← België

Arrest 252525 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 23/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.525 Rolnummer: A. 229082/X-17575 Zaak: Arrest 252525 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 23/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-29 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-12 17:10 Fiche Arrest nr 252.525 van 23 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.525 van 23 december 2021 in de zaak A. 229.082/X-17.575 In zake :

  1. de VZW AKTIEKOMITEE RED DE VOORKEMPEN woonplaats kiezend te 2900 Schoten Karel Selsstraat 37
  2. Dirk BUS woonplaats kiezend te 2180 Antwerpen-Ekeren De Oude Landen 24
  3. Ronny PEETERS woonplaats kiezend te 2900 Schoten Klamperdreef 7
  4. André DIDDEN woonplaats kiezend te 2180 Antwerpen-Ekeren De Oude Landen 66 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 10 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Spoorweginfrastructuur en natuurpark Oude Landen te Ekeren’. X-17.575-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober
  7. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Dirk Bus, die verschijnt in persoon en advocaat Geert Lambrechts, die loco advocaat Philippe Vande Casteele verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: de RvS-wet). III. Feiten 3.
  8. In 2009 neemt het Vlaamse Gewest het initiatief om voor het gebied Oude Landen te Ekeren een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) op te maken. Tweede, derde en vierde verzoeker wonen in de omgeving X-17.575-2/18 van het plangebied. De eerste verzoekende partij is een plaatselijke milieuvereniging. 3.
  9. Voor de opmaak van het GRUP wordt toepassing gemaakt van het besluit van de Vlaamse regering van 18 april 2008 ‘betreffende het integratie- spoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan’.
  10. Op 16 december 2009 keurt de dienst Milieueffectrapportage van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) het voor het voorontwerp van GRUP opgestelde plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) goed.
  11. Op 18 juni 2010 stelt de Vlaamse regering het ontwerp van GRUP ‘Spoorweginfrastructuur en natuurpark Oude Landen te Ekeren’ voorlopig vast.
  12. Over het ontwerp van GRUP wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 9 augustus tot 7 oktober
  13. Met een besluit van 27 mei 2011 stelt de Vlaamse regering het GRUP ‘Spoorweginfrastructuur en natuurpark Oude Landen te Ekeren’ definitief vast (hierna: het GRUP van 2011).
  14. Op 18 maart 2016 beslist de Vlaamse regering voor het GRUP van 2011 toepassing te maken van het decreet van 25 april 2014 ‘houdende het rechtsherstel van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de planmilieu- effectrapportage werd opgesteld met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan’ (hierna: het hersteldecreet). Daartoe wordt de volledig verklaarde kennisgeving in de vorm van het goedgekeurde plan-MER in openbaar onderzoek gebracht.
  15. Van 1 april tot 4 mei 2016 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd waarbij het goedgekeurde plan-MER ter beschikking wordt gesteld van het publiek. X-17.575-3/18
  16. Op 14 juli 2016 beslist de dienst Mer over de aanpassing van de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het plan-MER en stelt hij richtlijnen op voor het aanvullen van het plan-MER dat op 16 december 2009 werd goedgekeurd. In de richtlijnen van 14 juli 2016 stelt de dienst Mer onder meer dat hij op de hoogte moet gebracht worden van de resultaten van bepaalde evaluaties en afwegingen met betrekking tot het alternatievenonderzoek.
  17. Nadat de dienst Mer op 16 juli 2018 een nota betreffende een afweging van redelijke alternatieven heeft ontvangen, stelt deze dienst op 18 juli 2018 aanvullende richtlijnen op.
  18. Op 17 december 2018 keurt de dienst Mer het gewijzigde plan-MER goed.
  19. Van 18 februari tot 21 april 2019 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd over het gewijzigde plan-MER, de goedkeuringsbeslissing van de dienst Mer en de beslissing van de Vlaamse regering dat het gewijzigde plan-MER geen aanleiding geeft tot een wijziging van het GRUP.
  20. Met een besluit van 17 mei 2019 stemt de Vlaamse regering principieel in met de definitieve vaststelling van het GRUP ‘Spoorweginfrastructuur en natuurpark Oude Landen te Ekeren’ en gelast zij de voor ruimtelijke ordening bevoegde minister het advies in te winnen van de afdeling Wetgeving van de Raad van State.
