarvan de naleving alle leden van de Adviesraad aanbelangt. Logischerwijze heeft “de onvolledige samenstelling van de Adviesraad immers nefaste gevolgen voor het functioneren van de Adviesraad in zijn geheel, alsook voor de kwaliteit van de adviezen (vermits geen rekening wordt gehouden met alle relevante standpunten, waardoor ook de constructieve dialoog in de schoot van de Adviesraad die de wetgever voor ogen had, niet kan plaatsvinden).” XIV-37.694-12/38 Daarnaast wordt in de memorie van wederantwoord nog gesteld dat ook de eerste verzoekende partij er alle belang bij heeft dat de Adviesraad op een rechtsgeldige wijze beraadslaagt en advies verstrekt. Zij komt op voor (onder meer) de particuliere wapenbezitters, “waarvoor het cruciaal is dat de regelgeving inzake wapens behoorlijk tot stand komt”, hetgeen “enkel mogelijk [is] indien rekening wordt gehouden met alle relevante standpunten (vertaald in een advies), hetgeen in casu niet is gebeurd.” Tot slot doet zij gelden dat hoe dan ook het gebrek ambtshalve moet worden opgeworpen en bijgevolg moet worden geacht de openbare orde te raken. In de laatste memorie van de verzoekers na het eerste verslag is voorts te lezen dat de derde verzoeker “wel degelijk persoonlijk, en niet als afgevaardigde van de Wapenunie, benoemd [werd] tot lid van de Adviesraad.” In de aanvullende memorie, die gevolg geeft aan het verzoek gedaan in het tussenarrest nr. 251.157 van 30 juni 2021, sluiten de verzoekers zich volledig aan bij de beoordeling in het auditoraatsverslag en oordelen zij dat zij allen belang hebben bij het middelonderdeel. Beoordeling 16. In het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020 is vastgesteld dat de geschonden geachte pleegvorm om alle (werkende of vaste) leden op te roepen wanneer de minister van Justitie de Adviesraad om advies heeft gevraagd, 1°) niet de openbare orde raakt zodat de verzoekers een belang bij het middelonderdeel moeten aantonen (punt 16) en 2°) er in de eerste plaats op is gericht de volledige uitoefening van de prerogatieven van de (werkende) leden van de Adviesraad te waarborgen en dus enkel is voorzien in het belang van die leden (punt 17). Er wordt naar verwezen. XIV-37.694-13/38 Anders dan hoe de verzoekers het zien, verplicht het gegeven dat de geschonden geachte vormvereiste substantieel van aard is, de Raad van State niet het bestreden besluit zonder meer te vernietigen en dienen de verzoekers derhalve hun belang bij die vernietiging op grond van het voorliggende middelonderdeel te doen blijken. De exceptie wordt vanuit dit oogpunt onderzocht. 17. De eerste verzoekende partij is geen lid van de Adviesraad. Evenmin voert zij aan of maakt zij aannemelijk dat zij een “betrokken vereniging” is op wiens voorstel de minister van Justitie op grond van artikel 37 van de Wapenwet een lid heeft benoemd dat niet werd uitgenodigd voor de betrokken vergadering(
  2. en)van de Adviesraad. De eerste verzoekende partij beroept zich derhalve op een collectief belang ontleend aan haar statuten en werking. Het (collectief) belang bij het middelonderdeel moet derhalve binnen dat belang bij het beroep inpasbaar zijn. De exceptie wordt vanuit dit belang onderzocht. Het geschonden geachte prerogatief behoort de leden van de Adviesraad toe en de eerste verzoekende partij heeft in beginsel geen belang erbij om de schending ervan aan te voeren. Het komt daarom aan haar toe om, indien zij op grond van haar collectief belang meent alsnog een (collectief) belang te hebben bij de nietigverklaring, daaromtrent opheldering te verschaffen. Het argument dat de eerste verzoekende partij opkomt voor (onder meer) de particuliere wapenbezitters, waarvoor het voor haar cruciaal is dat de regelgeving behoorlijk - d.i. rekening houdend met alle relevante standpunten vertaald in het advies en met het door de wetgever vooropgestelde evenwicht onder de “lobbyisten” - tot stand komt, volstaat te dezen niet. Dit argument betreft immers een belang afgeleid uit de (goede) naleving van de (Wapen)wet hetgeen niet beantwoordt aan de eis dat een (collectief) belang bij het middel niet mag samenvallen met het algemeen belang dat eenieder heeft bij de goede naleving van de regelgeving. De omstandigheid dat een verzoekende partij een collectief belang XIV-37.694-14/38 verdedigt, doet immers hieraan geen afbreuk, noch beperkt het feit dat zij een pleegvorm die is ingesteld in het belang van de leden van een adviserend orgaan, niet op ontvankelijke wijze kan betwisten, op onevenredige wijze haar toegang tot de rechter. De eerste verzoekende partij brengt aldus geen enkel gegeven aan waaruit blijkt dat zij in haar collectief belang is geschaad. 18. De tweede verzoeker is lid van de Adviesraad. Naar hij in het verzoekschrift stelt en wat niet wordt tegengesproken door de verwerende partij, is hij benoemd als Nederlandstalige vertegenwoordiger van de verenigingen representatief voor de wapenhandel. De tweede verzoeker beroept zich derhalve op zijn functioneel belang ontleend aan dat lidmaatschap. Hoewel daartoe uitgenodigd door het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020, punt 19, voert de tweede verzoeker niet aan dat hij, benevens dat functioneel belang, op grond van een persoonlijk belang doet blijken van het vereiste belang bij het middelonderdeel. De exceptie wordt derhalve vanuit het functioneel belang van de tweede verzoeker onderzocht. Het geschonden geachte prerogatief behoort de leden van de Adviesraad toe. In het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020 is vastgesteld dat de tweede verzoeker regelmatig voor de betrokken vergaderingen opgeroepen is geweest, doch dat hij om redenen die hem eigen zijn, niet heeft deelgenomen aan de vergaderingen. Ten aanzien van hem is derhalve de geschonden geachte vormvereiste nageleefd en zijn aldus zijn prerogatieven als lid van de Adviesraad niet miskend. De vraag of die vormvereiste niet is nageleefd ten aanzien van de derde verzoeker en of die erdoor is benadeeld, kan evenwel niet binnen het functioneel belang van de tweede verzoeker als lid van de Adviesraad worden gebracht dat er immers in bestaat een einde te zien stellen aan de eventuele schending van zijn prerogatieven als lid van de Adviesraad. Hetzelfde geldt wat zijn argument betreft dat ook nog andere leden niet regelmatig zouden zijn opgeroepen. XIV-37.694-15/38 In de mate dat de tweede verzoeker aanvoert dat de onvolledige samenstelling van de Adviesraad nefaste gevolgen heeft voor het functioneren van de Adviesraad in zijn geheel, alsook voor de kwaliteit van de adviezen, betreft zulks een moreel persoonlijk belang dat vreemd is aan het functioneel belang waarop de tweede verzoeker zich bij het inleiden van het voorliggende beroep heeft beroepen en dat hem enkel de mogelijkheid biedt om middelen aan te voeren die de prerogatieven van zijn mandaat of de bevoegdheid van de Adviesraad betreffen. Het persoonlijke morele belang dat de tweede verzoeker thans inroept, kan hier niet worden ingepast. Hetzelfde geldt wat de bespiegelingen betreft over wat hij had gedaan of kunnen doen indien hij op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat de derde verzoeker niet was uitgenodigd en dat hij erop mocht rekenen dat er wettig werd opgetreden. 19. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekers geen belang hebben bij het middelonderdeel. Conclusie 20. Het eerste middelonderdeel is niet ontvankelijk. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State de conclusie van het auditoraatsverslag dat het besproken middelonderdeel gegrond is en tot nietigverklaring kan leiden, niet bijvalt. Er is derhalve geen reden om met toepassing van artikel 30, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14quinquies van de algemene procedureregeling door middel van een versnelde procedure tot nietigverklaring over te gaan. XIV-37.694-16/38 VI. Onderzoek van het derde onderdeel van het tweede middel A. Vooraf 21. Het auditoraat komt in zijn eerste verslag tot de bevinding dat het derde onderdeel van het tweede middel niet gegrond is. Dit middelonderdeel kan derhalve niet worden ondergebracht onder de toepassing van artikel 30, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14quinquies van de algemene procedureregeling. Ter zake werd dit middel evenwel reeds onderzocht door het auditoraat, zijn de schriftelijke procedurestukken uitgewisseld en vond het debat ter terechtzitting reeds plaats voorafgaand aan het tussenarrest nr. 248.539 van 9 oktober 2020, zodat het om proceseconomische redenen gepast is bij één arrest ook reeds uitspraak te doen over dit middelonderdeel. B. Uiteenzetting van het in ondergeschikte orde aangevoerde middelonderdeel 22. De verzoekers voeren in het verzoekschrift, in een in ondergeschikte orde aangevoerd derde middelonderdeel, de onbevoegdheid van de Koning aan, alsook de schending van de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet en van de artikelen 3, 12/1, 35 en 451 van de Wapenwet, doordat, derde onderdeel, artikel 4 van het bestreden besluit het mogelijk maakt voor de lokale politie om in het kader van de amnestieregeling in verschillende gevallen over te gaan tot de inbeslagname van wapens, munitie en laders en diezelfde bepaling voorziet in een mogelijkheid voor de directeur van de Proefbank van de vuurwapens om te weigeren een voor vernietiging bestemd vuurwapen te vernietigen op grond van wetenschappelijke, didactische of historische redenen, terwijl uit het administratief wettigheidsbeginsel, opgenomen in de artikelen 105 en 108 van de Grondwet, volgt dat de Koning niet bevoegd is om de draagwijdte van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven uit te breiden of te beperken; en artikel 45/1 van de XIV-37.694-17/38 Wapenwet de Koning louter machtigt om de procedure en de nadere regels omtrent de toepassing van de amnestieregeling te bepalen. De verzoekers lichten toe dat artikel 4 van het bestreden besluit een artikel 16/1 toevoegt aan het koninklijk besluit van 29 december 2006 ‘tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 december 2006). Zij onderscheiden ter zake in het middelonderdeel twee grieven. In wat als een eerste grief kan worden beschouwd, zetten de verzoekers uiteen dat overeenkomstig het ingevoegde artikel 16/1 de lokale politie het wapen in beslag kan nemen indien “het wapen staat geseind, tenzij de reden van de seining niet langer actueel is” (§ 3) of de aangever “niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 45/1, § 4 van de Wapenwet” (§ 4), waarbij die laatste mogelijkheid ook bestaat voor munitie en laders. Inbeslagneming door de lokale politie is eveneens mogelijk indien: - (in geval van een aanvraag tot erkenning, vergunning of registratie) de aangever vanaf de kennisname van de weigering van de aanvraag het wapen, de munitie of de lader “binnen de periode van drie maanden niet één van [de] drie bestemmingen heeft gegeven of indien hij hiervan geen tijdige schriftelijke kennisgeving heeft gedaan” (§ 5); - (in geval van een keuze voor neutralisering) het wapen of de lader niet binnen een termijn van drie maanden daadwerkelijk werd geneutraliseerd door de Proefbank voor vuurwapens (§ 6); - (in geval van een keuze voor overdracht aan een daartoe gemachtigd of erkend persoon) het wapen, de lader of de munitie niet binnen drie maanden na afgifte daadwerkelijk werd overgedragen of de overnemer niet binnen die termijn de aanvraag tot het verkrijgen van de nodige erkenning of vergunning heeft ingediend (§ 7); XIV-37.694-18/38 - de aanvraag laattijdig (d.i. na 31 december 2018) werd gedaan en dus niet-ontvankelijk is (§ 9). De verzoekers betogen dat de verwerende partij niet beschikt over de noodzakelijke rechtsgrond om dergelijke inbeslagnames mogelijk te maken, hetgeen volgens hen is bevestigd door de afdeling Wetgeving van de Raad van State in het advies nr. 62.856/5. Volgens de verzoekers had “in werkelijkheid […] de al dan niet verplichte aard van de inbeslagname geen invloed op de conclusie van het advies” en zou “een andere interpretatie geven aan de kritieken van de afdeling Wetgeving […] tegen alle logica indruisen en de werkelijke draagwijdte van het advies miskennen”. Uit niets kan volgens hen worden afgeleid dat de wetgever de intentie had om een inbeslagneming door de politie toe te laten in het kader van de amnestieregeling. Ook artikel 45/1, § 6 van de Wapenwet vormt hiervoor geen geldige rechtsgrond, aangezien die bepaling de Koning enkel machtigt om “de procedure en de nadere regels omtrent de toepassing van dit artikel [te] bepalen”. Meer nog, stellen de verzoekers, bepaalt artikel 28, § 1 van de Wapenwet dat de inbeslagneming van wapens, munitie en laders door de politie slechts mogelijk is “in geval van gevaar voor de openbare orde of voor de fysieke integriteit van personen”. A contrario volgt daar volgens hen uit dat een mogelijkheid voor de politie om steeds - dus ook wanneer geen gevaar voor de openbare orde of de fysieke integriteit van personen bestaat - over te gaan tot inbeslagname, zoals voorzien in artikel 4 van het bestreden besluit, in strijd is met de Wapenwet. In voetnoot tot slot doen de verzoekers gelden, zoals dat volgens hen ook werd opgemerkt door de afdeling Wetgeving van de Raad van State in het advies nr. 62.856/4, dat zo’n mogelijkheid tot inbeslagneming evenmin kan zijn gesteund op artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering. Volgens hen is deze bepaling “in casu niet relevant, nu zij louter de bevoegdheden van de procureur des Konings regelt” en is het voor hen een raadsel in welk opzicht die bepaling de vereiste machtiging zou inhouden voor de Koning. