id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.534 Rolnummer: A. 232370/VII-40967 Zaak: Arrest 252534 - Milieuvergunningen - 23/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-30 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-12 17:16 Fiche Arrest nr 252.534 van 23 december 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.534 van 23 december 2021 in de zaak A. 232.370/VII-40.967 In zake : de NV REMO MILIEUBEHEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 20 oktober 2020 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 14 juli 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Remo Milieubeheer voor het verder exploiteren en veranderen van een afvalopslagplaats/stortplaats, gelegen aan de Koerselsedijk te Houthalen-Helchteren, gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.967-1/7 Auditeur Benny De Sutter heeft op 5 juni 2021 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 december
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evy Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Bram Van den Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partij heeft op 29 januari 2016 een milieuvergunningsaanvraag ingediend. De bevoegde Vlaamse minister verleent de gevraagde vergunning in laatste administratieve aanleg met een beslissing van 10 januari
- De Raad van State vernietigt deze beslissing met zijn arrest nr. 247.484 van 4 mei
- De minister herneemt de procedure en verleent vervolgens met het thans bestreden besluit van 20 oktober 2020 de gevraagde vergunning, op een ogenblik dat het omgevingsvergunningsdecreet reeds volledig in werking is getreden. VII-40.967-2/7 Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij uit in het verzoekschrift haar twijfels omtrent de rechtsmacht van de Raad van State om uitspraak te doen over het ingestelde beroep. Zij meent dat die bevoegdheid op grond van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: omgevingsvergunningsdecreet) toekomt aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
- De verwerende partij verwijst in de memorie van antwoord naar artikel 387, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet. Zij is van oordeel dat die bepaling ook betrekking heeft op de navolgende procedures inzake rechtsbescherming bij het milieuvergunningscontentieux, zodat de Raad van State wel degelijk de bevoegde bestuursrechter is.
- In haar memorie van wederantwoord brengt de verzoekende partij hier in essentie nog tegen in dat op de herstelbeslissing die te nemen is in het kader van een heroverweging na een retroactieve vernietiging door de Raad van State, de regelgeving van toepassing is die geldt op het ogenblik dat de nieuwe beslissing moet genomen worden. Zij wijst tevens op artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek en op het algemeen rechtsbeginsel van de onmiddellijke werking van de jurisdictionele procedurewetten, dat moet worden toegepast op artikel 105, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet. De verwijzing door de verwerende partij naar het cassatiearrest van 18 mei 2020 gaat volgens haar niet op. Het blijkt immers niet dat daarin de specifieke situatie voorlag waarbij, in heroverweging na een vernietigingsarrest door de Raad van State, een vergunningsbesluit werd genomen op grond van het milieuvergunningsdecreet na de inwerkingtreding van het omgevingsvergunningsdecreet. De verzoekende partij legt tevens als bijkomend stuk een beschikking van de Voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 18 VII-40.967-3/7 maart 2021 voor waarin, in het kader van het annulatieberoep van de in de voorliggende zaak ook voor de Raad van State bestreden ministeriële beslissing van 20 oktober 2020, wordt geoordeeld dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet klaarblijkelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep, en dat de procedure wordt voortgezet volgens de gewone rechtspleging.
- In haar laatste memorie voegt de verwerende partij toe dat haar standpunt wordt bevestigd door het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 16 april 2019 met nummer RvVb-A-1819-0883, dat bij de Raad van State werd bestreden aan de hand van een cassatieberoep. Dit cassatieberoep werd verworpen bij arrest nr. 247.565 van 18 mei
- Ook uit het vervolg van de procedure voor de Raad van State tegen de ministeriële beslissing van 19 december 2017 die tevens het voorwerp uitmaakte van het annulatieberoep voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, dat heeft geleid tot arrest RvVb-A-1819-0883 van 16 april 2019, blijkt volgens haar dat de Raad van State de bevoegde bestuursrechter is om het voorliggend annulatieberoep te behandelen. Zij verwijst daarbij naar arrest nr. 251.186 van de Raad van State van 1 juli 2021 over het annulatieberoep tegen voormeld ministerieel besluit van 19 december 2017, waarin werd overwogen dat uit arrest nr. 247.565 van 18 mei 2020 volgt dat de Raad van State in die zaak kennis kon nemen van het annulatieberoep. Beoordeling
- De historisch relevante versie van de bepalingen inzake rechtsmacht die op huidig geding van toepassing zijn luiden: Artikel 105, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet: “De uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg, of de aktename of de niet-aktename van een melding, vermeld in artikel 111, kan VII-40.967-4/7 bestreden worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk VIII, van de VCRO”. VII-40.967-5/7 Artikel 387, eerste lid, van hetzelfde decreet: “Een aanvraag van een milieuvergunning of een erkenning, een mededeling van een kleine verandering, een melding van een derdeklasse-inrichting, een overname of een verzoek tot verlenging overeenkomstig artikel 45ter, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, ingediend met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend”. Artikel 388, § 1, eerste lid, en § 3, eerste lid, van hetzelfde decreet: “§
- De vergunningen en milieuvergunningen die nog geldig waren alsook de milieuvergunningen die nog worden verleend op grond van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zijn geldig voor de vastgestelde duur, met behoud van de toepassing van artikel 43, 44 en 45ter van het voormelde decreet en artikel 390 van dit decreet. […] §
- De vergunning en de milieuvergunning, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de melding, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, worden voor de toepassing van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM beschouwd als de omgevingsvergunning respectievelijk de melding, waarvan akte is genomen”.
- Voornoemd artikel 387 bevat een regeling voor de afhandeling van dossiers die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van het omgevingsvergunningsdecreet maar waarin nog geen eindbeslissing is genomen. Dergelijke dossiers worden ook na de inwerkingtreding van het omgevingsvergunningsdecreet verder afgehandeld volgens de bepalingen van het vroegere milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Tegen de met toepassing van artikel 387, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet genomen beslissingen kan beroep worden ingesteld bij de Raad van State die op grond van de algemene vernietigingsbevoegdheid die hij put uit artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uitspraak moet doen over het geschil. De bedoelde beslissingen worden immers niet vermeld in artikel 105,§ 1, van het omgevingsvergunningsdecreet. Uit VII-40.967-6/7 deze overgangsmaatregel volgt ook dat een aanvraag van een milieuvergunning leidt tot een beslissing bij toepassing van het milieuvergunningsdecreet. Deze overgangsmaatregel is geen decretale bepaling die een geschil over een milieuvergunning toekent aan een ander administratief rechtscollege, de RvVb, dan de Raad van State De jurisdictionele beroepsmogelijkheid tegen de bestreden milieuvergunning wordt bepaald door de procedureregels die van toepassing waren in eerste administratieve aanleg. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.967-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.534 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.301 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div