  21. Op 20 juni 2019 brengt de afdeling Wetgeving van de Raad van State advies nr. 66.250/1 uit over het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het GRUP ‘Spoorweginfrastructuur en natuurpark Oude Landen te Ekeren’.
  22. Op 28 juni 2019 neemt de Vlaamse regering het bestreden besluit. X-17.575-4/18 Het bestreden besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli
  23. IV. Onderzoek van de middelen A. Het in het verzoekschrift aangevoerde middel Uiteenzetting van het middel 17.
  24. In het verzoekschrift wordt het enige middel genomen uit “onwettige en tegenstrijdige motieven en machtsoverschrijding, evenals schending van de artikelen 7bis, 10, 11, 23, 33, 160 en 190 van de Grondwet, de artikelen 8, 9 en 10 van het [hersteldecreet], het recht op doeltreffende inspraak in de besluitvorming inzake milieuaangelegenheden, het Verdrag van Aarhus ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’, inzonderheid de artikelen 3, 6, 7 en 9, de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’, de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’, het gezag van gewijsde van het arrest nr. 119/2015 Grondwettelijk Hof, de beginselen van zorgvuldigheid, voorzorg, onpartijdigheid, redelijke termijn en redelijkheid, de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en de artikelen 3 en 84 van de [RvS-wet]”. 17.
  25. In een eerste middelonderdeel wordt de onwettigheid aangevoerd van de beslissing van de Vlaamse regering van 18 maart 2016 om over te gaan tot rechtsherstel van het GRUP overeenkomstig het hersteldecreet. De verzoekende partijen betogen dat deze beslissing een reglementair besluit is in de zin van artikel 3, § 1, van de RvS-wet, zodat het ten onrechte niet voor advies werd voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Minstens diende voor het niet-raadplegen van de afdeling Wetgeving een motivering te zijn opge- X-17.575-5/18 geven, wat niet is gebeurd. De verzoekende partijen wijzen er op dat een besluit dat de inwerkingtreding van een regeling vastlegt een reglementair karakter heeft. 17.
  26. In een tweede middelonderdeel zetten de verzoekende partijen uiteen dat het onpartijdigheidsbeginsel werd geschonden, nu uit de aanhef van het besluit van 18 maart 2016 blijkt dat de Vlaamse regering bij voorbaat aangaf dat ze het GRUP van 2011 hoe dan ook wederom ongewijzigd definitief zou vaststellen. De verzoekende partijen wijzen er op dat in deze aanhef wordt gesteld dat de spoorinfrastructuurwerken in het plangebied “noodzakelijk zijn voor de modernisering van het Belgische spoornetwerk, in het bijzonder voor de bediening van de regio Antwerpen voor personentreinverkeer en de haven van Antwerpen voor goederentreinverkeer”, dat het bestreden GRUP “voorziet in de nodige bestemmingswijzigingen om de aanleg van nieuwe treininfrastructuur mogelijk te maken; dat de NMBS het initiatief genomen heeft voor de effectieve realisatie van die nieuwe spoorlijnen, onder meer door de vereiste stedenbouwkundige vergunning aan te vragen, en dat die vergunning is verkregen; dat de vergunning wordt betwist bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, waarbij onder meer de toepassing van het Integratiespoorbesluit als middel wordt opgeworpen”. Volgens de verzoekende partijen is het bestreden GRUP gemaakt op maat van de nv Infrabel. Zij verwijzen naar het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. RvVb/1516/A/1510 van 30 augustus 2016, evenals naar de snelle opeenvolging van de opmaak van het plan-MER op 14 december 2018, de goedkeuring ervan door de dienst Mer op 17 december 2018 en de beslissing van de Vlaamse regering van 21 december 2018 om te opteren voor het bovengrondse scenario als voorkeursscenario voor het vertakkingscomplex Oude Landen. 17.