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, zetten de verzoekers uiteen dat, “zoals reeds werd toegelicht met betrekking tot het tweede XIV-37.694-19/38 onderdeel”, de Koning niet over een rechtsgrond beschikt om te bepalen dat vuurwapens moeten worden vernietigd op grond van wetenschappelijke, didactische of historische redenen, zodat de Koning ook op dat punt niet bevoegd was om het bestreden besluit uit te vaardigen. Concluderend stellen de verzoekers dat artikel 4 van het bestreden besluit strijdt met de uitvoeringsbevoegdheid van de Koning en het wettigheidsbeginsel, zoals vervat in de artikelen 105 en 108 van de Grondwet. Artikel 4 van het bestreden besluit strijdt bijgevolg ook met artikel 45/1, § 6 van de Wapenwet. 23. In de memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekers naar hun verzoekschrift en benadrukken zij dat het niet relevant is dat er in de uiteindelijke tekst van het bestreden besluit sprake is van een mogelijkheid in plaats van een verplichting tot inbeslagneming. Dat de politiediensten in elk geval afzonderlijk moeten nagaan of er voor de inbeslagname een wettelijke basis voorhanden is, zoals de verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord, blijkt volgens hen in geen enkel opzicht uit het bestreden besluit, integendeel: het laat de lokale politie vrij om te beslissen om al dan niet tot inbeslagname over te gaan en het vormt hiertoe klaarblijkelijk een autonome rechtsgrond. Wat de mogelijkheid tot niet-vernietiging betreft bedoeld in artikel 16, § 10 van het koninklijk besluit van 29 december 2006, stellen de verzoekers dat de verwerende partij geen verweer voert en dat zij louter voor de volledigheid verwijzen naar hetgeen zij met betrekking tot het tweede middelonderdeel hebben uiteengezet. Aldaar betwisten de verzoekers de exceptie van de verwerende partij dat zij geen belang zouden hebben bij deze grief. Volgens de verzoekers betreft de grief de onbevoegdheid van de steller van de bestreden handeling en raakt dat de openbare orde zodat zij geen belang moeten aantonen bij het middel. Louter voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de eerste verzoekende partij overeenkomstig artikel 4 van haar statuten “de belangen van de particuliere wapenbezitters [verdedigt en behartigt], ongeacht de activiteit die ze met hun wapens voeren (zoals sportschutters, recreatieve schutters, jagers, kleiduivenschutters, XIV-37.694-20/38 verzamelaars, historische en folkloristische groepen, …)”. Het standpunt van de verwerende partij dat de verzoekers enkel “optreden als vertegenwoordigers van wapenhandelaars, doch niet van musea of verzamelaar” is bijgevolg onjuist. 24. In hun laatste memorie na het eerste verslag over de zaak beklemtonen de verzoekers dat zij in het middelonderdeel bekritiseren dat artikel 4 van het bestreden besluit voorziet in een resem van gevallen waarin een inbeslagneming mogelijk is, maar dat in het auditoraatsverslag daar niet is op ingegaan. Voorts is het niet omdat artikel 28, § 2 van de Wapenwet voorziet in een mogelijkheid voor de officieren van gerechtelijke politie en officieren van bestuurlijke politie om wapens, munitie en laders in beslag te nemen “in geval van gevaar voor de openbare orde of voor de fysieke integriteit van personen, die ze concreet moeten aanwijzen”, dat artikel 45/1 van de Wapenwet een rechtsgrond zou bevatten voor de Koning om inbeslagnames in het kader van de amnestieregeling toe te laten. Zij herinneren er aan dat het bestreden besluit, anders dan artikel 28, § 2, van de Wapenwet, geen gevaar voor de openbare orde of voor de fysieke integriteit van personen vereist opdat tot inbeslagneming kan worden overgegaan en de lokale politie dus vrij laat om hierover te beslissen. 25. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat deze bepalingen hun rechtsgrond vinden in artikel 45/1, § 6, van de Wapenwet, op grond waarvan de Koning nadere regels kan uitvaardigen ter uitvoering van artikel 45/1 van de Wapenwet en dat daarbij ook kan worden verwezen naar artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering. Voorts stelt zij dat in paragraaf 3 van de bestreden bepaling met het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State rekening werd houden in die zin dat de tekst werd aangepast in “kan het wapen in beslag nemen.” Ook werd een wijziging van dezelfde aard doorgevoerd in § 4. Ook de omstandigheid dat de aangever geacht werd vrijwillig afstand te doen van het wapen, de lader of de munitie, werd geschrapt. De bestreden bepaling verplicht dus de politiediensten niet tot inbeslagneming; het omvat alleen maar een mogelijkheid. De hypotheses waarin door de politie tot inbeslagname kan worden overgegaan, worden verduidelijkt in een ministeriële omzendbrief en in een XIV-37.694-21/38 omzendbrief van het College van procureurs-generaal, zodat met deze verduidelijkingen de politiediensten in elk geval afzonderlijk zullen moeten nagaan of er voor de inbeslagneming een wettelijke basis voorhanden is. Formeel gezien voert de verwerende partij in haar memorie van antwoord geen exceptie aan wat het belang van de verzoekers bij het middel betreft. Wel werpt zij in het tweede middelonderdeel wat de eveneens in dat onderdeel aan bod komende grief betreft op - met name dat de Koning geen rechtsgrond heeft om te bepalen dat bepaalde wapens niet worden vernietigd -, dat zij niet inziet welk persoonlijk belang, te dezen, de verzoekers kunnen aanvoeren bij de vernietiging van het kwestieuze artikel: zij treden op als vertegenwoordiger van wapenhandelaars, doch niet van musea of verzamelaars. Beoordeling Exceptie wat het belang betreft bij het middelonderdeel 26. Formeel gezien voert de verwerende partij in haar memorie van antwoord geen exceptie aan wat het belang van de verzoekers bij het derde middelonderdeel betreft, doch zij doet dat wel bij het overeenkomstige tweede middelonderdeel. Deze exceptie kan worden geacht ook het derde middelonderdeel te treffen, vermist zij is gemaakt in het tweede middelonderdeel inzake de eveneens in het voorliggende middelonderdeel aan bod komende grief dat de Koning geen rechtsgrond heeft om te bepalen dat bepaalde wapens niet worden vernietigd. Ook de verzoekers hebben het in deze zin begrepen door in de memorie van wederantwoord louter ter volledigheid te verwijzen naar hetgeen zij ter zake hebben uiteengezet met betrekking tot het tweede middelonderdeel. Deze exceptie wordt daarom onderzocht in het raam van het voorliggende onderzoek van het derde middelonderdeel. XIV-37.694-22/38 27. Hiervoor is vastgesteld dat de tweede verzoeker zich beroept op een functioneel belang, ontleend aan zijn hoedanigheid van lidmaatschap van de Adviesraad. Er dient herhaald dat hij in zijn hoedanigheid van lid van de Adviesraad enkel middelen kan aanvoeren welke hetzij betrekking hebben op de schending van de prerogatieven die aan het lidmaatschap van de Adviesraad zijn verbonden, hetzij betrekking hebben op de miskenning van de bevoegdheden van de Adviesraad. Het thans ter beoordeling voorliggende middelonderdeel betreft de (on)bevoegdheid van de steller van de bestreden akte. Dit middelonderdeel is vreemd aan de bedoelde prerogatieven en bevoegdheden. Het kan derhalve niet worden in aanmerking genomen. Anders dan hoe de tweede verzoeker het ziet, leidt de omstandigheid dat, naar hij stelt, het middel van openbare orde is, niet tot een andere conclusie. De tweede verzoeker heeft geen belang bij het middelonderdeel. 28. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, doet de eerste verzoekende partij blijken van het vereiste collectief belang bij het middelonderdeel wat de eerste grief ervan betreft. Een dergelijke grief kan worden gekaderd binnen haar hiervoor reeds aangegeven maatschappelijk doel en het ermee verbonden collectief belang dat zij te dezen uitoefent. Haar belang is derhalve ruimer dan dat van wapenhandelaars. In die mate is de exceptie ongegrond. 29. Anders is het evenwel wat de kritiek van de eerste verzoekende partij inzake de tweede grief betreft. De in de tweede grief bekritiseerde paragraaf 10 van het artikel 16/1 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 biedt de mogelijkheid aan de directeur van de Proefbank voor vuurwapens en de politiediensten om XIV-37.694-23/38 zeldzame en interessante exemplaren op grond van wetenschappelijke, didactische of historische redenen niet te vernietigen, waarna die worden bezorgd aan politiescholen, wetenschappelijke instellingen of openbare musea die hierom verzoeken (supra, punt 32.). De eerste verzoekende partij oefent kritiek uit op die mogelijkheid in die zin dat er volgens haar geen rechtsgrond is om te bepalen dat vuurwapens niet moeten worden vernietigd op die gronden. Het vernietigen van wapens bestaat uit het definitief onbruikbaar maken ervan, waarbij van vuurwapens alle aan de proef onderworpen onderdelen moeten worden vernietigd (artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006). Dit gebeurt (in beginsel) door de Proefbank voor vuurwapens (artikel 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006) die onder meer tot opdracht heeft het vernietigen van de vuurwapens overeenkomstig de Wapenwet (artikel 3, 4° van de wet van 8 juli 2018 ‘houdende bepalingen inzake de proefbank voor vuurwapens’). Uit het thans bestreden artikel 16/1 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 blijkt dat de vernietiging van wapens, laders en munitie enkel mogelijk is in de hypothese dat de aangever koos voor het vrijwillig afstand doen van het wapen, de lader en munitie bij de lokale politie. Immers, enkel in dat geval, nader bepaald in paragraaf 8 van het bestreden artikel 16/1 van het koninklijk besluit van 29 december 2006, gaat de Proefbank voor vuurwapens over tot de vernietiging op vertoon van het aangiftebewijs. Hieruit volgt dat de bekritiseerde mogelijkheid om bepaalde exemplaren niet te vernietigen desgevallend enkel toepassing kan vinden in de hypothese waarin de aangever heeft geopteerd voor de vrijwillige afstand van het wapen, de lader en/of de munitie. Enkel die voorwerpen komen immers in aanmerking voor vernietiging. De eerste verzoekende partij betwist op zich niet dat dergelijke wapens, laders en munitie na vrijwillige afstand ervan door de aangever, worden vernietigd - en dus worden onttrokken aan het particuliere wapenbezit -, noch dat de niet-vernietigde exemplaren worden bezorgd aan politiescholen, XIV-37.694-24/38 wetenschappelijke instellingen of openbare musea die hierom verzoeken, maar wel het feit dat er geen rechtsgrond is om sommige van de te vernietigen exemplaren te onttrekken aan de vernietiging en die dus niet worden vernietigd. Deze grief kan evenwel niet worden gekaderd in haar zelf gestelde statutaire doel. De eerste verzoekende partij is, zoals reeds is aangehaald, een rechtspersoon wiens maatschappelijk doel is “de verdediging en de behartiging van het particuliere wapenbezit in het algemeen, en de verdediging van de leden in het bijzonder”, alsook de verdediging en behartiging van “de belangen van de particuliere wapenbezitters, ongeacht de activiteit die ze met hun wapens voeren”. Centraal staat derhalve het particulier wapenbezit en de particuliere wapenbezitter. De exemplaren waarop de thans bestreden paragraaf toepasselijk is, zijn evenwel niet (langer) vatbaar voor enig legaal particulier wapenbezit vermits ze daaraan omwille van hun bestemming tot vernietiging, zijn onttrokken. Hiervoor is immers vastgesteld dat de aangever van de wapens, laders en munitie die op grond van de bekritiseerde bepaling kunnen worden onttrokken aan hun bestemming om te worden vernietigd, er vrijwillig afstand van heeft gedaan. Zulks betekent dat deze niet meer tot enig particulier wapenbezit (kunnen) behoren en dat deze voor vernietiging bestemde voorwerpen ook niet meer kunnen noch mogen worden geïncorporeerd in enig legaal particulier wapenbezit of het voorhanden houden ervan. Ze zijn derhalve niet langer “vatbaar” voor particulier wapenbezit. Aangezien de eerste verzoekende partij de (vrijwillige afstand met) bestemming tot vernietiging van deze wapens niet betwist - waardoor die wapens nooit (meer) in particulier bezit kunnen komen -, kan de grief die betrekking heeft op deze te vernietigen voorwerpen niet worden ondergebracht in het statutaire doel waarvan, zoals is vastgesteld, de verdediging en de behartiging van het particuliere wapenbezit centraal staat. De kritiek die de eerste verzoekende partij thans aanvoert, kan aldus niet ten goede komen aan de realisatie van haar statutair doel, zodat zij geen belang heeft bij deze grief. De omstandigheid dat, naar de verzoekende partij in de XIV-37.694-25/38 memorie van wederantwoord betoogt, deze grief de openbare orde raakt, doet hieraan evenmin afbreuk. Hetzelfde geldt wat haar verweer in de memorie van wederantwoord betreft dat het standpunt van de verwerende partij dat de verzoekers enkel “optreden als vertegenwoordigers van wapenhandelaars, doch niet van musea of verzamelaar” onjuist is, nu blijkt dat de voorwerpen waarop deze grief betrekking heeft niet het voorwerp (kunnen) zijn van particulier wapenbezit. Haar collectief belang laat derhalve niet toe op te komen tegen de tweede grief. 30. Uit wat voorgaat volgt dat hierna enkel nog de behandeling van de eerste grief van dit middelonderdeel aan de orde is wat de eerste verzoekende partij betreft. Met de verzoekende partij wordt hierna de eerste verzoekende partij bedoeld. De grond van de zaak 31. De eerste grief bekritiseert, zoals de verzoekende partij in haar laatste memorie uitdrukkelijk stelt, dat artikel 16/1 van het koninklijk besluit van 29 december 2006, zoals ingevoegd bij artikel 4 van het bestreden besluit, in een aantal gevallen voorziet waarin een inbeslagneming mogelijk is door de lokale politie, terwijl daarvoor geen rechtsgrond is. 32. Artikel 45/1 van de Wapenwet, ingevoegd bij artikel 27 van de wet van 7 januari 2018 ‘tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek’, luidt: “§ 1. Eenieder die zonder de vereiste vergunning of erkenning een vergunningsplichtig wapen, een lader of munitie voorhanden heeft, moet daarvan uiterlijk op 31 december 2018 aangifte doen bij de lokale politie: XIV-37.694-26/38 - hetzij met het oog op de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6, van