  27. In een derde middelonderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de Vlaamse regering, ingevolge de verkiezingen van 26 mei 2019, bij het nemen van het bestreden besluit niet meer beschikte over de volheid van haar bevoegdheid. Het kwam de Vlaamse regering op 28 juni 2019 dan ook niet toe om – in weerwil van de bezwaarschriften – het GRUP ongewijzigd definitief vast te stellen in het kader van een procedure waarbij de inspraak beperkt is. X-17.575-6/18 Volgens de verzoekende partijen is in de nota aan de Vlaamse regering ten onrechte beweerd dat er enkel sprake is van een daad van dagelijks bestuur. De verzoekende partijen argumenteren dat de omstandigheid dat de volgende Vlaamse regering volheid van bevoegdheid heeft bij het verlenen van vergunningen aan nv Infrabel, niet wegneemt dat het betwiste GRUP de noodzakelijke rechtsgrond voor de projecten van nv Infrabel instelt. Zulke indringende operatie met een verlies van 40 hectare voor wonen, recreatie, reservaat en natuur, overig groen en landbouw vereist volgens hen volheid van bevoegdheid. Het bestreden GRUP houdt volgens de verzoekende partijen belangrijke beleidskeuzes in. Evenmin kan er sprake zijn van spoedeisendheid, aangezien de Vlaamse regering pas bijna twee jaar na de inwerkingtreding van het hersteldecreet besliste over te gaan tot rechtsherstel van het betrokken GRUP. Er is ook geen geldige verantwoording om de installatie van een gekozen nieuwe Vlaamse regering met volwaardige parlementaire meerderheid niet af te wachten. 17.5.
  28. In een vierde tot zevende middelonderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 9, § 1, van het hersteldecreet en van de verplichting om binnen een redelijke termijn te handelen. Pas bijna twee jaar na de inwerkingtreding van het hersteldecreet op 22 mei 2014 is gestart met het rechtsherstel van het betrokken GRUP. Bovendien is het bestreden GRUP pas op 28 juni 2019 ongewijzigd vastgesteld. De verzoekende partijen betwisten het standpunt dat het verval van de geldigverklaring de verdere toepassing van het hersteldecreet in beginsel niet in de weg staat en dat de definitieve vaststelling van het plan overeenkomstig artikel 10, § 4, van het hersteldecreet niet onderworpen is aan een dwingende termijn. Dit standpunt schendt volgens hen het gelijkheidsbeginsel – gelezen in samenhang met het redelijketermijnbeginsel – alsook het algemeen recht op doeltreffende inspraak. Het aannemen van het GRUP vond immers plaats in een kader waarin de inspraak is beperkt tot de inhoudsafbakening van het plan-MER en de volledig verklaarde kennisgeving. Het opgegeven motief voor de late opstart van de herstelprocedure – meer bepaald de verwijzing naar een aantal gerechtelijke X-17.575-7/18 procedures – is volgens de verzoekende partijen tegenstrijdig en onjuist. Zij wijzen er voorts op dat het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 114/2013 van 31 juli 2013 artikel 7.4.1/2 VCRO heeft vernietigd wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen voegen hieraan toe dat de mogelijkheid tot inspraak betreffende ruimtelijke uitvoeringsplannen, waartoe de decreetgever zich met de goedkeuring van het Verdrag van Aarhus heeft verbonden, geen loutere vormvereiste betreft. Het gegeven van de beknotting van de algemene inspraakregeling impliceert, aldus de verzoekende partijen, dat het hersteldecreet restrictief moet worden toegepast, zodat de opgegeven termijnen dwingende voorschriften zijn waarvan de niet-naleving door de rechtscolleges kan worden afgekeurd en leidt tot bevoegdheidsverlies. Dit houdt volgens hen in dat de overheid de – per hypothese tijdig ingezette – herstelprocedure tijdig dient af te ronden, in het dwingende twee jaar-tijdsbestek dat is afgebakend in artikel 11 van het hersteldecreet. Door het ongewijzigde GRUP definitief vast te stellen op 28 juni 2019 en dus na 23 mei 2016 – zijnde de datum waarop de decretale geldigverklaring van het GRUP van 2011 is vervallen – schendt de Vlaamse regering het hersteldecreet en het redelijketermijnbeginsel. Voorts zetten de verzoekende partijen uiteen dat de dwingende decretale beslissingstermijn van vijfendertig dagen, opgenomen in artikel 9, § 3, van het hersteldecreet, is geschonden door het uitvaardigen van aanvullende richtlijnen door de dienst Mer op 18 juli 2018, met andere woorden meer dan twee jaar na het openbaar onderzoek. De omstandigheid dat er sprake is geweest van een actualisatie verantwoordt weliswaar het uitvaardigen van aanvullende richtlijnen, maar verantwoordt niet dat alles nog heeft plaatsgevonden in het kader van een beperkte inspraakregeling. De Vlaamse regering moest volgens hen, na het uitvaardigen van aanvullende richtlijnen door de dienst Mer op 18 juli 2018, overschakelen naar een dossierbehandeling met volwaardige inspraak. 17.5.
  29. Het hersteldecreet schendt volgens de verzoekende partijen de artikelen 7bis, 10, 11 en 23 van de Grondwet, artikel 7 van het Verdrag van Aarhus en het redelijketermijnbeginsel. De verzoekende partijen erkennen dat het X-17.575-8/18 Grondwettelijk Hof het hersteldecreet van 2014 niet ongrondwettig heeft verklaard, maar wijzen er op dat dit Hof de aandacht heeft gevestigd op de verplichting om het plan-MER onverwijld ter beschikking te stellen en op het feit dat de beginselen van behoorlijk bestuur de overheid steeds verplichten om binnen een redelijke termijn te handelen. De verzoekende partijen vragen om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schenden de artikelen 8, 9, 10 en 11 van het [hersteldecreet] niet de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang genomen met het recht op doeltreffende inspraak in de besluitvorming inzake milieuaangelegenheden, het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieu-aangelegenheden, inzonderheid de artikelen 3, 6, 7 en 9, de richtlijn 2011/92/EU […], de richtlijn 2001/42/EG […] en de beginselen van zorgvuldigheid, voorzorg, redelijke termijn en redelijkheid, Geïnterpreteerd in die zin dat, indien de overheid die het ruimtelijk uitvoeringsplan eerder definitief heeft vastgesteld, beslist dat de inspraakreacties die werden ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek vermeld in paragraaf 2 en paragraaf 3 van artikel 10 van het hersteldecreet, geen aanleiding geven tot wijziging van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het deelplan, deze overheid het RUP nog definitief kan vaststellen na het verval van de periode van de geldigverklaring, bepaald in artikel 11, 1ste lid, hersteldecreet, zonder een sanctie van bevoegdheidsverlies op te lopen, en er nog geen bevoegdheidsverlies is of ontstaat bij afloop van een termijn van drie jaar die volgt op deze periode van decretale geldigverklaring, In acht genomen het gegeven dat na verloop van deze periode de overheid de procedure tot vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan of het deelplan nog steeds kan hernemen volgens de toepasselijke bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dit met inachtname van het Verdrag van Aarhus en artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2007 ‘betreffende de milieueffectrapportage over plannen en programma’s’?”
  30. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen in verband met het eerste middelonderdeel dat het besluit van 18 maart 2016 een noodzakelijke schakel is in de regularisatieoperatie van de verwerende partij, waarvan de wettigheid kan worden betwist. Wat het vierde tot zevende middelonderdeel betreft, stellen de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord dat de verwerende partij de reguliere planprocedure had moeten toepassen in plaats van de uitzonderlijke herstelprocedure door te zetten. X-17.575-9/18 19.
  31. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen in verband met het eerste middelonderdeel dat het besluit van 18 maart 2016 de inwerkingtreding bepaalt van de in artikel 11 van het hersteldecreet bedoelde “geldigverklaring”. 19.