een vergunning bedoeld in artikel 11 of van de registratie bedoeld in artikel 12, derde lid, bij de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats; - hetzij met het oog op de neutralisering op eigen kosten van het wapen of de lader door de Proefbank voor vuurwapens; - hetzij met het oog op de overdracht van het wapen, de lader of de munitie aan een persoon die gemachtigd is ze voorhanden te hebben of daarvoor is erkend; - hetzij met de bedoeling er afstand van te doen. Aangiftes gedaan na 31 december 2018 met het oog op de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6, van een vergunning bedoeld in artikel 11 of van de registratie bedoeld in artikel 12, derde lid, leiden tot de onontvankelijkheid van die aanvraag. § 2. In afwachting van de beslissing van de gouverneur, kan de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6 of van een vergunning bedoeld in artikel 11 als voorlopige erkenning of vergunning gelden volgens de nadere regels bepaald door de Koning. In het tegenovergestelde geval worden het wapen, de laders en de munitie in bewaring gegeven bij de lokale politie of bij een persoon die gerechtigd is ze voorhanden te hebben of daarvoor is erkend, vanaf de dag van de aangifte tot het verkrijgen van de gevraagde erkenning of vergunning of tot de toepassing van het tweede lid. In geval van de weigering van de erkenning bedoeld in artikel 6 of de vergunning bedoeld in artikel 11, moet de betrokkene binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop die beslissing definitief is geworden, hetzij het wapen en de laders op eigen kosten laten neutraliseren bij de Proefbank voor vuurwapens, hetzij het wapen, de laders en de munitie overdragen aan een persoon die gerechtigd is ze voorhanden te hebben, hetzij afstand ervan doen bij de lokale politie van zijn verblijfplaats. § 3. Wanneer de betrokkene het wapen, de lader of de munitie aangeeft aan de lokale politie met het oog op toepassing van paragraaf 1, wordt hem een aangiftebewijs overhandigd. Dit aangiftebewijs wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen of hun gemachtigden en vermeldt om welk wapen of welke lader of munitie het gaat alsook de keuze voor één van de mogelijkheden voorzien in paragraaf 1, eerste lid. § 4. Hij die paragraaf 1 toepast, kan niet worden vervolgd wegens het gebrek aan de desbetreffende vergunning: 1° indien dat feit tot op het moment van de aangifte geen aanleiding heeft gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad door een politiedienst of een gerechtelijke overheid; of 2° indien het wapen op zijn naam was geregistreerd in het Centraal Wapenregister voor de inwerkingtreding van deze wet. § 5. Wanneer ze betrekking hebben op dossiers die ingediend zijn tijdens de periode bedoeld in paragraaf 1, worden de hierna genoemde termijnen als volgt verlengd: 1° de termijn bedoeld in artikel 11, § 1, eerste lid, wordt gebracht op vier maanden in plaats van drie maanden; 2° de termijn bedoeld in artikel 31, 2°, wordt gebracht op vijf maanden in plaats van vier maanden. § 6. De Koning kan de procedure en de nadere regels omtrent de toepassing van dit artikel bepalen.”. Deze bepaling trad op 1 maart 2018 in werking (artikel 11, § 3 van het bestreden besluit). XIV-37.694-27/38 Artikel 45/1 van de Wapenwet voorziet in een zogenoemde amnestieregeling, waardoor het van 1 maart 2018 tot en met 31 december 2018 mogelijk was om aangifte te doen van een illegaal vergunningsplichtig wapen, een illegale lader of illegale munitie, zonder te kunnen worden vervolgd, op voorwaarde dat het wapen op het moment van de aangifte geen aanleiding had gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad. Indien dat wel het geval was, was de aangifte zonder vervolging enkel mogelijk indien het wapen op naam van de persoon die aangifte deed in het Centraal Wapenregister was geregistreerd vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet (GwH nr. 26/2020, 20 februari 2020, punt B.1.1.). De systematiek van de amnestieregeling is de volgende: 1./ Op grond van artikel 45/1 van de Wapenwet moet eenieder die zonder de vereiste vergunning of erkenning een vergunningsplichtig wapen, een lader of munitie in zijn bezit heeft, daarvan uiterlijk 31 december 2018 aangifte doen: - hetzij met het oog op de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6 van de Wapenwet, van een vergunning bedoeld in artikel 11 van de Wapenwet of van de registratie bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wapenwet, die gericht moet worden aan de bevoegde gouverneur; - hetzij met het oog op de neutralisering op eigen kosten van het wapen of de lader door de Proefbank voor vuurwapens; - hetzij met het oog op de overdracht van het wapen, de lader of de munitie aan een persoon die gemachtigd is ze voorhanden te hebben of daarvoor is erkend; - hetzij met de bedoeling er vrijwillig afstand van te doen; 2./ Degene die een wapen tijdig aangeeft, zal evenwel niet automatisch gemachtigd zijn om dit vervolgens in zijn bezit te hebben. Indien hij nog geen houder is van een erkenning, een jachtverlof of een sportschutterslicentie, dan zal in afwachting van de beslissing van de gouverneur, de aanvraag tot erkenning of vergunning gelden als voorlopige erkenning of vergunning en mag hij derhalve het wapen, de lader of de munitie onder zich houden; XIV-37.694-28/38 3./ Wordt de erkenning of de vergunning geweigerd, dan moet de aangever binnen de drie maanden, te rekenen vanaf de dag waarop die beslissing definitief is geworden, een keuze doen tussen hetzij het wapen en de laders te laten neutraliseren, hetzij die over te dragen, hetzij er vrijwillig afstand van te doen; 4./ Aangiftes die worden gedaan na 31 december 2018 zijn niet ontvankelijk. De Wapenwet is voorts een bijzondere strafwet. Luidens artikel 21, eerste lid ervan zijn “zij die de bepalingen van deze wet overtreden”, strafbaar met correctionele straffen. Voorts wordt luidens het laatste lid van die bepaling, in dat geval de verbeurdverklaring uitgesproken overeenkomstig artikel 42 van het Strafwetboek. Zulks betekent dat, te dezen, degene die in strijd met de bepalingen van Wapenwet zonder een voorafgaande vergunning of erkenning, een vergunningsplichtig vuurwapen, lader of de daarbij horende munitie voorhanden hebben de strafwet overtreedt en een wanbedrijf pleegt. Vertaald naar de amnestieregeling vervat in artikel 45/1 van de Wapenwet betekent zulks dat: 1° eenieder die zonder de vereiste vergunning of erkenning een vergunningsplichtig wapen, lader of munitie voorhanden heeft en dat met toepassing van artikel 45/1, § 1, eerste lid, van de Wapenwet aangeeft bij de lokale politie, in beginsel in overtreding is en strafrechtelijk kan worden vervolgd. In beginsel, want op grond van artikel 45/1, § 4, van de Wapenwet kan de aangever wegens gebrek aan de desbetreffende vergunning of erkenning niet worden vervolgd als hij voldoet aan de voorwaarden bepaald in het voornoemde artikel 45/1, § 4; 2° de aangever in dat geval niet kan vervolgd worden zolang hij ingaat op en valt onder een van de aangeboden mogelijkheden om te voorkomen dat hij de wet overtreedt: het aanvragen van een vergunning of erkenning, het neutraliseren of het afstand doen. Doet hij dat niet of respecteert hij de termijnen daartoe niet, dan valt hij buiten de amnestieregeling en stelt hij zich, wegens gebrek aan de desbetreffende vergunning of erkenning en het eruit volgende illegaal bezit of voorhanden hebben, bloot aan strafvervolging. XIV-37.694-29/38 3° een aangever die zijn aangifte na de amnestieperiode doet, zich aan strafvervolging blootstelt. 