  32. Wat het vierde tot het zevende middelonderdeel betreft, benadrukken de verzoekende partijen in hun laatste memorie dat uit de Grondwet en het verdrag van Aarhus volgt dat in milieuaangelegenheden “gehele inspraak […] dé regel is”, zodat het hersteldecreet een afwijkend regime is dat beperkend moet worden opgevat. Volgens de verzoekende partijen heeft het Grondwettelijk Hof de vooropgestelde prejudiciële vraag nog niet beantwoord, daar ze “de grondwettigheid van het behoud van bevoegdheid door decretale bepalingen” betreft. Beoordeling
  33. In het eerste middelonderdeel viseren de verzoekende partijen de beslissing van de Vlaamse regering van 18 maart 2016 om voor het GRUP van 2011 toepassing te maken van het hersteldecreet en bijgevolg het openbaar onderzoek te starten. Reglementaire besluiten in de zin van artikel 3, § 1, van de RvS-wet zijn besluiten die algemene regels stellen door te voorzien in een onpersoonlijke, abstracte rechtstoestand die voor een onbepaald aantal gevallen geldt. Vastgesteld moet worden dat de beslissing van 18 maart 2016 geen dergelijke algemene regels bevat. Aan de voorgaande vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het door de verzoekende partijen aangehaalde element dat de beslissing van 18 maart 2016 een noodzakelijke schakel is in de regularisatieoperatie. X-17.575-10/18 Anders dan de verzoekende partijen blijkbaar aannemen, legt de beslissing van 18 maart 2016 niet de inwerkingtreding van de in artikel 11 van het hersteldecreet bedoelde “geldigverklaring” vast. Deze inwerkingtreding is exhaustief geregeld in het hersteldecreet zelf. De conclusie is dat de beslissing van 18 maart 2016 geen reglementair besluit in de zin van artikel 3, § 1, van de RvS-wet is.
  34. Wat betreft het tweede middelonderdeel moet worden vastgesteld dat in de aanhef van het besluit van 18 maart 2016 wordt verwezen naar de redenen van algemeen belang – met name de verbetering en uitbreiding van bestaande openbaarvervoersinfrastructuur – die de aanleiding zijn voor het GRUP, maar daaruit kan niet afgeleid worden dat reeds zou zijn beslist om het GRUP van 2011 “ongewijzigd” definitief vast te stellen. De omstandigheid dat de door het ruimtelijk uitvoeringsplan voorziene openbaarvervoersinfrastructuur ten goede zal komen aan een autonoom overheidsbedrijf zoals de nv Infrabel, bewijst niet dat het plan niet of onvoldoende geïnspireerd is door het algemeen belang, of dat de plannende overheid partijdig is opgetreden. Het enkele feit dat de Vlaamse regering ervoor opteert om de herstelprocedure op te starten, kan evenmin beschouwd worden als een uiting van partijdigheid. Anders oordelen zou betekenen dat de Vlaamse regering niet zou kunnen overgaan tot rechtsherstel van het GRUP, hetgeen ingaat tegen het hersteldecreet. Noch uit de door de verzoekende partijen aangehaalde opeenvolging van beslissingen, noch uit enig ander door hen aangebracht element kan worden afgeleid dat de verwerende partij het onpartijdigheidsbeginsel zou hebben geschonden.
  35. Wat het derde middelonderdeel betreft, moet worden vastgesteld dat de Vlaamse regering tussen 26 mei 2019 – de verkiezingsdag voor het Vlaams X-17.575-11/18 parlement – en totdat een nieuwe regering is verkozen (hierna: de kritieke periode) niet over de volheid van haar bevoegdheid beschikte. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de Vlaamse regering het GRUP een eerste maal op 27 mei 2011 definitief heeft vastgesteld. Wat de herstelprocedure betreft, heeft de Vlaamse regering op 17 mei 2019 – dit is vóór de aanvang van de kritieke periode – principieel ingestemd met de tweede definitieve vaststelling van het GRUP, waarbij zij heeft aangenomen dat het gevoerde openbaar onderzoek geen aanleiding gaf tot enige aanpassing van het ontwerp-GRUP. De procedure die geleid heeft tot het bestreden besluit werd ruim voor de kritieke periode aangevat en de verzoekende partijen tonen niet aan dat de beleidsvragen die dit besluit oproept niet zouden zijn beantwoord toen de Vlaamse regering nog over de volheid van haar bevoegdheid beschikte. De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat het bestreden besluit niet beschouwd mag worden als het eindresultaat van een normaal aangevatte en normaal afgewikkelde procedure en niet zou passen binnen de beperkte bevoegdheid waarover de Vlaamse regering tijdens de kritieke periode beschikte. 23.