33. Artikel 16/1 van het koninklijk besluit van 29 december 2006, zoals ingevoegd bij artikel 4 van het bestreden besluit, luidt: “Art. 16/1. De procedure bedoeld in artikel 45/1 van de Wapenwet verloopt zoals hierna bepaald. § 1. De aangifte van vergunningsplichtige wapens, munitie of laders vindt plaats bij de lokale politie bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. De aangever begeeft zich met het ongeladen, gedemonteerde en verpakte wapen of de lege en verpakte lader of de afzonderlijk van het wapen verpakte munitie naar de lokale politie bevoegd voor zijn verblijfplaats, na voorafgaande kennisgeving. § 2. Indien tijdens de aangifteperiode bepaald in paragraaf 9 een vergunningsplichtig wapen, munitie of een lader wordt aangegeven, overhandigt de lokale politie bevoegd voor de verblijfplaats aan de betrokkene een aangiftebewijs dat wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen of hun gemachtigden. Het aangiftebewijs wordt, naargelang het geval, omschreven in de volgende paragrafen, opgemaakt volgens het formulier model nr. 6A, waarvan het model wordt opgenomen in bijlage 2 van dit besluit, of het formulier nr. 10A, waarvan het model wordt opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit. § 3. De lokale politie van de verblijfplaats kan het wapen in beslag nemen indien uit de controle, uitgevoerd naar aanleiding van de aangifte, blijkt dat het wapen staat geseind, tenzij de reden van de seining niet langer actueel is. De lokale politie levert in zulks geval bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 10A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Op het aangiftebewijs wordt aangeduid dat het wapen in beslag wordt genomen omdat het staat geseind. § 4. De lokale politie van de verblijfplaats kan het wapen, de munitie of de lader in beslag nemen indien uit de controle, uitgevoerd naar aanleiding van de aangifte, blijkt dat de aangever niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 45/1, § 4 van de Wapenwet. In zulks geval levert de lokale politie bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 10A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Op het aangiftebewijs wordt aangeduid dat het wapen, de munitie of de lader in beslag wordt genomen omdat de aangever niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 45/1, § 4 van de Wapenwet. § 5. De aangifte met het oog op de aanvraag van een erkenning, een vergunning of een registratie verloopt als volgt: Indien de aangever een erkend persoon is bedoeld in artikel 5 van de Wapenwet die zijn erkenning formulier model nr. 2 wenst uit te breiden naar laders of indien de aangever een erkenning formulier model nr. 2 overeenkomstig artikel 5 van de Wapenwet wenst te verkrijgen die geldig is voor laders, dient hij hiertoe een aanvraag in bij de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. Indien het vorige lid niet van toepassing is, wordt het wapen door de lokale politie van de verblijfplaats op naam van de aangever geregistreerd in het centraal wapenregister. De lokale politie levert bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 6A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. XIV-37.694-30/38 De aangever die niet onder het tweede lid valt en die houder is van een jachtverlof of een sportschutterslicentie en het wapen naargelang het geval wordt bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1° of 2° van de Wapenwet, ontvangt een aangiftebewijs waarop wordt aangeduid dat een registratie op basis van een formulier model nr. 9 wordt gevraagd. Hij mag het wapen voorhanden houden in afwachting van de ontvangst van het formulier model nr. 9. De aangever die niet onder het tweede lid valt en die geen houder is van een jachtverlof of een sportschutterslicentie, waarvan het wapen naargelang het geval niet overeenstemt met deze bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1° of 2° van de Wapenwet, ontvangt een aangiftebewijs waarop wordt aangeduid dat een erkenning formulier model nr. 3 of een vergunning formulier model nr. 4 wordt aangevraagd. De lokale politie stuurt het aangiftebewijs, dat geldt als aanvraag van een erkenning of een vergunning, door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever of - in geval een erkenning wordt gevraagd - de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. Het aangiftebewijs vermeldt het resultaat van het controleonderzoek dat de lokale politie in zulks geval uitvoert alsook de plaats waar het wapen zal worden bewaard in afwachting van de beslissing van de gouverneur. Tijdens dit controleonderzoek gaat de lokale politie na of de aangever meerderjarig is, geen veroordelingen heeft opgelopen zoals bedoeld in artikel 5, § 4 van de Wapenwet en of er geen redenen van openbare orde bestaan, die zouden leiden tot de intrekking van de erkenning of de vergunning. In geval het controleonderzoek van de lokale politie gunstig is, mag de aangever het wapen, de munitie of de lader voorhanden houden in afwachting van de beslissing van de gouverneur inzake zijn aanvraag van een erkenning of een vergunning. Het aangiftebewijs geldt als voorlopige erkenning of vergunning. In geval het controleonderzoek ongunstig is, wordt het wapen, de lader of de munitie in bewaring gegeven bij de lokale politie of bij een persoon die gerechtigd is het voorhanden te hebben of daarvoor is erkend, vanaf de dag van de aangifte tot het verkrijgen van de gevraagde erkenning of vergunning of tot de weigering ervan door de gouverneur. De weigering van de aanvraag van de erkenning of vergunning wordt per aangetekend schrijven door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever aan hem meegedeeld. De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt dat de aangever het wapen, de lader of de munitie binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop hij kennisnam van de weigeringsbeslissing één van volgende bestemmingen moet geven: - het wapen of de lader op eigen kosten laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens; - het wapen, de lader of de munitie overdragen aan een persoon die gerechtigd is het voorhanden te hebben; - het wapen, de lader of de munitie afstaan bij de lokale politie van zijn verblijfplaats. Binnen acht dagen te rekenen vanaf de neutralisering, de overdracht of de afstand stelt de aangever de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats hiervan schriftelijk in kennis. Zulks geschiedt door middel van een formulier dat bij de kennisgeving van de weigeringsbeslissing werd gevoegd. Indien blijkt dat de aangever het wapen, de lader of de munitie binnen de periode van drie maanden niet één van deze drie bestemmingen heeft gegeven of indien hij hiervan geen tijdige schriftelijke kennisgeving heeft gedaan, kan de lokale politie van zijn verblijfplaats het wapen, de munitie of de lader in beslag nemen. § 6. De aangifte met het oog op de neutralisering van het wapen of de lader verloopt als volgt: Het wapen wordt door de lokale politie van de verblijfplaats op naam van de XIV-37.694-31/38 aangever geregistreerd in het centraal wapenregister. De lokale politie levert bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 6A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Op het aangiftebewijs wordt aangeduid dat het wapen of de lader zal worden geneutraliseerd door de proefbank voor vuurwapens. De aangever mag het wapen of de lader voorhanden houden in afwachting van de neutralisering ervan. Het aangiftebewijs vermeldt dat het wapen of de lader binnen drie maanden na aangifte ervan moet geneutraliseerd worden door de proefbank voor vuurwapens. In afwijking van artikel 2, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt, gaat de proefbank voor vuurwapens over tot de neutralisering op vertoon van dit aangiftebewijs, informeert zij de lokale politie van de verblijfplaats dat het wapen of de lader werd geneutraliseerd en registreert zij de neutralisering van het wapen in het centraal wapenregister. Indien het wapen of de lader binnen de termijn bedoeld in het vierde lid niet werd geneutraliseerd door de proefbank voor vuurwapens, kan de lokale politie van de verblijfplaats het in beslag nemen. § 7. De aangifte met het oog op de overdracht van het wapen, de lader of de munitie aan een daartoe gemachtigd of erkend persoon verloopt als volgt: Het wapen wordt door de lokale politie van de verblijfplaats op naam van de aangever geregistreerd in het centraal wapenregister. De lokale politie levert bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 6A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Op het aangiftebewijs wordt aangeduid dat de overdracht van het wapen, de munitie of de lader wordt gevraagd. De aangever mag het wapen, de munitie of de lader voorhanden houden in afwachting van de overdracht ervan. Het aangiftebewijs vermeldt dat ofwel het wapen, de lader of de munitie binnen drie maanden na de aangifte ervan moet worden overgedragen aan een persoon die gemachtigd is het voorhanden te hebben of daarvoor is erkend, ofwel binnen die termijn de overnemer de aanvraag tot het verkrijgen van de nodige erkenning of vergunning moet indienen. Indien de voorwaarden bedoeld in het vierde lid niet werden nageleefd, kan het wapen, de munitie of de lader door de lokale politie van de verblijfplaats in beslag worden genomen. § 8. De aangifte met het oog op de afstand van het wapen, de lader of de munitie verloopt als volgt: Het wapen wordt door de lokale politie van de verblijfplaats op naam van de aangever geregistreerd in het centraal wapenregister. De lokale politie levert bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 10A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Het aangiftebewijs vermeldt dat het wapen, de lader of de munitie vrijwillig werd afgestaan. In afwijking van artikel 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, gaat de proefbank voor vuurwapens over tot de vernietiging op vertoon van dit aangiftebewijs. § 9. De aangifte is mogelijk vanaf 1 maart 2018 en moet ten laatste geschieden op 31 december 2018. Elke aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6 van de Wapenwet, van een vergunning bedoeld in artikel 11 van de Wapenwet of van een registratie bedoeld in XIV-37.694-32/38 artikel 12, derde lid van de Wapenwet, gedaan naar aanleiding van een aangifte die plaatsvond na 31 december 2018, is onontvankelijk. Het bewijs van de tijdigheid en bijgevolg ontvankelijkheid van de aangifte wordt uitsluitend geleverd door een gedateerd en door beide partijen of hun gemachtigden ondertekend aangiftebewijs bedoeld in paragraaf 2. De lokale politie van de verblijfplaats kan het wapen, de lader of de munitie dat het voorwerp uitmaakt van een onontvankelijke aanvraag ten gevolge van een te laat ingediende aangifte in beslag nemen. § 10. De directeur van de proefbank voor vuurwapens kan of de politiediensten kunnen met toestemming van de Minister van Justitie beslissen om zeldzame en interessante exemplaren op grond van wetenschappelijke, didactische of historische redenen niet te vernietigen. Deze worden bezorgd aan politiescholen, wetenschappelijke instellingen of openbare musea die hierom verzoeken. § 11. De gouverneurs bezorgen op het einde van de aangifteperiode aan de Minister van Justitie een verslag met gegevens over de in de periode omschreven in paragraaf 9 ingeleverde wapens, munitie en laders op basis van de modellen 6A en 10A die zij hebben ontvangen”. Deze bepaling trad eveneens op 1 maart 2018 in werking (art. 11, § 3 van het bestreden besluit). In het advies nr. 62.856/4 van 20 februari 2018 stelde de Raad van State, afdeling Wetgeving het volgende omtrent het haar voorgelegde artikel 4 van het voorontwerp dat leidde tot het bestreden besluit: “1. Het ontworpen artikel 16/1, §§ 3 en 4, legt de lokale politie van de verblijfplaats van de persoon die een aangifte doet krachtens artikel 45/1 van de wapenwet, op om het wapen, de munitie of de lader waarop die aangifte betrekking heeft in beslag te nemen, indien blijkt, naar gelang van het geval, dat het wapen geseind staat of dat de aangever niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 45/1, § 4 van de voornoemde wet. Bijlage 3 van het ontwerpbesluit sluit daarbij aan. […] Volgens de gemachtigde van de minister ontlenen die bepalingen hun rechtsgrond aan artikel 45/1, § 6, van de wapenwet. Met betrekking tot de bepalingen waarbij de politie verplicht wordt om een wapen, munitie of een lader in beslag te nemen, heeft de gemachtigde van de minister eveneens verwezen naar artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering. Dat standpunt kan niet worden gevolgd. De machtiging die aan de Koning wordt verleend bij artikel 45/1, § 6, van de wapenwet, om de procedure en de nadere regels omtrent de toepassing van dat artikel te bepalen, betekent immers niet dat hij de lokale politie kan verplichten om het wapen, de munitie of de lader waarvoor een aangifte gedaan werd met toepassing van die bepaling, in beslag te nemen wanneer blijkt dat het wapen geseind staat of dat de aangever niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 45/1, § 4, van de voornoemde wet. […] Wat artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering betreft, kan die bepaling, hoewel ze de procureur des Konings ermee belast alles in beslag te nemen wat een XIV-37.694-33/38 van de in de artikelen 42 en 43quater van het Strafwetboek bedoelde zaken schijnt uit te maken en alles wat dienen kan om de waarheid aan de dag te brengen niet als een voldoende rechtsgrond beschouwd worden om de Koning te machtigen om bepalingen uit te vaardigen op grond waarvan de lokale politie verplicht is om het wapen, de munitie of de lader waarvoor een aangifte gedaan werd met toepassing van artikel 45/1 van de wapenwet in beslag te nemen, wanneer blijkt dat het wapen geseind staat of dat de aangever niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 45/1, § 4, van de wapenwet.”