  36. Het vierde tot het zevende middelonderdeel hebben vooreerst betrekking op artikel 9, § 1, van het hersteldecreet. Wat deze decreetsbepaling betreft, wordt in de overwegingen van het bestreden besluit volgende verantwoording gegeven voor het tijdsverloop tussen de inwerkingtreding van het decreet en de beslissing om dit decreet op het betrokken GRUP toe te passen: “Overwegende dat het tijdsverloop tussen de inwerkingtreding van het hersteldecreet en de beslissing van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 […] kan worden verklaard doordat er in de periode 2015-2016 enkele studies (vrachtmodel en scenario's) werden uitgevoerd in het kader van het plan-MER voor de Tweede Spoorontsluiting van de zeehaven Antwerpen, waarin ook sprake was van de situering van de Oude Landen ten opzichte van de Tweede Spoorontsluiting. Dit heeft bijgedragen tot een aangepaste prioriteitstelling van verschillende spoorprojecten. Het is maar daarna dat X-17.575-12/18 een plan-MER op een betekenisvolle wijze kon worden geactualiseerd en onderbouwd en dat de Vlaams spoorstrategie verder vorm heeft gekregen”. Zoals in het auditoraatsverslag is vastgesteld, heeft de verwerende partij er terecht op gewezen dat de verzoekende partijen volledig voorbijgaan aan de hiervoor aangehaalde verantwoording. Ook in hun laatste memorie bewaren de verzoekende partijen het stilzwijgen over deze verantwoording. In zoverre het betrekking heeft op artikel 9, § 1, van het hersteldecreet, is het middel aldus gebrekkig geadstrueerd en kan het geen vernietiging van het bestreden besluit verantwoorden. 23.
  37. De aangevoerde schending van artikel 9, § 3, van het hersteldecreet overtuigt evenmin. Vooreerst moet worden vastgesteld dat de dienst Mer reeds op 14 juli 2016 – dit is iets meer dan twee maanden na het beëindigen van het openbaar onderzoek – richtlijnen heeft opgesteld omdat de dienst van mening was dat op basis van de inspraakreacties de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het plan-MER aangepast moesten worden. Voorts moet er op worden gewezen dat er slechts sprake is van een decretale vervaltermijn wanneer het decreet zulks uitdrukkelijk bepaalt of wanneer het aan het verstrijken van de termijn bepaalde rechtsgevolgen verbindt. Daar het hersteldecreet met betrekking tot de in artikel 9, § 3, genoemde beslissingstermijn van vijfendertig dagen, noch het een, noch het andere doet, is het ten onrechte dat de verzoekende partijen er van uitgaan dat deze termijn een vervaltermijn zou zijn. 23.
  38. Anders dan de verzoekende partijen menen, is de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan overeenkomstig artikel 10, § 4, van het hersteldecreet niet onderworpen aan een dwingende termijn. Het verstrijken van de termijn van de geldigverklaring op 23 mei 2016 vormde te dezen dan ook geen decretaal beletsel om op een latere datum over te gaan tot de definitieve vaststelling. X-17.575-13/18 Voorts moet worden opgemerkt dat het hersteldecreet in 2014 is vastgesteld om tegemoet te komen aan het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof nr. 114/2013 van 31 juli 2013 en dat dit decreet – zoals hierna wordt toegelicht – de toets van het Grondwettelijk Hof heeft doorstaan. Op 21 augustus 2014 hebben de eerste tot de derde verzoekende partijen bij het Grondwettelijk Hof een vernietigingsberoep ingesteld tegen het hersteldecreet. In de middelen van dit beroep wordt aangevoerd dat het hersteldecreet afbreuk doet aan de (inspraak)rechten van de rechtsonderhorigen daar het de relevante grondwetsbepalingen – al dan niet in samenhang gelezen met het Verdrag van Aarhus, de richtlijnen 2011/92/EU en 2001/42/EG en algemene rechtsbeginselen – schendt, doordat het hersteldecreet de plannende overheid aan geen enkele dwingende termijn bindt, terwijl de reguliere vaststellingsprocedure van de VCRO een dwingende vervaltermijn oplegt binnen dewelke het ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vastgesteld moet zijn. Bij arrest nr. 119/2015 van 17 september 2015 heeft het Grondwettelijk Hof alle middelen van het laatstgenoemde beroep verworpen. Daarbij heeft het Hof over de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan na het openbaar onderzoek het volgende overwogen: “De ontstentenis van dwingende beslissingstermijnen in de bestreden bepalingen [van het hersteldecreet] doet […] niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken rechtsonderhorigen.” Vastgesteld moet worden dat de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vraag (randnr. 17.5.2) wezenlijk hetzelfde onderwerp heeft als de middelen in het meergenoemde beroep. Het door de verzoekende partijen aangehaalde element dat de vraag “de grondwettigheid van het behoud van bevoegdheid door decretale bepalingen” betreft, doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststelling. Daar het Grondwettelijk Hof zich in het arrest nr. 119/2015 van 17 september 2015 reeds heeft uitgesproken over het laatstgenoemde onderwerp, wordt de voorgestelde vraag niet aan dit Hof gesteld. 23.