. 34. In verschillende gevallen die in het aangehaalde artikel 16/1 worden opgesomd, kan de lokale politie, naargelang de onderscheiden hypotheses, het wapen, munitie en laders in beslag nemen: 1° indien uit de controle uitgevoerd naar aanleiding van de aangifte, blijkt dat het wapen geseind staat, tenzij de reden van de seining niet langer actueel is (§ 3); 2° indien uit de controle uitgevoerd naar aanleiding van de aangifte, blijkt dat de aangever niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 45/1, § 4 van de Wapenwet (§ 4 - wapens, munitie of lader); 3° indien, na weigering van de aanvraag van de erkenning of de vergunning, de aangever niet een van de drie bestemmingen - neutraliseren, overdragen of afstand van doen - heeft gegeven of daarvan geen tijdige schriftelijke kennisgeving heeft gedaan (§ 5 - wapens, munitie of lader); 4° indien na aangifte met het oog op de neutralisering van het wapen of de lader, het wapen of de lader niet binnen de gestelde termijn is geneutraliseerd door de Proefbank voor vuurwapens (§ 6); 5° Indien na een aangifte met het oog op de overdracht van het wapen, de lader of de munitie de voorwaarden niet zijn nageleefd (§ 7); 6° indien de aangifte van het wapen, de lader of de munitie te laat is gedaan (i.e. na 31 december 2018 (§ 8). Anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, kunnen al deze gevallen worden ingepast binnen de gemeenrechtelijke regeling van de gerechtelijke inbeslagneming zoals die geldt in het strafprocesrecht. XIV-37.694-34/38 De gerechtelijke inbeslagneming kan immers als dwangmaatregel, krachtens het gemeenrechtelijk strafprocesrecht zowel binnen een opsporingsonderzoek als binnen een gerechtelijk onderzoek worden bevolen. Ze is, inzonderheid, mogelijk ten aanzien van alle zaken die schijnen vatbaar te zijn voor verbeurdverklaring - de in artikel 42 van de Strafwet bedoelde zaken - of van alles wat kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen - de bewijsstukken. (artikel 35 van het Wetboek Strafvordering). Te dezen situeren de onderscheiden hypotheses waarin het wapen, de lader en de munitie in beslag kan worden genomen, zich allen binnen de gerechtelijke inbeslagneming. Immers, in al de aangegeven gevallen heeft de aangever het wapen, de lader of de munitie zonder vergunning of erkenning voorhanden en bezit hij het aldus illegaal - wat een wanbedrijf vormt (zie supra, punt 32.). Het betreffen aldus alle gevallen waarin de aangever zich buiten de amnestieregeling bepaald in artikel 45/1 van de Wapenwet bevindt of plaatst, hetzij omdat bij de aangifte van het wapen de amnestieregeling niet geldt (§ 4), hetzij omdat de aangever zich buiten die amnestieregeling heeft geplaatst omdat niet tijdig is ingegaan op een van de aangeboden mogelijkheden om te voorkomen dat hij de wet overtreedt (§§ 5-7), hetzij omdat zijn aangifte buiten de amnestieperiode is gebeurd (§ 8). Hieruit volgt dat de gevallen waarin de bestreden bepaling een inbeslagneming toelaat, allen betrekking hebben op een aangever die handelt met overtreding van de Wapenwet en dus in wezen buiten de amnestieregeling valt omdat hij de Wapenwet die een (bijzondere) strafwet is, overtreedt. Ook de hypothese bedoeld in § 3 kadert tot slot binnen de regeling van de gerechtelijke inbeslagneming. De kritiek in het verzoekschrift dat artikel 35 van het Wetboek van Strafvordering niet relevant is nu die de bevoegdheid van de procureur des Konings zou regelen, is niet ter zake. Die bepaling verwijst naar de zaken die gerechtelijk kunnen worden inbeslaggenomen, maar luidens artikel 15, 3° van de wet van 5 augustus 1992 ‘op het politieambt’ behoort het opsporen, het in beslag te nemen en het ter beschikking te stellen van de bevoegde overheden van de XIV-37.694-35/38 voorwerpen waarvan de inbeslagneming is voorgeschreven, tot de gewone ambtsbevoegdheden van de politiediensten. De lokale politiediensten hebben derhalve de bevoegdheid tot gerechtelijke inbeslagneming van wapens, laders en munitie die zonder vergunning of erkenning voorhanden wordt gehouden. Aangezien de in de bestreden bepaling toegelaten inbeslagnemingen allen kunnen worden ingepast binnen de regeling van de gerechtelijke inbeslagneming, komt de vermelding van de mogelijkheden tot inbeslagneming in artikel 16/1 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 over als (nodeloze) herinneringen aan die mogelijkheden tot inbeslagneming waarin de strafprocesregeling reeds voorziet. 35. Aangezien de bekritiseerde inbeslagnemingen hun grondslag vinden in de regeling van de gerechtelijke inbeslagneming, is er geen noodzaak te onderzoeken of, zoals de verzoekende partij betoogt, deze al dan niet een grondslag hebben in de administratieve of bestuurlijke inbeslagnemingen toegelaten door artikel 28, § 2 van de Wapenwet. Het argument van de verzoekende partij afgeleid uit het advies van de Raad van State, afdeling Wetgeving, leidt niet tot een andere conclusie, nu in dat advies (zie supra, punt 33.) - klaarblijkelijk terecht - niet werd geoordeeld dat de inbeslagnemingen geen grondslag hebben en zulks los van het gegeven dat de bevindingen gedaan in het beredeneerd advies van de afdeling Wetgeving de (bestuurs)rechter niet binden. 36. Uit wat voorafgaat volgt dat, zelfs al zou de kritiek die de verzoekende partij te dezen in het middel uitoefent terecht zijn, dan nog zou de gebeurlijke nietigverklaring op grond ervan niet leiden tot enig nuttig effect daar die mogelijkheden tot inbeslagneming hoe dan ook hun grondslag vinden in de gemeenrechtelijke strafprocesrechtelijke regeling van de inbeslagneming. XIV-37.694-36/38 Het middelonderdeel kan in die mate niet tot nietigverklaring leiden. Conclusie 37. Het derde middelonderdeel kan niet tot vernietiging leiden. VII. Aanvullend onderzoek 38. Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel en van het derde onderdeel van het tweede middel, waarvan blijkt dat dit niet leidt tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de Auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. XIV-37.694-37/38 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.694-38/38 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.519 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.539 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.157 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.925 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.