  39. Wat betreft het redelijketermijnbeginsel, beperken de verzoekende partijen er zich wezenlijk toe er op te wijzen dat het bestreden GRUP X-17.575-14/18 is vastgesteld meer dan drie jaar na het verstrijken van de termijn van de geldigverklaring. Dit is op zichzelf onvoldoende om de schending van het laatstgenoemde beginsel aannemelijk te maken. Enig ander overtuigend argument wordt niet aangevoerd. 23.
  40. Bij al het voorgaande bedenkt de Raad van State dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat er te dezen drie openbare onderzoeken georganiseerd zijn over (de milieueffecten van) de vastgestelde voorschriften (randnrs. 6, 9 en 13). De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat zij aldus, op het einde van de rit, minder inspraakmogelijkheden zouden hebben gehad dan indien niet het hersteldecreet was toegepast maar de reguliere vaststellingsprocedure. Uit het enkele feit dat de verzoekende partijen een voorkeur hebben voor de laatstgenoemde procedure, volgt geen onwettigheid.
  41. Het in het verzoekschrift aangevoerde enige middel wordt in al zijn onderdelen verworpen. B. Het in de laatste memorie aangevoerde middel Uiteenzetting van het middel
  42. In hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen nieuwe gegevens aan van het “PFOS-Antwerpen-dossier”. Zij menen dat door het verzwijgen van informatie over dit dossier meerdere van de in randnummer 17.1 aangehaalde rechtsregels zijn geschonden. Uit de websites van de kranten De Standaard en De Morgen blijkt dat de Vlaamse regering sinds 2017 dit dossier kent, doch deze informatie achtergehouden heeft tegenover het betrokken publiek. De overheid bevestigt in 2021 dat alle inwoners binnen een straal van vijftien kilometer rond de site van de fabriek 3M benadeeld zijn of minstens nadelig betrokken kunnen zijn. Het plangebied van het bestreden GRUP bevindt zich op acht kilometer van het epicentrum van de “PFOS-Antwerpen-vervuiling”. Er is, anders dan het een onpartijdige overheid zou betamen, met dit dossier geen rekening gehouden als een bestaand milieuprobleem dat relevant is voor het GRUP. De Vlaamse regering heeft de informatie over de “PFOS-vervuiling” X-17.575-15/18 overigens niet eens ter beschikking van de MER-coördinator gesteld. De dienst Mer, onder het gezag van de Vlaamse regering, heeft deze informatie ook verzwegen. De verzoekende partijen besluiten dat de modus operandi van de Vlaamse regering het recht op inspraak en op bescherming van de gezondheid schendt. Met een brief van 1 september 2021 delen de verzoekende partijen een persbericht mee van augustus 2021 waarin de stad Antwerpen erkent dat er PFOS-vervuiling is vastgesteld op circa drie kilometer van de Oude Landen. Beoordeling
  43. Onder een in een annulatieberoep aan te voeren “middel” dient te worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden.
  44. Het blijkt niet dat er binnen het plangebied van het bestreden GRUP “PFOS-vervuiling” aangetroffen zou zijn. Mede in dat licht, moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat de verzoekende partijen onvoldoende toelichten waarom het bestreden besluit behept zou zijn met een onwettigheid op basis van de beweerde nieuwe gegevens. De in de laatste memorie aangevoerde argumentatie kan niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden en wordt verworpen. V. Conclusie
  45. Gelet op de verwerping van alle middelen hiervoor, moet het beroep hoe dan ook worden verworpen. X-17.575-16/18 VI. Kosten
  46. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
  47. Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
  48. De Raad van State verwerpt het beroep.
  49. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 60 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. X-17.575-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.575-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.525 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.